Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met Oudshoorn & Schoe
0348-418816
ECLI:NL:CBB:2017:472 
 
Datum uitspraak:03-11-2017
Datum gepubliceerd:14-02-2018
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:15/597
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Spoedbestuursdwang, overtreding 36 en 37 Gwwd, geen spoedeisende situatie, controlehistorie, beroep gegrond,. Overschrijding redelijke termijn
Trefwoorden:bestuursdwang
dienst regelingen
gezondheids- en welzijnswet voor dieren
koeien
perceel
stallen
 
Uitspraak
uitspraak

COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 15/597
11201

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 november 2017 in de zaak tussen

[naam 1] , te [plaats] , appellant
(gemachtigde: mr. B. Smit),

en

de staatssecretaris van Economische Zaken, verweerder
(gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik),

en

de Staat der Nederlanden (de minister van Veiligheid en Justitie).




Procesverloop

Bij besluit van 12 december 2013 (het primaire besluit) heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 11 december 2013, op schrift gesteld.

Bij besluit van 23 juni 2015 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 1 maart 2016 (het kostenbesluit 1) heeft verweerder de kosten van de toepassing van bestuursdwang voor een bedrag van € 11.684,21 bij appellant in rekening gebracht.

Appellant heeft naar aanleiding van dit besluit aanvullende beroepsgronden ingediend.

Verweerder heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 7 juli 2016 (kostenbesluit 2) heeft verweerder het kostenbesluit 1 ingetrokken en de kosten van de toepassing van bestuursdwang vastgesteld op € 10.495,59.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2016. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen [naam 2] en [naam 3] .

Het onderzoek is geschorst teneinde verweerder in de gelegenheid te stellen inlichtingen te verstrekken.

Bij brief van 24 november 2016 heeft verweerder nadere inlichtingen verstrekt.

Bij brief van 15 december 2016 heeft appellant een nadere reactie ingediend.

Het College heeft bepaald dat het nadere onderzoek ter zitting achterwege blijft nu verweerder en appellant niet binnen de door het College gestelde termijn hebben verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord.



Overwegingen


1.1
Het College gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden. Appellant houdt runderen op zijn percelen te [plaats] . Op 11 december 2013 hebben toezichthouders van de Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit (NVWA) een controle uitgevoerd op de percelen van appellant, vastgelegd in het toezichtrapport met nummer 76642. De toezichthouders hebben voor zover van belang het volgende geconstateerd:

“Ik zag in weiland 2 dat er 16 runderen werden gehouden. Ik zag dat deze 16 runderen geen water tot hun beschikking hadden. Ik zag dat deze 16 runderen niet de beschikking hadden over een droge en schone ligplek.

Ik zag 5 weidepompen staan in weiland 2. Ik zag dat 2 weidepompen niet bruikbaar waren. Bij één weidepomp was de slang niet aangesloten de andere weipomp was helemaal weggezakt in de modder. Twee weidepompen konden geen water oppompen omdat de zuigkorf boven het waterniveau lag. Eén weidepomp lag met de zuigkorf in de modder en pompte vies en smerig water op verontreinigd met modder.

Ik zag dat het weiland 2 helemaal vertrapt was. Ik zag dat er geen gras meer aanwezig was. Het weiland leek wel op een stuk bouwland. Ik zag een platte kar staan maar er was geen kuilvoer aanwezig. Ik ben het weiland helemaal doorgelopen. Ik zag nergens een droge en schone ligplek. Ik kon mij moeilijk voortbewegen in dit weiland. Op diverse plaatsen, bij de platte kar, weidepompen en melkwagen kon ik helemaal niet komen. Ik zag daar de runderen wegzakken in de modder tot wel 30 centimeter.”

Toezichthoudend dierenarts [naam 4] heeft in de veterinaire verklaring van
16 december 2013 het volgende verklaard:

“Vraag 5 Is de gezondheid en/of het welzijn van de dieren naar uw mening benadeeld?
Antwoord:
Ja, de gezondheid omdat er klinische afwijking zichtbaar waren als vervulde en aangetaste huid. Daarnaast zijn er runderen met vuile natte klauwen.
(…)
In casu hebben 16 runderen geen toegang tot vers water en geen voer
(…)
In casu hebben de 16 runderen in weiland 2 geen droge en schone ligplaats.
(…)
In casu is er een slechte hygiëne. De vacht van 16 runderen is besmeurd met modder waardoor ze geen natuurlijk lik/poetsgedrag kunnen vertonen. Het gebrek aan voldoende, voor de diersoort passend voer en het ontbreken van drinkwater leidt tot chronische stress bij de dieren.
(…)
Conclusie: de dieren op dit bedrijf kregen niet de (minimale) zorg die zij redelijkerwijs behoeven. Deze zorg moet van een professionele dierhouder in alle redelijkheid wel verwacht worden. (…).

Vraag 6 Is gelet op de toestand waarin de dieren werden aangetroffen – naar uw mening sprake van het onthouden van de nodige verzorging van de dieren?
Antwoord:
Ja, (…)
In casu: 1. Geen drinkwater
2. geen kwalitatief/passend voer
3. vervuilde/onveilige huisvesting.
(…)
Vraag 8 Is er diergeneeskundige behandeling noodzakelijk en, zo ja, binnen welke termijn
Antwoord:
Nee
(…)
Vraag 9 Welke andere (niet diergeneeskundige) maatregelen dienen genomen te worden om het benadeelde welzijn van de dieren op te heffen?
(kan dierhouder dit zelf of is ander hulp noodzakelijk)
Antwoord:
De runderen opstallen, dit per direct. Dit is met behulp van bestuursdwang (inzet Agrarische bedrijfsverzorging tijdens de controle gebeurd. De runderen moeten te allen tijden over een droge en schone ligplaats en geschikt en voldoende voer en water kunnen beschikken.

Gezien het alsmaar achter de feiten aanlopen van de veehouder is het wenselijk dat de veehouder zich serieuze gedachten maakt over de toekomst en een plan van aanpak voor zijn bedrijf opstelt om uit deze vicieuze cirkel te komen en zo nodig externe hulp in te schakelen gedurende langere tijd om stappen vooruit te (kunnen) zetten.

Vraag 10 Acht u het noodzakelijk dat er dieren worden meegevoerd en opgeslagen in belang van de gezondheid/het welzijn van de dieren? Zo ja, toelichten.

Antwoord:
Ja, omdat gezien de historie de veehouder niet in staat is om de omissies duurzaam te verhelpen dan wel te voorkomen, waardoor de gezondheid en het welzijn van de dieren niet meer gewaarborgd is. Zonder interventie van Dienst Regelen zakt de verzorging van de dieren onder de (minimum) normen. Hieruit blijkt dat de dierhouder geen proactieve houding heeft
Dienst regelingen heeft daarom besloten de 16 runderen uit weiland 2 mee te nemen en op te slaan.
(…)
Conclusie:
Gezien de historie (structureel karakter, recidive) van soortgelijke overtredingen gedurende de laatste jaren, het gedrag van de veehouder (geen proactieve houding) en aangetroffen situatie ben ik vanuit mijn ervaring als veterinair deskundige van mening dat de veehouder niet beschikt over voldoende kennis/vaardigheden en vakbekwaamheid om voor de dieren te zorgen.
(…)”



1.2
Op dezelfde dag zijn 16 runderen meegevoerd en opgeslagen, hetgeen is vastgelegd in het proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 12 december 2013.



1.3
Bij het primaire besluit heeft verweerder de beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op schrift gesteld. Volgens verweerder is het welzijn van de dieren dermate aangetast dat appellant hiermee artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (Gwwd) overtreedt. Volgens verweerder heeft appellant het volgende nagelaten:

“- uw 16 runderen, die in het weiland verbleven, van een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voer te voorzien, dan wel het voer op een voor het dier toegankelijke wijze aan te bieden. (…)
- uw 16 runderen, die in het weiland verbleven, van vers water te voorzien, dan wel het water op een voor het dier toegankelijke wijze aan te bieden. (…)
- uw 16 runderen, die in het weiland verbleven, goed te huisvesten. Uw runderen konden niet beschikken over schone en droge ligplaatsen. (…)”

Het betrokken belang (dierenwelzijn) en de situatie maakten snel ingrijpen volgens verweerder noodzakelijk. Verweerder heeft derhalve 16 runderen in bewaring genomen.



1.4
Bij het kostenbesluit 1 heeft verweerder de kosten van de bestuurlijke handhaving voor een bedrag van € 11.684,21 bij appellant in rekening gebracht.



1.5
Bij het kostenbesluit 2 heeft verweerder het kostenbesluit 1 ingetrokken en de bij appellant in rekening gebrachte kosten van de bestuurlijke handhaving verlaagd naar
€ 10.495,59.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd. Volgens verweerder is sprake van een overtreding van de artikelen 36 en 37 van de Gwd. Volgens verweerder hadden de runderen geen beschikking over voer, water en een schone en droge ligplek.
Volgens verweerder is gebruik gemaakt van de bevoegdheid om terstond bestuursdwang toe te passen gezien de controlegeschiedenis op het bedrijf van appellant in het kader van artikel 36 en 37 van de Gwd, die terugloopt tot 2010. Hierbij heeft verweerder tevens in aanmerking genomen dat bij de controle op 11 december 2013 door de NVWA dieren zijn aangetroffen in dezelfde situatie als tijdens eerdere controles. Voorts acht verweerder van belang dat appellant, gezien de historie, niet in staat is gevolg te geven aan hetgeen volgens de veterinair deskundigen moet gebeuren op het gebied van dierenwelzijn. Appellant heeft geen pro-actieve houding ten opzichte van de verzorging ven het verbeteren van de situatie van de dieren op het bedrijf. De gezondheid en het welzijn van de dieren is hierdoor niet meer gewaarborgd. Feitelijk beschikt appellant niet over de basisvaardigheden om dieren te houden: het op adequate wijze huisvesten, voeren en water geven aan de dieren. Er was, aldus verweerder, in het geheel geen zicht op legalisatie.



3.1
Appellant betwist dat sprake is van een overtreding van de Gwwd. In het weiland liepen volgens appellant 16 runderen. Op het weiland stonden vijf pompen. Het is juist dat twee van deze pompen defect waren, maar de overige drie waren wel in werking. Als het al zo was dat deze pompen geen water konden oppompen, hetgeen wordt betwist, dan is het in ieder geval een omissie die eenvoudig op dat moment opgelost had kunnen worden.
Appellant betwist dat het weiland helemaal vertrapt zou zijn geweest. De foto’s die bij het toezichtrapport zijn ingebracht, betreffen slechts een klein deel van het weiland. Daar waar bijgevoerd werd, bij de voerwagen was het vertrapt. Het perceel is echter vele malen groter, te weten 7 hectare groot. Er waren nog voldoende delen, waar nog gras voor de koeien stond. Van het overige deel van het weiland zijn geen foto’s ingebracht, hetgeen appellant onzorgvuldig acht. Appellant wijst op door hem overgelegde verklaringen van [naam 5] , teeltspecialist, en [naam 6] van het loonbedrijf [naam 6] , waaruit blijkt dat het grootste deel van het weiland zich in redelijke staat bevond. Verder wijst hij op verklaringen van hemzelf en [naam 10] , omwonende en rundveespecialist, waaruit volgt dat de koeien wel de beschikking hadden over water en voer.
Appellant betoogt dat verweerder in dit geval niet heeft kunnen concluderen dat geen begunstigingstermijn behoefde te worden gegeven. Er waren geen aanwijzingen dat appellant geen mogelijkheid zou kunnen vinden voor het stallen van de runderen. Daartoe is van belang dat appellant ten tijde van de controle gewoon aanwezig was. Sterker nog, zoals ook uit het controlerapport blijkt, heeft hij aangegeven dat er een mogelijkheid was de dieren onder te brengen bij de [naam 7] . Appellant is voorts altijd coöperatief geweest jegens de NVWA. Appellant heeft bovendien, drie weken later, nadat de kosten voor de stalling elders door hem waren voldaan, de dieren teruggekregen. Nadat hij de runderen terugkreeg, heeft hij onderdak voor zijn runderen gevonden. Daar was in het geheel geen spoedbestuursdwang voor nodig geweest.
In de stukken wordt ook gesproken over runderen die op de uiterwaarden liepen, ten aanzien waarvan geen spoedbestuursdwang is toegepast. Juridisch speelt dit dan ook geen rol. Appellant reageert hier echter op door overlegging van de verklaring van een deskundige, dierenarts [naam 8] , -omdat dit punt door verweerder wordt gebruikt in het kader van de negatieve beeldvorming over appellant. Tevens wordt een verklaring overgelegd van [naam 9] , dierenarts, die tevens aangeeft dat de verwondingen niet kunnen zijn veroorzaakt door scherpe voorwerpen in het betreffende weiland.

Ten slotte stelt appellant dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is verstreken.



3.2
Verweerder stelt dat sprake is van overtredingen van de Gwwd. Verweerder ziet in hetgeen door appellant is aangevoerd geen reden te twijfelen aan de juistheid van het toezichtrapporten de veterinaire verklaring. Hierin is aan de hand van concrete waarnemingen en foto’s van de dieren en het weiland, gedetailleerd en uitgebreid beschreven dat het welzijn van de runderen is benadeeld en de nodige verzorging is onthouden. De door appellant overgelegde verklaringen kunnen volgens verweerder niet afdoen aan hetgeen door de toezichthouders is geconstateerd.
Mede gelet op de in het toezichtrapport en veterinaire verklaring beschreven voorgeschiedenis van het bedrijf van appellant, meent verweerder dat hij heeft mogen aannemen dat er geen zicht was op het nemen van herstelmaatregelen door appellant zelf en dat derhalve geen zicht bestond op verbetering van de situatie van de dieren op het bedrijf van appellant. Uit de voorgeschiedenis blijkt onder meer dat aan appellant in een tijdsbestek van amper 2 jaar, achtmaal een (verlenging) last onder bestuursdwang of last onder dwangsom is opgelegd. De dierenarts heeft verklaard dat de runderen per direct moeten worden opgestald. Gelet hierop, in samenhang bezien met het gegeven dat de runderen geen beschikking hadden over voer, water en een droge en schone ligplaats, achtte verweerder de situatie dermate spoedeisend dat overgegaan diende te worden tot het toepassen van bestuursdwang zonder voorafgaande last. Toepassing van de bestuursdwang vergde dan ook dat de runderen terstond uit de bestaande situatie en uit het beheer van appellant werden gehaald.





4. De Gwwd luidde voor zover van belang als volgt:

“Artikel 36
1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.
(…)

Artikel 37
Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.”


Beslissing spoedbestuursdwang




5.1
Het College ziet zich gesteld voor de vraag of verweerder bij het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellant artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd heeft overtreden. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.



5.2
Het College is van oordeel dat verweerder op grond van de bevindingen in het toezichtrapport en de veterinaire verklaring terecht heeft vastgesteld dat appellant de in artikel 5.1 genoemde wettelijke voorschriften heeft overtreden. In hetgeen appellant heeft aangevoerd bestaat geen grond voor het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van de juistheid van deze bevindingen. De in het toezichtrapport gedetailleerd beschreven waarnemingen van de toezichthouders worden ondersteund door de bij het toezichtrapport gevoegde foto’s en de veterinaire verklaring. In het licht van deze constateringen acht het College de door appellant overgelegde verklaringen van [naam 5] en [naam 10] die in respectievelijk mei en juni 2014 zijn opgesteld, ruim na de vastgestelde overtredingen, onvoldoende overtuigend om appellant te volgen in zijn betoog dat geen sprake was van de gestelde overtredingen. De summiere en algemene verklaring van [naam 10] roept de vraag op of en hoe het mogelijk is dat hij, mede gezien de ligging van zijn woning ten opzichte van het betreffende weiland 2, kon zien dat de runderen in de maanden november en december 2013 dagelijks werden bijgevoerd door appellant en dronken aan de pompen, zoals daarin is vermeld. Concrete feiten en omstandigheden op basis waarvan deze vraag in het voordeel van appellant kan worden beantwoord, ontbreken in deze verklaring en zijn door appellant ook overigens niet naar voren gebracht. Voorts blijkt uit de verklaring van [naam 5] niet dat daarin sprake is van een beoordeling van het betreffende weiland 2 ten tijde van de controle door de toezichthouders op 11 december 2013. De door appellant overgelegde verklaringen van dierenartsen [naam 8] en [naam 9] zijn naar het oordeel van het College niet relevant, nu deze betrekking hebben op gewonde runderen en op de aanwezigheid van scherpe en uitstekende delen in het weiland waar 18 runderen stonden. Ten aanzien van deze runderen is echter geen spoedbestuursdwang toegepast. Met betrekking tot de beschikbaarheid van water overweegt het College nog dat in het toezichtrapport en de veterinaire verklaring gedetailleerd is beschreven dat en waarom de vijf aanwezige pompen niet functioneerden. Volgens de veterinaire verklaring waren twee van de pompen permanent onbruikbaar en kapot en de andere drie minimaal 24 uur buiten gebruik. Hiertegenover stelt appellant slechts de niet nader onderbouwde stelling dat drie van de vijf pompen wel werkten. Die stelling leidt derhalve niet tot het oordeel dat verweerder niet mocht uitgaan van vorengenoemde bevindingen van de toezichthouders met betrekking tot de pompen. Overigens erkent appellant dat twee pompen defect waren.



5.3
Dit betekent dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat sprake is van een overtreding van artikel 36, eerste lid, en artikel 37 van de Gwwd en verweerder derhalve bevoegd was handhavend op te treden.

6. Het College is verder van oordeel dat verweerder in redelijkheid gebruik heeft kunnen maken van de bevoegdheid om terstond bestuursdwang toe te passen. Vast staat dat de 16 runderen ten tijde van de controle niet konden beschikken over voer, water en schone en droge ligplaatsen. In verband met deze overtredingen heeft verweerder in het verweerschrift onweersproken gesteld dat dit essentiële levensbehoeften zijn voor de runderen. Mede gelet op hetgeen in de veterinaire verklaring van de toezichthoudend dierenarts is gesteld over het essentiële belang van met name vers water en geschikt voer voor de gezondheid van runderen ziet het College geen aanleiding voor twijfel aan de juistheid van deze stelling. Voorts is in verband met de toestand van de pompen in de veterinaire verklaring aangegeven dat, gezien de consistentie van de mest en de drang van de runderen om te komen drinken, de runderen ten tijde van de controle wegens het niet functioneren van de pompen al minimaal 24 uur van deze watervoorziening geen gebruik hebben kunnen maken. Het College ziet geen aanleiding om te twijfelen aan deze gemotiveerde inschatting van de toezichthoudend dierenarts. Aangenomen mag derhalve worden dat de 16 runderen reeds langere tijd niet over voldoende drinkwater konden beschikken. In verband met de aangetroffen situatie in weiland 2 heeft de toezichthoudend dierenarts blijkens de veterinaire verklaring geconcludeerd dat de 16 runderen per direct moeten worden opgestald om daarmee de geconstateerde overtredingen en de daaruit voortvloeiende benadeling van de gezondheid en het welzijn van de runderen op te heffen. Niets wijst erop dat appellant zelf in staat was om hieraan op korte termijn uitvoering te geven op zijn eigen bedrijf of kon regelen dat de betrokken runderen elders in een stal met de vereiste voorzieningen werden ondergebracht. Eerder is het tegendeel het geval, nu appellant volgens het toezichtrapport, in reactie op de mededeling van een toezichthouder dat de 16 runderen zouden worden meegevoerd en opgeslagen, heeft verklaard dat hij de runderen niet kon plaatsen in de stal van het hierbij door hem met name genoemde andere bedrijf.
Reeds op grond van het vorenstaande is het College van oordeel dat verweerder de situatie als spoedeisend heeft kunnen aanmerken en om die reden bestuursdwang heeft kunnen toepassen zonder voorafgaande last, zoals bedoeld in artikel 5:31 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Naar het oordeel van het College kan derhalve in het midden blijven of en in hoeverre mede in de controlegeschiedenis steun kan worden gevonden voor dit oordeel.

7. De conclusie is dat het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond is.


Kostenbesluit

8. Ingevolge artikel 6:19, eerste lid, van de Awb heeft het beroep van appellant van rechtswege mede betrekking op kostenbesluit 2. Niet gebleken is dat appellant belang heeft bij de beoordeling van kostenbesluit 1, welk besluit is ingetrokken bij kostenbesluit 2. Het beroep gericht tegen het kostenbesluit 1 zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

9. Anders dan appellant heeft betoogd bestaat er, zoals hiervoor is overwogen, geen grond voor het oordeel dat de toepassing van spoedbestuursdwang onrechtmatig was, zodat verweerder in beginsel bevoegd is de kosten daarvan op appellanten te verhalen.
10. Appellant heeft overigens geen gronden aangevoerd tegen kostenbesluit 2.

11. Het beroep tegen kostenbesluit 2 is ongegrond.



Redelijke termijn



12.1
Tot slot gaat het College in op door appellant naar voren gebrachte stelling dat bij de behandeling van de onderhavige procedure de redelijke termijn is overschreden. In niet-punitieve zaken die volgen op een primair besluit dat is bekendgemaakt vóór 1 februari 2014, zoals in dit geval, geldt als uitgangspunt dat de bezwaar- en beroepsfase tezamen niet langer mogen duren dan drie jaar. Dit, behoudens factoren die onder omstandigheden aanleiding kunnen geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten (zie de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI: NL:RVS:2014:188).



12.2
Het College stelt vast dat het door appellant ingediende bezwaarschrift door verweerder is ontvangen op 11 januari 2014. Het College stelt vast dat de hiervoor bedoelde termijn van drie jaar met 10 maanden is overschreden op het moment van het doen van de onderhavige uitspraak. Niet gebleken is van omstandigheden die voor deze overschrijding een rechtvaardiging zouden kunnen vormen. Het College ziet daarom aanleiding een compensatie toe te kennen. Uitgangspunt voor compensatie is een tarief van € 500,- per half jaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Het College ziet derhalve aanleiding voor toekenning van een schadevergoeding van één maal € 1.000,-.



12.3
Bij de toerekening van deze termijnoverschrijding en de daarvoor toe te kennen schadevergoeding heeft als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als de duur daarvan meer dan een jaar in beslag heeft genomen en de beroepsfase als de duur daarvan meer dan twee jaar in beslag heeft genomen (zie voormelde uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014). Sinds de ontvangst van het bezwaarschrift op 11 januari 2014 tot het bestreden besluit, is een periode van een jaar en vijf maanden verstreken. Verweerder heeft ter zitting verklaard dat deze termijnoverschrijding is veroorzaakt door een gebrek aan bezetting en bemensing bij verweerder en de termijnoverschrijding in bezwaar aan de minister dient te worden toegeschreven.
Sinds de ontvangst van het beroepschrift op 3 augustus 2015 is een periode van twee jaar en drie maanden verstreken zodat de redelijke termijn voor de beroepsfase met drie maanden is overschreden, welke termijnoverschrijding aan het College dient te worden toegeschreven.



12.4
Derhalve worden verweerder en de Staat (de minister van Veiligheid en Justitie) krachtens artikel 8:88 van de Awb veroordeeld tot betaling van een bedrag van ieder € 500,- aan appellant.

13. Het College veroordeelt verweerder in de door appellant gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt het College op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.485,- (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 495,- en een wegingsfactor 1).




Beslissing

Het College:


verklaart het beroep gericht tegen het bestreden besluit ongegrond;


verklaart het beroep gericht tegen het kostenbesluit 1 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep gericht tegen het kostenbesluit 2 ongegrond;


vernietigt het bestreden besluit;


draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 167,- aan appellant te vergoeden;


- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van
€ 1.485,-;
- veroordeelt verweerder om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen.
- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Minister van Veiligheid en Justitie) om aan appellant een vergoeding voor immateriële schade van € 500,- te betalen.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. M.S. van den Berg, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 3 november 2017.


w.g. S.C. Stuldreher w.g. M.S. van den Berg
Link naar deze uitspraak