Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met Oudshoorn & Schoe
0348-418816
ECLI:NL:RBROT:2017:10409 
 
Datum uitspraak:15-02-2017
Datum gepubliceerd:14-02-2018
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:ROT 17/3832 e.v.
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Misbruik van recht. Wraking. Voor zover eiser heeft verzocht om openbaarmaking van stukken die onder de commissie berusten is niet verweerder, maar de commissie het bevoegde bestuursorgaan, zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in een eerdere zaak waarbij eiser is betrokken (tussenuitspraak van 18 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1951). Verweerder had derhalve niet op het verzamelverzoek van 21 augustus 2016 aan de commissie mogen beslissen. De stelling van eiser dat in deze zaak de commissie het verwerend bestuursorgaan is, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Er ligt immers besluitvorming van verweerder voor. Ook indien sprake is van een bevoegdheidsgebrek, omdat een andere bestuursorgaan bevoegd is, laat dit onverlet dat een (vernietigbaar) besluit voorligt van verweerder (zie bijvoorbeeld ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1230). De rechtbank zal aan dit bevoegdheidsgebrek geen consequenties verbinden. Zij neemt hierbij in aanmerking wat zij verderop zal overwegen over het door verweerder gestelde misbruik van recht door eiser en zij neemt hierbij voorts in aanmerking de omstandigheid dat eiser reeds in 2012 bekend was met het schriftelijke standpunt van de voorzitter van de onafhankelijke commissie dat beraadslagingen van die commissie op grond van artikel 11 van de Wob niet openbaar worden gemaakt. Omdat eiser nimmer gevolg aan oproepen ter zitting te verschijnen en verweerders standpunt in deze zaken duidelijk is heeft de rechtbank onder toepassing van de zogenoemde antwoordkaartmethode partijen bericht dat een zitting achterwege zal blijven tenzij partijen binnen vier weken alsnog om een zitting verzoeken. Binnen die termijn heeft eiser meegedeeld dat hij niet instemt met het achterwege laten van een zitting in deze zaken. Eiser is anders dan verweerder, die niet om een zitting heeft verzocht, niet op de zitting verschenen. De rechtbank ziet in deze handelwijze van eiser de bevestiging van het standpunt van verweerder dat eiser er alles aan doet om zich ontwrichtend te gedragen jegens verweerder en ieder gesprek over zijn handelwijze en motieven uit de weg gaat.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
uitkering
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Team Bestuursrecht 1

zaaknummers: ROT 17/3832, ROT 17/3833 en ROT 17/3835


uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 februari 2018 in de zaken tussen




[Naam]
, te [Plaats], eiser,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ridderkerk, verweerder,
gemachtigde: mr. R. Roef.





Procesverloop

Eiser heeft op 24 juli 2017 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder met een verzenddatum van 16 mei 2017 (besluit 1), dat strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar tegen een ongedateerd besluit van verweerder, dat volgens partijen is genomen op 19 oktober 2016, waarin is besloten ten aanzien van vijf verzamelverzoeken van eiser om openbaarmaking. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer ROT 17/3832.

Eiser heeft op 24 juni 2017 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder met een verzenddatum van 16 mei 2017 (besluit 2), dat strekt tot het ongegrond verklaren van eisers bezwaar tegen een besluit van verweerder van 27 december 2016, waarin is besloten ten aanzien van een verzamelverzoek van eiser om openbaarmaking. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer ROT 17/3833.

Eiser heeft op 24 juni 2017 beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder met een verzenddatum van 16 mei 2017 (besluit 3), dat strekt tot het niet-ontvankelijk verklaren van eisers bezwaar tegen een ongedateerd besluit van verweerder, dat volgens partijen is genomen op 15 december 2016, waarin is besloten ten aanzien van een verzamelverzoek van eiser om openbaarmaking. Deze zaak is bij de rechtbank bekend onder zaaknummer ROT 17/3835.

In alle zaken heeft de rechtbank partijen bericht dat zij van oordeel is dat het niet nodig is om een zitting te houden, omdat de rechtbank voldoende informatie heeft om uitspraak te doen. Partijen zijn daarbij de gelegenheid geboden binnen twee weken aan te geven of zij toch op een zitting gehoord willen worden. Verweerder heeft in al deze zaken niet om een zitting verzocht, maar eiser heeft de rechtbank binnen de geboden termijn bericht geen toestemming te verlenen voor het achterwege laten van een zitting.

Het onderzoek ter zitting heeft – gevoegd met 15 zaken van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard – plaatsgevonden op 16 januari 2018. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting is aan de behandelend rechter een kort voor de zitting door eiser ingediend verzoek tot onder meer zijn wraking bekend geworden. Dat verzoek is door de wrakingskamer van de rechtbank bij uitspraak van 9 februari 2018 afgewezen.

De rechtbank heeft de onderhavige zaken voor het doen van uitspraak gesplitst van die met betrekking tot het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard.




Overwegingen


Omschrijving van de voorliggende zaken



1.1.
In de zaak met zaaknummer ROT 17/3832 liggen 5 verzamelverzoeken van eiser voor, te weten:


een verzamelverzoek van 1 augustus 2016, onder kenmerk GMRK160801-01WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 28 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden, waaronder alle werkmapfiles van een aantal door eiser genoemde medewerkers van verweerder vanaf 2011 tot en met heden ten aanzien van zaken van eiser, machtigingen, mandaten en opdrachten aan medewerkers vanaf 2011 tot en met heden ten aanzien van zaken van eiser en een aantal bestuurlijke aangelegenheden, aangeduid met een datumvermelding uit 2011 en een kenmerknummer van verweerder;


een verzamelverzoek van 10 augustus 2016, onder kenmerk GMRK160810-150505WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 55 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden, waaronder stukken waarvan eiser een kenmerknummer heeft gegeven, machtigingen en mandaten vanaf 2011 tot en met heden ten aanzien van bepaalde personen, diverse gegevens met betrekking tot de leden van de commissie voor de bezwaarschriften (de commissie) en de secretarissen van de commissie, waaronder hun vergoedingen, (zakelijke) agenda’s van een aantal personen met betrekking tot nader genoemde kalenderweken en contacten tussen nader genoemde personen en andere nader genoemde personen;


een verzamelverzoek van 12 augustus 2016, onder kenmerk GMRK160810-150422WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 90 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden, die zien op door hem genoemde en gebruikte kenmerken waarvan de eerste W150811 is, met de datum 15 augustus 2011 en de laatste GMAR24113-02STA is, met de datum 24 november 2013;


een verzamelverzoek van 28 augustus 2016, onder kenmerk GMRK160828-150822WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 18 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden, waaronder besluiten, publicaties, beleidstukkenklachten inzake verweerders afdeling Zorg en Welzijn, SDW B.V., Argonaut B.V. vanaf 2009 tot heden , onderzoek naar inkomsten van eiser in 2011 en 2012, betreffende regisseurswerk vanaf 2009 tot heden, onderzoek naar prijsstelling en aanbod producten van eisers bedrijf over de periode 2007 tot en met 2011;


een verzamelverzoek van 28 augustus 2016, onder kenmerk GMRK160828-150720WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 38 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden, grotendeels met nadere alfabetische onderverdeling, waaronder acties naar aanleiding van melding van eiser over de illegale handel van BSN-nummers en andere persoonsgegevens door SDW en Stratus B.V., het archiefbeleid inzake stukken, onkosten- en reiskostenvergoedingen voor bijstandsgerechtigden en voor gemeenteambtenaren en verweerder, beleid inzake medische onderzoeken van bijstandsgerechtigden, poortwachtersbeleid en met kenmerk genoemde bestuurlijke aangelegenheden.





1.2.
Verweerder heeft bij een ongedateerd besluit, dat door eiser en verweerder wordt aangemerkt als op 19 oktober 2016 te zijn genomen, op alle 5 verzamelverzoeken beslist door onder verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob kennisneming van inhoud toe te staan. Verstrekking door toezending van digitale kopieën of in andere vorm kan volgens verweerder gelet op de omvang en de relatieve ingewikkeldheid van de verzoeken namelijk niet redelijkerwijs van hem worden gevergd. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit 1 de bezwaren niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

2. In de zaak met zaaknummer ROT 17/3833 ligt een verzamelverzoek van eiser voor van 31 oktober 2016, onder kenmerk GMRK161031/01WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 9 door eiser genoemde bestuurlijke aangelegenheden inzake mandaten en opdrachten van een persoon, beslissingen in primo en in bezwaar, een verweerschrift en opdrachten aan een tweetal personen om te verschijnen op een zitting van de wrakingskamer van de rechtbank. Verweerder heeft bij besluit van 27 december 2017 beslist door onder verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob kennisneming van inhoud toe te staan. Verstrekking door toezending van digitale kopieën of in andere vorm kan volgens verweerder gelet op de omvang en de relatieve ingewikkeldheid van de verzoeken namelijk niet redelijkerwijs van hem worden gevergd. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit 2 de bezwaren ongegrond verklaard. In haar advies had de commissie overwogen dat geheel tegemoet was gekomen aan het verzoek om openbaarmaking, onder de overweging dat de tenuitvoerlegging van de beslissing tot openbaarmaking door stukken te verstrekken een feitelijke handeling is en dat daartegen geen bezwaar kan worden gemaakt, waarbij de commissie heeft gewezen op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 9 juli 2014 (ECLI:NL:RVS:2014:2529). Ten overvloede heeft de commissie daarom overwogen dat eiser zoveel en omvangrijke verzoeken om informatieverstrekking doet dat niet in redelijkheid van verweerder mag worden verwacht dat hij de informatie in de door eiser gewenste vorm (digitaal formaat) toezendt.

3. In de zaak met zaaknummer ROT 17/3835 ligt een verzamelverzoek van eiser voor van 31 oktober gericht aan kamer 1 van de commissie, onder kenmerk CMBR160821-01WOE, dat ziet op openbaarmaking van alle stukken en bewijzen van archivering inzake 24 bezwaarprocedures van eiser, voor wat betreft de onderdelen die bij de commissie berusten. Verweerder heeft bij besluit van 27 december 2017 beslist door onder verwijzing naar artikel 7, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wob kennisneming van inhoud toe te staan. Verstrekking door toezending van digitale kopieën of in andere vorm kan volgens verweerder gelet op de omvang en de relatieve ingewikkeldheid van de verzoeken namelijk niet redelijkerwijs van hem worden gevergd. In bezwaar heeft eiser aangevoerd dat het besluit van 27 december 2017 niet is genomen door de commissie en daarom onbevoegd is genomen. Onder overneming van het advies van de commissie heeft verweerder bij besluit 3 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.



Beoordeling




4.1.
In twee zaken die betrekking hebben op beroepen tegen het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard (de zaken ROT 15/7004 en ROT 16/209) heeft eiser op 27 november 2016 en 5 december 2016 wrakingsverzoeken gedaan tegen de rechters mr. A.C. Rop en mr. H. Bedee. Bij uitspraak van 22 december 2016 heeft de wrakingskamer het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. A.C. Rop niet-ontvankelijk verklaard, omdat mr. A.C. Rop de zaken op dat moment had overgedaan aan mr. H. Bedee. Het wrakingsverzoek ten aanzien van mr. H. Bedee heeft de wrakingskamer afgewezen. Nadien heeft mr. A.C. Rop de zaken weer toebedeeld gekregen in het kader van clustering van de vele zaken van eiser. Eiser is bij brieven van 8 november 2017 ervan op de hoogte gesteld dat alle zaken worden behandeld door mr. A.C. Rop.



4.2.
Op 16 januari 2018 heeft eiser in de vroege middag in alle zaken een (nieuw) verzoek gedaan om wraking van mr. A.C. Rop en de niet nader genoemde teamleider (lees: voorzitter) van team 3 bestuursrecht. Nadien heeft eiser meegedeeld dat de wrakingsverzoeken zich mede richten tot mr. A. van Strien en mr. H.M. Braam, de voorzitters van team 1 en team 3 bestuursrecht. Voorts heeft eiser op 5 februari 2018 – op de dag dat het wrakingsverzoek is behandeld – de wrakingskamer gewraakt. Bij uitspraak van 9 februari 2018 heeft de wrakingskamer alle wrakingsverzoeken afgewezen wegens kennelijke niet-ontvankelijkheid en beslist dat een volgend wrakingsverzoek in deze procedures niet in behandeling zal worden genomen.

5. Eiser is woonachtig in Rhoon, gemeente Albrandswaard. Eiser heeft een uitkering ontvangen op grond van de Wet werk en bijstand van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard. Op grond van de Gemeenschappelijke Regeling Samenwerking Sociale Zaken Albrandswaard en Ridderkerk (de gemeenschappelijke regeling) werden de bevoegdheden met betrekking tot kortheidshalve de sociale regelgeving in mandaat uitgeoefend door medewerkers van de gemeente Ridderkerk. Verweerder heeft vanaf 2011 tot heden 235 verzoeken, bezwaren en beroepszaken van eiser binnengekregen.

6. Voor zover eiser zijn verzoeken om openbaarmaking uit hoofde van de Wob mede heeft geduid als collegeverzoeken of verzoeken op basis van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) zijn dit geen aanvragen als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb, zodat verweerder de verzoeken uitsluitend kon aanmerken als verzoeken om openbaarmaking op grond van de Wob. De rechtbank wijst er in dit verband op dat de Afdeling al eerder heeft overwogen dat verzoeken van eiser om collegebesluiten geen wettelijke basis hebben en geen aanvragen in de zin van artikel 1:3, derde lid, van de Awb kunnen opleveren, terwijl het beroep van eiser op artikel 6 van het EVRM in dit verband evenmin is gehonoreerd (zie ABRvS 10 februari 2016 en ABRvS 29 juli 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2384). Dat eiser het niet eens is met die uitspraken van de Afdeling maakt dit niet anders.


7. De rechtbank stelt verder voorop dat de overweging in voormelde uitspraak van de Afdeling van 9 juli 2014 dat de tenuitvoerlegging van een besluit tot openbaarmaking door het verstrekken van de betrokken documenten een feitelijke handeling is en derhalve niet ter beoordeling van de bestuursrechter staat niet met zich brengt dat eiser niet tegen de wijze van verstrekking in bezwaar en beroep kan opkomen. De vorm van informatieverstrekking maakt namelijk wel deel uit van het besluit op het Wob-verzoek en eiser kan daar derhalve bezwaar- en beroepsgronden tegen richten. Nu eiser de documenten in een andere vorm verstrekt wil krijgen dan thans voor hem beschikbaar zijn, zou hij belang bij een of meer van zijn beroepen kunnen hebben (zie voor het voorgaande ABRvS 2 november 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2867). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder evenwel bij besluit 2 op goede gronden overwogen dat eiser zoveel en zulke omvangrijke verzoeken om informatieverstrekking doet dat niet in redelijkheid van verweerder mag worden verwacht dat hij de informatie in de door eiser gewenste vorm (digitaal formaat) toezendt. Daar komt bij dat de rechtbank, zoals hierna zal blijken, van oordeel is dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht bij de indiening van zijn verzoeken en het instellen van rechtsmiddelen.

8. Voor zover eiser heeft verzocht om openbaarmaking van stukken die onder de commissie berusten is niet verweerder, maar de commissie het bevoegde bestuursorgaan, zoals de rechtbank al eerder heeft overwogen in een eerdere zaak waarbij eiser is betrokken (tussenuitspraak van 18 maart 2016, ECLI:NL:RBROT:2016:1951). Verweerder had derhalve niet op het verzamelverzoek van 21 augustus 2016 aan de commissie mogen beslissen. De stelling van eiser dat in deze zaak de commissie het verwerend bestuursorgaan is, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Er ligt immers besluitvorming van verweerder voor. Ook indien sprake is van een bevoegdheidsgebrek, omdat een andere bestuursorgaan bevoegd is, laat dit onverlet dat een (vernietigbaar) besluit voorligt van verweerder (zie bijvoorbeeld ABRvS 22 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1230). De rechtbank zal aan dit bevoegdheidsgebrek geen consequenties verbinden. Zij neemt hierbij in aanmerking wat zij verderop zal overwegen over het door verweerder gestelde misbruik van recht door eiser en zij neemt hierbij voorts in aanmerking de omstandigheid dat eiser reeds in 2012 bekend was met het schriftelijke standpunt van de voorzitter van de onafhankelijke commissie dat beraadslagingen van die commissie op grond van artikel 11 van de Wob niet openbaar worden gemaakt.



9.1.
Verweerder heeft het standpunt ingenomen dat sprake is van misbruik van recht door eiser. In een van de adviezen van de commissie, die verweerder heeft overgenomen, is onder meer in aanmerking is genomen dat eiser door zijn handelswijze bij het indienen van verzoeken en ingebrekestellingen kosten veroorzaakt voor het bestuursorgaan en een snelle en zorgvuldige afhandeling bemoeilijkt en de kans op een dwangsom vergroot, omdat zijn verzoeken dusdanig veelomvattend zijn dat het moeilijk is hier tijdig op te beslissen, hij meerdere premature ingebrekestellingen heeft verzonden, zijn bezwaarschriften ook dermate omvattend zijn dat het moeilijk dan wel onmogelijk is op alle bezwaargronden in te gaan. Voorts is in aanmerking genomen dat eiser “misstanden” wil aantonen die zich bij de gemeente Albrandswaard zouden voordoen, terwijl niet valt in te zien wat de toegevoegde waarde is van vele documenten die eiser opvraagt om dit aan te tonen, zodat het niet aannemelijk is dat hij het informatieverzoek heeft gedaan in verband met het door de Wob beoogde doel. Verder is in aanmerking genomen dat eiser heel vaak om dezelfde informatie vraagt, dat eiser geen gehoor geeft aan uitnodigingen voor gesprekken bij de burgemeester en de gemeentesecretaris en hij nooit op hoorzittingen in bezwaar of beroep verschijnt.
In het verweerschrift is verder aangevoerd dat eiser verweerder bestookt met Wob-verzoeken zonder enig ander doel dan verweerders administratie met zijn omvangrijke verzoeken te belasten en om dwangsommen te incasseren vanwege het niet tijdig kunnen beslissen op de grote hoeveelheid omvangrijke verzoeken om informatie. Daarbij heeft verweerder er op gewezen dat eiser veel herhaalde verzoeken indient en dat hij niet ingaat op voorstellen van verweerder om stukken in te zien. In dit verband heeft verweerder verder opgemerkt dat hij voor 52 uur per week extra werkkrachten heeft ingezet om de vele verzoeken van eiser af te kunnen handelen. Voorts heeft verweerder opgemerkt dat eiser ieder overleg met verweerder uit de weg gaat.



9.2.
Gelet op vaste rechtspraak (bijvoorbeeld ABRvS 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129 en ABRvS 20 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1620) volgt uit de artikelen 3:13 en 3:15 van het Burgerlijk wetboek (BW) dat de bevoegdheid om bij de bestuursrechter beroep in te stellen, niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich derhalve tegen inhoudelijke behandeling van een bij de bestuursrechter ingesteld beroep dat misbruik van recht behelst en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig beroep. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist die onder meer aanwezig zijn indien rechten of bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. De vraag of sprake is van misbruik van recht kan door verweerder – met inachtneming van een goede procesorde – in elke stand van het geding worden opgeworpen (zie bijvoorbeeld ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3303 en ABRvS 15 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:414). Anders dan eiser betoogt is geen sprake van een plotselinge onvoorzienbare omslag van verweerder dat eiser zich schuldig maakt aan misbruik van recht. Daar komt bij dat de rechtbank in haar uitspraken van 29 mei 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:4046) en 13 juli 2017 (ECLI:NL:RBROT:2017:5331) reeds heeft geoordeeld dat eiser zich in vergelijkbare zaken schuldig heeft gemaakt aan misbruik van recht.



9.3.
Bij de beantwoording van de vraag of in de hiervoor liggende gevallen sprake is van misbruik van recht kan – anders dan eiser betoogt – mede acht worden geslagen op het eerdere procedeergedrag van eiser (vergelijk bijvoorbeeld ABRvS 27 januari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:157). De rechtbank stelt ambtshalve vast dat eiser een groot aantal procedures heeft gevoerd en thans nog voert tegen verweerder en tegen het college van burgemeester en wethouders van Albrandswaard. De voorliggende beroepen zien op besluiten die zijn genomen op de vele Wob-verzoeken van eiser.



9.4.
De rechtbank stelt vast dat eiser in de onderhavige zaken en andere Wob-zaken zeer omvangrijke verzoeken tot openbaarmaking heeft gedaan. Hoewel eiser in het kader van zijn Wob-verzoeken geen belang hoeft te stellen kan de achterliggende motivatie voor het doen van die verzoeken wel een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of sprake is van misbruik van recht (zie bijvoorbeeld ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118 en ABRvS 5 oktober 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2640). In dit verband stelt de rechtbank verder vast dat eiser – zelfs wanneer hij daartoe is opgeroepen – nimmer op zittingen van de rechtbank verschijnt. Evenmin reageert eiser op verzoeken om gebruik te maken van mediation of om anderszins in gesprek te raken met verweerder. Een gesprek over de achterliggende reden van zijn vele Wob-verzoeken aan verweerder is daarom niet mogelijk. Deze proceshouding kan bij de beoordeling van de vraag of sprake is van misbruik van recht in het nadeel van eiser uitvallen (vergelijk ABRvS 7 oktober 2015, ECLI:NL:RVS:2015:3118).



9.5.
Omdat eiser nimmer gevolg aan oproepen ter zitting te verschijnen en verweerders standpunt in deze zaken duidelijk is heeft de rechtbank onder toepassing van de zogenoemde antwoordkaartmethode partijen bericht dat een zitting achterwege zal blijven tenzij partijen binnen vier weken alsnog om een zitting verzoeken. Binnen die termijn heeft eiser meegedeeld dat hij niet instemt met het achterwege laten van een zitting in deze zaken. Eiser is anders dan verweerder, die niet om een zitting heeft verzocht, niet op de zitting verschenen. De rechtbank ziet in deze handelwijze van eiser de bevestiging van het standpunt van verweerder dat eiser er alles aan doet om zich ontwrichtend te gedragen jegens verweerder en ieder gesprek over zijn handelwijze en motieven uit de weg gaat.



9.6.
Uit de vele omvangrijke beroepschriften van eiser tegen verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard volgt dat eiser meent dat hij een rechtmatig belang heeft bij zijn verzoeken, omdat hij bewijzen in handen wenst te krijgen waarmee hij verder kan aantonen dat verweerder en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard in hun eerdere contacten met eiser zich onder meer schuldig maken aan valsheid in geschrift en meineed en dat onbevoegdelijk besluiten zijn genomen. Voorts heeft eiser aangevoerd dat geen sprake is van adviezen van een voltallige commissie die voldoet aan de eisen van artikel 7:13 van de Awb, maar dat sprake is van een enscenering van de afdoening van zijn bezwaren. In haar uitspraak van 29 juli 2015 en 10 februari 2016 heeft de Afdeling overwogen dat het mogelijk is een bevoegdheidsgebrek in bezwaar te herstellen en dat de enkele omstandigheid dat een ambtenaar is gemandateerd om de verzoeken van eiser te behandelen geen grond voor het oordeel oplevert dat verweerder vooringenomen is als bedoeld in artikel 2:4 van de Awb of dat eiser wordt benadeeld ten opzichte van anderen. De rechtbank voegt hier aan toe dat – anders dan eiser meent – met alle voorliggende besluiten op bezwaar die door verweerder zijn genomen eventuele bevoegdheidsgebreken in primo evenzeer van de baan zijn, ook als daarin bezwaren niet-ontvankelijk zijn verklaard, reeds omdat de aangevochten brief in primo – voor zover die althans rechtsgevolg als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb beoogd – bij een niet-ontvankelijk bezwaar niet wordt aangetast, terwijl een beslissing die eventueel lijdt onder een bevoegdheidsgebrek wegens het ontbreken van toereikend mandaat niet nietig is maar slechts vernietigbaar (zie bijvoorbeeld ABRvS 13 januari 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BK9001 en ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3514).



9.7.
Verder stelt de rechtbank vast dat uit de uitgebrachte adviezen van de commissie in de voorliggende zaken telkens sprake is van een voltallige commissie. Gelet op een en ander valt niet goed in te zien dat en hoe de vele door hem aanhangig gemaakte zaken tegen verweerder ten dienste kunnen staan aan het door eiser gestelde doel van zijn vele verzoeken aan verweerder. Indien eiser daadwerkelijk zou hebben willen vaststellen of sprake is van valsheid in geschrifte of meineed dan zou het veeleer in de rede hebben gelegen dat eiser zou zijn verschenen op hoorzittingen bij de commissie en dat hij zou zijn ingegaan op uitnodigingen voor gesprekken bij de burgemeester en de gemeentesecretaris, die immers, gelet op artikel 59a van de Gemeentewet, de beslissingen op bezwaar hebben ondertekend. Dat het eiser niet daadwerkelijke om kennisname van de gevraagde informatie is te doen volgt naar het oordeel van de rechtbank verder uit de omstandigheid dat eiser nimmer gebruik heeft gemaakt van de geboden mogelijkheid stukken bij verweerder in te zien.



9.8.
In haar uitspraken van 29 mei 2017 en 13 juli 2017 heeft de rechtbank inzake een aantal andere zaken van eiser geoordeeld dat de wijze waarop eiser zijn verzoeken en vooral ingebrekestellingen indient, het lastig maken om steeds te onderkennen om welke zaken het gaat. Ook thans ziet de rechtbank in de vele voorliggende zaken eenzelfde patroon. De eindeloze reeksen codes die eiser aan zijn stukken geeft en het daarbij hanteren van nieuwe codes voor ingebrekestellingen waarnaar hij in vervolgstukken wijst in plaats van op de codes bij de oorspronkelijke verzoeken, dit in samenhang met de grote hoeveelheid verzoeken die hij doet, gevolgd door reeksen ingebrekestellingen, leiden tot een grote mate van ondoorzichtigheid van de door eiser gevoerde correspondentie. Deze wijze van corresponderen vergroot de kans dat verweerder wegens niet tijdig beslissen dwangsommen verbeurt. Dat het eiser (mede) is te doen om dwangsommen en schadevergoedingen te incasseren blijkt uit alle pro-forma beroepschriften in deze zaken en voorts uit de vele over elkaar buitelende verzoeken, aanvullende verzoeken, ingebrekestellingen en herhaalde ingebrekestellingen.



9.9.
Daar komt bij dat een deel van de verzoeken om openbaarmaking betrekking heeft op reeds gevoerde procedures en eiser reeds beschikt over die stukken op grond van artikel 7:4 van de Awb danwel op grond van de artikelen 8:37 en 8:42 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat in beginsel ook misbruik van de Wob wordt gemaakt indien om stukken wordt verzocht, terwijl daarover ook op grond van de Awb wordt beschikt of kan worden beschikt en er geen bijkomend belang ligt in openbaarmaking van die stukken (vergelijk ABRvS 20 december 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3482).



9.10.
Tevens stelt de rechtbank vast dat eiser in de thans voorliggende zaken (meermaals) (de leden van) de rechtbank heeft gewraakt, vooral omdat de rechtbank procesbeslissingen heeft genomen die eiser niet bevielen. Ook de leden van de wrakingskamer zijn eerder door eiser gewraakt en ook in andere, soortgelijke procedures heeft eiser wrakingsverzoeken ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank kan de wijze waarop gebruik is gemaakt van de wrakingsbevoegdheid bijdragen aan het oordeel dat sprake is van misbruik van recht. Ook het tijdstip van indiening van eisers wrakingsverzoek in deze zaken op 16 januari 2018, versterkt bij de rechtbank het beeld dat het eiser erom te doen is de afdoening van zijn zaken door de rechtbank te frustreren en het hem niet is te doen om de openbaarmaking van overheidsinformatie.

10. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiser in alle voorliggende zaken de bevoegdheid om Wob-verzoeken en andere vragen en verzoeken in te dienen heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor die bevoegdheid is gegeven, zodanig dat dit gebruik blijk geeft van kwade trouw, zodat sprake is van misbruik van een wettelijke bevoegdheid. Dit geldt dan evenzeer voor de bevoegdheid om rechtsmiddelen bij de bestuursrechter in te stellen, omdat dit daar niet los van kan worden gezien
(bijvoorbeeld ABRvS 5 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2447 en ABRvS 14 december 2016, ECLI:NL:RVS:2016:3302). Dit misbruik van recht doet zich aldus zowel voor bij de indiening van aanvragen als bij het maken van bezwaar en instellen van beroep. Omdat verweerder bij besluit 1 de bezwaren niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens misbruik van recht, in dat beroep daarom ter toetsing staat of verweerder de bezwaren terecht op die gerond niet-ontvankelijk heeft verklaard en de rechtbank van oordeel is dat dit het geval is, zal zij het beroep tegen dit besluit ongegrond verklaren (vergelijk ABRvS 27 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1630 en ABRvS 26 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1102). In de overige twee beroepszaken zal de rechtbank zelf de beroepen, in overeenstemming met het standpunt van verweerder, niet-ontvankelijk verklaren wegens misbruik van recht.

11. Voor zover de veronderstelde schadeveroorzakende besluiten zijn genomen op of na 1 juli 2013 staat geen beroep open tegen de beslissing om geen schadevergoeding toe te kennen, maar kan gelet op artikel 8:88 en verder van de Awb een verzoekschrift worden ingediend bij de bestuursrechter of – indien beroep is ingesteld tegen het schadeveroorzakende besluit – kan de bestuursrechter worden verzocht schadevergoeding toe te kennen. In zijn beroepschriften heeft eiser in algemene zin verzocht om schadevergoeding. Hoewel op schadeverzoeken als bedoeld in artikel 8:91 van de Awb, gelet op artikel 8:94, eerste lid van de Awb, artikel 6:6 van de Awb van overeenkomstige toepassing is, zal de rechtbank eiser niet in de gelegenheid stellen zijn ongemotiveerde schadeverzoeken te onderbouwen, omdat de verzoeken hoe dan ook moeten worden afgewezen. Immers geen van de beroepen is gegrond.

12. Verweerder heeft verzocht eiser te veroordelen in de proceskosten. Omdat de rechtbank eiser in 15 vergelijkbare zaken tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Albrandswaard wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht bij uitspraak van heden in die zaken heeft veroordeeld in de proceskosten, welke kosten bestaan uit het voeren van verweer en vertegenwoordiging ter zitting door dezelfde gemachtigde als in de voorliggende drie zaken, zal de rechtbank in de onderhavige zaken afzien van een proceskostenveroordeling.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart de beroepen tegen de besluiten 2 en 3 niet-ontvankelijk;


verklaart het beroep tegen besluit 1 ongegrond;


wijst de verzoeken om schadevergoeding af.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Rop, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Stijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 februari 2018.





griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
Link naar deze uitspraak