Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBGEL:2018:5761 
 
Datum uitspraak:20-12-2018
Datum gepubliceerd:11-02-2019
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:346402
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Verbintenissenrecht. Fosfaatrechten. Kort geding. Aanspraak van de inschaarder op levering door de uitschaarder van aan uitschaarder toegekende fosfaatrechten ter zake van koeien die op 2 juli 2015 waren ingeschaard gedeeltelijk erkend in verband met dreigende strafvervolging.
Trefwoorden:dierlijke meststoffen
gezondheids- en welzijnswet voor dieren
koeien
landbouwer
melkvee
melkveehouderij
melkveehouders
meststoffen
meststoffenwet
vee
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/346402 / KG ZA 18-526 / 172 / 512


Vonnis in kort geding van 20 december 2018


in de zaak van



[naam eiser]
,
wonende te [woonplaats eiser] ,
eiser,
advocaat mr. J.M.M. Kroon te Wageningen,

tegen



[naam gedaagde]
,
wonende te [woonplaats gedaagde] ,
gedaagde,
verschenen in persoon.


Partijen zullen hierna [naam eiser] en [naam gedaagde] genoemd worden.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding


de mondelinge behandeling.





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De feiten

2.1.

[naam eiser] en [naam gedaagde] zijn melkveehouders. In het voorjaar van 2015 zijn zij mondeling overeengekomen dat [naam eiser] tegen betaling op zijn bedrijf pinken (koeien ouder dan een jaar die nog niet hebben gekalfd) van [naam gedaagde] zou opfokken. Vanaf 13 maart 2015 is [naam eiser] , de zogenoemde inschaarder, pinken gaan opfokken van [naam gedaagde] , de uitschaarder. [naam eiser] voerde en verzorgde de dieren en zorgde voor afvoer van de mest. [naam gedaagde] verzorgde het transport van de pinken, kwam geregeld kijken hoe de dieren het maakten en verzorgde de dieren in vakanties van [naam eiser] . Het overlijden van een dier kwam voor rekening van [naam gedaagde] . Als een dier ziek werd zorgde [naam gedaagde] ervoor dat dit dier werd opgehaald en vervangen.



2.2.
Op 2 juli 2015 waren 19 pinken van [naam gedaagde] bij [naam eiser] gestald.



2.3.
Bij brief van 2 juli 2015 heeft de Staatssecretaris van Economische Zaken de Tweede Kamer bericht dat, om de in EU-verband afgesproken beperking van de fosfaatproductie in Nederland te realiseren, het invoeren van productiebegrenzende maatregelen in de melkveehouderij onontkoombaar is geworden. In de brief wordt in het vooruitzicht gesteld dat een stelsel in het leven geroepen zal worden waarin aan elk melkveebedrijf fosfaatrechten zullen worden toegekend per gehouden en bij de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) geregistreerde koe.



2.4.
Vanaf februari 2016 is [naam gedaagde] koeien van hem die bij [naam eiser] waren gestald op naam van [naam eiser] gaan registreren. Voordien bleven bij [naam eiser] uitgeschaarde koeien op naam van [naam gedaagde] geregistreerd.



2.5.
Bij brief van 3 maart 2016 heeft de Staatssecretaris de Tweede Kamer toegelicht dat het aantal stuks melkvee dat op de peildatum 2 juli 2015 werd gehouden beslissend zal zijn voor het toekennen van fosfaatrechten.



2.6.
Het fosfaatrechtenstelsel is op 1 januari 2018 in werking getreden door wijziging van onder meer de Meststoffenwet. Fosfaatrecht is in art. 1 lid 1 aanhef en onder za. van deze wet gedefinieerd als hoeveelheid dierlijke meststoffen, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, die in een kalenderjaar ten hoogste met melkvee mag worden geproduceerd.



2.7.
Het eerste lid van art. 21b van de Meststoffenwet luidt als volgt:
Het is een landbouwer verboden op zijn bedrijf in een kalenderjaar meer dierlijke meststoffen met melkvee, uitgedrukt in kilogrammen fosfaat, te produceren dan het op het bedrijf rustende fosfaatrecht.
Overtreding van dit verbod is op de voet van art. 1a aanhef en onder 1° van de Wet op de economische delicten een economisch delict, en ingevolge art. 2 lid 1 en art. 6 lid 1 aanhef en onder 1° en 4° strafbaar met gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren, taakstraf of geldboete van de vijfde categorie als de overtreding opzettelijk is begaan en anders strafbaar met hechtenis van ten hoogste een jaar, taakstraf of geldboete van de vierde categorie.



2.8.
In art. 23 van de Meststoffenwet is bepaald, in lid 3:
Het op het bedrijf rustende fosfaatrecht op het tijdstip van inwerkingtreding van het verbod, bedoeld in artikel 21b, eerste lid, wordt door Onze Minister vastgesteld en komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen in een kalenderjaar door melkvee dat op 2 juli 2015 op het bedrijf is gehouden en krachtens de artikelen 4, 96 en 111 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren gestelde regels (I&R) is geregistreerd.
en in lid 5:
Indien een landbouwer voor een datum die bij ministeriële regeling wordt vastgesteld, meldt en aantoont dat hij op 2 juli 2015 melkvee had uitgeschaard, wordt het fosfaatrecht, bedoeld in het derde lid, verhoogd en wordt het fosfaatrecht van de landbouwer die dat melkvee op die datum had ingeschaard, met diens instemming verlaagd. Deze verhoging onderscheidenlijk verlaging komt overeen met de forfaitaire productie van dierlijke meststoffen van het aantal uitgeschaarde onderscheidenlijk ingeschaarde stuks melkvee.



2.9.
Fosfaatrechten zijn productierechten die gelet op art. 25 j° art. 1 lid 1 aanhef en onder aa. van de Meststoffenwet voor overdracht vatbaar zijn.



2.10.
Partijen hebben hun samenwerking per 1 juli 2018 beëindigd. Tot die tijd zijn steeds koeien van [naam gedaagde] bij [naam eiser] ingeschaard geweest.



2.11.
De 416,1 kg fosfaatrechten ter zake van de 19 koeien van [naam gedaagde] die op 2 juli 2015 bij [naam eiser] waren gestald zijn toegekend aan [naam gedaagde] .





3Het geschil


3.1.

[naam eiser] vordert dat de voorzieningenrechter [naam gedaagde] , versterkt met een dwangsom, zal veroordelen om 416,1 kilogram fosfaatrechten aan [naam eiser] over te dragen, met veroordeling van [naam gedaagde] in de proceskosten waaronder de nakosten.



3.2.

[naam eiser] baseert zijn vordering erop dat [naam gedaagde] ten onrechte heeft nagelaten de 19 koeien van [naam gedaagde] die [naam gedaagde] op 2 juli 2018 bij [naam eiser] had gestald op naam van [naam eiser] te registreren. [naam eiser] was destijds houder van die koeien. Aan [naam eiser] zou bij nakoming door [naam gedaagde] van zijn registratieverplichting de met deze 19 koeien corresponderende 416,1 kilogram fosfaatrechten zijn toegekend. [naam gedaagde] handelt jegens [naam eiser] onrechtmatig door deze fosfaatrechten niet alsnog aan [naam eiser] over te dragen, aldus [naam eiser] .



3.3.

[naam gedaagde] voert verweer.



3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.





4De beoordeling

4.1.
In geschil is wie rechthebbende is van de fosfaatrechten die zijn verbonden aan het melkvee van [naam gedaagde] dat op 2 juli 2015 bij [naam eiser] was ingeschaard. In dit kort geding kan hierover geen definitief oordeel worden gegeven. Beoordeeld moet worden of aanleiding bestaat hierover een voorlopige voorziening te treffen, zoals is gevorderd. Van belang is daarvoor in de eerste plaats dat als onweersproken vast staat dat [naam eiser] strafrechtelijke vervolging riskeert als niet uiterlijk op 31 december 2018 zo veel fosfaatrecht op zijn naam wordt geregistreerd als correspondeert met de fosfaatproductie van het in 2018 bij hem ingeschaarde melkvee van [naam gedaagde] . [naam eiser] heeft derhalve voldoende spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Inhoudelijk geldt het volgende.



4.2.
Ten tijde van het aangaan van de overeenkomst tussen partijen was niet voorzienbaar dat voor melkvee fosfaatrechten zouden worden ingevoerd. Tijdens de zitting is gebleken dat in de overeenkomst niet op de gevolgen van eventuele invoering van een productiebeperkende overheidsmaatregel in de melkveehouderij is gepreludeerd. Partijen hebben er destijds niets over beoogd te regelen. Er is aldus sprake van een leemte in de overeenkomst die op de voet van art. 6:248 lid 1 BW moet worden ingevuld. De vraag is dan of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid voortvloeit dat [naam eiser] in aanvulling op de rechtsgevolgen uit de overeenkomst, aanspraak heeft op overdracht van fosfaatrechten. In dat verband wordt het volgende overwogen.



4.3.
Art. 23 lid 3 van de Meststoffenwet voorziet erin dat aan een bedrijf de fosfaatrechten worden toegekend ter zake van het melkvee dat op 2 juli 2015 op dat bedrijf werd gehouden en toen op naam van dat bedrijf I&R was geregistreerd. Vast staat dat het op 2 juli 2015 bij [naam eiser] ingeschaarde melkvee van [naam gedaagde] toen eigenlijk op naam van [naam eiser] had moeten zijn geregistreerd omdat het vee feitelijk bij [naam eiser] was gestald. In geschil is of het vee destijds op het bedrijf van [naam eiser] werd gehouden, zoals hij stelt en [naam gedaagde] betwist. Dat ligt erg voor de hand, omdat het vee zich feitelijk op het terrein van [naam eiser] bevond, daar in de regel door [naam eiser] werd gevoerd en verzorgd, [naam eiser] ook de mest van dit vee verwerkte en bovendien door [naam gedaagde] voor zijn diensten werd betaald. [naam gedaagde] bleef weliswaar het bedrijfsrisico van ziekte en overlijden van het vee dragen, verleende bij de verzorging af en toe hand- en spandiensten en was met het transport van en naar zijn eigen bedrijf belast, maar dit zijn onvoldoende overtuigende aanknopingspunten voor een ander oordeel over het houderschap. Voorshands acht de voorzieningenrechter daarom aannemelijk dat het op 2 juli 2015 bij [naam eiser] ingeschaarde vee van [naam gedaagde] op het bedrijf van [naam eiser] werd gehouden. Indien een behoorlijke I&R registratie van dit vee zou zijn bijgehouden zouden op grond van de wet aan [naam eiser] in plaats van aan [naam gedaagde] de fosfaatrechten ter zake van de 19 koeien zijn toegekend. Uit de eisen van redelijkheid en billijkheid vloeit daarom in beginsel de aanvullende verplichting van [naam gedaagde] voort om deze toestand alsnog te realiseren door overdracht van de aan die koeien verbonden fosfaatrechten aan [naam eiser] , zoals [naam eiser] vordert.



4.4.
Uit art. 23 lid 5 van de Meststoffenwet volgt echter dat een uitschaarder als [naam gedaagde] die aantoont dat hij op 2 juli 2015 vee had uitgeschaard, zoals hier tussen partijen vast staat, aanspraak kan maken op toekenning van de fosfaatrechten ter zake van het uitgeschaarde vee die op grond van lid 3 in beginsel aan een inschaarder als [naam eiser] toekomen. Voor deze verlaging van aan de inschaarder toekomende fosfaatrechten is instemming van de inschaarder vereist. Met deze procedure is weliswaar aannemelijk dat instemming van [naam eiser] zou zijn uitgebleven, maar toch kan thans niet worden uitgesloten dat uiteindelijk ten gronde geoordeeld zal worden dat de eisen van redelijkheid en billijkheid meebrengen dat [naam gedaagde] op deze grond recht heeft op een gedeelte van de fosfaatrechten. Bij wijze van voorlopige voorziening zal het gevorderde daarom in zoverre worden toegewezen dat [naam gedaagde] slechts ⅔ gedeelte van de 416,1 kg fosfaatrechten, afgerond 277 kg, dient over te dragen aan [naam eiser] . Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [naam eiser] ter zitting heeft laten weten dat met een dergelijke overdracht het gevaar van strafvervolging zal zijn geweken en [naam gedaagde] niet heeft aangegeven dat hij bij deze partiële overdracht op onoverkomelijke problemen in zijn bedrijfsvoering zal stuiten. Ook acht de voorzieningenrechter in dit verband van belang dat het vee in 2015 niet gedurende het hele jaar maar pas vanaf 13 maart bij [naam eiser] ingeschaard is geweest.



4.5.
De gevorderde dwangsom zal worden gemaximeerd.



4.6.

[naam gedaagde] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam eiser] worden begroot op:
- dagvaarding € 99,91
- griffierecht 297,00
- salaris advocaat 980,00
Totaal € 1.376,91





5De beslissing
De voorzieningenrechter


5.1.
veroordeelt [naam gedaagde] om binnen drie dagen na de betekening van dit vonnis over te gaan tot overdracht van netto 277 kilogram fosfaatrechten op naam van [naam eiser] ,



5.2.
veroordeelt [naam gedaagde] om aan [naam eiser] een dwangsom te betalen van € 5.000,00 voor iedere dag dat [naam gedaagde] niet aan de in 5.1. uitgesproken hoofdveroordeling voldoet, tot een maximum van € 100.000,00 is bereikt,



5.3.
veroordeelt [naam gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [naam eiser] tot op heden begroot op € 1.376,91, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf de veertiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,



5.4.
veroordeelt [naam gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 157,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [naam gedaagde] niet binnen 14 dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 82,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak, en te vermeerderen met de wettelijke rente over de nakosten met ingang van de veertiende dag na heden tot de dag van volledige betaling,



5.5.
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



5.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. N.W. Huijgen en in het openbaar uitgesproken op 20 december 2018.
Link naar deze uitspraak