Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CRVB:2019:1293 
 
Datum uitspraak:09-04-2019
Datum gepubliceerd:15-04-2019
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:18/3176 PW
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Niet gemelde exploitatie van hennepkwekerij in woning van appellant. Niet aannemelijk gemaakt dat appellant de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd. Onvoldoende feitelijke grondslag voor standpunt college dat er twee eerdere oogsten zijn geweest. Slechts één oogst aannemelijk. Afwijzing aanvraag gelet op eerdere exploitatie en mogelijke vermogensvorming.
Trefwoorden:kwekerij
wettelijke rente
 
Uitspraak
18 3176 PW, 18/3177 PW, 18/3178 PW


Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer

Datum uitspraak: 9 april 2019









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van
23 april 2018, 17/2290, 17/3331 en 17/3468 (aangevallen uitspraak), en uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade





Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J.H.F. de Jong, advocaat, hoger beroep ingesteld en verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade, in de vorm van wettelijke rente.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 februari 2019. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. De Jong. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door C. van den Bergh.




OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.
Appellant ontving vanaf 4 juni 2012 bijstand, laatstelijk op grond van de Participatiewet (PW). Appellant huurt vanaf 1 december 2015 een woning op het adres [uitkeringsadres] te [woonplaats] (uitkeringsadres).



1.2.
Naar aanleiding van een melding van de politie Midden-Nederland, inhoudend dat op 15 juni 2016 in de woning op het uitkeringsadres een in werking zijnde hennepplantage is aangetroffen bestaande uit in totaal 293 hennepplanten, heeft een sociaal rechercheur van de gemeente Utrecht een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft de sociaal rechercheur dossieronderzoek verricht en kennis genomen van informatie van de politie Midden-Nederland. Deze informatie omvat onder meer een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerij, een proces-verbaal van het verhoor van appellant op 22 juni 2016 (proces-verbaal verhoor), met daarin opgenomen de verklaring van appellant dat [X] en [Y] de eigenaren waren van de in zijn woning aangetroffen hennepplantage en deze plantage in maart of april 2016 hebben gebouwd, processen-verbaal van verhoor van getuigen, het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel en een ‘rapportage diefstal energie’ van 17 juni 2016, opgesteld door een fraudespecialist van Stedin (rapportage diefstal). De sociaal rechercheur heeft appellant uitgenodigd voor een gesprek op 5 januari 2017. Appellant heeft aan deze uitnodiging geen gehoor gegeven. Om die reden heeft het college het recht op bijstand van appellant met ingang van 5 januari 2017 opgeschort en appellant daarbij uitgenodigd voor een gesprek op 9 januari 2017. Ook aan deze uitnodiging heeft appellant geen gehoor gegeven. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 10 januari 2017.



1.3.
Het college heeft in de onderzoeksresultaten aanleiding gezien om bij besluit van 17 januari 2017, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 april 2017 (bestreden besluit 1), de bijstand van appellant met ingang van 6 januari 2016 in te trekken en de over de periode van 6 januari 2016 tot en met 31 december 2016 gemaakte kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 11.200,41. Aan bestreden besluit 1 heeft het college het volgende ten grondslag gelegd.


1.3.1.
In de periode van 6 januari 2016 tot 16 (lees: 15) juni 2016 heeft appellant in de woning op het uitkeringsadres een hennepkwekerij geëxploiteerd. Hij is er niet in geslaagd met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en niet meer dan € 2.350,- aan inkomsten uit of in verband met die kwekerij heeft ontvangen. Gelet op de in de rapportage diefstal genoemde indicatoren is de conclusie gerechtvaardigd dat ten minste twee oogsten hebben plaatsgevonden. Op basis van deze rapportage mocht er dan ook van worden uitgegaan dat de hennepkwekerij vanaf 6 januari 2016 is opgezet en geëxploiteerd. Appellant heeft de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden door geen melding te maken van de exploitatie van de hennepkwekerij in zijn woning en van de daaruit genoten inkomsten. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand over de periode van 6 januari 2016 tot 15 juni 2016 niet worden vastgesteld.



1.3.2.
Vanaf 16 (lees: 15) juni 2016 had appellant geen vaste woon- en/of verblijfplaats meer. Door hiervan geen melding te maken, heeft appellant ook in zoverre de op hem rustende wettelijke inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand vanaf 15 juni 2016 niet kan worden vastgesteld.




1.4.
Op 6 maart 2017 heeft appellant zich gemeld om bijstand aan te vragen naar de norm voor een dak- en thuisloze en op 21 maart 2017 heeft hij een daartoe strekkende aanvraag ingediend. Bij besluit van 23 maart 2017, zoals na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 13 juli 2017 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan bestreden besluit 2 heeft het college, kort weergegeven, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, geen inzicht verschaft in de exploitatie van de hennepkwekerij in zijn woning, de daaruit verworven inkomsten en de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen. Hiermee heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, als gevolg waarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3. In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij de beroepen tegen bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond zijn verklaard.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Intrekking en terugvordering




4.1.
Ter zitting heeft appellant kenbaar gemaakt dat het hoger beroep zich uitsluitend richt tegen het oordeel van de rechtbank, kort gezegd, dat appellant vanaf 6 januari 2016 een hennepkwekerij in zijn woning heeft geëxploiteerd. Dit betekent dat uitsluitend de periode van 6 januari 2016 tot 15 juni 2016 in geding is.



4.2.
Intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit. Daarom rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op de bijstandverlenende instantie. Dit betekent dat de bijstandverlenende instantie de nodige kennis over de relevante feiten moet verzamelen.



4.3.
Vaststaat dat op 15 juni 2016 in twee kamers in de woning van appellant hennepkwekerijen zijn aangetroffen met in totaal 293 hennepplanten (hennepkwekerij).



4.4.
Appellant heeft aangevoerd dat de hennepkwekerij niet door hem maar door twee anderen, [X] (X) en [Y] (Y), werd geëxploiteerd. Daartoe heeft appellant een deel van zijn woning ter beschikking gesteld. In ruil daarvoor hebben X en Y de huur van appellant over de maanden maart tot en met juni 2016 betaald tot een bedrag van in totaal € 1.350,-. Daarnaast heeft appellant een bedrag van € 1.000,- van X en Y ontvangen voor de hennepoogst die er is geweest. Zijn inkomsten uit de hennepkwekerij in zijn woning bedroegen in totaal dus € 2.350,-.



4.5.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Het feit dat in de door appellant gehuurde woning een hennepkwekerij is aangetroffen, rechtvaardigt de vooronderstelling dat appellant daarvan exploitant is geweest en in die hoedanigheid op geld waardeerbare werkzaamheden heeft verricht en dat de opbrengst hem ten goede is gekomen. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de kwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd. De enkele stelling dat X en Y de hennepkwekerij hebben opgezet en geëxploiteerd is daartoe onvoldoende. Appellant heeft geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt waaruit valt af te leiden dat niet hij, maar derden, de hennepkwekerij hebben geëxploiteerd. Aangezien appellant geen melding heeft gemaakt van de (exploitatie van de) hennepkwekerij, heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Gelet op de omstandigheid dat appellant geen deugdelijke administratie heeft bijgehouden van de in het kader van de exploitatie verrichte werkzaamheden en daaruit ontvangen inkomsten, kan niet worden vastgesteld dat de inkomsten die appellant met de exploitatie heeft verworven of heeft kunnen verwerven beperkt zijn gebleven tot een bedrag van in totaal € 2.350,-.



4.6.
Appellant heeft voorts aangevoerd dat voorafgaand aan de ontmanteling van de hennepkwekerij op 15 juni 2016 slechts eenmaal hennep is geoogst. Pas in maart 2016 is de hennepkwekerij opgezet in zijn woning. De onderzoeksbevindingen bieden onvoldoende grondslag voor de conclusie dat twee hennepoogsten hebben plaatsgevonden.



4.7.
Het college stelt zich op het standpunt, zo is ter zitting van de Raad gebleken, dat de bevindingen van de fraudespecialist van Stedin in de rapportage diefstal, in samenhang bezien met de verklaring van getuige A voldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat tweemaal is geoogst in de hennepkwekerij en dat deze kwekerij dus in ieder geval al vanaf 6 januari 2016 is geëxploiteerd.


4.7.1.
In de rapportage diefstal heeft de fraudespecialist vastgesteld dat in de periode van 6 januari 2016 tot en met 15 juni 2016 diefstal van energie is gepleegd. In dit verband heeft de fraudespecialist vastgesteld dat de aanwezige planten op 15 juni 2016 21 dagen oud waren en, op basis van de volgende bevindingen, dat twee volledige hennepoogsten van 70 dagen hebben plaatsgevonden:

“Ik zag dat de kappen van de in de hennepkwekerijen aanwezige assimilatielampen onder een dikke laag stof zaten, wat duidt dat deze al een langere tijd aanwezig waren [...].
Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters waren door het gebruik in de hennepkwekerijen dermate vervuild op een wijze dat de filters meerdere hennepoogsten in werking moet zijn geweest.
[...]
Op de vloer in de hennepkwekerijen zag ik droge afvalbladeren en droge resten van hennepplanten liggen, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst [...].”



4.7.2.
Getuige A heeft op 15 juni 2016 tegenover de politie het volgende verklaard:

“U vraagt mij of ik wel eens wiet heb geroken. Ja, dat heb ik wel. Ik denk dat ik de geur ook rond december 2015 voor het eerst heb geroken. De geur is er meestal in de avond en lijkt, bij mijn woning, van onder de trap te komen. Begin mei heb ik [appellant] voor het laatst gezien. [...] De geur van wiet die ik in mijn woning ruik is af en toe zo erg geweest dat ik overal in mijn woning geurkaarsjes had staan. Ik had het idee dat [appellant] af en toe een blowtje rookte.”




4.8.
Tussen partijen is niet in geschil - en de onder 4.7.1 weergegeven bevindingen uit het rapport diefstal bieden daarvoor ook voldoende aanknopingspunten - dat in de hennepkwekerij in ieder geval één eerdere oogst heeft plaatsgevonden.



4.9.
Evenals in de aan partijen ter zitting besproken uitspraak van 18 december 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:4223, kan ook in dit geval uit de bevindingen van de fraudespecialist van Stedin niet worden afgeleid dat sprake is geweest van twee eerdere oogsten. Evenals in het geval van die uitspraak, bevat ook in het onderhavige geval het rapport diefstal daarvoor onvoldoende controleerbare gegevens. Uit de dikke laag stof die de fraudespecialist op de kappen van de assimilatielampen heeft aangetroffen, valt af te leiden dat deze lampen enige tijd in gebruik zijn geweest, maar geeft geen uitsluitsel over het aantal hennepoogsten. Evenmin is inzichtelijk waarom de geconstateerde vervuiling van de koolstoffilters grond is om aan te nemen dat meer dan eenmaal hennep is geoogst. Wat de aangetroffen droge afvalbladeren en resten van hennepplanten betreft, heeft de fraudespecialist van Stedin zelf tot uitdrukking gebracht dat deze niet afkomstig zijn meerdere hennepoogsten, maar van een eerdere hennepoogst.



4.10.
De enkele verklaring van getuige A dat zij wel eens wiet heeft geroken, wijst evenmin uit dat in de hennepkwekerij niet eenmaal, maar tweemaal hennep is geoogst. Gelet op de laatste volzin van de onder 4.7.2 weergegeven verklaring van deze getuige kan immers niet worden vastgesteld of wat de getuige rook, afkomstig was van een in bedrijf zijnde hennepkwekerij of van (een) wiet rokende perso(o)n(en).


4.11.1.
Uit 4.9 en 4.10 volgt dat de bevindingen in rapport diefstal en de verklaring van getuige A op zichzelf, noch in samenhang bezien een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat twee hennepoogsten hebben plaatsgevonden. Het college heeft niet aannemelijk gemaakt dat in de hennepkwekerij meer dan eenmaal hennep is geoogst. De onder 4.5 weergegeven beroepsgrond slaagt dus.



4.11.2.
Uitgaande van één volledige oogst, een voorbereidingsperiode van twee weken en een kweekperiode van 21 dagen van de op 15 juni 2016 aangetroffen planten moet, zoals partijen ter zitting is voorgehouden, ervan worden uitgegaan dat 3 maart 2016 de ingangsdatum is van de werkzaamheden voor de hennepkwekerij. Uit 4.5 volgt dat als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting het recht op bijstand over de periode van 3 maart 2016 tot 15 juni 2016 niet kan worden vastgesteld. Nu voorts niet meer in geschil is dat appellant vanaf 15 juni 2016 zijn inlichtingenverplichting heeft geschonden wat zijn woonsituatie betreft en dat als gevolg daarvan ook het recht op bijstand vanaf 15 juni 2016 niet kan worden vastgesteld, was het college verplicht de bijstand van appellant met ingang van 3 maart 2016 in te trekken. Het college was echter niet bevoegd de bijstand van appellant in te trekken over de periode van 6 januari 2016 tot 3 maart 2016. De rechtbank heeft dit niet onderkend.


Afwijzing aanvraag





4.12.
De te beoordelen periode loopt van 6 maart 2017, de datum waarop appellant zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen, tot en met 23 maart 2017, de datum van het besluit tot afwijzing van de aanvraag om bijstand.



4.13.
Appellant heeft het volgende aangevoerd. Het ontbreken van een administratie van de exploitatie van de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij kan hem niet worden tegengeworpen. Hij heeft de hennepkwekerij immers nooit zelf geëxploiteerd, zodat het voor hem niet mogelijk is om een administratie over te leggen. Hier komt bij dat hij het bedrag van € 1.000,- contant heeft ontvangen van degenen die de hennepkwekerij hebben geëxploiteerd en dat zij ook de huur contant voor hem hebben voldaan. Niet valt in te zien hoe appellant hiervan een administratie had kunnen voeren.



4.14.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Gelet op wat onder 4.5 is overwogen, moet ervan worden uitgegaan dat appellant de hennepkwekerij zelf heeft geëxploiteerd. Het college mocht daarom van appellant verlangen op verifieerbare wijze inzicht te bieden in de exploitatie van de hennepkwekerij, de daaruit verworven inkomsten en de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen.



4.15.
Subsidiair heeft appellant aangevoerd dat als zou worden uitgegaan van de voor hem meest ongunstige situatie, te weten dat hij uit de hennepkwekerij inkomsten heeft ontvangen tot het in het rapport wederrechtelijk verkregen voordeel berekende bedrag van in totaal € 29.696,14, hij in de beoordelen periode, na aftrek van schulden en intering vanaf januari 2017, recht op bijstand heeft. Deze beroepsgrond slaagt evenmin, reeds omdat appellant niet op verifieerbare wijze, bijvoorbeeld aan de hand van een deugdelijke administratie, inzicht heeft geboden in de exploitatie van deze hennepkwekerij, de daaruit verworven inkomsten en de besteding daarvan dan wel de vorming van vermogen. Afgezien hiervan heeft appellant niet aannemelijk gemaakt dat en welke schulden hij precies had naast de schuld aan het college en dus ook niet dat hij, uitgaande van intering op een vermogen ter hoogte van het berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 29.696,14, in de te beoordelen periode recht op bijstand zou hebben gehad.


Slotsom



4.16.1.
Uit 4.11 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond is verklaard. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dit beroep gegrond verklaren en bestreden besluit 1 wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen voor zover het betreft de intrekking over de periode van 6 januari 2016 tot 3 maart 2016 en de terugvordering in zijn geheel. Gelet op het tijdsverloop is niet te verwachten dat het college via nader onderzoek alsnog aannemelijk kan maken dat sprake is geweest van meer dan één oogst. Daarom zal de Raad tevens het besluit van 17 januari 2017 herroepen voor zover dit ziet op de intrekking van de bijstand over de periode van 6 januari 2016 tot 3 maart 2016.



4.16.2.
Het college zal een nieuwe berekening van het terug te vorderen bedrag moeten maken over de periode van 3 maart 2016 tot en met 31 december 2016. Nu het hier gaat om een financiële uitwerking die de Raad zelf niet kan maken, zal het college worden opgedragen in zoverre opnieuw te beslissen op het bezwaar van appellant tegen het besluit van 17 januari 2017. Met het oog op een efficiënte afdoening van het geschil bestaat aanleiding om met toepassing van artikel 8:113, tweede lid, van de Awb te bepalen dat tegen het nieuwe besluit slechts bij de Raad beroep kan worden ingesteld.



4.16.3.
Gelet op 4.14 en 4.15 dient de aangevallen uitspraak voor het overige, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5. Het verzoek van appellant om vergoeding van wettelijke rente kan nu niet worden toegewezen, omdat nadere besluitvorming door het college over de terugvordering noodzakelijk is. Het college zal bij het nemen van een nader besluit ook aandacht moeten besteden aan de vraag in hoeverre er aanleiding is om schade te vergoeden.

6. Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de kosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 1.024,- in bezwaar, € 512,- in beroep - waarbij in aanmerking wordt genomen dat de rechtbank naar aanleiding van de gegrondverklaring van een ander beroep al de voor het verschijnen ter zitting gemaakte proceskosten heeft vergoed - en € 1.024,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, in totaal € 2.560,-.





























BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep



vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van 18 april 2017 ongegrond is verklaard;


verklaart het beroep tegen het besluit van 18 april 2017 gegrond en vernietigt dit besluit voor zover het betreft de intrekking over de periode van 6 januari 2016 tot 3 maart 2016 en de terugvordering in zijn geheel;


herroept het besluit van 17 januari 2017 voor zover het de intrekking over de periode van


6 januari 2016 tot 3 maart 2016 betreft en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 april 2017;


draagt het college op een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2017 voor zover het de terugvordering betreft;


bepaalt dat tegen dat besluit slechts beroep bij de Raad kan worden ingesteld;


bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige voor zover aangevochten;


wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;


veroordeelt het college in de kosten van appellant tot een bedrag van € 2.560,-;


bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 172,- vergoedt.




Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van E. Stumpel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 april 2019.



(getekend) A.B.J. van der Ham



(getekend) E. Stumpel






IJ
Link naar deze uitspraak