Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBROT:2021:1280 
 
Datum uitspraak:19-02-2021
Datum gepubliceerd:23-02-2021
Instantie:Rechtbank Rotterdam
Zaaknummers:AWB - 20 _ 1425
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Aanvraag WIA-uitkering afgewezen, want eiser is minder dan 35% arbeidsongeschikt.
Trefwoorden:tuinbouw
uitkering
 
Uitspraak
Rechtbank Rotterdam

Zittingsplaats Rotterdam

Bestuursrecht

zaaknummer: ROT 20/1425

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 februari 2021 in de zaak tussen




[naam eiser]
, te [woonplaats eiser], eiser,
gemachtigde: mr. B.F. Desloover,

en


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder,
gemachtigde: [naam].





Procesverloop

Bij besluit van 22 februari 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 11 maart 2019 afgewezen.

Bij besluit van 10 februari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden in Dordrecht op 4 februari 2021. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen



1.1.
Eiser is vanwege pols-, nek- en psychische klachten op 13 maart 2017 uitgevallen voor zijn werk als magazijnmedewerker. Na de toepasselijke wachttijd heeft hij op 22 januari 2019 een aanvraag ingediend voor een Wet WIA-uitkering. In het kader van deze aanvraag is eiser op 6 februari 2019 gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts. Van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is op 15 februari 2019 een rapportage opgesteld. De primaire verzekeringsarts heeft vastgesteld dat geen ernstige beperkingen ten aanzien van de handklachten worden geobjectiveerd, maar wel aannemelijk is dat eiser geen relatief fysiek zwaar werk kan doen. Verder worden er met betrekking tot de psychische klachten lichte beperkingen geobjectiveerd. De belastbaarheid van eiser is vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 februari 2019, geldig per 6 februari 2019. Hierin zijn beperkingen aangegeven in de rubrieken 1. Persoonlijk functioneren en 4. Dynamische handelingen.



1.2.
In het rapport van 21 februari 2019 heeft de primaire arbeidsdeskundige op basis van de mogelijkheden en beperkingen geconcludeerd dat eiser niet meer in staat is om zijn eigen arbeid te verrichten. Wel heeft zij een aantal gangbare functies geduid, namelijk Textielproductenmaker (geen machines bedienen) (SBC-code 111160), Productiemedewerker (samenstellen van producten) (SBC-code 111180) en Productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie (eenvoudige machines bedienen) (SBC-code 111172). Aanvullend zijn de volgende functies geduid: Sorteerder, controleur (SBC-code 111340) en Inpakker (handmatig) (SBC-code 111190). Op basis van de mediaanfunctie (de middelste van de eerste drie geduide functies) heeft de primaire arbeidsdeskundige vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk 28,79%.



1.3.
Verweerder heeft bij het primaire besluit bepaald dat eiser 28,79% arbeidsongeschikt is en dat hij daarmee per 11 maart 2019 niet in aanmerking komt voor een Wet WIA-uitkering.



2.1.
In het kader van de heroverweging in bezwaar heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 januari 2020 uiteengezet dat het rapport van de primaire verzekeringsarts moet worden aangepast. Eiser is (in het verleden) geopereerd vanwege carpaal tunnelsyndroom en heeft na de operatie nog steeds last van klachten. Ook heeft hij vanwege braces een beperkte hand- en vingervaardigheid waarvoor aanvullende beperkingen moeten worden aangegeven in de FML. Voor de psychische problematiek volgt eiser een behandeling bij een psycholoog en gebruikt hij medicatie. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft toegelicht dat ook op de gebieden Persoonlijk en Sociaal functioneren aanvullende beperkingen moeten worden opgenomen. Zij heeft echter geen aanleiding gezien om een (preventieve) urenbeperking aan te nemen, op basis van de standaard “Duurbelastbaarheid in arbeid”. De aangepaste FML is vastgelegd op 17 januari 2020, geldig per 6 februari 2019.



2.2
In het rapport van 8 februari 2020 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep toegelicht dat, op basis van de nieuwe FML, niet alle functies uit het rapport van 21 februari 2019 passend zijn voor eiser. Hij heeft de functies Productiemedewerker voedingsmiddelenindustrie en Sorteerder, controleur laten vervallen. De resterende functies zijn wel passend. Gelet op de nieuwe beperkingen en mogelijkheden heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de functies Medewerker tuinbouw (planten, bloemen en vruchten) (SBC-code 242030) en Samensteller kunststof- en rubberproducten (SBC-code 271130) ook passend geacht. Op basis van de nieuwe mediaanfunctie heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep vastgesteld dat eiser minder dan 35% arbeidsongeschikt is, namelijk 33,27%.



2.3.
Verweerder heeft vervolgens het bestreden besluit genomen en het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

3. In beroep voert eiser aan dat hij niet in staat is om de geduide functies te verrichten en dat hij meer beperkt is dan in de FML is vastgesteld. Naast klachten aan de pols heeft eiser ook elleboogklachten en de combinatie van deze twee klachten zorgt voor beperkingen in de bruikbaarheid van zijn armen en handen. Voor deze klachten zou een operatieve ingreep volgen, maar door de omstandigheden rondom het coronavirus is deze ingreep tot op heden uitgesteld. Eiser volgt wel een handtherapie waarbij hij spalken draagt om zijn handen en armen. De klachten verslechteren gaandeweg. Als gevolg van slaapapneu heeft eiser bovendien slaapstoornissen en last van benauwdheid waarbij mogelijk ook psychische problemen een rol kunnen spelen. Eiser heeft zich verder in oktober 2019 ziekgemeld waarna een Ziektewet (ZW) uitkering werd toegekend (vanaf 17 januari 2020) en begrijpt niet dat hij per datum in geding geschikt is geacht voor de passende functies.

4. Op grond van artikel 4 van de Wet WIA is volledig en duurzaam arbeidsongeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur.

Op grond van artikel 5 van de Wet WIA is gedeeltelijk arbeidsgeschikt degene die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek, zwangerschap of bevalling slechts in staat is met arbeid ten hoogste 65% te verdienen van het maatmaninkomen per uur, doch die niet volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is.

Op grond van artikel 6, derde lid, van de Wet WIA wordt onder de genoemde arbeid verstaan alle algemeen geaccepteerde arbeid waartoe de verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is.

In het Schattingsbesluit zijn regels gesteld betreffende de vaststelling van de mate van arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet WIA.



5.1.
De datum in geding is 11 maart 2019. De rechtbank zal beoordelen of verweerder zich terecht op het standpunt stelt dat het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser per die datum minder dan 35% is.



5.2.
Het verzekeringsgeneeskundig onderzoek is gebaseerd op anamnese, eigen onderzoek, datgene wat in het bezwaarschrift en op de hoorzitting van 17 januari 2020 is aangevoerd, als ook op informatie van de behandelend sector. De rechtbank acht het verrichte onderzoek zorgvuldig. Datgene wat eiser in beroep heeft aangevoerd geeft geen reden het medisch oordeel dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt voor onjuist te houden. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt.



5.3.
De rechtbank stelt vast dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in het rapport van 17 januari 2020 heeft betrokken dat sprake is van arm- en handklachten waarvoor eiser aan beide handen braces draagt, naar gesteld reeds ten tijde van de datum in geding. Hierin heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep naar het oordeel van de rechtbank terecht aanleiding gezien om aanvullende beperkingen te stellen, nu – zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft opgemerkt – door het dragen van de braces de hand/vingervaardigheid van eiser beperkt is. In dat kader zijn in de FML van 17 januari 2020 meer beperkingen opgenomen, bijvoorbeeld ten aanzien van het maken van schroefbewegingen (4.7), tillen of dragen (4.14) en frequent lichte voorwerpen hanteren tijdens het werk (4.15). Dat eiser daarbij ten onrechte niet is beperkt op andere items, zoals 4.3 (hand / vingergebruik) en 4.5 (toetsenbord bedienen en muis hanteren), zoals eiser ter zitting heeft gesteld, volgt de rechtbank niet. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft immers in de aanvullende rapportage van 8 juni 2020 opgemerkt dat de onderzoeksbevindingen ten tijde van het primaire onderzoek geen aanleiding gaven om beperkingen in hand- en vingervaardigheden aan te geven en dit ook gold voor de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep tijdens de hoorzitting, met de braces. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft verder inzichtelijk gemotiveerd dat sprake is van meer beperkingen op persoonlijk en sociaal functioneren vanwege de psychische problemen en de daarvoor gebruikte medicatie.

De rechtbank is aldus niet gebleken dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep een onvolledig beeld heeft gehad van de medische situatie van eiser. De rechtbank betrekt daarbij dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep, naar aanleiding van hetgeen eiser in beroep heeft aangevoerd, in het rapport van 8 juni 2020 gemotiveerd heeft toegelicht dat sprake is van een langzame verslechtering van de belastbaarheid van met name de handen en armen, zodat eiser – gelet op de bevindingen ten tijde van de bezwaarprocedure en de aangescherpte beperkingen – op de datum in geding minstens tot de (in bezwaar) aangegeven belastbaarheid in staat zou moeten zijn. Dat sprake is van een indicatie voor een nieuwe operatie (aanvankelijk gepland voor 3 maart 2020) maakt de belastbaarheid per datum in geding niet anders. Ten aanzien van de slaapapneu heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep erop gewezen dat er geen medische gegevens bekend zijn waaruit blijkt dat de slaapapneu ernstiger is dan waarvan is uitgegaan, zodat er geen aanleiding bestaat om de FML aan te passen. De rechtbank ziet geen aanleiding dit standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep niet te volgen.

De rechtbank merkt daarbij op dat, hoewel de situatie van eiser invoelbaar is, ingevolge vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (bijvoorbeeld de uitspraak van 26 februari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:459), bij het vaststellen van beperkingen niet de subjectieve, persoonlijke klachtbeleving bepalend is, maar dat wat objectief medisch is vast te stellen.

Voor zover eiser nog heeft verwezen naar zijn ziekmelding in oktober 2019 maakt dit het vorenstaande niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat de WIA-beoordeling ziet op de datum in geding en de medische toestand van eiser op die datum, 11 maart 2019. Klachten die ontstaan, of zijn verergerd, na de datum in geding worden dus niet meer meegenomen bij de onderhavige beoordeling. Los daarvan heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in de reactie van 8 juni 2020 opgemerkt dat er aan de acceptatie van de ziekmelding per oktober 2019 geen medische beoordeling ten grondslag ligt. Verweerder heeft in dat kader ter zitting nader toegelicht dat eiser zich zeven maanden na de datum in geding heeft ziekgemeld, dit samenhing met klachten van een vergrote prostaat waardoor eiser moeilijk kon lopen, en (volgens eiser) (nog steeds) sprake was van slijtageklachten aan de nek. Eiser is bij de toekenning van de ZW uitkering niet gezien door een verzekeringsarts. Er heeft uiteindelijk een telefonische beoordeling plaatsgevonden, waarbij eiser heeft aangegeven geopereerd te moeten worden aan een zenuwbeknelling in zijn elleboog. Daarom is eiser niet in staat geacht zijn arbeid (te weten de geduide functies in het kader van de onderhavige WIA-beoordeling) te verrichten en heeft hij een ZW-uitkering gekregen. De rechtbank is in het licht van deze feiten en omstandigheden van oordeel dat aan de ZW-acceptatie niet de door eiser gewenste betekenis kan worden gehecht voor wat betreft de onderhavige WIA-beoordeling.



5.4.
Uit het voorgaande volgt dat verweerder de functionele mogelijkheden van eiser correct heeft vastgesteld. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat de belasting van de voorgehouden functies de mogelijkheden van eiser overschrijdt. Vergelijking van het inkomen dat eiser in de voorgehouden functies zou kunnen verdienen met het inkomen dat hij in zijn eigen werk zou hebben verdiend als hij niet arbeidsongeschikt was geworden, geeft een verlies aan verdienvermogen te zien van 33,27%. De mate van arbeidsongeschiktheid van eiser is door verweerder dus terecht bepaald op minder dan 35%.

6. Het beroep is daarom ongegrond.

7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Sabanovic, griffier. De uitspraak is in het openbaar gedaan op 19 februari 2021.



De griffier is buiten staat



griffier rechter


Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
Link naar deze uitspraak