Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBLIM:2021:1931 
 
Datum uitspraak:12-02-2021
Datum gepubliceerd:08-04-2021
Instantie:Rechtbank Limburg
Zaaknummers:8950294 AZ VERZ 20-153
Rechtsgebied:Arbeidsrecht
Indicatie:Vernietiging van een ontslag op staande voet vanwege liegen over ziekte, vanwege disfunctioneren en nevenactiviteiten. De kantonrechter overweegt dat de verwijten voor zover deze zijn komen vast te staan, ook in onderlinge samenhangen bezien, geen dringende reden voor abrupte beëindiging van arbeidsovereenkomst in het leven roepen. De arbeidsovereenkomst duurt voort. Toewijzing loonvordering.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
paarden
stallen
wettelijke rente
 
Uitspraak
beschikking
RECHTBANK LIMBURG

Burgerlijk recht

Zittingsplaats Maastricht

Zaaknummer: 8950294 AZ VERZ 20-153


Beschikking van 12 februari 2021


in de zaak van



[verzoekster]
,
wonend te [woonplaats] ,
verzoekster,
gemachtigde mr. F.H.I. Hundscheid,

tegen


de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid CALL COGENS B.V.,
gevestigd te Heerlen,
verweerster,
gemachtigde mr. W.J.H. van Loo.

Partijen worden hierna [verzoekster] en Cogens genoemd.




1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


het verzoekschrift met vier bijlagen;


het verweerschrift met bijlagen 1 t/m 26;


de mondelinge behandeling op 3 februari 2021 en de pleitaantekeningen van mr. Van Loo.





1.2.
Ten slotte is beschikking bepaald op heden.





2De feiten

2.1.

[verzoekster] , geboren op [geboortedatum] 1995, is op 22 juni 2020 voor bepaalde tijd in dienst getreden bij Cogens in de functie van telefoniste/receptioniste voor 40 uur per week tegen een bruto maandloon van € 1.800,-, exclusief vakantietoeslag. Op 20 juli 2020 is de arbeidsovereenkomst door een tweede arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd vervangen.



2.2.
In artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is het volgende bepaald:


1. – Gedurende deze arbeidsovereenkomst onthoudt werkneemster zich van het verrichten van werkzaamheden voor derden, het doen van zaken voor eigen rekening, alsmede van elke directe of indirecte betrokkenheid of financiële interesse bij dergelijke werkzaamheden of zaken. (…)


2. – Het in lid 1 vermelde verbod geldt niet indien werkneemster daartoe voorafgaand toestemming heeft gekregen van werkgeefster, aan welke toestemming werkgeefster voorwaarden kan verbinden. (…)




2.3.

[verzoekster] is actief in de paardensport en verhuurt stallen.



2.4.
Bij brief van 26 oktober 2020 heeft Cogens een waarschuwing gegeven vanwege het ongeoorloofd afwezig zijn en disfunctioneren. In de brief is vermeld dat bij een eerstvolgende keer dat [verzoekster] ongeoorloofd afwezig is, direct een einde wordt gemaakt aan de arbeidsovereenkomst.



2.5.
Op dinsdag 27 oktober 2020 is [verzoekster] naar huis gegaan in verband met mogelijke coronagerelateerde klachten. Op vrijdag 30 oktober 2020 heeft [verzoekster] aan Cogens gemeld dat zij geen corona heeft, maar dat zij nog steeds ziek is. Omdat de directeur van Cogens, [naam directeur] ( [naam directeur] ), van collega’s verneemt dat zij [verzoekster] (mogelijk) hebben zien rijden in de bedrijfsauto, heeft [naam directeur] [verzoekster] driemaal per Whatsapp gevraagd of zij op maandag 2 november 2020 weer kon komen werken. [verzoekster] heeft die dag niet gereageerd op de berichten van [naam directeur] . Op zondag
1 november 2020 heeft [verzoekster] [naam directeur] telefonisch laten weten dat zij op maandag
2 november 2020 niet zal kunnen werken omdat zij ziek in bed ligt. Daarop is [naam directeur] naar het door [verzoekster] opgegeven verblijfsadres in [woonplaats] gereden. Toen hij daar niemand aantrof, is [naam directeur] doorgereden naar het adres van de partner van [verzoekster] in [plaats] . De partner van [verzoekster] heeft tegen [naam directeur] gezegd dat [verzoekster] niet ziek in bed lag, maar onderweg was met een paard.



2.6.

[verzoekster] had op 2 november 2020 een afspraak in het ziekenhuis. Deze afspraak heeft zij geannuleerd en zij is op het werk verschenen. Daar is haar medegedeeld dat zij op staande voet is ontslagen. Bij brief van diezelfde datum heeft Cogens aan [verzoekster] de volgende redenen bevestigd voor het ontslag op staande voet:


Geachte mevrouw [verzoekster] ,



Vandaag, maandag 2 november 2020, confronteerde ik u met klachten - bij mij binnengekomen via uw collega’s - over uw werkzaamheden. Ook spraken wij over het voorval van zondag 1 november 2020 waaruit wederom bleek dat u loog.



Ziekmelding


Via appberichten informeerde ik naar uw ziekte. U gaf aan ziek in bed te liggen en om het half uur naar het toilet te moeten rennen. U kon om die reden de dag erop, maandag 2 november 2020 niet naar het werk komen door deze gesteldheid. Ik heb u zondagmiddag en avond proberen te bellen. U liet per app weten hetgeen ik hiervoor verwoord heb en het bovendien vreemd te vinden om op zondag met mij te telefoneren. Ik heb daarop besloten (binnen een half uur na het zenden van het appbericht) u thuis te bezoeken. Ik trof u niet op het adres dat u aan kantoor als vaste verblijfplaats heeft opgegeven. U verbleef bij uw partner, [naam partner] , die te [plaats] woonachtig is. Bij de heer [naam partner] aangekomen, zag ik de bedrijfsauto van kantoor op de oprit staan. Uw partner kwam zonder dat ik had hoeven aanbellen naar buiten en begroette mij. De heer [naam partner] gaf aan dat u niet in bed lag, maar met uw schoonvader een paard was ophalen. De reden waarom u weigerde met mij te telefoneren was derhalve niet omdat u in bed lag en ook niet omdat u ziek was, maar omdat u op het tijdstip dat ik u appte in de auto zat.


In het bijzijn van mevrouw [naam 1] gaf u toe hierover gelogen te hebben en zaterdag al hersteld te zijn van ziekte. Dat kan ook niet anders, omdat meerdere mensen u in de kantoorauto hebben zien rijden, terwijl u aangaf ziek thuis te zijn.



Disfunctioneren


Tijdens uw afwezigheid de afgelopen dagen is gebleken dat u poststukken in uw postbakje onverwerkt heeft achtergelaten. Ook heeft u de verantwoordelijke jurist en advocaat hierover niet geïnformeerd, laat staan de officemanager aan wie u verantwoording dient af te leggen. Daarnaast heeft u geen taken overgedragen aan de officemanager en/of het secretariaat zoals u herhaaldelijk verzocht is te doen.



Nevenactiviteiten


Het is daarnaast gebleken dat u het kantooradres gebruikt voor privéaangelegenheden. Een incassobureau heeft u rechtstreeks op kantoor aangesproken op een onbetaald gelaten rekening. Los van dit alles hebben drie verschillende collega’s verklaard dat u zich tijdens werktijd vooral bezighoudt met nevenactiviteiten en amper met de taken die u zijn opgedragen. Zo heeft u volgens de verklaring zelfs langer dan een half uur getelefoneerd voor aan- en verkoop van paarden en wordt u vaker op kantoor via het kantoornummer gebeld voor deze privéaangelegenheden, althans blijkende uit een verklaring van een directe collega die u heeft horen telefoneren. Ook anderen binnen kantoor beamen zulks en zijn bereid hierover te verklaren. Zo ook over de pensionstallen die u exploiteert. U gaf kantoorgenoten te kennen dat u deze stallen doorverhuurde aan particulieren en was daar tijdens kantoortijd structureel mee bezig.



Laat ik duidelijk zijn dat uw contract u verbiedt om nevenactiviteiten te hebben zonder dat deze zijn goedgekeurd door ondergetekende. Ook is het u niet toegestaan om het kantooradres te gebruiken als factuuradres voor privéaangelegenheden - zoals bestellingen en dergelijke - te gebruiken. Zeker niet als u daarbij de rekeningen onbetaald laat.



Ontslag op staande voet


Elk van deze gedragingen op zich, maar zeker ook in onderlinge samenhang bezien, levert een dringende reden op in de zin van artikel 7:778 BW en heeft tot gevolg dat uw werkgever elk vertrouwen in u heeft verloren. Ik ontsla u hierbij op staande voet. (…)




2.7.
Na het ontslag is Cogens erachter gekomen - omdat zij zich toegang heeft verschaft tot de e-mailbox van [verzoekster] - dat [verzoekster] op maandag 2 november 2020 een afspraak had bij een abortuskliniek.



2.8.
Op 2 november 2020 heeft [verzoekster] de eenmanszaak ‘ [handelsnaam] ’ geregistreerd in het handelsregister. Deze onderneming is [verzoekster] op 1 oktober 2020 gestart.



2.9.
Na 2 november 2020 zijn er op het kantooradres van Cogens diverse betalingssommaties aangekomen gericht aan [verzoekster] .






3Het geschil

3.1.

[verzoekster] verzoekt de kantonrechter:


primair om ex artikel 7:681 lid 1 BW de opzegging te vernietigen, met veroordeling van Cogens om aan [verzoekster] het loon te betalen tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;


subsidiair om een transitievergoeding, een billijke vergoeding en een vergoeding wegens onregelmatige opzegging, te vermeerderen met de wettelijke rente en dat [verzoekster] niet meer gebonden zal zijn aan het concurrentiebeding;


zowel primair als subsidiair om Cogens te veroordelen in de kosten.





3.2.
Cogens heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer strekt ertoe dat de verzoeken van [verzoekster] dienen te worden afgewezen onder veroordeling van [verzoekster] in de kosten van de procedure, daaronder begrepen het salaris van de gemachtigde.






4De beoordeling
Het toetsingskader


4.1.
De kantonrechter merkt allereerst op dat uit het systeem van art. 7:681 lid 1 BW volgt dat in een zaak als de onderhavige de werknemer zelf de keuze zal moeten maken (op zijn laatst ter zitting) om ofwel vernietiging van de opzegging te verzoeken óf om - in plaats daarvan - zich neer te leggen bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar wel om veroordeling van de werkgever tot betaling van genoemde vergoedingen (los van eventuele andere posten) te verzoeken omdat hij het met de door de werkgever opgegeven reden van de opzegging niet eens is. Dat is dus niet een kwestie van een primair en subsidiair verzoek maar een kwestie van het een of het ander.



4.2.
In artikel 7:677 lid 1 BW is bepaald dat ieder van de partijen bevoegd is de arbeidsovereenkomst op grond van een dringende reden onverwijld op te zeggen, onder onverwijlde mededeling van die reden aan de wederpartij. Bij de beoordeling van de vraag of van een zodanige dringende reden sprake is, moeten de omstandigheden van het geval in onderling verband en samenhang in aanmerking worden genomen. Verder is bij de beoordeling van de rechtsgeldigheid van een ontslag op staande voet van belang dat dit het zwaarste middel is in het arbeidsrecht, een laatste remedie, daar waar een lichtere maatregel niet passend is.



4.3.
Volgens vaste rechtspraak fixeert de opgegeven dringende reden de ontslaggrond en bepaalt deze de rechtsstrijd, zowel ten aanzien van de feiten als ten aanzien van de verwijten. Dit betekent dat de kantonrechter in het kader van de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet, enkel kan ingaan op de in de ontslagbrief van 2 november 2020 benoemde verwijten. Naast de verwijten in de ontslagbrief heeft Cogens andere verwijten naar voren gebracht in haar verweerschrift. Deze (soms ernstige) verwijten zijn echter niet relevant voor de beoordeling van de rechtsgeldigheid van het ontslag op staande voet. Deze andere verwijten zijn immers niet ten grondslag gelegd aan dit ontslag. Daarom gaat de kantonrechter niet op die verwijten in. Dat was anders geweest als Cogens die verwijten ten grondslag had gelegd aan een (voorwaardelijk) verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst voor het geval het ontslag op staande voet geen stand zou houden. Een dergelijk verzoek heeft Cogens echter niet ingediend.



De relevante verwijten




4.4.
De kantonrechter zal eerst ingaan op de interpretatie van de in de ontslagbrief weergegeven verwijten. Cogens stelt in het verweerschrift dat [verzoekster] ook op de dag dat zij zich ziek meldde - 27 oktober 2020 - niet ziek was en dat [verzoekster] niet alleen heeft gelogen dat zij op zondag 1 november 2020 buikgriepklachten had, maar gedurende de gehele periode vanaf 27 oktober 2020 heeft voorgewend ziek te zijn geweest. Dat ook deze - gestelde - leugen onderdeel vormt van de dringende reden komt naar het oordeel van de kantonrechter allereerst niet naar voren uit de ontslagbrief. In de ontslagbrief staat immers niet dat [verzoekster] vanaf 27 oktober 2020 tot en met 1 november 2020 heeft voorgewend ziek te zijn geweest. [verzoekster] heeft dit daarnaast ook niet erkend. Zij heeft blijkens de ontslagbrief, weliswaar toegegeven gelogen te hebben, maar die leugen zag op voorgewende buikgriepklachten op zondag 1 november 2020.



4.5.
Verder staat in eerste alinea van de ontslagbrief dat [verzoekster] ‘wederom’ loog. Het liegen over het ‘ziek zijn’ dient volgens Cogens te worden gezien in relatie tot eerdere leugens van [verzoekster] en die laatste leugen was volgens Cogens de druppel. In het verweerschrift is op pagina 11 en 12 een hele waslijst opgenomen van eerdere keren dat [verzoekster] volgens Cogens heeft gelogen. Deze lijst is echter niet opgenomen in de ontslagbrief. De eerdere (gestelde) leugens heeft Cogens dan ook niet ten grondslag gelegd aan het ontslag op staande voet en kunnen daar achteraf ook niet onder worden geschaard. Uit een ontslagbrief moet immers zonneklaar blijken waarop het ontslag op staande is gegrond. Dan weet de werknemer namelijk ook tegen welke verwijten hij zich moet verweren.



4.6.
Over het tweede verwijt stelt de kantonrechter vast dat dit ziet op het niet verwerken van de post tijdens de afwezigheid van [verzoekster] de afgelopen dagen en het niet overdragen van taken. Aannemelijk is dat Cogens daarmee bedoelt dat [verzoekster] de post niet heeft verwerkt nadat zij op 27 oktober 2020 naar huis is gegaan en zij niemand van haar collega’s op de hoogte heeft gesteld van de nog af te handelen taken. Voor zover Cogens heeft beoogd [verzoekster] ook disfunctioneren in bredere zin te verwijten, volgt dit niet uit de ontslagbrief en dit is dan ook niet aan het ontslag op staande voet ten grondslag gelegd.



4.7.
De kantonrechter stelt vast dat onderdeel van het derde verwijt is het gebruik van het kantooradres ten behoeve van privéactiviteiten. Met privéactiviteiten bedoelt Cogens de activiteiten ten behoeve van het paardenpension van [verzoekster] . Aan de zijde van Cogens is tijdens de mondelinge behandeling immers verklaard dat dit verwijt ziet de op het kantooradres van Cogens aangekomen post voor [verzoekster] verband houdend met haar paardenpension.



4.8.
De kantonrechter leidt uit de brief van 2 november 2020 dan ook af dat Cogens (enkel) de volgende verwijten ten grondslag heeft gelegd aan het ontslag op staande voet:
1. dat [verzoekster] op zondag 1 november 2020 tegen [naam directeur] heeft verklaard buikgriepklachten te hebben en op 2 november 2020 nog niet te kunnen komen werken, terwijl zij op zaterdag 31 oktober 2020 al was hersteld;
2. het op 27 oktober 2020 - de dag dat [verzoekster] ziek naar huis is gegaan - onverwerkt achterlaten van poststukken in haar postbakje, het niet informeren van de verantwoordelijke jurist en het niet overdragen van taken;
3. het verrichten van nevenactiviteiten:


3.1
het zonder goedkeuring van Cogens verrichten van nevenwerkzaamheden;


3.2
het structureel onder werktijd verrichten van werkzaamheden ten behoeve van het paardenpension;


3.3
het gebruiken van het kantooradres als factuuradres ten behoeve van het paardenpension.


Is het ontslag op staande voet rechtsgeldig?




4.9.

[verzoekster] erkent op 1 november 2020 te hebben gelogen tegen [naam directeur] . [verzoekster] stelt echter dat deze leugen haar niet kan worden aangerekend. [naam directeur] had [verzoekster] immers onder druk gezet door haar in het weekend meerdere whatsappberichten te zenden en door haar op te zoeken. Verder is volgens [verzoekster] relevant dat zij op 2 november 2020 een medische ingreep zou ondergaan.



4.10.
Naar het oordeel van de kantonrechter valt de leugen van [verzoekster] niet te kwalificeren als een dringende reden. Allereerst acht de kantonrechter relevant dat Cogens niet onderbouwd heeft betwist dat [verzoekster] ziek was. Er is immers geen bedrijfsarts ingeschakeld, de deskundige bij uitstek om te controleren of een ziekmelding terecht is, wat bovendien - bij een blijvend geschil daarover - ook de mogelijkheid had geopend voor een deskundigenaanvraag bij het UWV. Dat [naam directeur] [verzoekster] wilde confronteren met het gegeven dat hij had vernomen dat enkele collega’s haar hadden gezien in de bedrijfsauto valt ergens nog wel te volgen. [naam directeur] is echter te ver gegaan door [verzoekster] - in het weekend - meerdere whatsappberichten te zenden, haar op te zoeken op het opgegeven verblijfsadres en dat van haar partner. [naam directeur] heeft [verzoekster] hierdoor op onaanvaardbare wijze onder druk gezet. Niet valt in te zien waarom [naam directeur] niet had kunnen wachten tot na het weekend. Verder acht de kantonrechter relevant dat een werknemer niet gehouden is een werkgever op de hoogte te brengen van de aard van zijn klachten en dat een werkgever bovendien ook niet kan beoordelen of een werknemer ziek is of niet. Verder is niet in geschil is dat [verzoekster] op maandag 2 november 2020 een afspraak had bij een abortuskliniek, dat dit de daadwerkelijke reden was waarom [verzoekster] vanaf 2 november 2020 het werk niet kon hervatten en het aannemelijk is dat het voortuitzicht van een abortus zijn weerslag heeft gehad op de gemoedstoestand van [verzoekster] . Kortom, de leugen kan [verzoekster] vanwege de hiervoor genoemde redenen wel in enige mate, maar niet in die mate zoals Cogens dat heeft gedaan, worden aangerekend.



4.11.
Ook het tweede opgegeven verwijt behelst geen dringende reden. Allereerst is van belang dat postverwerking niet tot de kern- of hoofdtaken van [verzoekster] behoorde. Zij was receptioniste. Haar hoofdtaken waren het bewaken van de balie, klanten ontvangen, telefoon aannemen en schoonhouden van de koffiemachine. [verzoekster] had de mogelijkheid door te groeien naar de functie van secretaresse en kreeg waar mogelijk ook secretariële taken, maar dat waren niet haar hoofdtaken. Het feit dat [verzoekster] de functie van receptioniste vervulde en niet die van secretaresse doet af aan de door Cogens bepleite verantwoordelijkheid voor de postverwerking van [verzoekster] . De kantonrechter stelt verder vast dat [verzoekster] weliswaar (terecht) stelt dat het verwijt niet (geheel) duidelijk is, maar op zichzelf niet betwist poststukken onverwerkt in het postbakje te hebben achtergelaten. De kantonrechter acht van belang dat [verzoekster] buikgriepklachten had en die klachten in verband bracht met corona. Zij is, na overleg met de officemanager naar huis gegaan om zich zekerheidshalve te laten testen (verweerschrift, pagina 8). Het is ook bij een gering vermoeden van corona niet verstandig om nog allerlei mensen te ontmoeten. Vanuit dat oogpunt is het te volgen dat [verzoekster] niet meer tegen verschillende collega’s heeft gezegd dat er nog poststukken in haar postbakje lagen. Wat zij wel heeft gedaan is dat zij heeft gesproken met de officemanager. Die wist dus dat [verzoekster] plots naar huis was en het had op haar weg gelegen, naast de verantwoordelijkheid van [verzoekster] zelf om tegen de officemanager te zeggen dat er nog post in haar postbakje lag, om in het postbakje van [verzoekster] te kijken en zorg te dragen voor een goede afhandeling. Tot slot heeft Cogens niet nader duidelijk gemaakt welke stukken nog verwerkt moesten worden noch gesteld of dit nog negatieve gevolgen heeft gehad. Kortom, postverwerking behoorde niet tot de hoofdtaken van [verzoekster] , de officemanager was op de hoogte van het vertrek van [verzoekster] en tot slot is het verwijt niet voldoende gespecificeerd.



4.12.
Het laatste verwijt, dat ziet op de door [verzoekster] verrichte nevenwerkzaamheden voor haar paardenpension, is te verdelen in drie onderdelen.



4.13.
Ten eerste is de vraag of de werkzaamheden van [verzoekster] voor haar paardenpension op zichzelf een dringende reden in het leven roept. De kantonrechter is van oordeel dat dit niet het geval is. Hoewel het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden zoals verwoord in artikel 9 van de arbeidsovereenkomst is overtreden, betekent het overtreden van een dergelijk verbod niet dat sprake is van een dringende reden. Het verbod op het verrichten van nevenwerkzaamheden in artikel 9 is immers nogal ruim omschreven, zelfs indien een werknemer financiële interesse toont in de bedoelde werkzaamheden is sprake van een overtreding. Het is dan ook de vraag of artikel 9 van de arbeidsovereenkomst in volle omvang rechtsgeldig is. Daarnaast is van belang dat activiteiten op het gebied van de paardensport van [verzoekster] zijn te beschouwen als hobbymatig en dat deze zich na verloop van tijd hebben ontwikkeld tot (semi)professionele activiteiten, met name vanaf 1 oktober 2020, de startdatum van haar onderneming. Er was niet al bij aanvang van de arbeidsovereenkomst sprake van professionele activiteiten. Daarnaast staat buiten kijf dat deze werkzaamheden niet concurrerend waren voor Cogens.



4.14.
Cogens had een punt gehad, indien vast zou komen te staan dat [verzoekster] structureel gedurende de werktijd zich bezig zou hebben gehouden met haar werkzaamheden voor het paardenpension en dit pas vlak vóór 2 november 2020 was gebleken. Dat [verzoekster] structureel bezig was met haar paardenpension is evenwel niet vast komen te staan. Voor die stelling is nauwelijks bewijs aangeleverd. Er is een schriftelijke verklaring van [naam 2] , waarin staat dat [verzoekster] tijdens werktijd uitgebreide telefoongesprekken voerde met potentiële klanten van haar paardenpension. Deze verklaring is niet ondertekend en wie [naam 2] is en wat haar functie is, blijkt evenmin. De kantonrechter hecht dan ook geen waarde aan die verklaring. In de uitgebreide schriftelijke verklaring van [naam 1] , die evenmin is ondertekend, staat ook (nauwelijks) iets over de werkzaamheden van [verzoekster] voor het paardenpension.



4.15.
Ten derde is post bestemd voor [verzoekster] aangekomen op het kantooradres. Al deze post dateert van na de datum van het ontslag op staande voet, maar ziet op bestellingen van [verzoekster] van voor die datum. Het betreft vorderingen van bol.com, Wehkamp, Zalando en Otto, waarbij uit de stukken niet valt op te maken of deze daadwerkelijk met de pensionstallen van [verzoekster] te maken hebben. Dat [verzoekster] bestellingen heeft gedaan, daarbij het kantooradres heeft gebruikt en vervolgens die rekeningen niet heeft betaald met als gevolg dat aanmaningen zijn verzonden aan het kantooradres is haar te verwijten. Dit verwijt is echter te licht voor de kwalificatie dringende reden. Dit gedrag dient eerder bestraft te worden met een waarschuwing.



Conclusie: het ontslag op staande voet houdt geen stand




4.16.
Resumerend overweegt de kantonrechter dat de verwijten voor zover deze zijn komen vast te staan, ook in onderlinge samenhangen bezien, geen dringende reden voor abrupte beëindiging van arbeidsovereenkomst in het leven roepen.



4.17.
De conclusie is dan ook dat het ontslag op staande voet zal worden vernietigd. Het gevolg is dat er op 2 november 2020 geen opzegging van de arbeidsovereenkomst heeft plaatsgevonden. De arbeidsovereenkomst duurt nog voort.


Het recht op loon




4.18.

[verzoekster] heeft verzocht om Cogens te veroordelen tot betaling van het loon. [verzoekster] heeft niet verzocht Cogens te veroordelen tot wedertewerkstelling. Dat is echter een keuze van [verzoekster] . De kantonrechter begrijpt in elk geval dat [verzoekster] van mening is recht te hebben op loondoorbetaling. Gedurende de periode vanaf 2 november 2020 heeft [verzoekster] geen arbeid verricht. Dat zij geen arbeid heeft verricht dient echter voor rekening van Cogens te komen, nu het ontslag op staande voet geen stand houdt. Het verzoek tot betaling van het loon zal dus worden toegewezen tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd.



4.19.
De primaire verzoeken zijn toegewezen. Aan behandeling van de subsidiaire verzoeken om vergoedingen – wat daarvan ook zij – komt de kantonrechter dan niet meer toe.



4.20.
Cogens zal worden veroordeeld in de proceskosten. Deze worden begroot op
€ 747,- aan salaris gemachtigde en € 83,- griffierecht.



4.21.
Hoewel daar niet door [verzoekster] om is verzocht, kan de kantonrechter de veroordeling ingevolge artikel 288 Rv ambtshalve uitvoerbaar bij voorraad verklaren. Dit zal de kantonrechter ook doen. Het belang van [verzoekster] om haar loon te verkrijgen weegt zwaarder dan het risico van Cogens dat dit loon (bij een eventuele andersluidende beslissing in hoger beroep) achteraf ten onrechte blijkt te zijn voldaan. Dit risico heeft Cogens bovendien (deels) over zichzelf afgeroepen door het niet indienen van een voorwaardelijk ontbindingsverzoek. Cogens heeft verzocht om [verzoekster] te veroordelen zekerheid te stellen indien Cogens zou worden veroordeeld tot betaling van vergoedingen. Nu Cogens niet wordt veroordeeld tot betaling van vergoedingen, maar enkel tot betaling van het loon en proceskosten, wijst de kantonrechter dit verzoek, ook gelet op hetgeen zij hiervoor heeft overwogen, af.















5De beslissing
De kantonrechter:


5.1.
vernietigt de opzegging van de arbeidsovereenkomst;



5.2.
veroordeelt Cogens tot betaling van het loon vanaf 2 november 2020 tot de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd;



5.3.
veroordeelt Cogens tot betaling van de proceskosten, aan de zijde van [verzoekster] tot op heden vastgesteld op € 830,-;



5.4.
verklaart onderdeel 5.2 en 5.3 van deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;



5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. P.H.M. Kuster en is in het openbaar uitgesproken.








BM
Link naar deze uitspraak