Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CBB:2021:747 
 
Datum uitspraak:22-07-2021
Datum gepubliceerd:22-07-2021
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:21/688
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Wet Dieren Besluit houders van dieren Bevinding in toezichtrapport niet betwist. Geen uitzicht op herstel (binnen afzienbare tijd) op locatie en dermate ernstig dat alle aanleiding bestond voor toepassing spoedbestuursdwang
Trefwoorden:bestuursdwang
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
Wetreferenties:Wet dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 21/688


uitspraak van de voorzieningenrechter van 22 juli 2021 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen



[naam] , te [plaats] , verzoekster
(gemachtigde: mr. R.A. Bruinsma),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder
(gemachtigde: mr. P.J. Kooiman).




Procesverloop

Bij besluit van 31 mei 2021 (het primaire besluit) heeft verweerder zijn beslissing tot toepassing van spoedbestuursdwang op 26 mei 2021 wegens overtreding van de Wet dieren en van het Besluit houders van dieren op schrift gesteld.

Verzoekster heeft tegen het primaire besluit bezwaar gemaakt. Zij heeft de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2021. Partijen zijn verschenen bij genoemde gemachtigden.




Overwegingen

1. Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan, indien voorafgaand aan een mogelijk beroep bij het College, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover in deze uitspraak een oordeel wordt gegeven over de rechtmatigheid van het primaire besluit, is sprake van een voorlopig oordeel dat het College niet bindt in een eventuele bodemprocedure.
2. De voorzieningenrechter neemt spoedeisend belang aan nu verzoekster met dit verzoek wil bereiken dat haar in beslag genomen honden aan haar worden teruggegeven en de kosten van de bewaring van de honden niet langer oplopen.

3. Op grond van artikel 5:31, eerste lid, van de Awb kan een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder voorafgaande last. Ingevolge het tweede lid kan, indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

4. Op 26 mei 2021 heeft in de woning van verzoekster een controle plaatsgevonden door districtsinspecteurs van de Landelijke Inspectiedienstrapport Dienrenbescherming. Daarvan is verslag gedaan in een toezichtrapport van 1 juni 2021. Verzoekster heeft de bevindingen in het toezichtrapport niet betwist. In de woning van appellante troffen de toezichthouders 20 honden in twee ruimtes, waaronder de woonkamer. In die ruimtes hing een sterke ammoniakgeur. De woning was vrijwel volledig afgesloten van licht -en luchttoetreding en er lag een dikke laag stof. De honden waren te klein gehuisvest en hun verblijven ernstig vervuild. Verder beschikten 19 honden niet over water.

5. Volgens verweerder noopte de gezondheid en het welzijn van de honden tot direct ingrijpen. Volgens verweerder kon verzoekster niet op korte termijn voor een betere huisvesting zorgdragen gelet op de beperkte ruimte in de woning en de rommelige toestand.


6.1
De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat sprake was van overtredingen van artikel 2.2, achtste lid, van de Wet Dieren en artikel 1.6 eerste en tweede lid en artikel 1.7, sub d en sub g, van het Besluit houders van dieren. Verweerder was dus in beginsel bevoegd om handhavend op te treden.



6.2
Voorts is de voorzieningenrechter voorshands van oordeel dat de op 26 mei 2021 aangetroffen situatie spoedeisend was, geen uitzicht bood op herstel (binnen afzienbare tijd) op locatie en dermate ernstig dat alle aanleiding bestond om zonder voorafgaande last en zelfs zonder voorafgaand besluit terstond bestuursdwang toe te passen zoals bedoeld in artikel 5:31, eerste en tweede lid, van de Awb.



6.3
Hetgeen verzoekster heeft aangevoerd leidt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel, ook al omdat verweerder in de bezwaarfase eventuele fouten die kleven aan het primaire besluit kan herstellen.

7. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.


Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stam, in aanwezigheid van mr. P.M. Beishuizen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2021.





De voorzieningenrechter De griffier is verhinderd
is verhinderd te ondertekenen te ondertekenen


Afschrift verzonden aan partijen op:
Link naar deze uitspraak