Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHSHE:2021:2280 
 
Datum uitspraak:20-07-2021
Datum gepubliceerd:22-07-2021
Instantie:Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Zaaknummers:200.276.576_01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Onverschuldigde betaling of geldlening van een volgens afspraak aan een bedrijf overgemaakt bedrag?
Trefwoorden:paarden
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team Handelsrecht

zaaknummer 200.276.576/01


arrest van 20 juli 2021


in de zaak van



[appellante]
,
wonende te [woonplaats] ,
appellante,
hierna: [appellante] ,
advocaat: mr. I.B. Jansse te Rotterdam,

tegen



[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats] ,
geïntimeerde,
hierna: [geïntimeerde] ,
advocaat: mr. A.H.H.M. Roelofs te Nuland,

op het bij dagvaardingsexploot van 5 maart 2020 ingeleide hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen vonnis van 15 januari 2020 tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.





1Het geding in eerste aanleg (nummer 7609568 CV EXPL 19-1612)

Hiervoor verwijst het hof naar voornoemd vonnis en het daaraan voorafgaande tussenvonnis van 29 mei 2019.




2Het geding in hoger beroep


2.1
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het voornoemde dagvaardingsexploot van [appellante] ;


de memorie van grieven van [appellante] met een productie;


de memorie van antwoord van [geïntimeerde] .





2.2
Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de voornoemde stukken en die van de eerste aanleg.











3De beoordeling


Beknopt feitenoverzicht



3.1
In dit geding gaat het in de kern om het volgende.

[appellante] heeft op 5 oktober 2016 van haar privé-(bank)rekening € 20.000,-- overgeboekt naar bankrekening [rekeningnummer] op naam van [de vennootschap] met als omschrijving:

“VERZEKERING EN VERVOER SHOW / [appellante] / [woonplaats]”.
Partijen twisten over een al dan niet op [geïntimeerde] rustende verplichting tot terugbetaling van dat bedrag.


Vordering(en) en beslissingen uit de eerste aanleg en inzet in hoger beroep




3.2
In dit met de dagvaarding van 12 februari 2019 ingeleide geding heeft [appellante] in eerste aanleg in hoofdlijn gevorderd dat [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot betaling van € 21.681,47 en van de proceskosten, allebei met wettelijke rente.



3.3
Na de bij het tussenvonnis van 29 mei 2019 gelaste comparitiezitting, heeft de kantonrechter bij het beroepen (eind)vonnis van 15 januari 2020 de vordering van [appellante] afgewezen en [appellante] veroordeeld in de op € 960,-- begrote proceskosten van de eerste aanleg.



3.4
In hoger beroep formuleert [appellante] drie grieven en concludeert [appellante] in de kern dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en haar vordering alsnog zal toewijzen en [geïntimeerde] zal veroordelen in de proceskosten van de eerste aanleg en het beroep.



3.5

[geïntimeerde] weerspreekt het beroep en concludeert in hoofdlijn dat het hof de grieven van [appellante] zal afwijzen en het beroepen vonnis zal bekrachtigen, met veroordeling van [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep


Geschil en partijdebat in beroep




3.6
Met grief 1 keert [appellante] zich tegen het kantonrechteroordeel dat, samengevat, op [appellante] de stelplicht en bewijslast van de gestelde geldlening rust, maar [appellante] de gestelde geldlening met de ingebrachte WhatsApp-berichten onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] meent dat de kantonrechter hier de bewijslast had moeten omkeren.
Door grief 2 verwijt [appellante] de kantonrechter ten onrechte voorbij te zijn gegaan aan haar betwisting van de door [geïntimeerde] beweerde onderliggende factuur. [appellante] betoogt dat de kantonrechter tot een onverschuldigde betaling van € 20.000,-- had moeten concluderen.
Met grief 3 keert [appellante] zich tegen het kantonrechteroordeel dat, samengevat, [appellante] de overeenkomst van geldlening bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst en door haar afwezigheid op de zitting, onvoldoende heeft onderbouwd. [appellante] betoogt dat de kantonrechter haar vordering had moeten toewijzen of de bewijslast had moeten omkeren en aan [geïntimeerde] een bewijsopdracht moeten geven.
Het hof overweegt dat deze grieven zich lenen voor gezamenlijke behandeling. Met deze drie toegelichte grieven wil [appellante] haar (door de kantonrechter afgewezen) vordering in volle omvang ter beslissing aan het hof voorleggen.



3.7

[appellante] vordert betaling van € 21.681,47, bestaande uit € 20.000,-- aan hoofdsom, € 501,72 aan tot 12 februari 2019 verschenen rente en € 1.179,75 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten.



3.8
Voor zover [geïntimeerde] tegenwerpt dat [appellante] de vordering niet tegen haar maar tegen [de vennootschap] had moeten instellen, vormt dat geen niet-ontvankelijkheidsverweer. Anders dan [geïntimeerde] kennelijk meent, leidt dat verweer bij gegrondbevinding tot een afwijzing van de tegen [geïntimeerde] ingestelde vordering.



3.9

[appellante] legt aan de gevorderde hoofdsom in de kern ten grondslag dat [geïntimeerde] tekort is geschoten in haar terugbetalingsverplichting door het uitgeleende althans onverschuldigd betaalde bedrag van € 20.000,-- niet terug te betalen. [appellante] licht toe dat partijen destijds goede vriendinnen waren die elkaar kenden uit de paardenwereld. [geïntimeerde] zou haar op 3 oktober 2016 hebben verzocht om een geldlening van € 20.000,-- zodat -ter vermijding van een faillissement- een problematische belastingschuld kon worden afbetaald. [appellante] stelt voor de uitgeleende € 20.000,-- geen schriftelijke overeenkomst te hebben willen opmaken om te voorkomen dat haar familie van de geldlening op de hoogte zou raken. [appellante] stelt de uitgeleende € 20.000,-- op 5 oktober 2016 te hebben overgeboekt, waarbij partijen hadden afgesproken dat [appellante] een voor haar familie geloofwaardige (niet tot vragen leidende) omschrijving zou gebruiken en dat de overboeking (op verzoek van [geïntimeerde] ) zou plaatsvinden naar de bankrekening van [de vennootschap]



3.10

[geïntimeerde] voert verweer en erkent dat zij indirect bestuurder is van [de vennootschap] die destijds een belastinggeschil had, maar [geïntimeerde] ontkent dat sprake was van een geldlening. [geïntimeerde] licht in hoofdlijn toe dat het bij de door [appellante] aan [de vennootschap] overgemaakte € 20.000,-- ging om de betaling van een op 4 oktober 2016 door [de vennootschap] aan [appellante] gefactureerde € 20.000,-- voor verleende diensten, zoals de factuur vermeldde voor:

“Verzekering vervoer show [appellante] ”

(conclusie van antwoord productie 1).
Bovendien zou een eventuele overeenkomst van geldlening tussen [appellante] en [de vennootschap] tot stand zijn gekomen, zodat [geïntimeerde] daarbij in ieder geval geen partij is en niet hoeft terug te betalen.
Ook weerspreekt [geïntimeerde] de -eerst in beroep door [appellante] ingeroepen- onverschuldigde betaling, die dan bovendien niet aan [geïntimeerde] maar aan [de vennootschap] zou zijn gedaan.



3.11
Voor zover [appellante] de gevorderde hoofdsom baseert op een overeenkomst van geldlening, stelt het hof vast dat deze vóór 1 januari 2017 is gesloten zodat daarop volgens overgangsrecht de vóór 2017 geldende titel 7A.14 (oud) BW betreffende verbruiklening van toepassing is.



3.12
Omdat [appellante] (de rechtsgevolgen van) de door [geïntimeerde] betwiste overeenkomst van geldlening inroept, rust op [appellante] de stelplicht en eventuele bewijslast (van feiten waaruit volgt) dat [appellante] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 20.000,- heeft uitgeleend door dit bedrag na een daartoe met [geïntimeerde] gemaakte afspraak op 5 oktober 2016 van haar privé-(bank)rekening over te boeken naar een bankrekening op naam van [de vennootschap] met als omschrijving:

“VERZEKERING EN VERVOER SHOW / [appellante] / [woonplaats]”.
Het hof ziet geen aanleiding voor een door [appellante] verzochte omkering van de bewijslast.



3.13
Bij gebreke van een schriftelijke overeenkomst hebben partijen ter staving van hun standpunten over het al dan niet bestaan van een overeenkomst van geldlening al enkele (andere) stukken ingebracht.


3.13.1
Zo heeft [appellante] ter staving van de gestelde overeenkomst van geldlening al schriftelijke verklaringen van haar zelf en van haar echtgenoot [echtgenoot van appellante] ingebracht (brief 14 augustus 2019 productie 5).



3.13.2
Blijkens de ter staving van de gestelde overeenkomst van geldlening door [appellante] ingebrachte WhatsApp-berichten schreven partijen op 4 oktober 2016 over en weer:

“[rekeningnummer] Op naam van [de vennootschap]”


“Dank je wel voor alles bent mijn beste liefste”

en op 5 oktober 2016:

“ (…) 20b is nu binnen toch”


“Ja heb betaald aan belasting”


“Advocaat en account zijn nu ruzie aan het maken met belasting”

(brief 14 augustus 2019 productie 6)
De gemachtigde van [appellante] heeft ter zitting in eerste aanleg met betrekking tot die “20b” toegelicht:

“Dat moest 20k zijn, dit is een typefoutje”

(zittingsaantekeningen van 27 november 2019).



3.13.3
Ook heeft [appellante] ter staving van de gestelde overeenkomst van geldlening WhatsApp-correspondentie ingebracht. Daaruit volgt dat partijen op 4 april 2017 hebben gecommuniceerd naar aanleiding van een door [appellante] gesteld:

“vraagje over dat geld wat ik je toen geleend had (…) zou het mogelijk zijn voor jou om zeg maar in een paar maanden dat af te lossen?”

(inleidende dagvaarding productie 2).
Deze WhatsApp-correpondentie lijkt betrekking te hebben op een door [appellante] aan [geïntimeerde] uitgeleend geldbedrag, maar maakt niet duidelijk op welk uitgeleend geldbedrag het precies betrekking had.



3.13.4

[geïntimeerde] heeft ter betwisting van de gestelde overeenkomst van geldlening een factuur van 4 oktober 2016 ingebracht waarbij [de vennootschap] het bedrag van € 20.000,-- aan [appellante] in rekening had gebracht voor:

“Verzekering vervoer show [appellante] ”.

Deze factuur acht het hof zonder nadere (maar ontbrekende) toelichting voorlopig echter weinig geloofwaardig. [geïntimeerde] heeft ter zitting in eerste aanleg immers verklaard dat deze factuur betrekking zou hebben gehad op:

“de verzekering voor het vervoer ten behoeve van een paard. (…) Het was een duur paard”

(zittingsaantekeningen van 27 november 2019)
maar [geïntimeerde] weerspreekt niet althans onvoldoende (de stelling van [appellante] ) dat [de vennootschap] niets van doen heeft met verzekeringen of vervoer van paarden. Ditzelfde geldt voor het in dit verband door [appellante] ingebrachte Kamer van Koophandel-uittreksel van [de vennootschap] dat als ondernemingsactiviteiten van [de vennootschap] vooral auto-gerelateerde activiteiten vermeldt (memorie van grieven productie 1) .



3.13.5
Met name reeds op grond van de voornoemde WhatsApp-berichten uit oktober 2016, de WhatsApp-correspondentie uit april 2017, de zittingsaantekeningen van 27 november 2019 en de weinig geloofwaardige factuur van 4 oktober 2016 van [de vennootschap] in onderling verband beziend, oordeelt het hof het op [appellante] rustende bewijs voorshands geleverd en zal het hof [geïntimeerde] toelaten tot tegenbewijs.

[geïntimeerde] heeft nog aangevoerd dat “de appjes” (van april 2017) te maken hebben met de teruggave van voorgeschoten stalgelden (memorie van antwoord nr. 11). Voorshands acht het hof dit standpunt echter onvoldoende onderbouwd, bij gebreke van een nadere toelichting over de context, de timing en de redenen voor de teruggave.


Conclusie





3.14
Het hof concludeert dat [geïntimeerde] nu eerst behoort te worden toegelaten tot tegenbewijs van de door [appellante] gestelde overeenkomst van geldlening. Het hof houdt iedere verdere beslissing aan en beslist daarom als volgt.





4De uitspraak

Het hof:

laat [geïntimeerde] toe tot tegenbewijs van de voorshands bewezen geachte stelling van [appellante] aan [geïntimeerde] een bedrag van € 20.000,-- heeft uitgeleend door dit bedrag na een daartoe met [geïntimeerde] gemaakte afspraak op 5 oktober 2016 van haar privé-(bank)rekening over te boeken naar een bankrekening op naam van [de vennootschap] met als omschrijving:

“VERZEKERING EN VERVOER SHOW / [appellante] / [woonplaats]”;

bepaalt, voor het geval [geïntimeerde] dat tegenbewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan van mr. M.G.W.M. Stienissen als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

verwijst de zaak naar de rol van 3 augustus 2021 voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van oktober tot en met december 2021;

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

bepaalt dat de advocaat van [geïntimeerde] tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zal opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, L.S. Frakes en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 20 juli 2021.


griffier rolraadsheer
Link naar deze uitspraak