Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBOVE:2021:4419 
 
Datum uitspraak:22-11-2021
Datum gepubliceerd:25-11-2021
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:C/08/272016 / KG ZA 21-22 C/08/272016 / KG ZA 21-22
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Geschil over beëindiging maatschap tussen ex-echtgenoten. Subsidieregeling sanering varkenshouderijen.
Trefwoorden:echtscheiding
huwelijkse voorwaarden
intensieve veehouderij
landbouwbedrijf
subsidieregelingen
subsidies
uitkering
varkenshouderij
veehouderij
wettelijke rente
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK OVERIJSSEL

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Almelo

zaaknummer / rolnummer: C/08/272016 / KG ZA 21-226


Vonnis in kort geding van 22 november 2021


in de zaak van



[A]
,
wonende te [woonplaats] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. T.R. Oude Veldhuis te Hengelo Ov,

tegen



[B]
,
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. H.M. van Eerten te Zwolle.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.





1De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:


de dagvaarding van 22 oktober 2021,


de aanvullende productie 15 bij de dagvaarding,


de conclusie van eis in reconventie, tevens houdende akte inbreng producties van de zijde van [B] , ontvangen op 3 november 2021,


de nadere productie 16 van de zijde van [A] , ontvangen op 5 november 2021,


de aanvullende producties van de zijde van [B] , ontvangen op 5 november 2021


de (aantekeningen van de griffier van de) mondelinge behandeling van 8 november 2021,


de pleitnota van [B] .





1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.






2De feiten

2.1.
Partijen zijn onder huwelijkse voorwaarden gehuwd geweest. Bij beschikking van 9 december 2019 is de echtscheiding tussen partijen uitgesproken.



2.2.
Partijen hebben in 1992 een maatschap opgericht met als doel de uitoefening van een landbouwbedrijf.



2.3.
Op 20 juli 2020 is er in het kader van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen aan de maatschap [A] - [B] een subsidie verleend voor sanering van de varkenshouderij voor een bedrag van € 645.908,70.



2.4.
Bij exploot van 14 augustus 2020 is op grond van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Overijssel, locatie Almelo, op 7 augustus 2020 verleende verlof door [B] ten laste van [A] conservatoir derdenbeslag gelegd op alle vorderingen die [A] op De Staat der Nederlanden heeft of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding rechtstreeks zal verkrijgen en op of onder De Staat der Nederlanden berustende aan [A] toebehorende roerende zaken, meer speciaal op (het onverdeelde aandeel van) [A] op de aan de (al dan niet ontbonden) maatschap [A] - [B] toegekende subsidie krachtens de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen. Het beslag is gelegd tot een bedrag van € 780.500,-.



2.5.
Bij beschikking van 12 oktober 2020 heeft de rechtbank de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden vastgesteld. [B] heeft tegen deze beschikking hoger beroep ingesteld en in hoger beroep hebben partijen overeenstemming bereikt over de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Partijen zijn overeengekomen dat de verrekenvordering van [B] op [A] uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden tot en met 2018 na oprenting tot 30 juni 2021 kan worden vastgesteld op € 224.665,00 exclusief de helft van de waarde van het Mega Lijfrenteplan en de helft van de waarde van de KoopSommenverzekering.



2.6.
Bij vonnis van deze rechtbank van 2 december 2020 is voor recht verklaard dat de maatschap [A] - [B] ten gevolge van de opzegging van 25 juni 2019 door [A] is beëindigd met ingang van 1 januari 2020. In dat vonnis is door de rechtbank bepaald dat [A] het recht toekomt om de maatschap voort te zetten. [B] heeft op 22 februari 2021 beroep ingesteld tegen dit vonnis. Dit hoger beroep loopt nog. Op 2 november jl. is door [A] een memorie van grieven ingediend.



2.7.
Het gerechtshof Arnhem Leeuwarden heeft bij beschikking van 13 juli 2021, laatstelijk hersteld bij beschikking van 27 september 2021, [A] veroordeeld om, in overeenstemming met de tussen partijen gemaakte afspraak, aan [B] een totaalbedrag van € 272.548,- te voldoen. Het gerechtshof heeft daarnaast bepaald dat de som van de aan [B] te betalen overgespaarde inkomsten en het nog vast te stellen vermogensaandeel van [B] bij beëindiging en financiële afwikkeling van de tussen partijen bestaande maatschap ten minste/minimaal € 75.000,- zal bedragen.



2.8.
Op 4 augustus 2021 heeft de Staat der Nederlanden op grond van artikel 17 lid 1 van de Subsidieregeling ambtshalve besloten het eerste voorschot van 10% van de verleende subsidie te verstrekken. Vanwege het eerste voorschot is een bedrag van € 63.502,72 door [B] geïncasseerd middels het gelegde beslag.



2.9.
Het gelegde conservatoire beslag is met de betekening van het arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, laatstelijk hersteld bij beschikking van 27 september 2021, op 6 september 2021 deels overgegaan in executoriale vorm. Daarmee rust op een bedrag van € 209.511,15 een executoriaal beslag en op het overige, een bedrag van € 507.486,12, rust nog een conservatoir beslag.






3Het geschil in conventie


3.1.

[A] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:
1. Primair: het in opdracht van [B] gelegde derdenbeslag onder de
Staat der Nederlanden opheft;
Subsidiair: [B] veroordeelt tot het (laten) opheffen van het
gelegde derdenbeslag onder de Staat der Nederlanden binnen 24 uur na dit vonnis en daarvan, eveneens binnen 24 uur na dit vonnis, mededeling te doen aan de derden-beslagene;
2. [B] veroordeelt om aan [A] een dwangsom te betalen van € 1.000,- voor iedere dag dat zij niet aan het onder 1 verzochte voldoet;
3. [B] veroordeelt in de kosten van de procedure alsmede de gebruikelijke nakosten, een en ander te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis en - voor het geval voldoening van de proceskosten niet binnen de gestelde termijn plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente over de proceskosten en nakosten te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening.



3.2.

[A] stelt dat [B] geen aanspraak kan maken op de gelden uit hoofde van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen aangezien de subsidie op zijn naam is verstrekt en hij het recht op voortzetting van de reeds ontbonden maatschap heeft. Mocht [B] al aanspraak kunnen maken op enig bedrag uit hoofde van de Saneringsregeling, dan stelt [A] dat hij uit hoofde van de financiële afwikkeling van de maatschap, vanwege het negatieve eigen vermogen in het kapitaal van de maatschap van [B] , een forse vordering heeft op [B] en dat hij deze vordering kan verrekenen met de vordering van [B] uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden.



3.3.

[B] voert verweer.






4Het geschil in reconventie


4.1.

[B] vordert dat de voorzieningenrechter, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, [A] veroordeelt:
I. om aan het bevoegde gezag van de [gemeente] een schriftelijke en complete aanvraag in te dienen om de bestemming van de (voormalige) bedrijfslocatie [adres] te [plaats] zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve veehouderij kan worden gevestigd,
II. om aan RVO een (hernieuwde) aanvraag te doen tot uitbetaling van het tweede subsidie-voorschot ad 70% krachtens de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen en daarbij aan RVO alle gegevens te verstrekken die RVO naar haar oordeel nodig heeft om zodanig uitbetalingsverzoek te kunnen beoordelen en afhandelen,
III. om aan RVO uiterlijk 30 september 2022 een volledige aanvraag te doen tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de Regeling,
IV. al het voorgaande op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 5.000,- per dag voor iedere dag dat [A] na verloop van drie dagen na betekening van dit vonnis met de voldoening aan één of meer van de voorgaande veroordelingen in gebreke blijft,
V. om aan [B] alle gegevens te verstrekken die betrekking hebben op de door [A] bij RVO aangevraagde en/of nog aan te vragen uitbetaling van subsidiegelden krachtens de Regeling,
VI. om de Staat (RVO) te volmachtigen om de hiervoor onder sub V bedoelde gegevens rechtstreeks aan eiseres te verstrekken, zulks met de bepaling dat dit vonnis daartoe op de voet van art. 3:300 BW na verloop van drie dagen na zijn betekening aan gedaagde voor de hiertoe vereiste rechtshandeling van gedaagde in de plaats zal treden,
VII. [A] te veroordelen in de kosten van dit geding.



4.2.

[B] voert daartoe aan dat [A] onrechtmatig jegens haar handelt door haar verhaalsbeslag opzettelijk te frustreren.



4.3.

[A] voert verweer.






5De beoordeling in conventie

5.1.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter vloeit het - door [B] betwiste - spoedeisend belang bij de door [A] gevraagde voorziening, opheffing van het door [B] gelegde beslag, voort uit de aard van de vordering.



5.2.
Voor de beantwoording van de vraag of de vordering tot opheffing van de beslagen bij wijze van voorlopige voorziening kan worden toegewezen, dient de voorzieningenrechter te beoordelen of [B] de bevoegdheid tot executie toekomt, en zo ja, of zij gelet op de omstandigheden van het geval wel tot beslaglegging mocht overgaan.



5.3.
Tussen partijen staat vast dat [A] in de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 juli 2021, laatstelijk hersteld bij beschikking van 27 september 2021, is veroordeeld om, ter afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, aan [B] een bedrag van € 272.548,- te voldoen. [B] komt op grond van deze beschikking de bevoegdheid tot executie toe.



5.4.

[A] heeft het standpunt ingenomen dat hij uit hoofde van de financiële afwikkeling van de maatschap, vanwege het negatieve eigen vermogen in het kapitaal van de maatschap van [B] , een forse vordering heeft op [B] en dat hij deze vordering kan verrekenen met de vordering van [B] uit hoofde van de huwelijkse voorwaarden. [B] heeft dit betwist.



5.5.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat de door [A] gepretendeerde tegenvordering die tot verrekening zou moeten leiden onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Of er al dan niet sprake is van een tegenvordering lijkt (vooral) afhankelijk te zijn van het oordeel van het gerechtshof in het hoger beroep dat nog loopt. Hierdoor kan de gegrondheid van het door [A] gedane beroep op verrekening, mede gelet op de gemotiveerde betwisting van [B] , niet op eenvoudige wijze worden vastgesteld.



5.6.
Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter kan niet de conclusie worden getrokken dat [B] op dit moment enig bedrag aan [A] verschuldigd is. Ook kan niet worden gezegd dat [B] op dit moment misbruik maakt van haar bevoegdheid door het beslag te handhaven. [A] is immers op grond van de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden wel een bedrag van € 272.548,- verschuldigd aan [B] . De voorzieningenrechter zal om die reden de vorderingen van [A] afwijzen.



5.7.
Anders dan van de zijde van [B] is betoogd, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om van de gebruikelijke compensatie van de proceskosten af te wijken, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de financiële afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden en de maatschap betreft.






6De beoordeling in reconventie

6.1.

[B] vordert in reconventie - kort gezegd - dat [A] de rechtshandelingen verricht die nodig zijn om RVO de voorschot-subsidiebedragen te kunnen laten uitbetalen.



6.2.
Tussen partijen staat vast dat [A] zich heeft verbonden tot definitieve beëindiging van de varkenshouderij. Daardoor is er op 20 juli 2020 in het kader van de Subsidieregeling Sanering Varkenshouderijen aan de maatschap [A] - [B] een subsidie verleend voor sanering van de varkenshouderij voor een bedrag van € 645.908,70. Op grond van artikel 17 lid 1 van de Subsidieregeling is het eerste voorschot van 10% van het subsidiebedrag ad € 63.502,72 uitgekeerd. Dit bedrag is krachtens de beslaglegging in augustus 2021 aan [B] uitbetaald.



6.3.
Op basis van artikel 17 lid 2 van de Subsidieregeling heeft [A] recht op de uitbetaling van het tweede voorschot van 70% van het subsidiebedrag indien hij voldoet aan de voorwaarden als genoemd in artikel 5 lid a t/m f van de Subsidieregeling. [B] stelt in dit verband dat [A] zijn verzoek tot uitbetaling van het tweede voorschot expres niet heeft gecompleteerd met een bij het bevoegd gezag van de [gemeente] in te dienen verzoek tot bestemmingswijziging (artikel 5 lid f van de Subsidieregeling). Hierdoor heeft RVO op 1 november 2021 besloten om de aanvraag tot uitbetaling van het gevraagde tweede voorschot buiten behandeling te laten. [A] handelt onrechtmatig jegens [B] door met zijn nalaten het verhaal van een rechtmatige vordering van [B] te frustreren, aldus [B] .



6.4.

[A] heeft verweer gevoerd. Hij heeft ter zitting onder meer gesteld dat de aanvraag voor het tweede voorschot niet stil ligt en dat hij er mee bezig is. Hij voert daarbij aan dat hij er zelf ook belang bij heeft dat het tweede voorschot wordt uitbetaald.



6.5.
De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Nu [A] heeft aangevoerd dat hij al bezig is met de benodigde aanvragen voor de uitkering van het tweede voorschot, is toewijzing van het gevorderde onder I, II en III niet in strijd met zijn belangen. De voorzieningenrechter zal deze vorderingen dus toewijzen. Hij acht daarbij toewijzing van een dwangsom niet noodzakelijk, nu [A] ter zitting heeft gezegd dat hij zelf ook belang heeft bij uitkering van het tweede voorschot en hij er al mee bezig is. Zodoende is de voorzieningenrechter van oordeel dat een financiële prikkel (nog) niet nodig is.



6.6.
Het gevorderde onder V zal de voorzieningenrechter eveneens toewijzen. [A] zal [B] de gegevens moeten verstrekken die betrekking hebben op de aan te vragen uitbetaling van subsidiegelden. De voorzieningenrechter zal het gevorderde onder VI afwijzen nu dat, in het licht van het toegewezen onderdeel V, dubbelop is.



6.7.
De voorzieningenrechter zal ook in reconventie niet afwijken van de gebruikelijke compensatie van de proceskosten.






7De beslissing
De voorzieningenrechter


in conventie



7.1.
wijst de vorderingen af,



7.2.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,


in reconventie




7.3.
veroordeelt [A] om aan het bevoegde gezag van de [gemeente] een schriftelijke en complete aanvraag in te dienen om de bestemming van de (voormalige) bedrijfslocatie [adres] te Haaksbergen zodanig aan te passen dat op de locatie niet langer een intensieve varkenshouderij kan worden gevestigd,



7.4.
veroordeelt [A] om aan RVO een (hernieuwde) aanvraag te doen tot uitbetaling van het tweede subsidie-voorschot van 70% krachtens de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen en daarbij aan RVO alle gegevens te verstrekken die RVO naar haar oordeel nodig heeft om een zodanig uitbetalingsverzoek te kunnen beoordelen en afhandelen,



7.5.
veroordeelt [A] om aan RVO uiterlijk 30 september 2022 een volledige aanvraag te doen tot subsidievaststelling als bedoeld in artikel 18 van de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen,



7.6.
veroordeelt [A] om aan [B] alle gegevens te verstrekken die betrekking hebben op de door hem bij RVO aangevraagde en/of nog aan te vragen uitbetaling van subsidiegelden krachtens de Subsidieregeling sanering varkenshouderijen,



7.7.
wijst dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



7.8.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen proceskosten draagt,



7.9.
wijst het anders of meer gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. U. van Houten en in het openbaar uitgesproken op 22 november 2021.



type:
coll:
Link naar deze uitspraak