Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBGEL:2018:5763 
 
Datum uitspraak:31-10-2018
Datum gepubliceerd:11-02-2019
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:C/05/333306/HA ZA 18-13
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:vereffening van een huwelijksvermogen naar Turks recht waarbij de systematiek van het Turkse huwelijksvermogensrecht in het vonnis wordt beschreven
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
echtscheiding
erfenis
inkomstenbelasting
schenking
taxatie
zorgtoeslag
 
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht

Zittingsplaats Arnhem

zaaknummer / rolnummer: C/05/333306 / HA ZA 18-13


Vonnis van 31 oktober 2018


in de zaak van



[eiser in conventie/verweerder in reconventie]
,
wonende te Doesburg,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
advocaat mr. B. Anik te Arnhem,

tegen



[gedaagde in conventie/eiser in reconventie]
,
wonende te Zevenaar,
gedaagde in conventie,
eiseres in reconventie,
advocaat mr. M.M.P. Gerrits te Wijchen.


Partijen zullen hierna [eiser in conventie/verweerder in reconventie] en [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] genoemd worden.




1Het verdere verloop van de procedure

1.1.
Deze rechtbank heeft op 16 mei 2018 een tussenvonnis gewezen waarin, onder meer, is overwogen dat het huwelijksvermogensregime dat tussen partijen bestaat, wordt beheerst door Turks recht.



1.2.
Op de rol van 6 september 2018 heeft [gedaagde in conventie/eiser in reconventie] bij akte haar standpunten gegeven met betrekking tot de toepasselijkheid van het Turkse huwelijksvermogensrecht op de huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen en de gevolgen daarvan voor de onderhavige procedure. De man heeft vervolgens bij akte op 7 september 2018 vier producties in het geding gebracht.



1.3.
Op 20 september 2018 is de zaak behandeld ter comparitie waarvan het proces-verbaal tot de gedingstukken behoort.



1.4.
Ten slotte is vonnis bepaald.





2De verdere beoordeling van het geschil in conventie en in reconventie
Het tot 1 januari 2002 toepasselijke regime: algehele scheiding van goederen


2.1.
Tot 1 januari 2002 kende het Turks Burgerlijk Wetboek als wettelijk stelsel de algehele scheiding van goederen. Iedere gemeenschap werd uitgesloten. Op 1 januari 2002 is het nieuw Turks Burgerlijk Wetboek (hierna: TBW) in werking getreden. Het overgangsrecht bepaalt dat wanneer echtgenoten vóór 1 januari 2003 niet hebben gekozen voor een ander stelsel er vanaf 1 januari 2002 een zogenoemde ‘deelgenootschap van verwervingen’ bestaat. Gesteld noch gebleken is dat partijen een dergelijke keuze hebben gemaakt, zodat tussen hen vanaf de huwelijkssluiting op 26 juni 1986 tot 1 januari 2002 een algehele scheiding van goederen en vanaf 1 januari 2002 het regime van verwervingsdeelneming (artikel 202 TBW) geldt.


het vanaf 1 januari 2002 toepasselijke regime van verwervingsdeelneming




2.2.
Het regime van verwervingsdeelneming omvat de verwervingen en het persoonlijk vermogen van ieder van de echtgenoten (artikel 218 TBW). Het vermogen van iedere echtgenoot bestaat dus uit twee deelvermogens: de verwervingen en het persoonlijk vermogen, zodat in totaal vier vermogens te onderscheiden zijn.



2.3.
Verwervingen zijn vermogensbestanddelen die iedere echtgenoot gedurende het huwelijksgoederenregime onder bezwarende titel heeft verkregen. Als verwervingen worden onder meer beschouwd inkomsten uit arbeid, betalingen door instanties voor sociale zekerheid, instellingen voor hulp aan personeel en soortgelijke instanties, de vergoedingen wegens verlies van het vermogen om arbeid te verrichten, de inkomsten uit persoonlijke vermogen en de vermogenswaarden die verwervingen vervangen (artikel 219 TBW).



2.4.
Tot het persoonlijk vermogen behoren op grond van de wet limitatief: de voor persoonlijk gebruik bestemde goederen, de vermogensbestanddelen die bij aanvang van het huwelijksgoederenregime aan één der echtgenoten toebehoren of later door één van hen uit een erfenis of op een andere wijze om niet zijn verkregen, bijvoorbeeld door middel van schenking, vorderingen uit immateriële schade en de vermogenswaarde die persoonlijk vermogen vervangen (artikel 220 TBW).



2.5.
Daarnaast is het mogelijk om bij overeenkomst te aanvaarden dat vermogensbestanddelen die voortvloeien uit een beroepsuitoefening of ondernemingsactiviteit als persoonlijk vermogen worden beschouwd of dat inkomsten uit persoonlijk vermogen niet tot de verwervingen worden gerekend (artikel 221 TBW). Dat een overeenkomst als bedoeld in artikel 221 TBW is gesloten, is gesteld noch gebleken.


einde van het huwelijksgoederenregime en vereffening




2.6.
Het huwelijksgoederenregime van verwervingsdeelneming eindigt op het tijdstip waarop de procedure tot echtscheiding is aangevangen (artikel 225 TBW). Hiervoor is het moment waarop de griffie van de rechtbank het verzoekschrift heeft ontvangen bepalend.



2.7.
Bij echtscheiding dient een verrekening van ieders verwervingen plaats te vinden. In beginsel wordt het persoonlijk vermogen van de echtgenoten hierbij niet betrokken. Op grond van artikel 236 TBW is iedere echtgenoot rechthebbende op de helft van de nettowaarde van de verwervingen van de andere echtgenoot. Vorderingen worden verrekend. Een negatief saldo wordt niet in aanmerking genomen.



2.8.
De verwervingen en het persoonlijk vermogen worden gescheiden naar de staat daarvan op het tijdstip van de ontbinding van het huwelijksgoederenregime (artikel 228 TBW). De bestanddelen die op dat moment tot de verwervingen behoren, worden ingevolge artikel 235 van het TBW naar de waarde van het tijdstip van de vereffening in de verrekening betrokken. De berekening van de aan de verwervingen toe te voegen vermogenswaarden geschiedt, als bedoeld in artikel 229 TBW, op basis van de datum van overdracht.



2.9.
Wat betreft de schulden dient bij het einde van het huwelijksgoederenregime te worden vastgesteld welke schulden er zijn en op welk deelvermogen zij rusten. Is zulks niet mogelijk, dan worden zij toegekend aan de verwervingen. Als uitgangspunt geldt dat iedere echtgenoot zelf aansprakelijk is met zijn gehele vermogen voor zijn eigen schulden (artikel 230 TBW). Elke schuld bezwaart dat gedeelte van het vermogen waarop zij betrekking heeft. Indien niet duidelijk is aan welk gedeelte de schuld toebehoort, wordt deze geacht betrekking te hebben op de verwervingen. Schulden die op de verwervingen drukken worden van de activa van de verwervingen afgetrokken (artikel 231 TBW).


Vermogensbestanddelen van vóór 1 januari 2002




2.10.
Nu voor de periode vanaf de huwelijkssluiting tot 1 januari 2002 het oude TBW als wettelijk stelsel de algehele scheiding van goederen kende, oftewel een uitsluiting van iedere gemeenschap, is er tot 1 januari 2002 tussen partijen geen sprake van een huwelijksgoederengemeenschap die voor verdeling vatbaar is.



2.11.
Door de man is onder meer gevorderd dat de rechtbank de wijze van verdeling van de voormalig echtelijke woning aan de Zanderskamp 14 te Doesburg (hierna: de woning) vaststelt. Dit vermogensbestanddeel hebben partijen blijkens een uittreksel van het kadaster met betrekking tot de woning verkregen in het jaar 2000, derhalve voor 1 januari 2002, wat inhoudt dat de woning geen deel uitmaakt van een huwelijksgoederengemeenschap tussen partijen. Nu de woning in Nederland is gelegen, wordt het goederenrechtelijke regime met betrekking tot de woning krachtens de in art. 2 lid 1 van de Wet conflictenrecht goederenrecht neergelegde lex rei sitae-regel bepaald door het Nederlandse recht. De gezamenlijke woning betreft een eenvoudige gemeenschap naar Nederlands recht op de verdeling en verrekening van de overwaarde waarvan Nederlands goederenrecht van toepassing is.



2.12.
Ter zitting is gebleken dat partijen uiteindelijk beiden de noodzaak zien van verkoop van de woning op korte termijn. In dat kader zijn zij ter zitting overeengekomen dat zij gezamenlijke een taxateur zullen benoemen die een taxatie zal verrichten van de woning voordat verdere stappen ten aanzien van de verkoop zullen worden gezet. Na verkoop van de woning dient een eventuele over- of onderwaarde door partijen bij helfte te worden gedeeld, aldus de man. Dit uitgangspunt wordt ook door de vrouw gehanteerd waarbij zij tevens aangeeft dat de kosten voor de verkoop in mindering moeten worden gebracht op de opbrengst. De man heeft hiermee ter zitting ingestemd. De rechtbank zal de wijze van verdeling aldus beslissen. Er is overigens, in tegenstelling tot hetgeen de vrouw eerder heeft aangevoerd, niet gebleken dat er sprake is van een aan de hypotheek gekoppelde spaar- of beleggingspolis die in mindering kan strekken op de schuld. Mocht dit wel het geval zijn en valt er bij aflossing van de hypotheek een positief bedrag vrij dan moet dat vanzelfsprekend bij de verdeling bij helfte worden betrokken.



2.13.
De vrouw heeft in reconventie een machtiging te gelde maken van de echtelijke woning gevorderd. Deze vordering zal worden afgewezen nu ter zitting de eerste stappen voor de verkoop zijn gezet en voor het overige niet is gebleken dat de man weigeracht is met betrekking tot de verkoop of er een andere gewichtige reden is om over te gaan tot het verlenen van de machtiging.



2.14.
De man heeft voorts gevorderd dat de vrouw zal worden veroordeeld tot betaling van de helft van de door de man betaalde lasten met betrekking tot de woning vanaf de datum van dit vonnis tot de levering van de woning aan een derde. De man heeft echter nagelaten inzichtelijk te maken welk bedrag dit betreft en hoe dit is opgebouwd, terwijl voorts vast staat dat de man degene is die de woning sinds het uiteengaan van partijen bewoont. De vordering is derhalve onvoldoende bepaald en zal daarom worden afgewezen.



2.15.
Met betrekking tot de woning heeft de man verder gesteld dat op het moment dat de vrouw vertrok sprake was van een achterstand in de hypotheekbetaling voor een bedrag van € 675,04. De vrouw heeft de achterstand betwist. Voor zover deze achterstand wel bestond, betwist de vrouw de betaling van de bedragen door de man. Als onderbouwing van zijn stelling heeft de man jaaroverzichten van de hypotheek overgelegd. Hieruit blijkt echter niet de door de man gestelde achterstand noch de betaling daarvan door de man. De man heeft zodoende onvoldoende gemotiveerd gesteld dat sprake was van een achterstand die door hem betaald is, als gevolg waarvan hij een regresvordering op de vrouw heeft. De vordering zal om die reden worden afgewezen.


Lijfsieraden en inboedel



2.16.
De vrouw heeft in reconventie afgifte gevorderd van bepaalde lijfsieraden en verrekening van de waarde van de inboedel. Ter onderbouwing van haar vordering heeft de vrouw een productie uit 1986 in de Turkse taal (voorzien van een beëdigde vertaling in het Nederlands) overgelegd waaruit blijkt wat partijen bij het aangaan van het huwelijk als inboedel en lijfsieraden hadden. De rechtbank overweegt dat het overzicht uit 1986 een overzicht betreft waarbij niet gespecificeerd is welke partij, welk goed heeft aangebracht of welke goederen gezamenlijk verworven zijn. Nu de goederen voor 2002 zijn verworven had het op de weg van de vrouw gelegen om aan te geven welke goederen tot haar privé vermogen behoorden en welke goederen niet. Zij heeft dit nagelaten, zowel bij het formuleren van haar vordering als bij de akte tot uitlating over de gevolgen van de toepasselijkheid van Turks huwelijksvermogensrecht op de verdeling. Dit komt voor haar risico, zodat de rechtbank de vordering bij gebrek aan grondslag zal afwijzen.


Omvang van de verwervingen - de vermogensbestanddelen van na 1 januari 2002




2.17.
Partijen hebben gesteld dat de volgende vermogensbestanddelen in de verrekening van de verworven vermogens betrokken moeten worden: bankrekeningen, een schuld aan ABN AMRO Bank inzake een flexibel krediet, een schuld aan de belastingdienst met betrekking tot inkomstenbelasting in de jaren 2010 en 2012 en zorgtoeslag, een schuld aan kredietmaatschappij Laser Service en een vordering van het UWV.



Peildatum

Gezien hetgeen in rechtsoverweging 2.6 is overwogen, is de peildatum voor het bepalen van de omvang van het huwelijksvermogen 3 oktober 2013. De man heeft aangevoerd dat als alternatieve peildatum de datum van vertrek van de vrouw uit de echtelijke woning – zijnde 13 juli 2013 – moet worden gehanteerd indien de vrouw hiermee instemt. Deze instemming heeft zij niet gegeven, zodat de rechtbank uitgaat van 3 oktober 2013 als peildatum voor het bepalen van de omvang van het huwelijksvermogen (de verwervingen). De peildatum voor de waarde van de vermogensbestanddelen is volgens artikel 235 TBW de datum van vereffening. Schulden worden gewaardeerd op het moment van het einde van het huwelijksvermogensregime en in dit geval dus op 3 oktober 2013.


Bankrekeningen



2.18.
De man stelt dat de saldi op de bankrekeningen op de peildatum bij helfte moeten worden verdeeld. Dit geldt ook voor roodstand op de gezamenlijke rekening van partijen, aldus de man. De vrouw voert als verweer aan dat schulden naar hun aard niet voor verdeling vatbaar zijn. Uit de door partijen overgelegde producties volgt dat de volgende bankrekeningen in ogenschouw moeten worden genomen:

i. Van de c/j-rekening van partijen eindigend op170 is een bankafschrift overgelegd van 30 september 2013 en van 30 oktober 2013. De rechtbank zal het saldo zoals vermeld op het bankafschrift van 30 september 2013 – zijnde € 14.482,65 negatief - in de beoordeling betrekken nu tussen laatstgenoemde datum en de peildatum een te verwaarlozen aantal transacties heeft plaatsgevonden. Hoewel het standpunt van de vrouw over de ondeelbaarheid van schulden kan worden gevolgd in een Nederlands rechtelijk perspectief merkt de rechtbank op dat in onderhavige zaak een verdeling wordt gevorderd die beheerst wordt door Turks recht. Voor deze verdeling is het noodzakelijk de verwervingen van partijen vast te stellen. Hiertoe behoren tevens schulden waarbij gezamenlijke schulden worden gedeeld voor het deel dat ieder aangaat. Voor het vaststellen van de verwervingen zal het saldo van de gezamenlijke rekening bij helfte worden gedeeld zodat bij ieder der partijen een bedrag van € 7.241,33 negatief in aanmerking zal worden genomen.

De vrouw heeft voorts rekeningafschriften van haar persoonlijke bankrekening overgelegd op 30 september 2013 en 30 oktober 2013. Ook in dit geval was er een beperkt aantal transactie tussen 30 september 2013 en de peildatum, zodat het saldo zoals dit aanwezig was op 30 september 2013 – zijnde € 753,91 – in aanmerking zal worden genomen bij de verwerving van de vrouw. Gesteld noch gebleken is dat de man een persoonlijke bankrekening had, zodat deze niet in aanmerking wordt genomen in de verwervingen.

De rechtbank merkt hierbij op dat de toerekening van de schuld aan de verwerving de aansprakelijkheid van partijen jegens de schuldeiser onverlet laat.



2.19.
Het saldo van de verwervingen is, met inachtneming van bovenstaande posten € 7.241,33 negatief voor de man en € 6.487,42 negatief voor de vrouw. Op grond van artikel 236 TBW wordt een negatief saldo niet in beschouwing genomen bij de bepaling van de vorderingen over en weer. De rechtbank merkt in dit kader op dat de overige – hier nog niet beoordeelde – vermogensbestanddelen alle debetposten betreffen. Dit leidt ertoe dat het niet noodzakelijk is dat de rechtbank deze bestanddelen beoordeelt omdat bij het toerekenen van deze debetposten aan de verwervingen van de man of de vrouw of beiden, de saldi nog negatiever zouden uitkomen. Nu de passiva van de verwervingen van zowel de man als de vrouw afzonderlijk de activa overstijgen behoeft er door hen niets te worden verrekend in het kader van de vereffening.



2.20.
Voor zover de man vordert dat de vrouw de helft van (een deel van) de schulden betaalt of alsnog aan hem terugbetaalt– zoals de betaalde en toekomstige rente en aflossing van het flexibel krediet bij ABN AMRO Bank -, wordt deze vordering afgewezen. Niet gesteld of gebleken is immers dat de man in zijn onderlinge verhouding met de vrouw meer dan zijn aandeel (de helft) aan de schuldeiser heeft voldaan, waardoor een regresvordering op de vrouw zou zijn ontstaan. Voor de toekomstige vordering geldt dat de vrouw en de man beide hoofdelijk verbonden zijn voor het flexibele krediet en in hun onderlinge verhouding draagplichtig voor de helft van de maandelijkse aflossing. Indien en voor zover de man meer aan de bank betaalt dan hem aangaat, ontstaat slechts dán een regresvordering van hem op de vrouw. De rechtbank zal deze toekomstig onzekere vordering derhalve afwijzen.


Kosten van het geding




2.21.
Gelet op het feit dat partijen gewezen echtgenoten zijn, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.





3De beslissing
De rechtbank


in conventie


3.1.
gelast (de wijze van) verdeling en verrekening op de wijze zoals onder rechtsoverweging 2.11 tot en met 2.20,



3.2.
verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,



3.3.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt,



3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af,


in reconventie



3.5.
wijst de vorderingen af,



3.6.
compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.M.K.J. Steketee en in het openbaar uitgesproken op 31 oktober 2018.
Link naar deze uitspraak