Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:OGEAC:2019:70 
 
Datum uitspraak:09-04-2019
Datum gepubliceerd:15-04-2019
Instantie:Gerecht in eerste aanleg van Curaçao
Zaaknummers:CUR201800306
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende heeft in 2014 van zijn werkgever een ontslaguitkering genoten. De Inspecteur heeft in december 2014 in een brief aan de werkgever geschreven dat voor de loonbelasting op deze uitkering een bijzonder tarief van 23,7% kan worden toegepast. Bij het vaststellen van de aanslag inkomstenbelasting heeft de inspecteur een bijzonder tarief van 34% toegepast. Aan de brief kan niet het vertrouwen worden ontleend dat ook voor de inkomstenbelasting het bijzondere tarief van 23,7% zal gelden. Naar de aard van de regeling kan het bijzonder tarief lopende het jaar immers niet met zekerheid worden vastgesteld.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
inkomstenbelasting
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
Uitspraak van 9 april 2019
BBZ nr. CUR201800306


GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN CURAÇAO


UITSPRAAK

op het beroep in de zin van de
Landsverordening op het beroep in belastingzaken van:



[ Belanghebbende ], wonende te Curaçao,
belanghebbende,

gericht tegen:


DE INSPECTEUR DER BELASTINGEN, zetelend in Curaçao,
de Inspecteur.





1PROCESVERLOOP

1.1
Aan belanghebbende is op 4 maart 2016 een aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen van NAf 289.141.



1.2
Belanghebbende heeft op 30 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen de aanslag.



1.3
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar van 27 oktober 2017 het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard vanwege overschrijding van de bezwaartermijn.



1.4
Belanghebbende heeft op 30 januari 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar. Daarbij is NAf 50 aan griffierecht betaald.



1.5
De Inspecteur heeft op 26 maart 2019 een verweerschrift ingediend.



1.6
De zitting heeft plaatsgevonden op 29 maart 2019 te Willemstad. Namens belanghebbende zijn verschenen [ A ] en [ B ], werkzaam bij [ Q ]. Namens de Inspecteur is verschenen [ C ]. De Inspecteur heeft ter zitting een berekening van het bijzonder tarief overgelegd.






2FEITEN

2.1
Belanghebbende was werkzaam bij de [ CWM ] (hierna: de werkgever). In 2014 heeft belanghebbende van de werkgever een ontslaguitkering genoten van NAf 135.000.



2.2
De werkgever heeft aan de Inspecteur verzocht om voor de afdracht van loonbelasting rekening te mogen houden met het bijzondere tarief waarnaar de ontslaguitkering wordt belast.



2.3
In reactie op dit verzoek heeft de Inspecteur bij brief van 8 december 2014 aan de werkgever het volgende geschreven:
“Hierbij doe ik u toekomen de inhoudingen over de door [belanghebbende] te ontvangen uitkering van fl. 135.000.00.
Loonbelasting: De in te houden loonbelasting is f 31.938.00.
(…)
U moet dit formulier samen met uw aangifte van het jaar 2014 indienen.”



2.4
Belanghebbende heeft in zijn aangifte inkomstenbelasting 2014 aangegeven dat de ontslaguitkering van NAf 135.000 is belast naar een bijzonder tarief van 23,7%, waardoor een bedrag van NAf 31.938 aan inkomstenbelasting is verschuldigd.



2.5
Bij het vaststelling van de aanslag heeft de Inspecteur de ontslaguitkering naar het maximale bijzondere tarief van 34% in de heffing betrokken, waardoor een bedrag van 34% van NAf 135.000, ofwel NAf 45.900 is verschuldigd.





3GESCHIL

3.1
In geschil is of de aanslag naar het juiste bedrag is vastgesteld. Belanghebbende beantwoordt deze vraag ontkennend, de Inspecteur bevestigend.



3.2
Belanghebbende betoogt dat hij aan de brief van de Inspecteur van 8 december 2014 het vertrouwen mag ontlenen dat de ontslaguitkering naar het bijzonder tarief van 23,7% is belast. De Inspecteur verdedigt het standpunt dat de ontslaguitkering naar het bijzonder tarief van 34% is belast.



3.3
Belanghebbende concludeert tot vermindering van de aanslag met een bedrag van NAf 45.900 minus NAf 31.938, ofwel NAf 13.962. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.






4OVERWEGINGEN
Ontvankelijkheid beroep

4.1
In artikel 31, lid 1, Algemene landsverordening Landsbelastingen (hierna: ALL) is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een door de Inspecteur gedane uitspraak, binnen twee maanden na de dagtekening van de uitspraak een beroepschrift kan indienen bij het Gerecht.



4.2
De onderhavige uitspraak op bezwaar is gedagtekend op 27 oktober 2017. Het beroepschrift is op 30 januari 2018 ingediend. Dit beroepschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.



4.3
Een niet-ontvankelijkverklaring van een beroep op grond van termijnoverschrijding blijft op grond van artikel 5, lid 4, Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) echter achterwege ingeval van bijzondere omstandigheden.



4.4
Belanghebbende stelt, hetgeen niet is weersproken, dat hij pas medio januari 2018 op de hoogte is gekomen van de uitspraak op bezwaar.



4.5
Als met vertraging is kennisgenomen van een uitspraak op bezwaar, geldt dat het beroep zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van drie weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (GEA Curaçao 19 april 2018, nr. CUR201500175, ECLI:NL:OGEAC:2018:54). Belanghebbende heeft op 30 januari 2018 beroep ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar waarmee zij pas medio januari 2018 bekend is geworden. Dit is binnen de termijn van drie weken, zodat de beroepstermijn niet is overschreden. Het beroep is daarom ontvankelijk.


Ontvankelijkheid bezwaar



4.6
In artikel 29, lid 1, ALL is bepaald dat degene die bezwaar heeft tegen een hem opgelegde belastingaanslag, binnen twee maanden na de dagtekening van het aanslagbiljet een gemotiveerd bewaarschrift kan indienen bij de Inspecteur.



4.7
Het onderhavige aanslagbiljet is gedagtekend op 4 maart 2016. Het bezwaarschrift is op 30 juni 2016 ingediend. Dit bezwaarschrift is dus buiten de wettelijke termijn van twee maanden ingediend.



4.8
Een niet-ontvankelijkverklaring van een bezwaar op grond van termijnoverschrijding blijft echter achterwege, indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener van het bezwaar in verzuim is geweest.



4.9
Belanghebbende heeft ter zitting de enveloppe getoond waarin het aanslagbiljet is ontvangen. Gelet op het poststempel van 3 juni 2016 kan belanghebbende het aanslagbiljet niet eerder dan 4 juni 2016 hebben ontvangen.



4.10
Als met vertraging is kennisgenomen van een aanslag, geldt dat het bezwaar zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk moet worden ingediend. Behoudens bijzondere omstandigheden merkt het Gerecht een termijn van drie weken aan als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk’ (GEA Curaçao 19 april 2018, nr. CUR201500175, ECLI:NL:OGEAC:2018:54). Belanghebbende heeft op 30 juni 2016 bezwaar gemaakt tegen de aanslag waarmee zij pas op 4 juni 2016 bekend is geworden. Dit is buiten de termijn van drie weken, zodat de bezwaartermijn is overschreden.



4.11
Vervolgens is de vraag of sprake is van een bijzondere omstandigheid die een afwijking van de driewekentermijn rechtvaardigt. Het Gerecht heeft jarenlang in beginsel een termijn van één maand als ‘zo spoedig als redelijkerwijs mogelijk” aangemerkt. Het Gerecht is van oordeel dat belanghebbende, gelet op die vaste en jarenlange jurisprudentie, bij het instellen van bezwaar in 2016 ervan mocht uitgaan dat die termijn ook in haar geval gehanteerd zou worden. Het Gerecht ziet dit dan ook als een bijzondere omstandigheid die in dit geval een afwijking van de driewekentermijn rechtvaardigt (GEA Aruba 15 juni 2018, nr. AUA201701449, ECLI:NL:OGEAA:2018:361). Uitgaande van een termijn van een maand is het onderhavige bezwaar tijdig ingediend, zodat het ontvankelijk is. De Inspecteur heeft dus ten onrechte het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is daarom gegrond.


Bijzonder tarief



4.12
Op grond van artikel 24, lid 2, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: LIB), kan op verzoek van de belastingplichtige voor bepaalde inkomensbestanddelen een bijzonder tarief worden toegepast. Dit tarief loopt van 17% tot 34%.



4.13
Met een beroep op de hardheidsclausule van artikel 8, lid 5, van de Landsverordening op de Loonbelasting 1976 kan voornoemd verzoek ook worden gedaan om voor de afdracht van loonbelasting reeds rekening te mogen houden met het bijzondere tarief van artikel 24, lid 2, LIB.



4.14
Het bijzonder tarief van artikel 24, lid 2, LIB is gesteld op 80% van het belastingbedrag dat verschuldigd zou zijn zonder toepassing van het bijzonder tarief. Hiertoe wordt allereerst de over het belastbaar inkomen verschuldigde inkomstenbelasting berekend, en vervolgens de belasting die verschuldigd zou zijn over het belastbaar inkomen minus het betreffende inkomensbestanddeel. De over het betreffende inkomensbestanddeel verschuldigde belasting bedraagt 80% van het verschil tussen beide belastingbedragen. Hierbij geldt dat het bijzonder tarief tenminste 17% en ten hoogste 34% beloopt.



4.15
Belanghebbende heeft in 2014 een belastbaar inkomen genoten van NAf 289.141, waarin is begrepen een ontslaguitkering van NAf 135.000.
De verschuldigde belasting over NAf 289.141 is NAf 112.362
De verschuldigde belasting over NAf 154.141 is NAf 46.212
Het verschil bedraagt NAf 66.150

De verschuldigde belasting bedraagt 80% van dit verschil, ofwel NAf 52.920
Het tarief bedraagt alsdan 52.920/135.000 * 100%, ofwel 39,2%
Het bijzonder tarief bedraagt ten hoogste 34%, zodat is verschuldigd NAf 45.900



4.16
De hoogte van het bijzonder tarief in de zin van artikel 24, lid 2, LIB wordt onder meer bepaald door de omvang van de overige inkomensbestanddelen die in een kalenderjaar zijn genoten. Lopende een kalenderjaar kan dus nimmer met zekerheid het bijzonder tarief worden vastgesteld. De brief van de Inspecteur van 8 december 2014 is lopende het kalenderjaar verstrekt, zonder dat de Inspecteur op de hoogte was van de overige inkomensbestanddelen van belanghebbende. Naar zijn aard kan het bijzonder tarief dan niet met zekerheid worden vastgesteld. Aan deze brief kan derhalve niet het vertrouwen worden ontleend dat ook voor de inkomstenbelasting het tarief van 23,7% zal gelden. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.


Slotsom



4.17
Ter voorlichting van belanghebbende merkt het Gerecht op dat de uitspraak van de Inspecteur om procedurele redenen wordt vernietigd, maar dat belanghebbende inhoudelijk geen gelijk krijgt. Wel moet de Inspecteur de proceskosten vergoeden, alsmede het griffierecht dat door belanghebbende in beroep is betaald.





5PROCESKOSTEN EN GRIFFIERECHT

5.1
Ingevolge artikel 15, lid 1 van de Landsverordening op het beroep in belastingzaken (LBB) worden de kosten vergoed die de belastingplichtige in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.



5.2
In artikel 15, lid 2, LBB is bepaald dat de regels over de (hoogte van de) proceskostenvergoeding bij of krachtens landsbesluit worden vastgesteld. Dat is nog niet gebeurd. Het Gerecht zal daarom aansluiten bij het Besluit proceskosten bestuursrecht, PB 2001, no. 127 (vgl. GHvJ 21 juni 2017, nr. CUR2016H00008, ECLI:NL:OGHACMB:2017:54).



5.3
In artikel 1 van dit Besluit zijn de kosten vermeld die voor vergoeding in aanmerking komen, waaronder de kosten van door een derde verleende beroepsmatige bijstand. Deze kosten kunnen worden berekend op NAf 350 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, waarde per punt NAf 700, wegingsfactor 0,25 (bezwaar niet niet-ontvankelijk, maar ongegrond).



5.4
Verder dient de Inspecteur op grond van artikel 18, lid 5 LBB het betaalde griffierecht van NAf 50 aan belanghebbende te vergoeden.





6DE BESLISSING
Het Gerecht:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- verklaart het bezwaar ongegrond;
- veroordeelt de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van NAf 350; en
- draagt de Inspecteur op het door belanghebbende betaalde griffierecht van NAf 50 te vergoeden.


Deze uitspraak is gegeven door mr. dr. A.J.H. van Suilen, rechter, en uitgesproken op 9 april 2019, in tegenwoordigheid van de griffier N.N. Noël – van der Biezen BSc.


De griffier, De rechter,













Afschriften zijn per post/ per e-mail op ………………………… aan partijen verzonden.

HOGER BEROEP

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen twee maanden na de verzenddatum hoger beroep instellen bij:

Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie (belastingkamer)


Wilhelminaplein 4


Willemstad


Curaçao


U wordt verzocht bij het indienen van het beroepschrift het volgende in acht te nemen:
1. Leg bij het beroepschrift een afschrift over van deze uitspraak;
2. Onderteken het beroepschrift en vermeld het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener,
b. de dagtekening,
c. waartegen u in beroep komt,
d. waarom u het niet eens bent met deze uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Partijen hebben ook de mogelijkheid het ondertekende beroepschrift per e-mail in te dienen bij de griffie van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie: belastinggriffie@caribjustitia.org.

Voor het instellen van hoger beroep is het volgende bedrag aan griffierecht verschuldigd:
- natuurlijke personen: NAf. 200
- personenvennootschappen en rechtspersonen: NAf. 500
Link naar deze uitspraak