Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHAMS:2019:1294 
 
Datum uitspraak:09-04-2019
Datum gepubliceerd:15-04-2019
Instantie:Gerechtshof Amsterdam
Zaaknummers:200.250.131/01 NOT
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Klacht tegen een notaris. Klaagster verwijt de notaris - in de kern - dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. De notaris heeft gehandeld in strijd met de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) en de zorgplicht die hij jegens alle betrokken partijen heeft, doordat hij zijn bank opdracht heeft gegeven om over te gaan tot betaling van de door het executoriaal derdenbeslag getroffen gelden aan de gerechtsdeurwaarder. Ingevolge artikel 17 lid 1 Wna was de notaris gehouden de belangen van alle betrokken partijen te behartigen en de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. De notaris wist dat klaagster bij de voorzieningenrechter een datum had aangevraagd voor een kort geding met het verzoek - vooruitlopend op de behandeling daarvan - te gelasten dat het vonnis van 7 februari 2018 niet mocht worden geëxecuteerd, totdat de voorzieningenrechter op de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat vonnis had beslist. De notaris had de betaling moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de voorzieningenrechter, althans moeten afwachten of de voorzieningenrechter overeenkomstig het verzoek van klaagster zou beslissen. De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk verklaard. Anders dan de kamer is het hof van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen. De notaris heeft weliswaar gehandeld in hoedanigheid van derde-beslagene, maar de aan de notaris verweten handelwijze houdt in dit geval voldoende verband met zijn hoedanigheid van notaris. Het hof vernietigt de bestreden beslissing en verklaart de klacht ongegrond.
Trefwoorden:belastingrecht
wettelijke rente
Wetreferenties:Wet op het notarisambt 17
Wet op het notarisambt 93
 
Uitspraak
beslissing
___________________________________________________________________ _ _


GERECHTSHOF AMSTERDAM


afdeling civiel recht en belastingrecht

zaaknummer : 200.250.131/01 NOT

nummer eerste aanleg : 18-11

beslissing van de notaris- en gerechtsdeurwaarderskamer van 9 april 2019

inzake


[naam] ,
wonend te [plaats] ,
appellante,
gemachtigde: mr. R. Teerink, advocaat te Tilburg,

tegen


[naam] ,
notaris te [plaats] ,
geïntimeerde,
gemachtigde: mr. L.H. Rammeloo, advocaat te Amsterdam.





1Het geding in hoger beroep


1.1.
Appellante (hierna: klaagster) heeft op 23 november 2018 een beroepschrift bij het hof ingediend tegen de beslissing van de kamer voor het notariaat in het ressort Den Haag (hierna: de kamer) van 31 oktober 2018 (ECLI:NL:TNORDHA:2018:17). De kamer heeft in de bestreden beslissing klaagster in haar klacht tegen geïntimeerde (hierna: de notaris) niet‑ontvankelijk verklaard.



1.2.
De notaris heeft op 14 januari 2019 een verweerschrift - met bijlagen - bij het hof ingediend.



1.3.
De zaak is behandeld ter openbare terechtzitting van het hof van 24 januari 2019. Klaagster, vergezeld van haar gemachtigde, en de notaris, vergezeld van zijn gemachtigde, zijn verschenen en hebben het woord gevoerd; de gemachtigde van klaagster aan de hand van een aan het hof overgelegde pleitnota.






2Stukken van het geding

Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van de door de kamer aan het hof toegezonden stukken van de eerste instantie en de hiervoor vermelde stukken.






3Feiten


3.1.
Het hof verwijst voor de feiten naar hetgeen de kamer in de bestreden beslissing heeft vastgesteld. Partijen hebben tegen de vaststelling van de feiten door de kamer geen bezwaar gemaakt, zodat ook het hof van die feiten uitgaat, waar nodig aangevuld met andere feiten die in dit geding zijn gebleken.



3.2.
Het gaat het in deze zaak om het volgende.


3.2.1.
In oktober 2016 hebben klaagster en haar ex-echtgenoot hun woning, gelegen aan het [adres] te [plaats] (hierna: de woning), aan een derde verkocht. De notaris heeft de levering van de woning verzorgd. De koper heeft de koopsom onder de notaris gestort.



3.2.2.
Op 31 oktober 2016 is op verzoek van [X] , met verlof van de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag, ten laste van klaagster conservatoir derdenbeslag gelegd onder de notaris op het aan klaagster toekomende gedeelte van de verkoopopbrengst van de woning. De notaris hield een bedrag van € 76.625,88 onder zich.



3.2.3.
Op 4 november 2016 heeft de notaris een verklaring derdenbeslag afgegeven.



3.2.4.
Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis van 7 februari 2018 is, voor zover hier van belang, klaagster veroordeeld om aan [X] te betalen een bedrag van € 47.768,04, vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag met ingang van 18 maart 2009 tot de dag van volledige betaling. De incidentele vordering van klaagster om [X] te veroordelen het op 31 oktober 2016 onder de notaris gelegde beslag op te heffen, is afgewezen.



3.2.5.
Bij e-mailbericht van 13 februari 2018 heeft klaagster de notaris ingelicht over voormeld vonnis en verzocht de gelden niet uit te betalen. Tevens heeft klaagster een (concept)appeldagvaarding/vordering schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad bijgevoegd. Op dezelfde dag heeft klaagster een appeldagvaarding tevens incidentele vordering ex artikel 351 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv), gericht tegen het vonnis van 7 februari 2018, laten betekenen aan de advocaat van [X] . Klaagster heeft daarvan een afschrift aan de notaris gestuurd met de mededeling:

“Ik vertrouw erop dat het beslagene niet uitgekeerd zal worden.”




3.2.6.
Op 15 februari 2018 heeft de advocaat van [X] telefonisch en per e-mail contact opgenomen met de notaris en verzocht uitvoering te geven aan voormeld vonnis.



3.2.7.
Bij e-mailbericht van 15 februari 2018 om 16.59 uur heeft de notaris aan klaagster, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…) Zodra de overbetekening bij mij heeft plaatsgevonden met verzoek tot betaling, heb ik geen gronden om de gelden onder mij te houden en zal ik zodoende meteen tot overmaking dienen over te gaan. Overigens heeft de overbetekening nog niet plaatsgevonden. (…)”




3.2.8.
Bij e-mailbericht van 16 februari 2018 om 15.55 uur heeft klaagster aan de notaris, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…) Mocht er ondanks de uitgebrachte appeldagvaarding met daarin opgenomen een incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid en het aan te spannen executie-geschil waarbij in KG schorsing wordt gevraagd toch uitbetaald worden en ik alsdan vanwege restitutierisico schade leid dan stel ik jou als notaris en/of jouw kantoor daarvoor indien en voor zover nodig nu alvast aansprakelijk.


(…)”




3.2.9.
Op (vrijdag) 16 februari 2018 om 17.28 uur heeft de gerechtsdeurwaarder voormeld vonnis overbetekend aan de notaris.



3.2.10.
Bij e-mailbericht van (maandag) 19 februari 2018 om 9.24 uur heeft de notaris aan klaagster, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…)


De overbetekening heeft inmiddels op mijn kantoor plaatsgevonden, hetgeen mij geen andere mogelijkheid geeft dan daaraan uitvoering te geven.



Voorgaande uiteraard nadat ik dit uitvoerig heb voorgelegd aan mijn advocaat.


(…)”




3.2.11.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 10.24 uur heeft de notaris aan klaagster, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…)


Voor de volledigheid doe ik u de overbetekening als bijlage toekomen. Later vandaag zal ik uitvoering geven aan hetgeen in het exploot gesteld.


(…)”




3.2.12.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 11.22 uur heeft klaagster hierop, voor zover hier van belang, gereageerd als volgt:

“(…)


Vandaag wordt bij de Kort Geding rechter een datum gevraagd voor een kort geding waarin jouw kantoor en de wederpartij gedagvaard worden en waarbij tevens wordt verzocht daarop vooruitlopend te gelasten dat de uitbetaling wordt aangehouden totdat hij heeft beslist.



Ik ga ervan uit dat jouw kantoor gezien het vorenstaande vooralsnog niet tot uitbetaling over zult gaan.


(…)”




3.2.13.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 12.30 uur heeft de advocaat van [X] aan de notaris, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…)


Het is in dat kader niet aan u om te controleren of het vonnis ook aan [klaagster] is betekend. (…)


Namens mijn cliënt heb ik de stukken bij de deurwaarder opgevraagd. Na ontvangst zal ik deze bij wijze van uitzondering aan u doen toekomen. Ten overvloede, deze stukken zijn niet van belang voor het uitboeken van de gelden. Immers het conservatoire beslag is inmiddels overgegaan in een executoriaal beslag, hetgeen inhoudt dat u de gelden uit dient te boeken aan mijn cliënt.


(…)”

Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 12.46 uur heeft de advocaat van [X] de notaris nogmaals verzocht om de gelden uit te boeken.



3.2.14.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 13.09 uur heeft de notaris de advocaat van [X] , voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…) [klaagster] maakt mij bekend een kortgedingprocedure te willen opstarten naast haar appeldagvaarding. Deze appeldagvaarding werd 13 februari betekend bij uw cliënt. ook uw deurwaarder is hieromtrent geïnformeerd.


Is uw cliënt bereid de betaling op te schorten tot na de uitkomst van gemelde procedure?


(…)”

Op dit verzoek heeft de advocaat van [X] bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 13.12 uur afwijzend gereageerd.



3.2.15.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 13.43 uur heeft de advocaat van de notaris aan de notaris bericht dat hij nu gerust kan en moet betalen.



3.2.16.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 14.11 uur heeft de gerechtsdeurwaarder aan de notaris, voor zover hier van belang, het volgende bericht:

“(…)


In navolging van ons gesprek zojuist bevestig ik u hierbij dat u de getroffen gelden, met een maximum van € 63.831,17, kunt overmaken op de derdengeldrekening van ons kantoor, zie onder.


(…)”




3.2.17.
In de middag van 19 februari 2018 heeft de notaris het door de gerechtsdeurwaarder opgegeven bedrag uitbetaald. Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 15.01 uur heeft de notaris aan klaagster, voor zover hier van belang, het volgende medegedeeld:

“(…)


Bij deze deel ik u mede dat ik uitvoering heb gegeven aan het exploot de dato 16 januari jl. door overmaking van de gelden.


(…)”




3.2.18.
Bij e-mailbericht van 19 februari 2018 om 16.42 uur heeft klaagster aan de notaris de datumbepaling van de voorzieningenrechter gestuurd en daarbij gewezen op diens aantekening dat ervan wordt uitgegaan dat gedaagden de mondelinge behandeling afwachten voor zij de executie voortzetten.



3.2.19.
Op 22 februari 2018 is de dagvaarding in kort geding aan de notaris betekend.







4Standpunt van klaagster

Klaagster verwijt de notaris - in de kern - dat hij niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk notaris betaamt. Daartoe voert klaagster het volgende aan:
De notaris heeft gehandeld in strijd met de Wet op het notarisambt (hierna: Wna) en de zorgplicht die de notaris jegens alle betrokken partijen heeft, doordat hij op 19 februari 2018 zijn bank de opdracht heeft gegeven om tot betaling aan de gerechtsdeurwaarder over te gaan. Ingevolge artikel 17 lid 1 Wna was de notaris gehouden de belangen van alle betrokken partijen te behartigen en de grootst mogelijke zorgvuldigheid te betrachten. De notaris wist dat klaagster niet alleen tegen het vonnis van 7 februari 2018 een appeldagvaarding met incidentele vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad van dat vonnis had uitgebracht, maar ook bij de voorzieningenrechter in de rechtbank Den Haag een datum had aangevraagd voor een kort geding met het verzoek om vooruitlopend op de behandeling van het kort geding te gelasten dat het vonnis niet mocht worden geëxecuteerd, totdat de voorzieningenrechter op de vordering tot schorsing van de uitvoerbaarheid bij voorraad had beslist. De notaris had de betaling moeten aanhouden in afwachting van de beslissing van de voorzieningenrechter, althans in ieder geval moeten afwachten of de voorzieningenrechter op 19 februari 2018 overeenkomstig het verzoek van klaagster zou beslissen, aldus klaagster.





5Standpunt van de notaris

De notaris heeft verweer gevoerd. Het standpunt van de notaris wordt, voor zover relevant, hieronder besproken.





6Beoordeling


Notaris als derde-beslagene



6.1.
Klaagster voert in hoger beroep - kort gezegd - aan dat de kamer haar ten onrechte niet‑ontvankelijk heeft verklaard in haar klacht en dat het handelen van de notaris als derde‑beslagene valt onder de werking van artikel 93 Wna.



6.2.
De notaris heeft in hoger beroep zijn ontvankelijkheidsverweer gehandhaafd en - kort gezegd - aangevoerd dat de klacht uitsluitend ziet op zijn handelen als derde-beslagene en dit handelen niet valt onder de werking van artikel 93 Wna.



6.3.
Voorop staat dat een notaris tuchtrechtelijk aansprakelijk kan zijn voor het handelen in een andere hoedanigheid dan notaris dat voldoende verband houdt met zijn hoedanigheid van notaris in relatie tot het daarbij passende gedragsniveau, zonder dat het handelen uitsluitend aan een notaris is voorbehouden (zie laatstelijk: hof Amsterdam 27 november 2018, ECLI:NL:GHAMS:2018:4429).



6.4.
In deze zaak heeft de notaris gehandeld in hoedanigheid van derde-beslagene. Naar het oordeel van het hof houdt de aan de notaris verweten handelwijze in dit geval voldoende verband met zijn hoedanigheid van notaris, omdat het derdenbeslag is gelegd op gelden die de notaris onder zich heeft gekregen in verband met de levering van een woning die hij in zijn hoedanigheid van notaris heeft verzorgd. De notaris kan dus in dit geval tuchtrechtelijk aansprakelijk zijn voor zijn handelen als derde-beslagene.
Anders dan de kamer is het hof derhalve van oordeel dat klaagster in haar klacht kan worden ontvangen.


Inhoudelijk




6.5.
Aan de orde is de vraag of de notaris, door over te gaan tot uitbetaling van de door het beslag getroffen gelden aan de gerechtsdeurwaarder, heeft gehandeld in strijd met de door hem als behoorlijk handelend notaris te betrachten zorg en de belangen van klaagster onvoldoende heeft behartigd.



6.6.
De notaris heeft aangevoerd dat hij zorgvuldig heeft gehandeld en de belangen van klaagster voldoende in het oog heeft gehouden. Hij werd geconfronteerd met een uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis dat aan hem was betekend en met het verzoek van de advocaat van [X] tot uitbetaling. Hij heeft zich door ter zake deskundige derden laten informeren over zijn verplichtingen als derde-beslagene. Daarnaast heeft hij na navraag bij de advocaat van [X] geconstateerd dat [X] de executie wenste door te zetten. Zijn conclusie was dan ook dat hij het bedrag waarvoor executoriaal beslag was gelegd, moest uitbetalen aan de gerechtsdeurwaarder, aldus de notaris.



6.7.
Het hof overweegt als volgt.
Met de betekening op 16 februari 2018 aan klaagster en aan de notaris als derde-beslagene van het (uitvoerbaar bij voorraad verklaard) vonnis van 7 februari 2018 is het eerder gelegde conservatoir derdenbeslag overgegaan in een executoriaal derdenbeslag.
Alvorens over te gaan tot uitbetaling van de door het executoriaal beslag getroffen gelden aan de gerechtsdeurwaarder, heeft de notaris de betekening aan hem van voormeld vonnis afgewacht en klaagster daarover ook geïnformeerd. Bovendien is de notaris bij de advocaat van [X] nagegaan of het vonnis ook aan klaagster was betekend. Vervolgens heeft de notaris advies ingewonnen bij derden, onder wie zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar en zijn advocaat die hem - blijkens het hiervoor onder 3.2.15 vermelde e-mailbericht - heeft geadviseerd dat hij tot uitbetaling kon en moest overgaan. Voorts is gebleken dat de notaris aan de advocaat van [X] heeft gevraagd of diens cliënt bereid was om de uitkomst van de door klaagster gestarte gerechtelijke procedure en/of de kort geding-procedure die klaagster voornemens was te starten, af te wachten, maar deze was daartoe niet bereid. De notaris heeft klaagster steeds geïnformeerd over de stand van zaken rondom het derdenbeslag en de in dat verband door hem te nemen stappen.



6.8.
Gelet op het vorenstaande is het hof van oordeel dat de notaris de zorgvuldigheid heeft betracht die een behoorlijk handelend notaris betaamt en voldoende rekening heeft gehouden met de belangen van klaagster. Voor het overige is de handelwijze van de notaris niet aan het oordeel van het hof als tuchtrechter onderworpen. Het hof komt dan ook tot de conclusie dat de klacht ongegrond is.



6.9.
Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht, kan buiten beschouwing blijven omdat het niet van belang is voor de beslissing in deze zaak.



6.10.
Het hiervoor overwogene leidt tot de volgende beslissing.






7Beslissing

Het hof:

- vernietigt de bestreden beslissing;

en, opnieuw beslissende:

- verklaart de klacht ongegrond.


Deze beslissing is gegeven door mrs. J.H. Lieber, G.C.C. Lewin en M. Bijkerk en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2019 door de rolraadsheer.
Link naar deze uitspraak