Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBDHA:2021:12765 
 
Datum uitspraak:08-06-2021
Datum gepubliceerd:25-11-2021
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:20/1902
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Kinderbijslag, duurzame persoonlijke band, ongegrond.
Trefwoorden:bijstandsuitkering
ingezetene
kinderbijslag
loonbelasting
uitkering
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 20/1902

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juni 2021 in de zaak tussen

[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. C. Car),

en

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (Svb), verweerder
(gemachtigde: J.Y. van den Berg).



Procesverloop

In het besluit van 28 oktober 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres voor het ontvangen van kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) vanaf het vierde kwartaal van 2019 afgewezen.

In het besluit van 22 januari 2020 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft door middel van Skype plaatsgevonden op 17 mei 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen


1.1.
De rechtbank gaat bij de beoordeling uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiseres heeft de Surinaamse nationaliteit. Zij is begin 2019 met haar twee kinderen vanuit Suriname naar Nederland gekomen om zich bij haar partner te voegen. Eiseres beschikte op dat moment over een verblijfstitel op grond van verblijf bij haar partner. Kort na haar aankomst heeft eiseres met haar kinderen de woning van haar partner verlaten en is zij terecht gekomen in een opvangcentrum voor vrouwen.



1.2.
Eiseres heeft voor het vierde kwartaal van 2019 kinderbijslag aangevraagd voor haar kinderen. Deze aanvraag heeft geleid tot het primaire besluit.

2. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Verweerder stelt zich daarbij op het standpunt dat eiseres op de peildatum van 1 oktober 2019 niet verzekerd is voor de AKW. Eiseres heeft op dat moment geen duurzame persoonlijke band met Nederland en daarom kan zij niet als ingezetene worden aangemerkt. Zij was op 1 oktober 2019 pas kort in Nederland en zij beschikte op dat moment niet over een zelfstandige verblijfsvergunning. Deze is pas na de peildatum aangevraagd. Ook heeft eiseres op de peildatum geen zelfstandige woonruimte en is zij niet lid van een vereniging, geloofsgemeenschap of politieke partij. Zij volgt geen studie in Nederland, is niet werkzaam in loondienst en doet geen vrijwilligerswerk. Het feit dat de kinderen van eiseres op de peildatum naar school gingen en dat eiseres een uitkering ontving krachtens de Participatiewet, is onvoldoende om eiseres als ingezetene aan te merken.

3. Eiseres kan zich niet verenigen met het bestreden besluit en voert aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat eiseres geen duurzame persoonlijke band heeft met Nederland. Zij beschikt over een verblijfsvergunning en zij ontvangt een bijstandsuitkering. Haar eerdere woning heeft eiseres moeten verlaten in verband met huiselijk geweld en daarom verbleef ze in een opvangcentrum voor vrouwen. Ze had in het opvangcentrum een zelfstandige woonruimte en zou op korte termijn in aanmerking komen voor zelfstandige woonruimte buiten het opvangcentrum. Hoewel verweerder het onvoldoende heeft gemotiveerd, gaat eiseres er vanuit dat verweerder teveel waarde hecht aan het ontbreken van een zelfstandige woonruimte. Eiseres is verder van mening dat verweerder niet alle factoren en belangen bij het bestreden besluit heeft betrokken. Zo is het niet vereist om werk te hebben om kinderbijslag te ontvangen. Eiseres kon in verband met haar problematiek ook niet werken. Verder is het van belang of iemand een inburgeringsexamen heeft afgelegd en eiseres heeft al 4 inburgeringsexamens gehaald. Hieruit blijkt de intentie van eiseres om zich in Nederland te vestigen alsook haar duurzame persoonlijke band met Nederland.

4. De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.



4.1.
Ter beoordeling ligt voor of eiseres over het vierde kwartaal van 2019 recht had op kinderbijslag op grond van de AKW. De rechtbank stelt vast dat ingevolge artikel 11, eerste lid, van de AKW de eerste dag van een kalenderkwartaal de peildatum is. Dat betekent dat in dit geval 1 oktober 2019 als peildatum moet worden gezien.



4.2.
Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de AKW is verzekerd degene die ingezetene is of geen ingezetene is, doch ter zake van in Nederland of op het continentaal plat in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting is onderworpen. Ingevolge artikel 2, van de AKW is ingezetene in de zin van deze wet degene die in Nederland woont. Waar iemand woont wordt op grond van artikel 3, eerste lid, van de AKW naar de omstandigheden beoordeeld.



4.3.
Vast staat dat eiseres op de peildatum geen arbeid in dienstbetrekking verrichte. Er is daarom op die grond geen sprake van verzekerd zijn voor de AKW.



4.4.
Het is vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) dat het er bij de beoordeling van de omstandigheden van ingezetenschap op aankomt of deze van dien aard zijn, dat een duurzame band van persoonlijke aard bestaat tussen de betrokkene en Nederland (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 5 augustus 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:1742).



4.5.
Het is eveneens vaste rechtspraak van de CRvB dat voor het aannemen van ingezetenschap onvoldoende is dat de betrokkene de intentie heeft zich definitief in Nederland te vestigen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877). Voorts heeft de CRvB in onder meer die uitspraak geoordeeld dat bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame band van persoonlijke aard met Nederland met name van belang wordt geacht of een betrokkene over duurzaam ter beschikking staande woonruimte in Nederland beschikt. Ook de duur van het verblijf in Nederland is een omstandigheid die van belang is bij de beoordeling van de band met Nederland (zie nogmaals de uitspraak van de CRvB van 3 maart 2017, ECLI:NL:CRVB:2017:877).



4.6.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht en voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiseres op de peildatum 1 oktober 2019 niet als ingezetene kan worden aangemerkt. Verweerder erkent dat de kinderen van eiseres op de peildatum in Nederland naar school gingen en dat eiseres op dat moment een uitkering op grond van de Participatiewet ontving. Er dient echter aan de hand van alle feiten en omstandigheden, in onderlinge samenhang beschouwd, te worden beoordeeld of op de peildatum al sprake was van een duurzame band met Nederland. Terecht heeft verweerder van belang geacht dat eiseres op de peildatum nog niet zo heel lang in Nederland verbleef en niet beschikte over duurzaam tot haar beschikking staande woonruimte. Hoewel de rechtbank begrijpt dat eiseres zich in een moeilijke situatie bevond en daardoor in de vrouwenopvang terecht is gekomen, doet dit niet af aan het feit dat duurzaam ter beschikking staande woonruimte van belang wordt geacht bij de beoordeling van een duurzame band met Nederland. Dat eiseres op de peildatum de intentie had om zich permanent in Nederland te vestigen, is onvoldoende om op die datum ingezetenschap aan te nemen. Bovendien wordt deze intentie niet ondersteund door concrete feiten en omstandigheden. Daarbij betrekt de rechtbank evenals verweerder het feit dat eiseres op de peildatum geen opleiding in Nederland volgde, geen vrijwilligerswerk in Nederland verrichtte en niet lid was van een (sport)vereniging, politieke partij of geloofsgemeenschap. Ook had eiseres op de peildatum nog geen zelfstandige verblijfsvergunning aangevraagd; deze is volgens de stukken (brief van de IND van 23 januari 2020) pas op 9 december 2019 aangevraagd. Voor zover eiseres heeft aangevoerd dat zij inmiddels 4 inburgeringsexamens heeft gehaald, waarvan één voorafgaand aan de peildatum, heeft zij dit niet onderbouwd met stukken. Dat eiseres inmiddels over een verblijfsvergunning en een zelfstandige woning beschikt, maakt het oordeel van de rechtbank ook niet anders nu eiseres pas sinds 9 december 2019 respectievelijk 2 april 2020 hierover beschikt.

5. Ten aanzien van de door eiseres aangevoerde belangenafweging, overweegt de rechtbank als volgt. De bepalingen waarop de weigering van de kinderbijslag is gebaseerd, zijn dwingendrechtelijk van aard, in welk kader er voor verweerder geen ruimte bestaat voor een belangenafweging. Dit betekent dat verweerder niet de mogelijkheid heeft om op grond van persoonlijke omstandigheden kinderbijslag aan eiseres toe te kennen, dit ondanks de moeilijke omstandigheden waarin eiseres zich bevindt.

6. Vorenstaande betekent dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen duurzame band van persoonlijke aard bestond tussen eiseres en Nederland op de peildatum 1 oktober 2019. Dit betekent dat eiseres over het vierde kwartaal van 2019 geen recht had op kinderbijslag.

7. Het beroep is ongegrond.

8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A.C. van Poelgeest, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2021.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Link naar deze uitspraak