Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBAMS:2021:6774 
 
Datum uitspraak:08-09-2021
Datum gepubliceerd:25-11-2021
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:21/2183
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Herziening en terugvordering huurtoeslag vanwege het behaalde voordeel uit sparen en beleggen. Verweerder terecht uitgegaan van de laatste bij hem bekende inkomensgegevens van eiser, zoals opgenomen in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2019. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:inkomstenbelasting
rendementsgrondslag
woz waarde
woz-waarde
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM

Bestuursrecht

zaaknummer: AMS 21/2183

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 september 2021 in de zaak tussen

[eiser] , te Amsterdam, eiser

en

Belastingdienst Toeslagen, verweerder
(gemachtigde: [ gemachtigden verweerder] ).



Procesverloop

Met een besluit van 31 december 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder eisers huurtoeslag voor het jaar 2019 definitief berekend en vastgesteld op nihil.

Met een besluit van 4 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen het primaire besluit ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 1 september 2021 op zitting behandeld. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.




Overwegingen


Wat aan de procedure is voorafgegaan


1. Met een besluit van 27 december 2018 heeft verweerder een voorschot huurtoeslag voor 2019 toegekend. Bij besluit van 21 juni 2019 is het bedrag opnieuw berekend en vastgesteld. Verweerder is daarbij uitgegaan van een toetsingsinkomen van € 19.546,-.

2. Bij het primaire besluit heeft verweerder de huurtoeslag van eiser over 2019 definitief berekend en vastgesteld op nihil. In verband met teveel betaalde voorschotten moet eiser een bedrag van € 2.942,- terugbetalen. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat het vermogen van eiser opnieuw is vastgesteld en dat hij daarom geen recht heeft op huurtoeslag. Eiser had een toetsingsinkomen van € 20.403,-.

3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder het primaire besluit gehandhaafd.



Het standpunt van eiser


4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat de WOZ-waarde van zijn woningen te hoog is vastgesteld door de gemeente Amsterdam. De werkelijke waarde (en daarmee zijn vermogen) is veel lager dan nu vastgesteld.


Het wettelijk kader



5.1.
In artikel la, eerste lid, van de Wet op de huurtoeslag (de Wht) is
bepaald dat de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen (de Awir) van toepassing is op de huurtoeslag.



5.2.
In artikel 7, eerste lid, van de Wht is bepaald dat het recht op en de hoogte van de
huurtoeslag afhankelijk is van de draagkracht, waaronder begrepen het vermogen.



5.3.
In artikel 7, derde lid, van de Awir is bepaald indien in een inkomensafhankelijke regeling de aanspraak op een tegemoetkoming mede afhankelijk is gesteld van het vermogen, geen aanspraak bestaat op een tegemoetkoming indien de rendementsgrondslag, bedoeld in artikel 5.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001, van de belanghebbende aan het begin van het berekeningsjaar meer bedraagt dan € 31.340.


Het oordeel van de rechtbank


6. De rechtbank overweegt dat of de belanghebbende over het berekeningsjaar voordeel uit sparen en beleggen heeft, wordt vastgesteld aan de hand van de aanslag inkomstenbelasting over dat jaar. Verweerder is gehouden die aanslag inkomstenbelasting te volgen. Dit volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling), zie bijvoorbeeld de uitspraak van 5 september 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:2919). Zolang de inspecteur die inkomensgegevens niet wijzigt, mag verweerder, gelet op de uitspraak van de Afdeling van 21 juli 2010 (ECLI:NL:RVS:2010:BN1948), van de juistheid van die gegevens uitgaan en zijn deze gegevens leidend.

7. Gelet op het voorgaande is verweerder bij de bepaling van eisers recht op huurtoeslag terecht uitgegaan van de laatste bij hem bekende inkomensgegevens van eiser, zoals opgenomen in de definitieve aanslag inkomstenbelasting 2019. Uit die aanslag volgt dat eiser in 2019 een voordeel uit sparen en beleggen heeft genoten van € 155,-, gebaseerd op een rendementsgrondslag van € 38.401,-, die daarmee dus meer bedraagt dan € 31.340,-. Nu in artikel 7, derde lid, van de Awir is bepaald dat een overschrijding van een bedrag van € 31.340,- als rendementsgrondslag een belemmering vormt voor het recht op toeslag, heeft verweerder de huurtoeslag voor 2019 terecht vastgesteld op nihil.

8. Het door eiser aangevoerde leidt, gelet op het hiervoor onder 6 overwogene, niet tot een ander oordeel. Mocht de WOZ-waarde van eisers woningen door de gemeente Amsterdam worden verlaagd, dan kan hij zich tot de belastinginspecteur wenden met het verzoek de aanslag inkomstenbelasting te herzien. Zijn toeslagen worden dan door verweerder automatisch aangepast bij een wijziging in zijn toetsingsinkomen.

Conclusie


9. Het beroep is ongegrond.

10. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het betaalde griffierecht bestaat geen aanleiding.





Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Greebe, rechter, in aanwezigheid van mr.L.N. Linzey, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar.









griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.


Wet Waardering onroerende zaken.
Link naar deze uitspraak