Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBOVE:2018:4677 
 
Datum uitspraak:04-12-2018
Datum gepubliceerd:05-12-2018
Instantie:Rechtbank Overijssel
Zaaknummers:ak_ 17 _ 1903
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning verleend voor een nieuwe indeling en uitbreiding van motorcrossterrein op perceel in Staphorst; beroep gegrond voor zover het een aantal voorschriften betreft: beroep voor het overige ongegrond.
Trefwoorden:activiteitenbesluit
bestemmingsplan
buitengebied
geluidshinder
geurhinder
landbouw
omgevingsvergunning
perceel
wabo
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle

Bestuursrecht

zaaknummer: AWB 17/1903

uitspraak van de meervoudige kamer in het geschil tussen

1. [eiser 1] ,
2. [eiser 2] ,
3. [eiser 3] ,

4. [eiser 4],
allen wonende te Staphorst, eisers,
gemachtigde: mr. J.T. Fuller,

en

het college van burgemeester en wethouders van Staphorst, verweerder,
gemachtigde: mr. M. Bekooy.

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: AMBC Staphorst, gevestigd te Staphorst, hierna te noemen: belanghebbende,
gemachtigde: mr. J.G.J. van den Bergh.




Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2017 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan belanghebbende
een omgevingsvergunning verleend voor een nieuwe indeling en uitbreiding van het motorcrossterrein op het perceel Spoordijk 2 in Staphorst.

Tegen het bestreden besluit hebben eisers beroep ingesteld.
Verweerder heeft verweer gevoerd.

Per brief van 2 mei 2018 heeft de rechtbank de Stichting advisering bestuursrechtspraak (hierna: de StAB) gevraagd om in dit geschil advies uit te brengen.
Bij rapport van 1 augustus 2018 heeft de StAB dit gedaan.
Partijen hebben op het StAB-rapport gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2018. Eisers zijn verschenen,
bijgestaan door hun gemachtigde en [naam] Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door J. van der Meer en W. Tuinman, bijgestaan door zijn gemachtigde en S.H. Boonstra, geluidsdeskundige, werkzaam bij GeluidMeesters BV. Namens belanghebbende zijn verschenen H. Schra en H. Harke, bijgestaan door hun gemachtigde en ir. F.A.G.M. Schermer, geluidsdeskundige, werkzaam bij Peutz BV (hierna: Peutz). Namens de StAB zijn ing. J. Koedoot en mr. H.P. Nijhoff ter zitting verschenen en als deskundigen gehoord.

Overwegingen


1. Sinds 1979 heeft belanghebbende de voormalige vuilstortplaats aan de Spoordijk 2
in Staphorst in gebruik als motorcrossbaan. Volgens het bestemmingsplan ‘Buitengebied Staphorst’, vastgesteld op 25 juni 2013, (hierna: het bestemmingsplan) heeft dit perceel,
daar waar de motorcrossbaan is gelegen, de bestemming ‘Sport’ met de functieaanduiding ‘motorcrossterrein’. De gronden grenzend aan het motorcrossterrein hebben de bestemmingen ‘Bos’ en ‘Bedrijf – Openbaar nut’. Op 26 februari 2002 heeft verweerder
aan belanghebbende een oprichtingsvergunning verleend voor een motorcrossterrein.

Op 24 juni 2015 heeft belanghebbende bij verweerder een aanvraag omgevingsvergunning ingediend voor een nieuwe indeling van het motorcrossterrein en een aanpassing en uitbreiding van de baan. Belanghebbende wil de huidige baan verlengen, een mini-crossbaan aanleggen, de reeds aanwezige aardenwal (in het vervolg van deze uitspraak aangeduid als geluidswal) verlengen en met geluidsschermen ophogen, containers ten behoeve van de opslag van materiaal bijplaatsen en voorzien in voldoende parkeergelegenheid.

Belanghebbende heeft zijn aanvraag meerdere keren met nadere stukken aangevuld.
Op 20 december 2016 heeft verweerder een ontwerp van het bestreden besluit gedurende
zes weken ter inzage gelegd. Eisers hebben daartegen een zienswijze ingediend.

Op 4 juli 2017 heeft de gemeenteraad van Staphorst voor de aangevraagde activiteiten een verklaring van geen bedenkingen afgegeven.

2. In het bestreden besluit heeft verweerder aan belanghebbende een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en e, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) verleend. De vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, is verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, sub a, onder 3°, van de Wabo.

In voorschrift 1.1.5 van de verleende vergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Wabo (hierna te noemen: de milieuvergunning) is bepaald dat binnen de volgende openingstijden crossactiviteiten mogen plaatsvinden:


woensdag: tussen 14:30 uur en 18:59 uur, maximaal 90 crossuren per dag


zaterdag: tussen 13:00 uur en 16:30 uur, maximaal 70 crossuren per dag


zaterdag: als incidentele situatie maximaal 8 keer per jaar motorcrosswedstrijden


tussen 10:00 uur en 17:59 uur, maximaal 160 crossuren per dag. Daarbij is voorgeschreven dat in de weken waarop op een zaterdag de motorcrosswedstrijd plaatsvindt op de daaraan voorafgaande woensdag niet mag worden gecrost.

Ook is in voorschrift 1.1.5 van deze vergunning vastgelegd dat de inrichting jaarlijks vanaf maart tot en met oktober in werking mag zijn ten behoeve van het trainen en/of crossen met motoren.

3. Eisers wonen in de directe omgeving, op korte afstand van de motorcrossbaan. Zij zijn het niet eens met de uitbreiding van de baan en de intensivering van het gebruik dat daarvan mag worden gemaakt.

4. De rechtbank zal hieronder de gronden van het beroep bespreken in de volgorde waarin eisers deze in hun aanvullend beroepschrift van 26 oktober 2017 hebben aangevoerd.
I Strijd met goede ruimtelijke ordening

5. Artikel 2.12, eerste lid, onder a, sub 3°, van de Wabo bepaalt dat, voor zover de aanvraag betrekking heeft op een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, de omgevingsvergunning slechts kan worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en indien de motivering van het besluit een goede ruimtelijke onderbouwing bevat.


6.1.
Eisers zijn van mening dat de vergunde activiteiten in strijd zijn met drie nationale belangen die staan vermeld in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR).
Deze belangen zijn: (1) het verbeteren van de milieukwaliteit (lucht, bodem, water) en bescherming tegen geluidsoverlast en externe veiligheidsrisico’s, (2) ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten en (3) zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten.



6.2.
Verweerder heeft in verweer onweersproken het volgende gesteld. De gronden met de bestemming ‘Sport’ hebben een oppervlakte van meer dan 16.000 m². De gronden met de bestemmingen ‘Bedrijf-Openbaar Nut’ en ‘Bos’, waarop de vergunde activiteiten zijn beoogd en waarvoor de omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wabo is verleend, hebben een oppervlakte van in totaal circa 6.235 m². Dat is inclusief de al bestaande geluidswal binnen de bestemming ‘Bos’ met een oppervlakte van circa 2.130 m². Voor het overige bestaat de vergunde oppervlakte van 6.235 m² uit uitbreiding van de motorcrossbaan (710 m²), aanleg van de mini-crossbaan (840 m²), uitbreiding van de bestaande geluidswal (930 m²) en uitbreiding van de parkeerplaatsen (1.625 m²). De StAB heeft vastgesteld dat de verleende omgevingsvergunning voorziet in een verlenging van de baan met ongeveer 80 meter, van 850 naar 930 meter.
Naar het oordeel van de rechtbank is de omvang van deze uitbreiding van de bestaande activiteiten die planologisch reeds waren toegestaan niet dusdanig dat kan worden gezegd dat in het bestreden besluit een omgevingsvergunning voor een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling is verleend. Mede gelet op de omvang van de uitbreiding waarvoor omgevingsvergunning is verleend, in verhouding tot de omvang van de activiteiten die planologisch al waren toegestaan, is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat
de vergunde activiteiten vanwege strijdigheid met de SVIR niet zouden voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening.



7.1.
Ook zijn eisers van mening dat de uitbreiding van de motorcrossbaan niet past binnen het provinciaal beleid, zoals dat is neergelegd in de ‘Omgevingsvisie Overijssel 2017. Beken kleur’ (hierna: de Omgevingsvisie 2017), die in april 2017 is vastgesteld en op 1 mei 2017 in werking is getreden. Volgens eisers is de uitbreiding en intensivering van het gebruik van de motorcrossbaan namelijk niet te verenigen met de ambities uit die visie om in te zetten op een duurzame ontwikkeling van de leefomgeving, ruimtelijke kwaliteit zoals gedefinieerd in die visie, het voortbouwen aan de kenmerkende structuren van de agrarische cultuurlandschappen en een zichtbaar en beleefbaar mooi landschap. Verder past de uitbreiding van de crossbaan ook niet in de gebiedsomschrijving ‘Mixlandschap met landbouw, natuur en water als goede buren’, zoals opgenomen in de omgevingsvisie 2009 van de provincie Overijssel.



7.2.
Verweerder heeft in verweer erkend dat in de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit ten onrechte alleen de Omgevingsvisie Overijssel Catalogus Gebiedskenmerken van juli 2009 (de Omgevingsvisie 2009) is betrokken en niet ook de Omgevingsvisie 2017.



7.3.
De rechtbank is van oordeel dat ook op dit punt van belang is dat er geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, maar van een uitbreiding van een bestaande activiteit die volgens het geldende bestemmingsplan reeds was toegestaan. Ook op dit punt is de rechtbank van oordeel dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat de vergunde activiteiten vanwege strijdigheid met de Omgevingsvisie 2009 of de Omgevingsvisie 2017 niet zouden voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Daarbij ziet de rechtbank aanleiding om het gebrek, dat in de ruimtelijke onderbouwing bij het bestreden besluit alleen de Omgevingsvisie 2009 is betrokken, met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) te passeren. Het is aannemelijk dat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.



8.1.
Eisers hebben verder aangevoerd dat de voorgenomen ontwikkeling evenmin past in het gemeentelijke beleid, zoals dat is neergelegd in de Structuurvisie 2030 kernen Staphorst, Rouveen en IJhorst, Ruimte voor de toekomst; een slag erbij (hierna: de Structuurvisie),
de Kadernota Buitengebied Staphorst en de Kadernota Sport 2006-2010.


8.2.1.
De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de vergunde activiteiten vanwege strijdigheid met het gemeentelijke beleid niet voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Belanghebbende is al sinds 1979 op het onderhavige motorcrossterrein actief en dit terrein is in 2013 in het thans geldende bestemmingsplan als zodanig bestemd. De Structuurvisie, vastgesteld op 10 december 2013, heeft betrekking op de kernen Staphorst, Rouveen en IJhorst en niet op het buitengebied. Verder is in de Structuurvisie vermeld dat de doelen daarvan zijn het aangeven van de kaders waarbinnen toekomstige ruimtelijke ontwikkelingen en projecten kunnen plaatsvinden en het communiceren van de ambities van de gemeente Staphorst voor de drie kernen aan derden. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de omstandigheid dat in de Structuurvisie de noordzijde van Staphorst, ter plaatse van het huidige evenemententerrein, is aangewezen als gebied dat kan uitgroeien tot dé plek voor sport in Staphorst, niet betekent dat de nu vergunde activiteit in strijd is met dat beleid.



8.2.2.
Volgens eisers is het bestreden besluit in strijd met de Kadernota Buitengebied Staphorst, omdat, kort gezegd, de vergunde activiteit niet voldoet aan de basisvoorwaarde dat aan landschappelijke kwaliteit moet worden ‘gewonnen’. De rechtbank stelt echter vast dat in de inleiding van de kadernota, vastgesteld in 2008, is vermeld dat dit een nota op hoofdlijnen is, waarbij tevens richtinggevende uitspraken zijn gedaan. De kadernota is vooral een bondig en beeldend document, een nota waarin ontwikkelingsrichtingen zijn bepaald en op hoofdlijnen ruimtelijke keuzes zijn gemaakt. In de kadernota is verder aangegeven dat het niet de bedoeling is om daarin zodanig concrete uitspraken te doen dat daarmee toekomstige gebruiks- en bouwmogelijkheden van concrete gebieden in detail zijn vastgelegd.
Reeds vanwege het karakter van de kadernota en omdat in dit geval geen sprake is van een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling, volgt de rechtbank eisers niet in hun stelling dat de vergunde activiteit vanwege strijd met het bepaalde in die nota niet zou voldoen aan de eis van een goede ruimtelijke ordening. Als gevolg hiervan kan de vraag in hoeverre met het bestreden besluit aan landschappelijke kwaliteit wordt ‘gewonnen’ of ‘verloren’ hier onbesproken blijven.



8.2.3.
Eisers hebben er verder op gewezen dat in de Kadernota Sport 2006-2010 expliciet staat aangegeven dat een uitbreiding van het crossterrein aan de Spoordijk om meerdere redenen niet haalbaar is. Wat hier verder ook van zij, uit deze enkele stelling volgt niet dat de nu vergunde activiteit in strijd met een goede ruimtelijke ordening is.




9.1.
Eisers zijn van mening dat diverse kenmerken van de aangevraagde activiteiten, en met name de daarvan te verwachten geluidsoverlast, verweerder aanleiding hadden moeten geven tot het opstellen van een milieueffectrapportage (m.e.r.). Daarnaast heeft verweerder volgens eisers ten onrechte geen rekening gehouden met de wijziging van het Besluit m.e.r. die op
7 juli 2017 in werking is getreden.



9.2.
Artikel 7.17, eerste lid, van de Wet milieubeheer (Wm), voor zover hier van belang, bepaalt dat het bevoegd gezag uiterlijk zes weken na de datum van ontvangst een beslissing neemt omtrent de vraag of bij de voorbereiding van het betrokken besluit voor de activiteit, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die zij voor het milieu kan hebben, een milieueffectrapport moet worden gemaakt.



9.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit een zogeheten vormvrije m.e.r.-beoordeling heeft gemaakt. Op basis van deze beoordeling heeft verweerder geconcludeerd dat de aangevraagde activiteiten geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu opleveren en dat daarom geen m.e.r. hoeft te worden opgesteld. Deze uitkomst heeft verweerder echter niet in een besluit vastgelegd. In verweer heeft verweerder erkend dat dit ingevolge het gewijzigde artikel 2, vijfde lid, van het Besluit m.e.r., zoals dit geldt sinds
7 juli 2017, wel had gemoeten. Verweerder heeft de rechtbank gevraagd om deze omissie met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. De rechtbank volgt verweerder hierin. Ten tijde van de inwerkingtreding van het gewijzigde vijfde lid van artikel 2 van het Besluit m.e.r. had verweerder de vormvrije m.e.r.-beoordeling al gemaakt, zodat materieel was voorzien in de in dit artikellid neergelegde verplichting. Ook had belanghebbende zijn vergunningsaanvraag al geruime tijd vóór 7 juli 2017 ingediend en had ook het ontwerpbesluit al ter inzage gelegen. Het is aannemelijk dat eisers door het niet nemen van een besluit als bedoeld in artikel 7.17, eerste lid, van de Wm niet zijn benadeeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat zij de vormvrije m.e.r.-beoordeling van verweerder inhoudelijk niet hebben bestreden. De rechtbank ziet derhalve aanleiding om de omissie met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Het is aannemelijk dat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld. Overigens volgt de rechtbank inhoudelijk de vormvrije m.e.r.-beoordeling van verweerder.



10.1.
Bureau Witpaard heeft in het verleden een locatie-onderzoek voor de motorcrossbaan uitgevoerd. Daarbij was onder meer als voorwaarde meegegeven dat de locatie op 700 meter afstand van woningen moest zijn gelegen. Deze afstand was gebaseerd op de richtlijnen uit de VNG-brochure ‘Bedrijven en Milieuzonering’ (hierna: de VNG-brochure). Gelet hierop, vinden eisers het onbegrijpelijk dat verweerder nu vergunning verleent voor uitbreiding van de huidige crossbaan, die - volgens hen - op 30 tot 50 meter van een woning ligt.



10.2.
De rechtbank overweegt dat het locatie-onderzoek niet was opgesteld ten behoeve van het thans bestreden besluit, maar in opdracht van de gemeente Staphorst ten behoeve van een mogelijke verplaatsing van het motorcrossterrein. Het locatie-onderzoek is derhalve puur informatief van aard. De richtafstanden uit de VNG-brochure hebben betrekking op nieuwvestiging en zijn niet van toepassing op de uitbreiding van het bestaande motorcrossterrein van belanghebbende. De rechtbank ziet in hetgeen eisers op dit punt hebben aangevoerd daarom geen aanleiding voor het oordeel dat sprake is van strijd met een goede ruimtelijke ordening. Ter zitting hebben eisers verklaard zich hierin te kunnen vinden.



11.1.
Eisers hebben voorts aangevoerd dat ingevolge het bepaalde in artikel 12.4, onder a, sub 1, van de regels van het bestemmingsplan ‘Buitengebied Staphorst’ voor het oprichten van de geluidswal binnen de bestemming ‘Bos’ tevens een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo is vereist.



11.2.
De rechtbank is van oordeel dat, nu in het bestreden besluit is afgeweken van het ter plaatse geldende bestemmingsplan, voor zover dat aan het realiseren van de aangevraagde activiteit in de weg staat, moet worden vastgesteld dat met dit besluit ook wordt afgeweken van het verbod uit artikel 12.4, onder a, sub 1, van de planregels om zonder daartoe verleende omgevingsvergunning gronden op te hogen. Zie ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 30 juli 2014, ECLI:NL:RVS:2014:2833.
De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onvolledig is. Ter zitting hebben eisers verklaard zich hierin te kunnen vinden.



12.1.
Eisers hebben er op gewezen dat onderdeel van de voorgenomen activiteit is het plaatsen van zeven zeecontainers in het achtererfgebied met een oppervlakte van in totaal 110 m². Zij hebben aangevoerd dat artikel 2, aanhef en onder 3, sub f, van bijlage II van het Besluit omgevingsrecht (Bor) in dit geval geen toepassing kan vinden en dat de containers niet omgevingsvergunningvrij mogen worden geplaatst.



12.2.
De rechtbank overweegt allereerst dat deze beroepsgrond buiten de omvang van dit geding valt. Zoals partijen ter zitting hebben bevestigd, heeft belanghebbende het plaatsen van de zeecontainers niet aangevraagd en is hiervoor ook geen vergunning verleend.
Deze beroepsgrond treft reeds hierom geen doel.

Voor de volledigheid merkt de rechtbank op dat verweerder zich in verweer op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbende ingevolge artikel 2, aanhef en onder 3, sub f, onder 3°, van bijlage II bij het Bor twee zeecontainers vergunningsvrij mag plaatsen. Daarbij is verweerder er van uitgegaan dat op het terrein waar de zeecontainers zijn beoogd al bijbehorende bouwwerken staan met een gezamenlijke oppervlakte van 108 m² en dat één zeecontainer een oppervlakte van 15,606 m² heeft. Tevens heeft verweerder in verweer gesteld dat, indien belanghebbende meer dan twee containers plaatst, daartegen handhavend zal moeten worden opgetreden. Eisers hebben dit betoog van verweerder ter zitting niet meer weersproken.
Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij belanghebbende er inmiddels van op de hoogte heeft gesteld dat nog twee containers vergunningsvrij mogen worden geplaatst.



13.1.
Eisers hebben in beroep verder aangevoerd dat geen vergunning had mogen worden verleend voor de verhoging van de bestaande geluidswal van vijf naar zeven meter, omdat dit afbreuk doet aan en niet passend is in het open landschap. Daarnaast zal de geluidswal afbreuk doen aan het woongenot van eisers en hun uitzicht alsmede de lichtinval in hun woningen beperken.



13.2.
De StAB heeft in haar rapport van 1 augustus 2018 vastgesteld dat de woning van [eiser 4] op circa 80 meter van de geluidswal ligt en die van [eiser 1] op circa 190 meter. De woningen van [eiser 2] en [eiser 3] liggen op meer dan 320 meter van de geluidswal. Eventuele gevolgen van de verhoging van de geluidswal zijn daarom vooral van belang voor (de woningen van) [eiser 4] en [eiser 1] . De StAB heeft verder vastgesteld dat tussen het motorcrossterrein en de woningen van [eiser 4] en [eiser 1] een bos met een hoogte van circa 20 meter ten opzichte van het omliggende maaiveld ligt. Als gevolg van dit bos, dat rond een groot deel van het crossterrein ligt, is de geluidswal volgens de StAB nauwelijks relevant als landschappelijk element. De beoogde verhoging van de geluidswal met twee meter zal daar geen verandering in brengen. Ook leidt de verhoging van de geluidswal niet tot een beperking van het uitzicht of een beperking in de lichttoetreding in de woningen van eisers, omdat de geluidswal aanzienlijk lager blijft dan het tussengelegen bos. In haar beoordeling heeft de StAB tevens betrokken dat aan de verleende vergunning de voorwaarde is verbonden dat het motorcrossterrein wordt ingericht conform het Landschapsplan van
15 juni 2015.



13.3.
De rechtbank ziet geen redenen om de conclusies van de StAB niet te volgen. Eisers hebben deze ter zitting ook niet weersproken. Gelet hierop ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de verhoging van de geluidswal van vijf naar zeven meter in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

II Onjuiste belangenafweging



14.1.
Eisers zijn van mening dat de nadelige effecten van de uitbreiding en intensivering
van de motorcrossbaan op hun woon- en leefklimaat dermate groot zijn, dat verweerder hun belangen zwaarder had moeten laten wegen dan die van belanghebbende. In dit verband hebben zij gesteld dat omwonenden al decennialang overlast van de motorcrossbaan ondervinden en daarover ook vaak hebben geklaagd bij de gemeente. Verder had verweerder belanghebbende moeten verplichten om aanvullende maatregelen te treffen om de nu toegestane geluidsbelasting van 50 dB(A) met 5 dB(A) te reduceren.



14.2.
De rechtbank acht ook op dit punt van belang dat al sinds 1979 van het terrein gebruikt wordt gemaakt voor motorcrossactiviteiten, dat in 2002 daarvoor aan belanghebbende een oprichtingsvergunning is verleend en dat deze activiteiten op het terrein, voor zover gelegen binnen de bestemming ‘Sport’, op basis van het bestemmingsplan zijn toegestaan. In verweer heeft verweerder toegelicht dat omwonenden in de periode van 2012 tot en met 2014 met enige regelmaat hebben geklaagd over de door hen ondervonden geluidshinder, afkomstig van het motorcrossterrein. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder onder meer de inrichting grotendeels gesloten door middel van het opleggen van een last onder dwangsom en er bij belanghebbende op aangedrongen om een revisievergunning aan te vragen. Dit heeft geleid tot de nu verleende omgevingsvergunning, waarin tevens fysieke maatregelen zijn opgenomen die dienen ter bescherming van het woon- en leefklimaat van omwonenden. Naar het oordeel van de rechtbank is in het bestreden besluit nadrukkelijk ook rekening gehouden met de belangen van omwonenden en geeft dit besluit geen blijk van een onevenredige belangenafweging. Eisers hebben dit althans niet aannemelijk gemaakt. Dat verweerder belanghebbende niet heeft opgedragen om verdergaande geluid reducerende maatregelen te nemen, maakt dit niet anders. De vraag of verweerder verdergaande geluid reducerende maatregelen had moeten opleggen zal hierna onder het kopje ‘Geluid’ worden besproken.







III Strijd met milieuwetgeving


A. Geluid




15.1.
Eisers hebben op dit punt er allereerst op gewezen dat belanghebbende als gevolg van een te lage inschatting van de geluidsafstraling van de motoren nooit aan de gestelde geluidsgrenswaarden uit de vergunning van 26 februari 2002 heeft kunnen voldoen. Om die reden zijn eisers van mening dat belanghebbende aan deze vergunning geen rechten kan ontlenen. Daarnaast zijn zij van mening dat verweerder bij het bepalen van de grenswaarden het gebied waarin de motorcrossbaan ligt ten onrechte heeft getypeerd als ‘woonwijk in de stad’ in de zin van de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening (hierna: de Handreiking). Het gebied dient volgens hen te worden getypeerd als een ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’, waarvoor een richtwaarde geldt van 45 dB(A). Dit betekent dat de nu vergunde grenswaarden niet toereikend zijn om aan de geldende richtwaarden te kunnen voldoen. Daarbij is voorts van belang dat uit geluidsmetingen blijkt dat het referentieniveau maximaal
39 dB(A) bedraagt. Vanwege de te hanteren richtwaarden had verweerder belanghebbende moeten verplichten om geluid reducerende maatregelen te nemen die ter plaatse van de desbetreffende woningen leiden tot een geluidsafname van 50 dB(A) naar 45 dB(A).



15.2.
In voorschrift 8.3.1 van de milieuvergunning zijn voor de bedrijfssituatie tijdens trainingen, voor de dagperiode (07:00 uur – 19:00 uur) en op de dagen en tijdstippen dat de inrichting in bedrijf mag zijn, de volgende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vastgesteld:
- ter plaatse van de woning aan [adres 1] : niet meer dan 50 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 2] : niet meer dan 49 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 3] : niet meer dan 46 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 4] niet meer dan 48 dB(A).

In voorschrift 8.4.1 zijn voor de bedrijfssituatie tijdens wedstrijden (maximaal 8 x per jaar tussen 10:00 uur en 18:00 uur) de volgende langtijdgemiddelde beoordelingsniveaus vastgesteld:
- ter plaatse van de woning aan de [adres 1] : niet meer dan 55 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 2] niet meer dan 54 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 3] : niet meer dan 52 dB(A);
- ter plaatse van de woning aan de [adres 4] : niet meer dan 54 dB(A).



15.3.
Verweerder heeft voor het bepalen van de grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau en het maximaal geluidsniveau aansluiting gezocht bij de Handreiking. Omdat sprake is van een bestaande inrichting, heeft verweerder bij de beoordeling van de aanvraag het volgende stappenplan uit de Handreiking doorlopen:
- bij herziening van vergunningen worden de aanbevolen richtwaarden voor
woonomgevingen, zoals neergelegd in tabel 4 van de Handreiking, steeds opnieuw getoetst;
- overschrijding van de richtwaarden is mogelijk tot het referentieniveau van het
omgevingsgeluid;
- overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum ‘etmaal-
waarde' van 55 dB(A) kan in sommige gevallen toelaatbaar worden geacht op grond van
een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol
dienen te spelen.

Bij de beoordeling van de eerste stap is verweerder tot de conclusie gekomen dat, ondanks dat het motorcrossterrein in een landelijke omgeving is gelegen, de woonomgeving van het terrein vanwege de aanwezigheid van een wegennet, de drukke spoorlijn Zwolle-Meppel en enkele bedrijven/inrichtingen het beste kan worden getypeerd als ‘woonwijk in de stad’ in de zin van tabel 4 uit de Handreiking. Daarbij heeft verweerder tevens betrokken dat het gebied in de te vervangen milieuvergunning van 26 februari 2002 ook als ‘woonwijk in de stad’ is aangemerkt. Voor dit type woonomgeving geldt voor de dagperiode een richtwaarde van
50 dB(A). Verweerder heeft zich in het bestreden besluit primair op het standpunt gesteld
dat de vergunde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de trainingen aanvaardbaar zijn, omdat ze in overeenstemming met de richtwaarde zijn.



15.4.
De StAB heeft in haar rapport allereerst geconcludeerd dat de bestaande rechten waar belanghebbende op grond van de oprichtingsvergunning uit 2002 aanspraak op kan maken uitsluitend zien op trainingen op woensdagen tussen 17.00 uur en 19.00 uur, trainingen op zaterdagen tussen 13.00 uur en 16.30 uur en maximaal zes wedstrijden op zaterdagen tussen 10.30 uur en 16.30 uur. In dit verband heeft de StAB vastgesteld dat de bestreden vergunning ten opzichte van de vergunning uit 2002 voorziet in een uitbreiding van de openingstijden op de woensdagen met 2 uur en 59 minuten. Voor de zaterdagen is er voor wat betreft de trainingen geen sprake van een verruiming van de openingstijden, maar voor wat betreft de wedstrijden wel. Er mogen namelijk twee extra wedstrijden plaatsvinden en ook zijn de openingstijden tijdens de wedstrijden verruimd met 1 uur en 59 minuten. Bovendien is sprake van een fysieke uitbreiding van het motorcrossterrein. Ten slotte heeft de StAB in dit verband vastgesteld dat in het akoestisch rapport dat deel uitmaakte van de vergunning uit 2002 was uitgegaan van een situatie waarin maximaal 10 crossers tegelijkertijd in de baan waren. Als gevolg hiervan zijn volgens de StAB in het bestreden besluit meer crossuren vergund dan onder de oude vergunning. Onder de nieuwe vergunning zijn namelijk op de woensdagen maximaal 90 crossuren vergund en bij trainingen op de zaterdagen maximaal 70, terwijl het er volgens de StAB, gelet op het akoestisch rapport bij de vergunning uit 2002, voor moet worden gehouden dat op woensdagen maximaal 20 crossuren waren vergund en op zaterdagen maximaal 60.



15.5.
De rechtbank volgt de StAB in haar conclusie dat de aangevraagde en vergunde motorcrossactiviteiten meer omvatten dan de activiteiten waarvoor in 2002 een oprichtingsvergunning is verleend. Dat, zoals verweerder en belanghebbende hebben gesteld, in de verleende vergunning het aantal uren dat het circuit ten behoeve van het crossen is geopend op jaarbasis ongeveer gelijk is aan het aantal uit de oude vergunning, maakt dit niet anders. Zowel de oude als de nieuwe vergunning ziet immers niet expliciet op een aantal toegestane crossuren per jaar, maar op een aantal toegestane uren per dag. Daarnaast is het ook vanuit de hinderbeleving van omwonenden niet logisch om een vergelijking te maken van het aantal crossuren op jaarbasis. Verweerder heeft nog gesteld dat het feit, dat achteraf is gebleken dat de eerder vergunde motorcrossactiviteiten vanwege het te laag gehanteerde bronvermogen niet konden worden uitgevoerd binnen de aan de vergunning verbonden grenswaarden, meebrengt dat nu hogere grenswaarden aan de vergunning mogen worden verbonden. Anders worden volgens verweerder bestaande rechten niet gerespecteerd, terwijl vaststaat dat die rechten een bepaald geluidsniveau omvatten. Reeds nu in dit geval sprake is van een uitbreiding van de bestaande rechten, volgt de rechtbank verweerder hier niet in.



15.6.
Over de door verweerder gehanteerde gebiedstypering van en richtwaarden voor het gebied waarin het motorcrossterrein ligt, heeft de StAB in haar advies gesteld dat het omgevingstype afhankelijk is van de aard van de woonomgeving, maar ook van het activiteitenniveau ter plaatse. Volgens de StAB zijn de woningen aan de Leijdijk 1, 2a en 3 gelegen in een overwegend stil gebied en ontbreken valide argumenten om dit gebied te typeren als ‘woonwijk in de stad’. Daarbij heeft zij er op gewezen dat in het akoestisch rapport van Peutz van 9 februari 2016, dat deel uitmaakt van zowel de aanvraag als de verleende omgevingsvergunning, voor de richtwaarde in de dagperiode is uitgegaan van een bandbreedte van 40 tot 45 dB(A). De StAB concludeert dat, omdat eisers nadrukkelijk een richtwaarde van 45 dB(A) hebben bepleit, het in dit geval niet bezwaarlijk is om voor de woningen aan de [adres 2] , 2a en 3 van deze richtwaarde uit te gaan. De omgeving van de woning aan de [adres 3] is volgens de StAB vanwege de nabijgelegen spoorlijn het beste te typeren als ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’, zodat ook voor deze woning geldt dat dient te worden uitgegaan van een richtwaarde van (ten hoogste) 45 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de dagperiode. De StAB heeft voorts geconcludeerd dat het referentieniveau van het omgevingsgeluid geen mogelijkheid voor het vergunnen van een hogere waarde biedt, omdat dit lager is dan de te hanteren richtwaarden.



15.7.
De rechtbank overweegt dat de StAB haar conclusie, dat verweerder de omgeving van het motorcrossterrein ten onrechte als ‘woonwijk in de stad’ in de zin van de Handreiking heeft getypeerd, heeft gebaseerd op de aard van het gebied en het activiteitenniveau ter plaatse. Daarbij zijn de in het gebied aanwezige spoorlijn, wegen en bedrijven betrokken. Voorts heeft de StAB zowel in haar advies als ter zitting toegelicht dat de systematiek van richtwaarden in de Handreiking niet is gebaseerd op het voorgrondgeluid dan wel het gecumuleerde geluid, maar is afgeleid van het referentieniveau van het omgevingsgeluid (het achtergrondgeluid). De rechtbank ziet in hetgeen verweerder en belanghebbende hiertegen hebben aangevoerd geen aanleiding voor het oordeel dat het advies van de StAB onjuist zou zijn of om een andere reden niet kan worden gevolgd. Mede gelet op dit advies, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat vanwege de aard van de omgeving en het daarin toegestane activiteitenniveau het gebied zich het beste laat typeren als ‘woonwijk in de stad’. Verweerders stelling dat de Handreiking slechts een hulpmiddel is bij het vergunnen van geluidnormen, waarvan onder omstandigheden kan worden afgeweken, maakt dit niet anders. Dit neemt namelijk niet weg dat verweerder adequaat dient te motiveren dat voor het landelijke gebied waarin het motorcrossterrein ligt kan worden aangesloten bij een richtwaarde van 50 dB(A) in de dagperiode. Hierin is verweerder naar het oordeel van de rechtbank in dit geval niet geslaagd.



15.8.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zijn primaire standpunt, dat de vergunde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau voor de trainingen aanvaardbaar zijn omdat ze in overeenstemming met de richtwaarde zijn, onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt. Het bestreden besluit is in zoverre onvoldoende gemotiveerd.



15.9.
Gelet op de derde stap uit het hiervoor vermelde stappenplan uit de Handreiking is overschrijding van het referentieniveau van het omgevingsgeluid tot een maximum ‘etmaalwaarde' van 55 dB(A) in sommige gevallen echter toelaatbaar op grond van een bestuurlijk afwegingsproces waarbij de geluidbestrijdingskosten een belangrijke rol dienen te spelen.
Aan zijn standpunt dat de vergunde grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau toelaatbaar zijn, heeft verweerder subsidiair de door hem gemaakte bestuurlijke afweging uit paragraaf 5.1.3.3. van het bestreden besluit ten grondslag gelegd. In deze afweging is onder meer betrokken dat op de motorcrossbaan alleen motoren worden toegelaten die aan de normen van de Koninklijke Nederlandse Motorrijders Vereniging (KNMV) voldoen, dat met behulp van een transpondersysteem het aantal renners en hun crosstijden worden bijgehouden, dat het motorcrossterrein uitsluitend van maart tot en met oktober maximaal 7 uur en 59 minuten per week, verdeeld over twee dagdelen, voor trainingen is opengesteld en dat het motorcrossterrein maximaal acht zaterdagen per seizoen is opengesteld voor wedstrijden. Verder heeft verweerder in de bestuurlijke afweging betrokken dat op de bestaande geluidswal tussen de motorcrossbaan en de woningen aan de [adres 1] en 2 met een lengte van 256 meter een scherm wordt geplaatst en dat deze geluidswal wordt opgehoogd tot 7 meter. Ook heeft verweerder van belang geacht dat de bestaande geluidswal aan de zuidzijde van het motorcrossterrein zal worden verlegd en verlengd tot een lengte van ongeveer 73 meter, met een hoogte van 5 meter. De bestaande geluidswal aan de oostzijde van het motorcrossterrein, grenzend aan de Spoordijk, wordt op een lengte van 60 meter gebracht en verhoogd tot 5 meter.
Verweerder heeft zich in de bestuurlijke afweging voorts op het standpunt gesteld dat het treffen van bronmaatregelen om de geluidemissie op de omgeving aanvullend te beperken niet realistisch is, omdat reeds aan de reglementen van de KNMV en de Motorsport Organisatie Nederland (MON) moet worden voldaan. In die reglementen zijn reeds grenswaarden voor de geluidsafstraling van de crossmotoren opgenomen. Daarnaast heeft verweerder in het bestreden besluit vastgesteld dat voor het bereiken van een geluidsreductie van 5 dB(A) door middel van een afname van de bedrijfsduur vereist is dat het aantal aangevraagde crossuren met 66% wordt verminderd. Dit is volgens verweerder een dusdanige beperking van het gebruik van de motorcrossbaan dat de bruikbaarheid daarvan in het geding komt. Een andere manier om een geluidsreductie van 5 dB(A) - van 50 dB(A) naar 45 dB(A) - te bewerkstelligen is volgens verweerder een verhoging van de bestaande geluidswal over een lengte van 256 meter tot minimaal 17 meter. Een dergelijke verhoging acht verweerder niet wenselijk, nog daargelaten of het financieel en technisch haalbaar is, en kan in redelijkheid ook niet van belanghebbende worden verlangd.



15.10.
De StAB heeft in haar advies geconcludeerd dat een verdere reductie van het bronvermogen van de motoren inderdaad niet opportuun is en dat een verdere reductie van de bronemissie van de motoren niet van belanghebbende kan worden verlangd. Ook is een geluidsafscherming met een hoogte van 17 meter volgens haar inderdaad niet realistisch.
De StAB heeft echter vastgesteld dat in het bestreden besluit geen afweging is gemaakt over de mogelijkheid om de afscherming aan de noord- en westzijde van het motorcrossterrein te verhogen van 7 naar 10 meter teneinde het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ter plaatse van de woningen aan de Leidijk 1 en 2 terug te brengen. Ook is niet onderzocht welke geluidsreductie voor de woningen aan de Spoordijk 6 en de [adres 5] kan worden behaald door het verhogen van de afscherming aan de zuid- en oostzijde van het motorcrossterrein.



15.11.
De rechtbank is op dit punt allereerst van oordeel dat de StAB met haar voorstellen voor aanvullende maatregelen om een verdere geluidsreductie te bewerkstelligen niet buiten de omvang van het geding is getreden of in strijd met de goede procesorde heeft gehandeld. Eisers hebben aangevoerd dat verweerder belanghebbende had moeten opdragen om verdergaande geluid reducerende maatregelen te treffen. De StAB heeft met haar bespreking van deze grond de omvang van het beroep niet verruimd.



15.12.
De rechtbank overweegt voorts dat belanghebbende als bijlage bij haar reactie van
14 september 2018 een notitie van ir. F.A.G.M. Schermer van 11 september 2018 heeft overgelegd. In deze notitie heeft Schermer onder meer betoogd dat, indien voor de trainingsmiddagen een lager aantal crossuren zou worden vergund, er leden naar huis moeten worden gestuurd. Dit zou volgens hem grote gevolgen hebben voor belanghebbende, zowel qua ledenaantal, (sponsor)inkomsten als (sociale) activiteiten in de Staphorster gemeenschap. Verder heeft Schermer de effecten van de door de StAB voorgestelde, aanvullende geluidsreducerende maatregelen berekend. Hij heeft geconcludeerd dat de kosten van de verhoging van de afscherming aan de noord- en westzijde van het motorcrossterrein van 7 meter naar 10 meter € 230.000,- tot 307.000,- zullen bedragen en dat daarmee voor de woningen aan de Leidijk 1 en 2 een aanvullende geluidsreductie kan worden behaald van circa 2 dB(A).
De verhoging van de afscherming aan de zuid- en oostzijde van het circuit van 5 meter naar
7 meter zou volgens Schermer € 40.000,- tot € 53.000,- kosten. Daarmee zou voor de woning aan de [adres 3] een geluidsreductie van 1,7 dB(A) kunnen worden behaald en voor de woning aan de [adres 4] een reductie van 0,6 dB(A). Schermer concludeert dat de te behalen geluidsreducties in de praktijk niet of nauwelijks meet- of merkbaar zullen zijn en dat de meerkosten daarom niet in verhouding staan tot de daarmee te behalen reducties.



15.13.
Verweerder heeft in zijn reactie van 14 september 2018 verklaard de standpunten van Schermer (Peutz) over het verhogen van de afscherming op de geluidswal aan de noord- en westzijde van het terrein en het plaatsen van afscherming op de geluidswal aan de zuid- en oostzijde van het terrein over te nemen als zijn eigen standpunten.



15.14.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder met de bestuurlijke afweging uit het bestreden besluit en, in aanvulling daarop, met het overnemen van de standpunten van Peutz over de door de StAB voorgestelde aanvullende maatregelen voldoende heeft gemotiveerd dat aan de vergunning hogere grenswaarden voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau kunnen worden verbonden dan de richtwaarden van de Handreiking. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de StAB ter zitting de berekeningen van Peutz niet onaannemelijk heeft geacht. De rechtbank ziet voorts geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder belanghebbende had moeten verplichten verdergaande geluid reducerende maatregelen te treffen. Nu verweerder in verweer uiteindelijk voldoende heeft gemotiveerd dat de vergunde grenswaarden in dit geval op grond van een bestuurlijk afwegingsproces toelaatbaar kunnen worden geacht, ziet de rechtbank aanleiding om het motiveringsgebrek in het bestreden besluit op dit punt met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren. Het is aannemelijk dat eisers door dit gebrek niet zijn benadeeld.



16.1.
Eisers hebben verder aangevoerd dat in de verleende vergunning niet is geborgd dat de voorgeschreven maximale geluidsniveaus bij wedstrijden (de incidentele bedrijfssituatie) niet worden overschreden, omdat in het daaraan ten grondslag liggende akoestisch onderzoek is uitgegaan van aannames en aantallen die niet in de voorschriften van de vergunning zijn vastgelegd.



16.2.
De StAB heeft in haar advies overwogen dat de toegestane maximale geluidsniveaus bij
wedstrijden, zoals neergelegd in voorschrift 8.4.2., zijn ontleend aan het akoestisch onderzoek van Peutz. In dat onderzoek is voor een wedstrijdsituatie uitgegaan van een maximaal bronvermogen van 141 dB(A) tijdens een gelijktijdige start van 20 motoren.
Dit aantal is weliswaar niet in de voorschriften vastgelegd, maar op een overtreding van het toegestane maximale geluidsniveau kan direct handhavend worden opgetreden. Bovendien maakt het akoestisch rapport van Peutz deel uit van de verleende omgevingsvergunning, zodat ook op grond daarvan gehandhaafd zou kunnen worden op het aantal rijders.
De rechtbank ziet geen redenen om de StAB niet te volgen in haar conclusie dat geen noodzaak bestaat voor het vastleggen in de voorschriften van het aantal rijders dat gelijktijdig mag starten tijdens wedstrijden.



17.1.
Volgens eisers is onduidelijk waarom in de tabellen in de voorschriften 8.3.1 en 8.3.2 van de vergunning voor de avondperiode een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van maximaal 40 dB(A) en een maximaal geluidsniveau van 60 dB(A) is toegestaan. De motorcrossbaan mag in de avonduren namelijk niet worden gebruikt. Volgens eisers zou voor het gebruik van de kantine een aanpassing van deze geluidsniveaus naar maximaal 35 dB(A) rechtvaardiger en wenselijker zijn.



17.2.
De StAB heeft geconcludeerd dat een grenswaarde van 40 dB(A) voor het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau in de avondperiode niet strijdig is met de aard van het gebiedstype ‘rustige woonwijk, weinig verkeer’ in de zin van de Handreiking. Anderzijds zijn, buiten de periode en tijden dat het terrein is geopend voor crossactiviteiten, geen activiteiten aangevraagd die het noodzakelijk maken een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau van 40 dB(A) in de avondperiode bij woningen te vergunnen. In haar advies heeft de StAB vermeld dat met de vertegenwoordigers van verweerder is besproken dat de rechtbank zelf in de zaak zou kunnen voorzien door de waarden van 40 dB(A) in voorschrift 8.3.1 en 60 dB(A) in voorschrift 8.3.2 overeenkomstig het verzoek van eisers voor de avondperiode aan te passen naar 35 dB(A). Verweerder heeft dit ter zitting niet bestreden en belanghebbende heeft verklaard met een dergelijke aanpassing te kunnen leven. Deze beroepsgrond slaagt. Gelet hierop, zal de rechtbank de bestreden geluidswaarden aanpassen conform het verzoek van eisers.



18.1.
Eisers zijn verder van mening dat de tijden in de tabel in voorschrift 8.4.1 er op moeten worden aangepast dat wedstrijden slechts tussen 10.00 uur en 18.00 uur zijn toegestaan.



18.2.
De rechtbank stelt vast dat zowel in de tekst van voorschrift 8.4.1 als in voorschrift

1.1.5
is bepaald dat wedstrijden slechts tussen 10:00 uur en 18:00 (dan wel 17:59) uur mogen plaatsvinden. Dat de geluidsniveaus in de tabellen in de voorschriften 8.4.1 en 8.4.2 gelden voor de periode tussen 07:00 uur en 19:00 uur, maakt dit niet anders. Bij het vaststellen van de maximale geluidsniveaus in deze tabellen is aangesloten bij de tijdsindeling voor de dagperiode zoals die is gedefinieerd in de Handreiking. De StAB heeft in haar advies toegelicht waarom de tijdsperiode voor de dag in deze tabellen niet kan worden gewijzigd. Eisers hebben ter zitting verklaard zich hierin te kunnen vinden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.




19.1.
Eisers hebben met betrekking tot het aspect geluid ten slotte aangevoerd dat enkele voorschriften slecht handhaafbaar zijn. Volgens hen is niet duidelijk wie het niveau borgt van de controlemetingen die op grond van voorschrift 8.5.1 moeten worden uitgevoerd.
Ook is niet duidelijk hoe wordt gewaarborgd dat geen lawaai-veroorzakende werkzaamheden of activiteiten als bedoeld in voorschrift 8.5.9 worden verricht. Dit voorschrift is volgens eisers te vrijblijvend geformuleerd. Voorschrift 8.5.10 is volgens hen te cryptisch geformuleerd, waardoor niet duidelijk is wat nu exact is toegestaan.



19.2.
De StAB heeft in haar advies overwogen dat voorschrift 8.5.1 deel uitmaakt van een pakket voorschriften (8.5.1 tot en met 8.5.5), dat tot doel heeft het geluidsniveau en het aantal crossuren van iedere motor te registreren. Volgens de StAB zijn de voorschriften gedetailleerd en niet voor meerdere uitleg vatbaar. Eisers hebben ter zitting verklaard zich hierin te kunnen vinden. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voorschrift 8.5.1 ongewijzigd in stand kan blijven.



19.3.
Ten aanzien van voorschrift 8.5.9 heeft de StAB, na overleg met vertegenwoordigers van verweerder, geconcludeerd dat dit geconcretiseerd en voldoende afgebakend zou kunnen worden indien aan het voorschrift wordt toegevoegd dat het onderhoud is beperkt tot ten hoogste tweemaal per week in de dagperiode, voor ten hoogste 3 uur per onderhoudsbeurt. De StAb heeft in haar advies een voorstel gedaan voor een aanpassing van voorschrift 8.5.9. Partijen hebben ter zitting verklaard zich in deze voorgestelde wijzing te kunnen vinden. In zoverre treft deze beroepsgrond doel. De rechtbank zal het voorschrift daarom wijzigen conform het voorstel van de StAB.



19.4.
De StAB heeft voorts geconcludeerd dat voorschrift 8.5.10 inderdaad te onduidelijk is geformuleerd. Ook voor wijziging van dit voorschrift heeft zij een voorstel gedaan en dit met partijen besproken. In haar advies heeft de StAB gesteld dat partijen zich in dit voorstel kunnen vinden. Ter zitting hebben partijen dit bevestigd. Ook in zoverre treft deze beroepsgrond doel. De rechtbank zal daarom ook voorschrift 8.5.10 wijzigen conform het voorstel van de StAB.


B. Bodem




20.1.
Volgens eisers dekt voorschrift 4.1.3 onvoldoende de door de provincie gestelde voorwaarde dat de afdeklaag van de vuilstort niet mag worden aangetast.



20.2.
De StAB is het met eisers eens en heeft geconcludeerd dat in voorschrift 4.1.3 het woord ‘doorbroken’ moet worden vervangen door het woord ‘aangetast’. Ter zitting hebben partijen verklaard zich hierin te kunnen vinden. De beroepsgrond slaagt. De rechtbank zal daarom deze wijzing in voorschrift 4.1.3 doorvoeren.


C. Geur




21.1.
Eisers vrezen dat door de wijziging van de crossbaan en de intensivering van het gebruik daarvan de geurhinder zal toenemen. Daarbij hebben zij gesteld dat volgens de VNG-brochure voor de motorcrossbaan voor wat betreft geur een richtafstand van 100 meter tot woningen zou moeten worden aangehouden. Eisers zijn van mening dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd waarom in dit geval kan worden afgeweken van deze richtafstand en dat op zijn minst een geuronderzoek had moeten worden uitgevoerd, omdat een redelijk vermoeden bestaat dat niet aan een aanvaardbaar geurhinderniveau wordt voldaan.



21.2.
De StAB heeft op dit punt allereerst overwogen dat de VNG-brochure van toepassing is op nieuwvestiging van bedrijvigheid. Daarvan is in dit geval geen sprake. Verder zijn volgens de StAB met name 2-takt motoren verantwoordelijk voor de typische ‘brommergeur’. In de vergunning is het aantal 2-takt motoren dat op de baan mag rijden begrensd op 45% van het totale aantal motoren. Dat percentage is nog redelijk hoog, zodat niet kan worden gesteld dat er vrijwel geen geuremissie zal optreden. Omdat er woningen op korte afstand van de motorcrossbaan zijn gesitueerd, kan tijdens trainingen en wedstrijden geurhinder optreden. Voor de activiteit motorcrossen zijn in het Activiteitenbesluit milieubeheer en de Activiteitenregeling milieubeheer echter geen specifieke voorschriften voor geur opgenomen. Een concrete, rechtstreeks geldende, geurnorm ontbreekt daardoor.
De systematiek van de beoordeling of sprake is van geurhinder die een aanvaardbaar hinderniveau overschrijdt gaat uit van een jaargemiddelde beoordeling. Omdat in dit geval op jaarbasis maar beperkt gebruik wordt gemaakt van de motorcrossbaan en omdat oostenwind niet de overheersende windrichting is, verwacht de StAB dat het motorcrossterrein geen potentieel geurhinderlijke inrichting is en dat een geuronderzoek geen toegevoegde waarde heeft.



21.3.
De rechtbank ziet in hetgeen eisers in beroep hebben aangevoerd geen redenen om de StAB niet te volgen. Dit betekent dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen redelijk vermoeden is dat niet aan een aanvaardbaar geurhinderniveau zal worden voldaan


IV Procedure




22.1.
Eisers hebben ten slotte aangevoerd dat de door verweerder gevoerde procedure niet juist is geweest. Na het verstrijken van de termijn van terinzagelegging van het ontwerpbesluit heeft belanghebbende op verzoek van verweerder een aanvullend verzoek gedaan om de bestaande activiteiten van het clubhuis mee te nemen in de procedure. Verweerder heeft vervolgens besloten om alleen eisers in de gelegenheid te stellen hun reeds ingediende zienswijze aan te vullen. Eisers zijn van mening dat verweerder door middel van een publicatie een ieder in de gelegenheid had moeten stellen om zienswijzen kenbaar te maken tegen de aanvulling van de aanvraag.



22.2.
Deze beroepsgrond treft geen doel. Eisers zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het ontwerpbesluit en de aanvulling van de aanvraag. Niet is gebleken dat eisers door de handelwijze van verweerder in hun belangen zijn geschaad. Ook is niet gebleken van derden die door de handelwijze van verweerder zijn benadeeld of in hun belangen zijn geschaad.

23. Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit niet ongewijzigd in stand kan blijven. De rechtbank zal het beroep daarom gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen, voor zover het de voorschriften 8.3.1, 8.3.2, 8.5.9, 8.5.10 en 4.1.3 betreft. De rechtbank zal met toepassing van artikel 8:72, derde lid, onder b, van de Awb zelf in de zaak voorzien door te bepalen dat deze voorschriften luiden zoals in het voorgaande is besproken.

24. Er bestaat aanleiding voor het uitspreken van een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb. De rechtbank stelt de hoogte van de proceskostenvergoeding conform het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 1.252,50 (1 punt voor het indienen van het beroep, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor de aanvullende reactie op het StAB-rapport ; waarde per punt: € 501,-; wegingsfactor 1).





Beslissing

De rechtbank:



verklaart het beroep gegrond, voor zover het de voorschriften 4.1.3, 8.3.1, 8.3.2, 8.5.9 en 8.5.10 betreft;


vernietigt het bestreden besluit inzoverre;


bepaalt dat de voorschriften 4.1.3, 8.3.1, 8.3.2, 8.5.9 en 8.5.10 als volgt luiden:







Voorschrift 4.1.3

“Tijdens werkzaamheden waarbij in de grond geroerd wordt, zoals het egaliseren van de baan, het vormen van het parcours en realiseren of ophogen van een geluidswal, dient er te allen tijde voor te worden gezorgd dat de afdeklaag van de vuilstort niet aangetast wordt.”

Voorschrift 8.3.1

“Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAR,LT veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige motoren, toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de woningen op de dagen en tijdstippen dat de inrichting in bedrijf mag zijn, op de posities 1 t/m 4, met een hoogte van 1,5 meter boven het plaatselijke maaiveld, niet meer bedragen dan:










*Beoordelingspunt


Woning


Dagperiode (07:00 -19:00 uur) invallende niveaus


**Avondperiode (19:00 - 23:30 uur) invallende niveaus




positie 1



[adres 1]



50 dB(A)


35 dB(A)




positie 2



[adres 2]



49 dB(A)


35 dB(A)




positie 3



[adres 3]



46 dB(A)


35 dB(A)




positie 4



[adres 4]



48 dB(A)


35 dB(A)





* De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in figuur 1 van het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek F 19795-5-RA-005 van 9 februari 2016.
** Dit voorschrift heeft uitsluitend betrekking op het gebruik van clubhuis/kantine tijdens de in voorschrift 1.1.5 toegestane tijdstippen. De beoordelingshoogte in de avondperiode is 5 meter boven het plaatselijke maaiveld.”

Voorschrift 8.3.2

“Het maximale geluidsniveau LAmax veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige motoren, toestellen en installaties, door de in de inrichting verrichte werkzaamheden of activiteiten, alsmede door het transportverkeer binnen de grenzen van de inrichting, mag ter plaatse van de woningen op de dagen en tijdstippen dat de inrichting in bedrijf mag zijn, op de beoordelingspunten 1 t/m 4, met een hoogte van 1,5 meter boven het plaatselijke maaiveld, niet meer bedragen dan:










*Beoordelingspunt


Woning


Dagperiode (07:00 -19:00 uur) invallende niveaus


**Avondperiode (19:00 – 23:30 uur) invallende niveaus




positie 1



[adres 1]



65 dB(A)


35 dB(A)




positie 2



[adres 2]



62 dB(A)


35 dB(A)




positie 3



[adres 3]



63 dB(A)


35 dB(A)




positie 4



[adres 4]



60 dB(A)


35 dB(A)





* De ligging van de beoordelingspunten is aangegeven in figuur 1 van het bij de aanvraag behorende akoestisch onderzoek F 19795-5-RA-005 van 9 februari 2016.
** Dit voorschrift heeft uitsluitend betrekking op het gebruik van clubhuis/kantine tijdens de in voorschrift 1.1.5 toegestane tijdstippen. De beoordelingshoogte in de avondperiode is 5 meter boven het plaatselijke maaiveld.”

Voorschrift 8.5.9

“Behoudens het ten gevolge van baanonderhoud en regulier onderhoud aan de groenstrook vrijkomende (inherente) geluid van onderhoudsmachines zoals kettingzagen, bosmaaiers, tractor, shovel e.d. mogen in de inrichting, buiten de in voorschrift 1.1.5 genoemde dagen en tijdstippen, geen lawaai-veroorzakende werkzaamheden of activiteiten worden verricht. Het baanonderhoud en regulier onderhoud aan de groenstrook binnen de inrichting is beperkt tot ten hoogste tweemaal per week in de dagperiode, voor ten hoogste 3 uur per onderhoudsbeurt.”

Voorschrift 8.5.10

“Tijdens trainingen en wedstrijden mag het percentage 2-takt motoren niet hoger zijn dan 45% van het totaal aantal motoren dat op enig moment in de baan aanwezig is.”



verklaart het beroep voor het overige ongegrond;


bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het bestreden besluit; ;


veroordeelt verweerder in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 1.252,50, te betalen aan eisers;


gelast verweerder het griffierecht van € 168,- aan eisers te vergoeden.




Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Oosterveld, voorzitter, en mr. W.J.B. Cornelissen en
mr. R.M. Fieten, leden, in aanwezigheid van mr. P.J.H. Bijleveld, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op







griffier voorzitter




Afschrift verzonden aan partijen op:


Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Link naar deze uitspraak