Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBOBR:2020:1570 
 
Datum uitspraak:13-03-2020
Datum gepubliceerd:26-03-2020
Instantie:Rechtbank Oost-Brabant
Zaaknummers:19/635
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Wob-verzoek. Geen misbruik van recht. Eurowob is niet van toepassing.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
landbouw
landbouw, natuur en voedselkwaliteit
rundvee
 
Uitspraak
RECHTBANK OOST-BRABANT

Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: SHE 19/635

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 maart 2020 in de zaak tussen

de besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid [eiseres] B.V. en [eiseres] B.V., handelend onder de naam [eiseres], te [vestigingsplaats] , eiseres (hierna: [eiseres] )
(gemachtigde: mr. M.A.J. West),

en

de minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (de minister)
(gemachtigde: mr. drs. P.J. Kooiman).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [naam] B.V., te Alkmaar (hierna: [naam] )
(gemachtigde: mr. M.E. de Bruin).




Procesverloop

Bij besluit van 6 augustus 2018 (het primaire besluit) heeft de minister beslist op het verzoek van [naam] om openbaarmaking van informatie op grond van de Wet openbaarmaking van bestuur (Wob), met toepassing van in de Wob genoemde weigeringsgronden.

Bij besluit van 12 februari 2019 (het bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van [eiseres] ongegrond verklaard.


[eiseres] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De minister heeft de op de zaak betrekking hebbende gedingstukken ingediend, met als bijlagen de stukken waarop het Wob-verzoek ziet. De minister heeft de rechtbank verzocht om die bijlagen geheim te houden. Bij beslissing van 13 juni 2019 heeft de rechtbank bepaald dat geheimhouding van die bijlagen gerechtvaardigd is, behoudens de geheimhouding van het Wob-verzoek van 5 december 2017.


[eiseres] en [naam] hebben de rechtbank toestemming verleend als bedoeld in artikel 8:29, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) om bij de beoordeling van het beroep kennis te nemen van de niet openbaar gemaakte stukken.


[eiseres] heeft op 11 oktober 2019 de gronden van het beroep aangevuld. Hierop heeft [naam] bij brief van 4 november 2019 gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 november 2019. Namens [eiseres] zijn verschenen [naam] en [naam] , bijgestaan door de gemachtigde van [eiseres] . De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. [naam] heeft zich met voorafgaande kennisgeving niet laten vertegenwoordigen.




Overwegingen


Wettelijk kader


1. De wettelijke regels die in deze zaak een rol spelen, zijn opgenomen in een bijlage die deel uitmaakt van deze uitspraak.


Inleiding


2. [eiseres] is handelsvergunninghouder van het diergeneesmiddel [naam] . [naam] is een directe concurrent en brengt het diergeneesmiddel [naam] op de markt, dat eveneens is gericht tegen een virus dat een infectieziekte bij rundvee veroorzaakt.

3. Bij besluit van 23 juni 2017 heeft het College ter beoordeling van geneesmiddelen (CBG) de handelsvergunning voor [naam] gewijzigd (Staatscourant 14 juli 2017, 39321). Deze wijziging hield verband met een aanpassing van de productkenmerken (Summary of Product Characteristics: SmPC).

4. [naam] heeft in een brief van 5 december 2017 bij het CBG het volgende verzoek ingediend:


“Met beroep op de Wet openbaarheid van bestuur verzoeken wij u inzage te geven in alle relevante documenten die betrekking op de goedkeuring voor de aanpassing van de SmPC, inclusief de documenten die aan deze goedkeuring ten grondslag hebben gelegen. In aanvulling hierop verzoeken wij u meer specifiek om daarbij inzage te geven in de bronnen waaruit volgt dat de verlenging van de interval voor hervaccinatie van 6 naar 12 maanden ook leidt tot foetale bescherming gedurende 12 maanden zoals omschreven in art. 4.2 van de SmPC (Indicaties voor gebruik met specificatie van de doeldiersoort(en)).”


5. [eiseres] heeft op 30 maart 2018 haar zienswijze gegeven op dit informatieverzoek en het voornemen van de minister om naar aanleiding van het informatieverzoek informatie openbaar te maken.

6. In het bestreden besluit heeft de minister het bij het primaire besluit ingenomen standpunt gehandhaafd dat de door [naam] opgevraagde documenten gedeeltelijk openbaar moeten worden gemaakt. Openbaarmaking van bepaalde (passages in) documenten moet volgens de minister achterwege blijven, omdat de belangen als vermeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob zich daartegen verzetten.



Het beroep en de beoordeling hiervan



Misbruik van recht


7. [eiseres] heeft betoogd dat [naam] het Wob-verzoek niet heeft ingediend vanuit het algemene belang van openbaarheid voor een ieder, maar dat aan het verzoek uitsluitend haar eigen belang ten grondslag ligt. [eiseres] stelt dat [naam] de gevraagde informatie wil gebruiken om haar concurrentiepositie ten opzichte van [eiseres] te verbeteren, ter vergelijking en promotie van haar eigen producten en voor het verkrijgen van inzicht in de registratiestrategie van [eiseres] . Volgens [eiseres] heeft [naam] het recht om een informatieverzoek daarom gebruikt voor een ander doel dan waarvoor dat is gegeven en de minister had het Wob-verzoek daarom moeten afwijzen of buiten behandeling moeten stellen.

8. Uit vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4256) volgt dat op grond van artikel 3:13 van het Burgerlijk Wetboek (BW), in verbinding met artikel 3:15 van het BW, de bevoegdheid om bij een bestuursorgaan bezwaar te maken niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich tegen inhoudelijke behandeling van een bezwaar dat neerkomt op misbruik van recht en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van zo’n bezwaar. Daartoe zijn zwaarwichtige gronden vereist die onder meer aanwezig zijn als rechten en bevoegdheden zodanig evident zijn aangewend zonder redelijk doel of voor een ander doel dan waartoe zij zijn gegeven, dat het aanwenden van die rechten of bevoegdheden blijk geeft van kwade trouw. Dit kader geldt ook voor bijvoorbeeld het aanwenden van de bevoegdheid beroep in te stellen of het doen van een Wob-verzoek.

9. Op grond van artikel 3, derde lid, van de Wob hoeft de indiener van een informatieverzoek geen belang te stellen. De indiener hoeft niet uit te leggen waarom het informatieverzoek is ingediend. Dit laat echter onverlet dat de bevoegdheid tot het indienen van een informatie met een bepaald doel is toegekend, namelijk dat in beginsel iedereen kennis kan nemen van overheidsinformatie. Omdat misbruik van recht zich kan voordoen indien een bevoegdheid wordt aangewend voor een ander doel dan waarvoor zij is gegeven, kan het doel van een Wob-verzoek relevant zijn om te beoordelen of misbruik van recht heeft plaatsgevonden.

10. Misbruik van recht kan niet lichtvaardig worden aangenomen, omdat een partij daarmee de mogelijkheid wordt ontnomen om op te komen tegen een beslissing van een overheidsinstantie. Uit de hiervoor genoemde rechtspraak volgt dat misbruik van de Wob wordt aangenomen indien verzoeken, gelet op het procesgedrag van de verzoekers of hun gemachtigden en op hun kennis en ervaring, kennelijk waren ingediend met geen ander doel dan om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren of om de overheid anderszins te frustreren.

11. Niet gesteld of gebleken is dat [naam] heeft bedoeld om ten laste van de overheid geldsommen te incasseren of de minister anderszins te frustreren. De rechtbank volgt [eiseres] niet in haar stelling dat desondanks sprake is van misbruik van recht, omdat aan het Wob-verzoek uitsluitend het eigen belang en de concurrentiepositie ten grondslag ligt. De omstandigheid dat [naam] een voorstel van [eiseres] om het Wob-verzoek in te trekken naast zich neer heeft gelegd levert geen zwaarwichtige gronden op voor het aannemen van misbruik.
De minister heeft er terecht op gewezen dat de omstandigheid dat [naam] als concurrent van [eiseres] ook een eigen belang heeft bij openbaarmaking van de gevraagde stukken, niet zonder meer blijk geeft van kwade trouw en daarom onvoldoende is om misbruik van recht aan te nemen. Potentiële gebruikers van [naam] kunnen ook belang hebben bij inzage in de studieresultaten die aan de goedkeuring van de wijziging in de SmPC van het geneesmiddel ten grondslag hebben gelegen. De rechtbank voegt daar aan toe dat de weigeringsgrond die is neergelegd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, juist is bedoeld als waarborg om te voorkomen dat bedrijfsgegevens die bedrijven genoodzaakt zijn te verstrekken, maar die zij met het oog op concurrentie geheim willen houden, openbaar worden gemaakt (zie Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 33). De beroepsgrond dat sprake is van misbruik van recht slaagt niet.


Verzoek tot aanhouding in verband met de Eurowob


12. [eiseres] heeft betoogd dat er een noodzaak bestaat tot aanhouding van de openbaarmaking, waartoe de minister bij het bestreden besluit heeft besloten. Daarbij heeft [eiseres] het volgende gesteld.

13. Bij besluit van 11 februari 2014 heeft de Europese Commissie (de Commissie) aan [eiseres] vergunning verleend voor het in de handel brengen van diergeneesmiddel [naam] . [eiseres] is de promotor van vijf toxicologische onderzoeksrapporten, die bij de vergunningaanvraag voor [naam] bij het Europees Geneesmiddelenbureau (EMA) zijn ingediend. In augustus 2015 heeft het EMA [eiseres] laten weten dat een derde heeft verzocht om op grond van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (hierna: de Eurowob) toegang te krijgen tot de vijf testrapporten. Bij besluit van 25 november 2015 heeft het EMA dit verzoek gedeeltelijk toegewezen. Het beroep van [eiseres] tegen het besluit van 25 november 2015 is op 5 februari 2018 door het Gerecht in Eerste Aanleg verworpen (T-729/15, ECLI:EU:T:2018:67). [eiseres] heeft tegen dit arrest beroep ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (C-178/18 P; hierna: Hof van Justitie). Advocaat-Generaal (AG) Hogan heeft in een conclusie van 11 september 2019 geconcludeerd tot vernietiging van het arrest van 5 februari 2018 en terugverwijzing van het beroep naar het Gerecht in Eerste Aanleg. In die conclusie heeft AG Hogan het standpunt van [eiseres] onderschreven dat met betrekking tot toxicologische studierapporten uit het registratiedossier van diergeneesmiddelen in beginsel vertrouwelijkheid en geheimhouding moet gelden omdat openbaarmaking van die rapporten de commerciële belangen kan ondermijnen. [eiseres] heeft aangevoerd dat de minister bij de beoordeling van het door [naam] ingediende Wob-verzoek ten onrechte niet de Commissie heeft geraadpleegd, zoals volgt uit artikel 5 van de Eurowob. Die beoordeling moet weliswaar worden gedaan met inachtneming van de Wob, maar de minister moet ook oog hebben voor de Eurowob, vanwege de gelijkenissen tussen en de samenhang met de Eurowob en de Wob, en de jurisprudentie van het Hof over de toepassing van de Eurowob. Toepassing van de Eurowob en de rechtspraak van het Hof van Justitie betekent volgens [eiseres] dat de door [naam] verzochte informatie (gedeeltelijk) geheim moet blijven. [eiseres] bepleit daarom aanhouding van de (beoordeling van de) openbaarmaking, waartoe de minister bij het bestreden besluit heeft besloten, in afwachting van de uitspraak van het Hof van Justitie.

14. In navolging van de Afdeling in de uitspraak van 18 april 2018 (ECLI:NL:RVS:2018:1258) overweegt de rechtbank dat de Eurowob, gelet op artikel 1, onder a, en artikel 2, derde lid, van toepassing is op documenten die onder het Europees Parlement, de Raad en de Commissie berusten, dat wil zeggen documenten die door deze instellingen zijn opgesteld of ontvangen en zich in hun bezit bevinden, op alle werkterreinen van de Europese Unie. Met de Eurowob is invulling gegeven aan het in artikel 255 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Unie neergelegde recht van toegang tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie en wordt beoogd een zo ruim mogelijke toegang tot documenten te waarborgen. De documenten waar [naam] om heeft verzocht zijn niet door het Europees Parlement, de Raad of de Commissie opgesteld en berusten daar evenmin. De Eurowob is daarom niet van toepassing. De minister heeft bij de beoordeling van het Wob-verzoek de uitgangspunten van de Eurowob en de daarop van toepassing zijnde jurisprudentie terecht buiten beschouwing gelaten. Omdat het Unierecht niet van toepassing is, ziet de rechtbank geen aanleiding om de beroepszaak aan te houden in afwachting van het arrest van het Hof van Justitie in de zaak C-178/18 P, zoals [eiseres] heeft verzocht.


Toepassing weigeringsgronden artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob


15. Naar aanleiding van het Wob-verzoek van [naam] heeft de minister, met in achtneming van de belangen als vermeld in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, en tweede lid, aanhef en onder g, van de Wob, met betrekking tot 58 documenten beoordeeld of en zo ja, in hoeverre deze openbaar worden gemaakt. In beroep voert [eiseres] ten aanzien van 8 van de 58 documenten aan dat daarin meer passages moeten worden weggelakt dan de minister heeft aangegeven.

16. De weigeringsgrond, zoals neergelegd in artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob, is bedoeld om te voorkomen dat de bedrijfsgegevens die bedrijven met het oog op concurrentie geheim willen houden, maar wel genoodzaakt zijn aan bestuursorganen te verstrekken, openbaar moeten worden gemaakt (zie Kamerstukken II, 1986/87, 19 859, nr. 3, blz. 33). Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling (bijvoorbeeld de uitspraak van 6 november 2019, ECLI: NL: RVS: 2019:3714) moet artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wob naar zijn aard restrictief worden uitgelegd. Van bedrijfs- en fabricagegegevens is slechts sprake, indien en voor zover uit die gegevens wetenswaardigheden kunnen worden afgelezen of afgeleid met betrekking tot de technische bedrijfsvoering of het productieproces dan wel met betrekking tot de afzet van de producten of de kring van afnemers en leveranciers. Ook gegevens die uitsluitend de financiële bedrijfsvoering betreffen, kunnen onder omstandigheden als bedrijfsgegevens worden aangemerkt. De rechtbank overweegt dat deze restrictieve uitleg zich niet verdraagt met het uitgangspunt dat in beginsel vertrouwelijkheid van die gegevens dient te gelden, zoals [eiseres] heeft gesteld.

17. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29 van de Awb kennis genomen van de relevante documenten en oordeelt dat de minister bij het bestreden besluit het besluit tot openbaarmaking van de betreffende passages deugdelijk heeft gemotiveerd en op goede gronden heeft kunnen nemen. Bij dat oordeel betrekt de rechtbank dat de minister tijdens de zitting heeft aangegeven dat bij de besluitvorming naar aanleiding van het Wob-verzoek ook de commerciële belangen zijn betrokken, die zijn verbonden aan de onderzoeksrapporten met gegevens over (pre-)klinische studies en de opzet daarvan die [eiseres] niet wil prijsgeven aan de openbaarheid. Daarbij is ook opgemerkt dat het niet gaat om innovatieve klinische studies, dat door de openbaarmaking geen inzicht wordt gegeven in de methode die bij die studies zijn gebruikt en dat het geen specifieke gegevens betreft over de samenstelling van het diergeneesmiddel of van het productieproces.
Conclusie

18. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.




Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.M.H. de Koning, voorzitter, en mr. S.D.M. Michael en mr. J. Huijben, leden, in aanwezigheid van mr. J.R. Leegsma, griffier. De uitspraak is in het openbaar geschied op 13 maart 2020.





griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.



BIJLAGE


Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (Eurowob)



Artikel 1, onder a

Deze verordening beoogt de bepaling van de beginselen, voorwaarden en beperkingen
op grond van openbare of particuliere belangen betreffende het in artikel 255 van het EG-Verdrag neergelegde recht van toegang tot documenten van het Europees Parlement, de
Raad en de Commissie (hierna „de instellingen”), en wel zodanig, dat een zo ruim mogelijke toegang tot documenten wordt gewaarborgd.


Artikel 2, derde lid

Deze verordening is van toepassing op alle bij een instelling berustende documenten, dit wil zeggen documenten die door de instelling zijn opgesteld of ontvangen en zich in haar
bezit bevinden, op alle werkterreinen van de Europese Unie.


Artikel 5

Wordt van een lidstaat een document gevraagd dat hij in zijn bezit heeft en dat van een instelling afkomstig is, dan raadpleegt hij de betrokken instelling, om een besluit te kunnen
nemen waardoor het doel van deze verordening niet in gevaar komt (…).



Boek 3 van het Burgerlijk Wetboek



artikel 13

1. Degene aan wie een bevoegdheid toekomt, kan haar niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt.
2. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen.
3. Uit de aard van een bevoegdheid kan voortvloeien dat zij niet kan worden misbruikt.


Artikel 15

De artikelen 11-14 vinden buiten het vermogensrecht toepassing, voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daartegen niet verzet.



Wob



Artikel 10, eerste lid, aanhef en onder c

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft achterwege voor zover dit bedrijfs- en fabricagegegevens betreft, die door natuurlijke personen of rechtspersonen vertrouwelijk aan de overheid zijn meegedeeld;




Artikel 10, tweede lid, aanhef en onder g

Het verstrekken van informatie ingevolge deze wet blijft eveneens achterwege voor zover het belang daarvan niet opweegt tegen de volgende belangen:
g. het voorkomen van onevenredige bevoordeling of benadeling van bij de aangelegenheid betrokken natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel van derden.
Link naar deze uitspraak