Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBDHA:2021:5848 
 
Datum uitspraak:27-05-2021
Datum gepubliceerd:11-06-2021
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:AWB - 19 _ 7138
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Omgevingsvergunning ten onrechte verleend op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo omdat project buiten bebouwde kom ligt.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
buitengebied
glastuinbouw
omgevingsvergunning
perceel
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht

zaaknummer: SGR 19/7138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 mei 2021 in de zaak tussen


[eiseres] , te [woonplaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. J. Geelhoed)

en

het college van burgemeester en wethouders van Westland, verweerder
(gemachtigde: mr. N. Wulffele).




Procesverloop

Bij besluit van 5 april 2019 (het primaire besluit) heeft verweerder een omgevingsvergunning verleend aan [B.V.] B.V. (vergunninghouder) voor het oprichten van een tuinbouwkas en een silo aan de [laan] tussen [nummer 1] en [nummer 2] te [plaats] .

Bij besluit van 7 oktober 2019 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 april 2021. Eiseres is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.




Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 16 december 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het oprichten van een tuinbouwkas en een silo op het perceel [laan] tussen [nummer 1] en [nummer 2] te [plaats] .


1.1
Bij het primaire besluit heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning voor de activiteit ‘bouwen’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, hierna: Wabo) mede aangemerkt als een aanvraag van een omgevingsvergunning voor ‘het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met een bestemmingsplan’ (artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c van de Wabo). Verweerder heeft de tuinbouwkas en de silo aangemerkt als een planologisch kruimelgeval in de zin van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor) en de omgevingsvergunning verleend met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo. Met het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie, het primaire besluit gehandhaafd.

2. Eiseres kan zich niet met het bestreden besluit verenigen en betoogt dat verweerder de omgevingsvergunning niet met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo had mogen verlenen. Zij stelt dat het project buiten de bebouwde kom is gelegen en daarom niet aan de voorwaarden van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor wordt voldaan. Zij voert aan dat de beoogde tuinbouwkas en silo gelegen zijn in het buitengebied van de gemeente Westland blijkens de Verordening Ruimte van de provincie Zuid-Holland, het vigerende bestemmingsplan en het bestemmingsplan “Kwintsheul”, op een afstand van circa 800 meter van de grens van de bebouwde kom van Kwintsheul. Eiseres stelt, onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 18 februari 2015, dat het gebied niet kan worden gekwalificeerd als gelegen binnen de bebouwde kom, omdat èn geen sprake is van aaneengesloten bebouwing èn de aanwezige bebouwing dat gebied geen overwegende woon- en verblijffunctie geeft.

3. De rechtbank overweegt als volgt.



3.1
De voor deze uitspraak relevante wet- en regelgeving is vermeld in de bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.



3.2
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Glastuinbouwgebied Westland", vastgesteld op 19 december 2012 (het bestemmingsplan). Aan de gronden waar het project is gerealiseerd, zijn de bestemmingen "Agrarisch-Glastuinbouw" en “Waarde-Archeologie” toegekend. Tevens geldt ter plaatse het bestemmingsplan "Parapluplan Parkeernormen".


3.3
Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan in strijd is met een aantal bouwregels van het bestemmingsplan, te weten artikel 3.2.1 onder d en f, artikel 32.3.1 onder a en artikel 32.3.2 onder a.



3.4
In geschil is of verweerder op grond van artikel 4 aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor kon afwijken van de in de weigeringsgronden van artikel 2.10 van de Wabo neergelegde voorschriften. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of het perceel van vergunninghouder binnen dan wel buiten de bebouwde kom is gelegen.



3.5
De rechtbank overweegt daarover als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de vraag of een perceel al dan niet buiten de bebouwde kom ligt, een vraag van feitelijke aard. De grens van de bebouwde kom wordt bepaald door de aard van de omgeving. De bebouwde kom is het gebied dat door aaneengesloten bebouwing overwegend een woon- en verblijffunctie heeft en waarin veel mensen per oppervlakte-eenheid ook daadwerkelijk wonen of verblijven. De plaats van verkeersborden die de bebouwde kom aangeven, is daarbij niet van belang, evenmin als de in beleid gebruikte aanduiding.



3.6
Verweerder betoogt, onder verwijzing naar jurisprudentie van de Afdeling, dat het perceel van vergunninghouder binnen de bebouwde kom is gelegen omdat sprake is van concentratie van glastuinbouw en (bedrijfs)woningen en deze bebouwing nagenoeg aaneengesloten is tussen de kernen van de gemeente Westland. Het feit dat in hoge mate sprake is van glastuinbouwbedrijven doet hier niet aan af, aldus verweerder.



3.7
De rechtbank is van oordeel dat het perceel van vergunninghouder buiten de bebouwde kom is gelegen. De rechtbank overweegt daartoe dat blijkens het bestemmingsplan en de ter zitting door verweerder overgelegde foto’s zich in het betreffende gebied in het Westland slechts drie woningen bevinden te midden van kassen en enkele open ruimten. Daarom is, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling in rechtsoverweging 3.4, in het gebied geen sprake van aaneengesloten bebouwing met overwegend een woon-of verblijffunctie. Het enkele feit dat sprake is van veel kassenbouw die voor een groot deel op elkaar aansluit, maakt niet dat hiervan alsnog sprake is.

4. Nu het perceel van vergunninghouder buiten de bebouwde kom is gelegen en de oppervlakte van de kas meer dan 150 m² bedraagt, wordt niet aan de voorwaarden van artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor voldaan. Gelet hierop was verweerder niet bevoegd om met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onderdeel a, onder 2º, van de Wabo, gelezen in verbinding met artikel 2.7 van het Bor, een omgevingsvergunning te verlenen.

5. Gelet op het hetgeen hiervoor is overwogen zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking. De rechtbank ziet geen mogelijkheid de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten of zelf in de zaak te voorzien. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen, omdat dat naar het zich laat aanzien geen doelmatige en efficiënte afdoeningswijze zou inhouden. Dat betekent dat verweerder een nieuw besluit op bezwaar dient te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

6. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.068,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 534,- en wegingsfactor 1). Tevens dient verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 174,- te vergoeden.





Beslissing

De rechtbank

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- gelast verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen, met inachtneming van deze uitspraak;
- draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 174,- te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1.068,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.B. Wijnholt, rechter, in aanwezigheid van mr. H.B. Brandwijk, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 mei 2021.




griffier rechter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening.



BIJLAGE: WET- EN REGELGEVING



Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo)
Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het verboden, voor zover hier van belang, zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:
a. het bouwen van een bouwwerk,(…)
c. het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan.

Ingevolge artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo, voor zover hier van belang, kan de omgevingsvergunning voor het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan slechts worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en in de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen gevallen.



Besluit omgevingsrecht (Bor)
Ingevolge artikel 2.7 van het Bor worden als categorieën gevallen als bedoeld in artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de Wabo aangewezen de categorieën gevallen in artikel 4 van bijlage II bij het Bor.

Artikel 4, aanhef en onderdeel 1, van bijlage II bij het Bor luidt, voor zover hier van belang: voor verlening van een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de wet waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 2°, van de wet van het bestemmingsplan wordt afgeweken, komen in aanmerking: een bijbehorend bouwwerk of uitbreiding daarvan, mits, voor zover gelegen buiten de bebouwde kom, wordt voldaan aan de volgende eisen:
a. niet hoger dan 5 m, tenzij sprake is van een kas of bedrijfsgebouw van lichte constructie ten dienste van een agrarisch bedrijf,
b. de oppervlakte niet meer dan 150 m2.



Bestemmingsplan “Glastuinbouwgebied Westland”



Artikel 3.2.1 Kassen, bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken
Voor het bouwen van kassen, bedrijfsgebouwen en overige bedrijfsbouwwerken gelden de algemene regels als genoemd in Artikel 32, alsmede dat:
(...)
d. de afstand van een bedrijfsgebouw tot de - niet aan een gecategoriseerde weg of vaarweg, zoals opgenomen in Bijlage 4 , gelegen - erfscheiding bedraagt minimaal 1,5x de goothoogte;
(...)
f. de afstand van een kas, bedrijfsgebouw en overige bedrijfsbouwwerken, met uitzondering van erfafscheidingen, tot het hoofdgebouw van een woning bedraagt minimaal 12,50 meter;



Artikel 32.3.1 Afstanden tot wegen
De afstand van een bedrijfsgebouw tot het hart van een weg bedraagt 12,5 meter. De afstand van bouwwerken tot de boveninsteek van (hoofd-)watergangen die deel uitmaken van de vaarwegen, zoals opgenomen in Bijlage 4, bedraagt minimaal 4 meter.





Artikel 32.3.2 Afstanden tot (hoofd-)watergangen
Onverminderd hetgeen in dit plan is bepaald, gelden de volgende minimale afstanden tot (hoofd-)watergangen:
a de afstand van bouwwerken tot de boveninsteek van (hoofd-)watergangen die deel uitmaken van de vaarwegen, zoals opgenomen in Bijlage 4 , bedraagt minimaal 4 meter;
(...)


ABRvS 18 februari 2015, ECLI:NL:RVS:2015:450.


ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3842, ABRvS 31 oktober 2018, ECLI:NL:RVS:2018:3519.


ABRvS 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:47; ABRvS 23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1422.
Link naar deze uitspraak