Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHARL:2021:9566 
 
Datum uitspraak:12-10-2021
Datum gepubliceerd:14-10-2021
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.276.664/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Vordering van eigenaar verzakt bouwwerk op constructeur wegens fout in statische berekening is verjaard. Begin verjaringstermijn van artikel 3:310 lid 1 BW. Voldoende zekerheid.
Trefwoorden:agrarisch
bouwvergunning
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht, handel

zaaknummer gerechtshof 200.276.664/01
(zaaknummer rechtbank Midden-Nederland NL19.14329)



arrest van 12 oktober 2021



in de zaak van




[appellant] ,

wonende te [woonplaats1] ,
appellant,bij de rechtbank: eiser,
hierna: [appellant],
advocaat: mr. F.M. Postma, die kantoor houdt te Joure,


tegen




[geïntimeerde]
,
wonende te [woonplaats1] ,
geïntimeerde,
bij de rechtbank: gedaagde,
hierna: [geïntimeerde],
advocaat: mr. S.H Eman, die kantoor houdt te 's-Gravenhage.





1De verdere procedure bij het hof

1.1
Het hof neemt de inhoud van het tussenarrest van 3 november 2020 hier over.



1.2
Op grond van dit tussenarrest heeft op 27 september 2021 een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Het hiervan opgemaakte proces-verbaal bevindt zich in afschrift bij de stukken. De overige processtukken zijn ter voorbereiding op de mondelinge behandeling overgelegd.



1.3
Aan het slot van de mondelinge behandeling is een datum voor arrest vastgesteld.








2Waar gaat het in deze zaak om?2.1 [appellant] verwijt [geïntimeerde] dat hij in 2010 fouten heeft gemaakt bij het maken van zogenaamde statische berekeningen voor de bouw van een opslagloods op het erf van het agrarische bedrijf van [geïntimeerde] . [appellant] wil dat [geïntimeerde] de door hem daardoor geleden schade - de loods is verzakt en daardoor nagenoeg onbruikbaar - vergoedt. [geïntimeerde] bestrijdt dat hij fouten heeft gemaakt, maar beroept zich allereerst op verjaring van de vordering van [appellant] . 2.2 De rechtbank heeft het beroep op verjaring gehonoreerd en de vordering van [geïntimeerde] om die reden afgewezen. Het hof komt tot diezelfde conclusie. Deze beslissing zal hierna worden gemotiveerd. Het hof zal eerst de relevante feiten vermelden en daarna de argumenten van partijen bespreken aan de hand van de bezwaren (‘grieven’) van [appellant] tegen het vonnis van de rechtbank. 3. De relevante feiten3.1 [appellant] , die een agrarisch bedrijf te [woonplaats1] heeft, heeft in het voorjaar van 2009 aan Bouwkundig Ontwerpbureau [naam1] (hierna: [naam1] ) opdracht gegeven voor de bouw van een opslagloods op zijn bedrijfsterrein.3.2 In december 2009 heeft [appellant] opdracht gegeven aan [geïntimeerde] om de statistische berekeningen te maken ten behoeve van dit ontwerp. Deze berekeningen zijn onder meer nodig om een bouwvergunning te kunnen krijgen. [geïntimeerde] heeft de berekeningen in februari 2010 aangeleverd. Hij heeft € 1.350,- voor zijn werkzaamheden bij [appellant] in rekening gebracht. [appellant] heeft dit bedrag in maart 2010 betaald. 3.3 [appellant] heeft Bouwbedrijf [naam2] (hierna: [naam2] ) in juni 2010 opdracht gegeven de loods te bouwen. [naam2] is in juli 2010, nadat de bouwvergunning was verleend, met de bouw begonnen. De loods is in september 2010 opgeleverd. 3.4 Op enig moment - volgens [appellant] vanaf 2011 - zijn er problemen met de constructie van de loods ontstaan. Er ontstonden scheuren en verzakkingen. 3.5 [appellant] heeft onderzoeksbureau Lok Dienstverlening (hierna: Lok) opdracht gegeven onderzoek te doen naar de problemen aan de loods. Lok heeft op 19 december 2014 schriftelijk gerapporteerd. Ten behoeve van het onderzoek van Lok heeft [geïntimeerde] nieuwe statistische berekeningen gemaakt.3.6 Op 26 november 2015 hebben [appellant] en [naam2] (schriftelijk vastgelegde) afspraken gemaakt over herstel van de staalconstructie van de loods door [naam2] . De herstelwerkzaamheden hebben niet het gewenste resultaat opgeleverd. 3.7 Op 15 december 2016 heeft [naam3] B.V. schriftelijk gerapporteerd over een in opdracht van [appellant] verricht onderzoek naar de oorzaak van de problemen met de vloer van de loods. 3.8 [appellant] heeft in 2017 bij de rechtbank Overijssel een procedure aanhangig gemaakt tegen [naam1] , waarin hij aanspraak maakte op vergoeding van de door hem geleden schade vanwege de verzakkingen van de loods. Volgens [appellant] heeft [geïntimeerde] in 2010 fouten gemaakt bij de statische berekeningen en is [naam1] op grond van artikel 6:76 BW voor de fouten van haar hulppersoon [geïntimeerde] aansprakelijk. [naam1] heeft [geïntimeerde] in die procedure in vrijwaring opgeroepen. De rechtbank Overijssel heeft de vordering van [appellant] op [naam1] in haar vonnis van 29 augustus 2018 afgewezen, omdat [geïntimeerde] geen hulppersoon van [naam1] is. Op 27 maart 2019 heeft die rechtbank de vrijwaringsvordering ook afgewezen. 3.9 In een brief van 28 januari 2019 heeft de advocaat van [appellant] [geïntimeerde] aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade ten gevolge van door [geïntimeerde] gemaakte fouten in de statische berekeningen uit 2010.4. De beoordeling van het geschilInleiding en (juridische) uitgangspunten 4.1 Het meest vergaande verweer van [geïntimeerde] tegen de vordering van [appellant] is dat de vordering is verjaard. Als dat verweer slaagt, kunnen de andere verweren van [geïntimeerde] - [appellant] heeft zijn klachtplicht geschonden en [geïntimeerde] heeft geen fout gemaakt bij het maken van de statische berekeningen - onbesproken blijven. 4.2 Op grond van artikel 3:310 lid 1 BW verjaart een rechtsvordering tot vergoeding van schade door verloop van vijf jaren na aanvang van de dag die volgt op de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad gaat het bij deze bekendheid met de schade en de aansprakelijke persoon om daadwerkelijke bekendheid. Het enkele vermoeden van het bestaan van schade dan wel het enkele vermoeden welke persoon voor de schade aansprakelijk is, is onvoldoende. De verjaringstermijn begint pas te lopen op de dag na die waarop de benadeelde daadwerkelijk in staat is om een rechtsvordering tot vergoeding van schade in te stellen. Daarvan zal sprake zijn als de benadeelde voldoende zekerheid - die niet een absolute zekerheid behoeft te zijn - heeft dat schade is veroorzaakt door tekortschietend of foutief handelen van een derde. Het tijdstip waarop dat het geval is, is afhankelijk van de relevante omstandigheden van het gevalVoor het gaan lopen van de verjaringstermijn is niet vereist dat de benadeelde steeds ook met de (exacte) oorzaak van de schade bekend isOok is op zich niet nodig dat de benadeelde behalve met de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon daadwerkelijk bekend is met de juridische beoordeling van die feiten en omstandigheden, tenminste als die juridische beoordeling niet nodig is om de deugdelijkheid van de geleverde prestatie te kunnen beoordelenBij het antwoord op de vraag wanneer de benadeelde voldoende zekerheid heeft gekregen over de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon, kan van belang zijn dat de benadeelde in zijn verhouding tot de aangesprokene mocht vertrouwen op diens deskundigheid of dat die laatste geruststellende mededelingen heeft gedaan over de schade en/of zijn prestatie4.3 Tussen partijen staat niet ter discussie dat [appellant] - zoals de rechtbank heeft vastgesteld - met de brief van zijn advocaat van 28 januari 2019 voor het eerst een stuitingshandeling heeft verricht, zodat voor het antwoord op de vraag of de vordering van [appellant] verjaard is doorslaggevend is of [appellant] (uiterlijk) op 28 januari 2014 bekend was met de schade en de daarvoor aansprakelijke persoon. Bij de beantwoording van die vraag gaat het hof er hierna veronderstellenderwijs vanuit dat [geïntimeerde] daadwerkelijk aansprakelijk is voor de gebreken aan de loods om de redenen die [appellant] daarvoor aanvoert.De vordering is verjaard4.4 Volgens de rechtbank was [appellant] al in 2012 bekend met de schade en de aansprakelijke personen, onder wie [geïntimeerde] . De rechtbank wijst er in dat verband op dat [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank heeft verklaard dat hij [geïntimeerde] in 2012 heeft gebeld en hem toen heeft gezegd dat de vloeren zakten en dat hij toen ook heeft verklaard dat [naam1] hem had gezegd dat [geïntimeerde] verantwoordelijk was. De rechtbank overweegt ook dat [appellant] in de procedure tegen [naam1] heeft aangevoerd dat [naam1] hem in 2012 naar [geïntimeerde] heeft verwezen. Dat [appellant] pas door het rapport van Lok op het spoor werd gezet van een fout van [geïntimeerde] , zoals [appellant] stelt, vindt de rechtbank niet overtuigend, omdat in dat rapport fouten van [naam1] en [naam2] worden aangewezen, maar niet van [geïntimeerde] .4.5 [appellant] is het niet eens met dat oordeel van de rechtbank. Hij blijft erbij dat hij pas na het rapport van Lok voldoende zekerheid kreeg dat [geïntimeerde] aansprakelijk was. Het hof volgt [appellant] niet in dit betoog en wel om de volgende redenen.4.6 Volgens de eigen stellingen van [appellant] heeft hij in 2012 met [geïntimeerde] gebeld. Op dat moment zakte de vloer en had [naam1] al aangegeven dat [geïntimeerde] verantwoordelijk was, zo heeft [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij de rechtbank verklaard. Op dat moment was [appellant] dus bekend met een mogelijk gebrek aan de vloer en met de persoon die daarvoor (mede) verantwoordelijk was: [geïntimeerde] , degene die sterkteberekeningen had gemaakt. [appellant] kende op dat moment de relevante feiten en omstandigheden over de schade en de aansprakelijke persoon. De kern van de feitelijke grondslag van een eventuele vordering was hem toen bekend: hij had schade en die schade was het gevolg van een foute berekening door [geïntimeerde] . 4.7 [appellant] heeft gelijk dat wanneer [geïntimeerde] in het bewuste telefoongesprek vervolgens het bestaan van schade heeft ontkend of gerelativeerd, het in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 9 oktober 2020 de vraag is of [appellant] voldoende zekerheid had over de schade en [geïntimeerde] als aansprakelijke persoon voor die schade. Indien [geïntimeerde] toen, zoals [appellant] heeft aangevoerd, heeft gezegd dat een zekere verzakking normaal was en dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, is goed verdedigbaar dat [appellant] op dat moment op deze geruststellende mededeling van de door hem ingeschakelde deskundige mocht vertrouwen. Maar volgens [appellant] zelf namen de problemen met de loods die vanaf 2011 aan het licht kwamen niet af en stabiliseerden ze ook niet, maar namen ze slechts toe. Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof heeft [appellant] verklaard dat in 2013 ook de wanden bol gingen staan en dat lekkage ontstond. Als [geïntimeerde] in het telefoongesprek uit 2012 al een geruststellende mededeling heeft gedaan - [geïntimeerde] ontkent dat overigens -, dan kon [appellant] daar niet (langer) het vertrouwen aan ontlenen dat geen sprake was van schade, toen vervolgens de problemen alleen maar toenamen. In de loop van 2013, uiterlijk 1 januari 2014, beschikte hij over voldoende zekerheid dat sprake was van schade en - gelet op het feit dat hij zich, al dan niet op advies van [naam1] , voor deze schade al tot [geïntimeerde] had gewend - dat [geïntimeerde] de aansprakelijke persoon voor deze schade was, of één van de aansprakelijke personen. 4.8 Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn in elk geval in 2013, dus vóór 28 januari 2014 is gaan lopen, ook wanneer de stellingen van [appellant] over de door [geïntimeerde] gedane geruststellende mededelingen juist zijn. Dat betekent dat de rechtsvordering van [appellant] op [geïntimeerde] is verjaard.4.9 Wat er vervolgens is gebeurd, is voor het vaststellen van het begin van de verjaringstermijn niet relevant. Daarom kan in het midden blijven of het rapport van Lok, dan wel de ten behoeve van dat rapport door [geïntimeerde] gemaakte nieuwe statische berekening - daar beroept [appellant] zich in dat verband voor het eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling bij het hof op - informatie bevat op basis waarvan [appellant] voldoende zekerheid over de schade en de persoon van de aansprakelijke had. [appellant] had immers al ruim voor het rapport van Lok voldoende zekerheid.4.10 Om dezelfde reden kan in het midden blijven of [geïntimeerde] in 2015 rond de afspraken tussen [appellant] en [naam2] , waar [geïntimeerde] ook bij betrokken is geweest, ten onrechte heeft gezwegen over de oorzaak van de problemen: foute berekeningen met een ondeugdelijke (op die berekeningen gebaseerde) constructie tot gevolg. De conclusie4.11 Omdat het beroep op verjaring slaagt, is de vordering van [appellant] op [geïntimeerde] niet toewijsbaar. Aan de andere verweren van [geïntimeerde] komt het hof dan ook niet toe. 4.12 De grieven van [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsvordering van [appellant] is verjaard, falen, gelet op wat hiervoor is overwogen. Het hof zal het vonnis van de rechtbank daarom bekrachtigen. [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van de procedure bij het hof (geliquideerd salaris van de advocaat: 2 punten, tarief V), te vermeerderen met wettelijke rente en nasalaris.5. De beslissingHet hof:bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland van 13 januari 2020;veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure bij het hof en stelt deze kosten vast op € 1.727,- aan verschotten en op € 8.128,- aan geliquideerd salaris van de advocaat, te vermeerderen met de wettelijke rente over deze bedragen vanaf 14 dagen na de datum van dit arrest en vermeerderd met € 163,- aan nasalaris, verhoogd met € 85,- indien [appellant] niet binnen 14 dagen na de datum van dit arrest aan deze veroordeling heeft voldaan én betekening heeft plaatsgevonden;verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. F.M.C. Boesberg, M.W. Zandbergen en H. de Hek en is in
het openbaar uitgesproken op 12 oktober 2021 door de rolraadsheer, in aanwezigheid van de
griffier.


HR 31 maart 2017, ECLI:NL:2017:552, herhaald in HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603.


HR 20 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN8903 en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:2017:552.


HR 26 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AR1739) en HR 31 maart 2017, ECLI:NL:2017:552.


HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603.


HR 9 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1603.
Link naar deze uitspraak