Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:CRVB:2021:764 
 
Datum uitspraak:07-04-2021
Datum gepubliceerd:08-04-2021
Instantie:Centrale Raad van Beroep
Zaaknummers:19/2825 WAO
Rechtsgebied:Socialezekerheidsrecht
Indicatie:Ingangsdatum WAO-uitkering juist vastgesteld. Niet in geschil is dat de mogelijkheid van executie in de strafzaak van appellant op 10 mei 2013 is gestopt en dat het Uwv daarvan niet op de hoogte is gebracht. Er is geen wettelijke bepaling aan te wijzen op grond waarvan het Uwv hiervan op de hoogte had moeten zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mocht van appellant worden verwacht dat hij de ontwikkelingen rondom zijn zaak zelf bijhoudt. Geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid van de WAO.
Trefwoorden:uitkering
wao
 
Uitspraak
19 2825 WAO

Datum uitspraak: 7 april 2021
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer









Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
21 mei 2019, 18/5456 (aangevallen uitspraak)





Partijen:


[appellant] te [woonplaats] , Frankrijk (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)




PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.M.R. van Ginneken, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 februari 2021. Appellant is via videobellen verschenen, bijgestaan door mr. Van Ginneken. Het Uwv heeft zich via videobellen laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.




OVERWEGINGEN


1.1.
Appellant ontving een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het Uwv de uitkering van appellant met ingang van 1 augustus 2011 ingetrokken, omdat uit informatie is gebleken dat appellant vanaf 25 maart 2008 een door justitie opgelegde staf of maatregel moet ondergaan en appellant zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van deze straf of maatregel. Appellant heeft tegen dit besluit geen bezwaar gemaakt.



1.2.
Bij brief van 28 november 2017 heeft appellant het Uwv verzocht hem vanaf 2011 weer een WAO-uitkering toe te kennen. Bij besluit van 14 februari 2018 heeft het Uwv aan appellant met ingang van 28 november 2017 een WAO-uitkering toegekend, omdat is aangetoond dat de executie in zijn strafzaak is stopgezet en appellant weer aan de voorwaarden voor een WAO-uitkering voldoet. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 8 augustus 2018 gegrond verklaard. Het Uwv heeft het besluit van 14 februari 2018 herroepen in die zin dat appellant met ingang van 28 november 2016 weer recht heeft op een WAO-uitkering. Daarbij is overwogen dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, waarop belanghebbende aan de vereisten voor het recht op de toekenning van de uitkering voldoet, maar dat de uitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag, waarop de aanvraag werd ingediend.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat de straf nooit ten uitvoer is gelegd en deze op 10 mei 2013 is verjaard. Het lag op de weg van appellant om ontwikkelingen aangaande de strafzaak die (mede) zijn persoon betreffen bij te houden en alert te zijn op bijvoorbeeld verjaring. Zeker in dit geval omdat appellant de opgelegde straf of maatregel niet heeft ondergaan. De gevolgen van het gegeven dat appellant enkele jaren na de verjaring heeft verzocht om aan hem weer een WAO-uitkering toe te kennen, omdat hij niet eerder wist dat de strafzaak verjaard was, kunnen naar het oordeel van de rechtbank niet op het Uwv worden afgewenteld. De rechtbank heeft overwogen dat de door appellant geschetste omstandigheden niet kunnen worden aangemerkt als een bijzonder geval. Uit wat appellant naar voren heeft gebracht kan niet worden vastgesteld dat het Uwv ten onrechte niet meer dan één jaar terugwerkende kracht heeft toegepast.



3.1.
Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat hij met ingang van de datum van verjaring van de strafzaak recht heeft op een WAO-uitkering. Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO. Appellant kon niet weten dat zowel hijzelf als het Uwv in geval van verjaring van een strafzaak niet automatisch daarvan op de hoogte zouden worden gesteld door justitie. Het Uwv wordt door justitie wel geïnformeerd over de executie van de straffen en het had, nu het hier een absolute verjaringstermijn betreft om straffen te executeren, voor de hand gelegen dat justitie het Uwv van de verjaring eveneens had geïnformeerd.



3.2.
Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4. De Raad oordeelt als volgt.

4.1.1.
In artikel 43, zesde lid, van de WAO is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt ingetrokken, indien degene die recht heeft op de arbeidsongeschiktheidsuitkering zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel.



4.1.2.
In artikel 47c, eerste lid, van de WAO, is bepaald dat degene van wie de arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van artikel 43, zesde lid, is ingetrokken, vanaf de dag dat hij zich niet langer onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel aanspraak heeft op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, indien hij op die dag arbeidsongeschikt is. In artikel 47c, derde lid, van de WAO, is bepaald dat de artikelen 19, vierde lid, 35, en 47, achtste lid, van overeenkomstige toepassing zijn met betrekking tot de aanspraak op heropening van de arbeidsongeschiktheidsuitkering.



4.1.3.
In artikel 35, eerste lid, van de WAO is bepaald dat de arbeidsongeschiktheidsuitkering ingaat op de dag, met ingang van welke de belanghebbende aan de vereisten voor het recht op toekenning van die uitkering voldoet. In artikel 35, tweede lid, van de WAO is bepaald dat in afwijking van het bepaalde in het eerste lid de arbeidsongeschiktheidsuitkering niet vroeger kan ingaan dan een jaar vóór de dag waarop de aanvraag werd ingediend. Het Uwv kan voor bijzondere gevallen van het bepaalde in de vorige volzin afwijken.



4.2.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid, van de WAO, waardoor de WAO-uitkering van appellant eerder zou moeten ingaan dan op 28 november 2016.



4.3.
Ingevolge vaste rechtspraak van de Raad (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 17 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN7819) is van een bijzonder geval slechts sprake indien betrokkene ter zake van de late aanvraag redelijkerwijs geacht moet worden niet in verzuim te zijn geweest. Op appellant rust de bewijslast van de aanwezigheid van een bijzonder geval.



4.4.
De gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn in essentie een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. Het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen, worden volledig onderschreven. Daaraan wordt het volgende toegevoegd.



4.5.
Niet in geschil is dat de mogelijkheid van executie in de strafzaak van appellant op 10 mei 2013 is gestopt en dat het Uwv daarvan niet op de hoogte is gebracht. Er is geen wettelijke bepaling aan te wijzen op grond waarvan het Uwv hiervan op de hoogte had moeten zijn. Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, mocht van appellant worden verwacht dat hij de ontwikkelingen rondom zijn zaak zelf bijhoudt. In het besluit van 26 juli 2011 is vermeld dat appellant mogelijk weer een WAO-uitkering kan krijgen als er iets verandert in zijn situatie en dat hij in dat geval contact kan opnemen met het Uwv. Dat heeft appellant pas bij brief van 28 november 2017 gedaan. Van bijzondere omstandigheden dat appellant dit niet eerder had kunnen doen, is niet gebleken. Het Uwv heeft terecht geoordeeld dat geen sprake van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 35, tweede lid van de WAO.



4.6.
Uit 4.3 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en E. Dijt en M.E. Fortuin als leden, in tegenwoordigheid van L. Winters als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 april 2021.



(getekend) J.S. van der Kolk



(getekend) L. Winters
Link naar deze uitspraak