Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBAMS:2021:1668 
 
Datum uitspraak:02-04-2021
Datum gepubliceerd:08-04-2021
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:9024284 KK EXPL 21-103
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Dierentuin Artis mocht niet eenzijdig de arbeidsvoorwaarden van een aantal medewerkers wijzigen en moet hun daarom alsnog het achterstallig loon betalen.
Trefwoorden:arbeidsovereenkomst
burgerlijk wetboek
uitkering
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK AMSTERDAM
Afdeling privaatrecht
zaaknummer: 9024284 KK EXPL 21-103
vonnis van: 2 april 2021
func.: 8622


vonnis van de kantonrechterkort geding

I n z a k e


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]


[eiser 1 t/m 7]

allen wonende te [woonplaats]

[eiser 8 en 9]


[eiser 8 en 9]

beiden wonende te [woonplaats]

[eiser 10]

wonende te [woonplaats]

[eiser 11]

wonende te [woonplaats]

[eiser 12 en 13]


[eiser 12 en 13]

beiden wonende te [woonplaats]

[eiser 14]

wonende te [woonplaats]

[eiser 15]

wonende te [woonplaats]

[eiser 16]

wonende te [woonplaats]

[eiser 17]

wonende te [woonplaats]

[eiser 18]

wonende te [woonplaats]
eisers, nader te noemen: werknemers
gemachtigde: mr. A.M. Dielemans-Buiteman en mr. A. Şimşek

t e g e n


de stichting De Stichting tot instandhouding van de diergaarde van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra (Artis)

gevestigd te Amsterdam
gedaagde, nader te noemen: Artis
gemachtigde: mr. I.J. de Laat

VERLOOP VAN DE PROCEDURE

Bij dagvaarding van 17 februari 2021 hebben werknemers een voorziening gevorderd. Op het moment van dagvaarden waren ook [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] nog eiser. Zij hebben hun vordering later ingetrokken, zoals hierna vermeld.

Ter terechtzitting van 12 maart 2021 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden. Voorafgaand daaraan heeft Artis producties overgelegd en hebben werknemers nog een aanvullende productie ingediend. Werknemers sub 1, 2, 3, 5, 6, 7, 8, 9, 11, 12, 13, 16, en 18 zijn verschenen, alsmede [naam 4] , met hun gemachtigden. Namens Artis zijn verschenen de heer [naam 6] , de heer [naam 7] , de heer [naam 8] , mevrouw [naam 9] , mevrouw [naam 10] en mevrouw [naam 11] , bijgestaan door de gemachtigde. Partijen hebben ter zitting hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord, de gemachtigden hebben pleitaantekeningen overgelegd. Na verder debat is de zaak kort aangehouden om te bezien of partijen een mediationtraject wilden volgen.

Bij faxbericht van 16 maart 2021 hebben partijen vonnis gevraagd, om vervolgens bij faxbericht van 24 maart 2021 nader aanhouding van het vonnis te vragen in verband met een mogelijke schikking. Bij faxbericht van 30 maart 2021 heeft mr. Dielemans-Buiteman laten weten dat namens vijf van de oorspronkelijke drieëntwintig eisers de vordering werd ingetrokken, te weten [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] , [naam 4] en [naam 5] . Namens de overige eisers werd vonnis gevraagd, waarna vonnis is bepaald op heden.


GRONDEN VAN DE BESLISSING



Uitgangspunten

1. Als uitgangspunt geldt het volgende.

1.1.
Werknemers waren allen tot 1 juli 2008 bij Artis werkzaam als ambtenaar, op basis van een aanstelling.


1.2.
Met ingang van 1 juli 2008 hebben werknemers hun arbeidsverhouding met Artis voortgezet op basis van een privaatrechtelijke arbeidsovereenkomst. Vanaf dat moment was op de arbeidsovereenkomst de cao voor het dagattractiebedrijf (verder: Leisure CAO) van toepassing. Daarbij is tussen Artis en de vakbonden een overgangsregeling overeengekomen: het Overgangsreglement voor de overgang van de Stichting tot Instandhouding van de Diergaarde van het Koninklijk Zoölogisch Genootschap Natura Artis Magistra van de Amsterdamse rechtspositie naar de CAO voor het Dagattractiebedrijf (verder: het Overgangsreglement).


1.3.
Het Overgangsreglement werd op werknemers van toepassing.


1.4.
Na afloop van de Leisure CAO 2011-2012 heeft Artis geen nieuwe CAO afgesloten. Wel heeft zij in 2011 een Personeelsgids opgesteld. Deze is na overleg met de Ondernemingsraad (OR) in 2013 aan werknemers verstrekt. Werknemers hebben daarbij een verklaring ondertekend, die luidt:Hierbij verklaar ik, dat ik de personeelsgids in ontvangst heb genomen en mij op de hoogte stel van de inhoud.


1.5.
In de personeelsgids is onder meer vermeld:De inhoud van deze Personeelsgids maakt onderdeel uit van je arbeidsovereenkomst. (…)Voor sommige werknemers gelden nog regels en afspraken aanvullend op hun arbeidsovereenkomst en dus op deze Personeelsgids (…) Voor een deel van deze werknemers zijn ook nog aanvullende afspraken van toepassing uit het Overgangsreglement. (…) Voor de gehele Personeelsgids geldt dat als (…) het Overgangsreglement op jou van toepassing is, de bepalingen uit die regeling (…) gelden wanneer die afwijken van, of in aanvulling zijn op, de bepalingen in deze Personeelsgids. (…)Hoofdstuk 1 DE ARBEIDSOVEREENKOMST1.1 De arbeidsovereenkomstJe krijgt bij indiensttreding een schriftelijke (digitale) arbeidsovereenkomst waarin ARTIS de gemaakte afspraken bevestigt. (…)1.4 Wijzigen arbeidsvoorwaardenARTIS behoudt zich uitdrukkelijk het recht voor om wijzigingen aan te brengen in de bepalingen van de Personeelsgids en van je arbeidsovereenkomst, inclusief collectieve regelingen, bijvoorbeeld in geval van gewijzigde omstandigheden binnen ARTIS (…) zonder dat daarvoor per definitie compensatie plaatsvindt. Waar noodzakelijk vinden wijzigingen plaats in overleg met de ondernemingsraad (OR).


1.6.
Door de coronacrisis halveerde in 2020 het aantal bezoekers van Artis, het aantal verkochte dagkaarten nam met 63% af.


1.7.
Op 28 september 2020 schreef Artis aan werknemers onder meer het volgende:Toen kwam het corona virus en de impact hiervan is werkelijk ongekend, zeker voor ARTIS. (…)Tijdens de laatste personeelsbijeenkomst op 10 september heb ik jullie laten weten dat we ook ná de zomer nog steeds te weinig inkomsten en te hoge kosten hebben. (…)De komende tijd zullen we dus niet alleen de geleden verliezen moeten compenseren, maar ook moeten anticiperen op lagere inkomsten en een onzekere toekomst. Dit zullen we doen door de structurele kosten te verlagen, te focussen op activiteiten die de inkomsten verhogen en het vinden van financiële steun bij individuen, bedrijven en overheden. (…)Maar we gaan inkrimpen en dat gaat pijn doen. De OR neemt nu de tijd om het voorstel door te nemen.


1.8.
Op 3 november 2020 liet Artis in een volgende brief aan werknemers weten:Dit heeft ertoe geleid dat de OR op donderdag 29 oktober een positief advies heeft uitgebracht over de voorgenomen reorganisatie en harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden. (…) Met de harmonisatie zullen wij later starten; daar volgt in een later stadium meer informatie over.


1.9.
Op 16 november 2020 schreef Artis vervolgens aan werknemers:Harmonisatie van de arbeidsvoorwaarden houdt in dat alle werknemers die niet vertrekken als gevolg van de reorganisatie én na 1 januari 2021 nog bij ARTIS in dienst zijn, gelijksoortige arbeidsvoorwaarden krijgen zoals beschreven in de personeelsgids. (…) Het Overgangsreglement komt hiermee definitief te vervallen. De belangrijkste maatregelen hierin zijn:1. Afkopen en afschaffen van de ARA-specifieke na- en bovenwettelijke WW-rechten (…)2. Afschaffen ARA-specifieke eindejaarsuitkering en levensloopuitkering vanaf 2021 zodat voor alle medewerkers op de wijze zoals beschreven in de personeelsgids, de eindejaarsbonus wordt bepaald. (…)3. In twee jaar afbouwen en daarna afschaffen vaste en variabele toeslagen, waarbij de totale mogelijke teruggang in bruto-inkomsten nooit meer zal bedragen dan 5% (…)4. Voortijdig uitkeren en afschaffen uitkering bij ambtsjubileum vanaf 2021.(…)


1.10.
Artis heeft de Overgangsregeling per 1 januari 2021 aan de betrokken vakbonden opgezegd.


1.11.
Nadien hebben werknemers in december 2020 nog een nadere persoonlijke toelichting gekregen, zowel op schrift als in een gesprek. Werknemers hebben zich tegen de wijzigingen verzet. Artis heeft de wijzigingen echter doorgevoerd en ook de volgens haar toepasselijke compensatie aan de werknemers uitgekeerd.




Vordering en verweer

2. Werknemers vorderen – kort gezegd – dat Artis bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld alle arbeidsvoorwaarden uit het Overgangsreglement en de Leisure CAO te handhaven. Gevolg daarvan is dat vanaf 1 januari 2021 een correctie en nabetaling moet plaatsvinden, alsmede dat bovenwettelijke WW-rechten hersteld moeten worden, dat laatste op straffe van een dwangsom. Over achterstallig loon moet wettelijke rente en wettelijke verhoging worden betaald en Artis moet, tot slot, in de proceskosten worden veroordeeld, aldus werknemers.

3. Werknemers leggen aan de vorderingen ten grondslag dat Artis eenzijdig de arbeidsvoorwaarden wijzigt. Nu een geldig eenzijdig wijzigingsbeding ontbreekt gelden daarvoor strenge eisen. Aan die eisen is niet voldaan.

4. Artis voert verweer. Zij voert aan dat met de invoering van de Personeelsgids een geldig eenzijdig wijzigingsbeding tot stand is gekomen. Aan de vereisten voor wijziging op basis van dat beding is voldaan. Ook zonder een eenzijdige-wijzigingsbeding zijn de wijzigingen van de arbeidsvoorwaarden toelaatbaar.
5. Op de stellingen van partijen en het verweer van Artis zal hierna waar nodig worden ingegaan.



Beoordeling

6. In een kort geding wordt een voorlopig oordeel gegeven. De centrale vraag die in deze zaak moet worden beantwoord is of Artis de arbeidsvoorwaarden van werknemers per 1 januari 2021 mocht wijzigen.


Eenzijdig wijzigingsbeding


7. Naar het oordeel van de kantonrechter is ten aanzien van de Overgangsregeling en de (bepalingen met nawerking uit de) Leisure CAO geen rechtsgeldig wijzigingsbeding met werknemers overeengekomen. Een werknemer moet immers schriftelijk akkoord gaan met een dergelijk beding, zo volgt uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 7:613 Burgerlijk Wetboek (BW). Dat is hier niet gebeurd, nu werknemers slechts “voor ontvangst” van de Personeelsgids hebben getekend. Dat zou mogelijk nog voldoende zijn als het hier ging om wijziging van arbeidsvoorwaarden uit diezelfde Personeelsgids (HR 18 maart 2011, ECLI:HR:2011:BO9570), maar daarvan is geen sprake. Voor zover Artis dus met de invoering van de Personeelsgids de mogelijkheid wilde krijgen de op dat moment al bestaande arbeidsvoorwaarden eenzijdig te wijzigen, had zij dat expliciet en schriftelijk met werknemers overeen moeten komen.


Wijziging zonder eenzijdig wijzigingsbeding


8. Bij het ontbreken van een eenzijdig wijzigingsbeding is een werknemer in beginsel niet gehouden voorstellen van de werkgever tot wijziging van arbeidsvoorwaarden te aanvaarden. Werkgever zal dan met werknemer(s) onderling overeenstemming over wijziging moeten zien te bereiken (Hoge Raad 11 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD1847; [partij] / [partij] ). Pas als dat niet lukt omdat werknemer overleg of instemming weigert, kan de vraag aan de orde komen of werknemer aanvaarding van het voorstel (met inachtneming van artikel 7:611 BW) heeft kunnen weigeren.

9. In dit geval is niet gebleken dat Artis heeft geprobeerd met werknemers overeenstemming te bereiken. Artis heeft immers enkel met haar Ondernemingsraad gesprekken gevoerd – in de veronderstelling dat zij zich op een eenzijdig wijzigingsbeding zou kunnen beroepen. Het is zeker niet uit te sluiten dat overleg met werknemers tot resultaat had geleid. Ter zitting hebben enkelen onder hen immers te kennen gegeven dat zij best bereid zijn te spreken over een offer, maar dat dan tenminste beter had moeten worden uitgelegd waarom Artis de nu doorgevoerde (definitieve) wijzigingen nodig vond. Een en ander volgt ook uit het feit dat na de zitting sommige werknemers alsnog overeenstemming met Artis hebben bereikt en hun vordering daarom hebben ingetrokken.

10. Maar ook als zonder resultaat met werknemers onderhandeld was, zou het oordeel voorshands zijn dat Artis de door haar gewenste wijzigingen niet mag doorvoeren. De kantonrechter zou dan op grond van het hiervoor al genoemde arrest [partij] / [partij] de volgende drie vragen moeten beantwoorden:I. heeft Artis, als goed werkgever, in gewijzigde omstandigheden aanleiding kunnen vinden tot het doen van haar voorstel tot wijziging van arbeidsvoorwaarden?

II. is, alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend, het voorstel dat Artis aan werknemers heeft gedaan redelijk?III. kan aanvaarding van dit voorstel, in het licht van de omstandigheden van het geval, in redelijkheid van werknemers, als goed werknemers, gevergd worden?

11. Het antwoord op de eerste vraag luidt naar het oordeel van de kantonrechter bevestigend. Niet ter discussie staat dat Artis als gevolg van de coronacrisis financieel in zwaar weer verkeert en dat zij in verband daarmee maatregelen moet nemen. Ook is onweersproken gesteld dat al vergaande maatregelen zijn getroffen, waaronder een reorganisatie waarbij van collega’s van werknemers afscheid is genomen.

12. Het voorstel dat Artis aan werknemers heeft gedaan acht de kantonrechter echter niet redelijk. Daarbij is om te beginnen van belang dat het voorstel grotendeels ziet op wijziging van primaire arbeidsvoorwaarden. Wijziging daarvan is niet snel redelijk. Daarnaast is sprake van een definitieve wijziging van die arbeidsvoorwaarden, wat zich moeilijk verdraagt met een – naar te hopen en verwachten valt – tijdelijke crisis. Weliswaar zal die crisis nog langere tijd in de financiën van Artis doorwerken, maar dat rechtvaardigt nog geen definitieve wijziging. Artis heeft ook onvoldoende toegelicht waarom bijvoorbeeld een tijdelijk offer niet is voorgesteld of besproken. Het argument van Artis dat de wijziging van arbeidsvoorwaarden voor werknemers de eerste jaren weinig gevolgen heeft maakt het oordeel niet anders. Dit ligt immers voor de hand, omdat Artis compenserende maatregelen neemt, die op korte termijn tot uitkering komen. Juist op de langere termijn worden de negatieve gevolgen voor werknemers zichtbaar, terwijl onvoldoende inzichtelijk is waarom dat noodzakelijk is in verband met de huidige coronacrisis. De compenserende maatregelen zorgen er bovendien voor dat Artis op korte termijn juist hogere loonkosten heeft, terwijl Artis zelf stelt dat de wijziging alleen maar noodzakelijk is vanwege de huidige bedrijfseconomische omstandigheden. Tot slot komt hier nog bij dat het voorstel van Artis slechts geldt voor werknemers die al voor 2008 in dienst waren en niet voor hun collega’s die daarna in dienst zijn getreden. Een rechtvaardiging daarvoor is niet gegeven. Die rechtvaardiging kan in ieder geval niet gevonden worden in het enkele feit dat werknemers in hun tijd als ambtenaar arbeidsvoorwaarden bedongen hebben die latere collega’s niet hebben, laat staan in de mogelijke wens van Artis die arbeidsvoorwaarden te harmoniseren. Artis heeft er nog op gewezen dat ook de collega’s hebben moeten inleveren, omdat hun over 2020 geen bonus is toegekend, maar dat is niet vergelijkbaar. Dat is immers (vooralsnog) éénmalig en vloeit voort uit een overeengekomen bevoegdheid van Artis om de bonus al dan niet uit te keren. Bovendien ziet het maar op één arbeidsvoorwaarde en niet op meerdere zoals bij onderhavige werknemers.


Artikel 6:248 lid 2 BW


13. Voor zover Artis zich ook nog (mede) beroepen heeft op artikel 6:248 lid 2 BW geldt dat de toets van dit artikel minstens even streng is als de toets van artikel 7:611 BW. Ook dit leidt dus niet tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden.


Conclusie


14. Naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter is de door Artis opgelegde eenzijdige wijziging van arbeidsvoorwaarden niet gerechtvaardigd. Werknemers eisen dus terecht nakoming van de vóór 1 januari 2021 geldende arbeidsvoorwaarden. De vorderingen zullen dan ook worden toegewezen, behoudens voor zover deze zich niet verdragen met de aard van de kort geding procedure. Ten aanzien van de loonvordering wordt in het dictum wel rekening gehouden met de compensatie die Artis per 1 januari 2021 heeft betaald, nu die als loon is aan te merken en dus verrekend mag worden. Een dwangsom zal niet worden opgelegd nu Artis heeft toegezegd vrijwillig aan de veroordelingen te zullen voldoen.


Proceskosten


15. Artis krijgt grotendeels ongelijk en moet daarom de proceskosten van werknemers betalen.




BESLISSING

De kantonrechter:


veroordeelt Artis tot nakoming jegens werknemers van alle overeengekomen plichten voortvloeiend uit het Overgangsreglement en de Leisure CAO, waaronder maar niet uitsluitend doorbetaling aan werknemers van het overeengekomen loon inclusief emolumenten, uit te betalen op de gebruikelijke wijze en tijdstippen;




veroordeelt Artis tot correctie en nabetaling aan werknemers van het achterstallige loon en andere vanaf 1 januari 2021 bestaande betalingsverplichtingen, voor zover na verrekening met de per 1 januari 2021 uitgekeerde compensatie van achterstalligheid sprake is;



veroordeelt Artis tot betaling van de wettelijke verhoging met een maximum van 25% over vanaf 1 januari 2021 te weinig betaald loon als hiervoor onder II bedoeld, alsmede de wettelijke rente over dat te weinig betaalde loon vanaf de dag van verschuldigdheid tot de dag van betaling;



veroordeelt Artis tot het herstellen van de boven- en na-wettelijke WW-rechten van werknemers met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2021, onder verstrekking van een deugdelijk bewijs aan werknemers dat hieraan is voldaan;



veroordeelt Artis in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van werknemers begroot op:exploot € 109,71salaris € 747,00griffierecht € 85,00 -----------------totaal € 941,71voor zover van toepassing, inclusief btw;


veroordeelt Artis in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 62,00 aan salaris gemachtigde, te verhogen met een bedrag van € 68,00 en de explootkosten van betekening van het vonnis, een en ander voor zover van toepassing inclusief btw, onder de voorwaarde dat Artis niet binnen veertien dagen na aanschrijving volledig aan dit vonnis heeft voldaan en betekening van het vonnis pas na veertien dagen na aanschrijving heeft plaatsgevonden;



verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;



wijst het meer of anders gevorderde af.


Dit vonnis is gewezen door mr. C.W. Inden, kantonrechter, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2021 in aanwezigheid van mr. T.C. van Andel, griffier.
Link naar deze uitspraak