Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:GHDHA:2021:2309 
 
Datum uitspraak:23-09-2021
Datum gepubliceerd:25-11-2021
Instantie:Gerechtshof Den Haag
Zaaknummers:BK-20/00702 ea
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Belanghebbende heeft in zijn aangiften IB/PVV 2013 en 2014 giften aan een instelling opgevoerd als aftrekpost. De Inspecteur heeft bij het opleggen van de aanslag de giften voor het jaar 2013 na door belanghebbende verstrekte bankafschriften en giftkwitanties in aftrek toegestaan. Nadien heeft hij voor het jaar 2013 de aftrek teruggenomen met de opgelegde navorderingsaanslag en is een boete opgelegd. Voor het jaar 2014 is door de Inspecteur een aanslag opgelegd waarbij de giftenaftrek niet is geaccepteerd. Het Hof oordeelt dat belanghebbende met de giftkwitanties, de bankafschriften en de ter zitting afgelegde getuigenverklaring niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij daadwerkelijk giften heeft gedaan. Ten aanzien van de voor het jaar 2013 opgelegde vergrijpboete oordeelt het Hof dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van de aangifte zich er van bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist waren. De boete van 75% is passend en geboden. Wel wordt de boete gematigd met 10% wegens overschrijding van de redelijke termijn in bezwaar en beroep.
Trefwoorden:aangifte inkomstenbelasting
aftrekbare giften
anbi
belastbaar inkomen uit werk en woning
belastingrecht
inkomstenbelasting
 
Uitspraak
GERECHTSHOF DEN HAAG

Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummers BK-20/00702 en BK-20/00703


Uitspraak van 23 september 2021

in het geding tussen:


[X] te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: P.R. Autar)

en

de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordigers: […] )

op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 26 augustus 2020, nrs. SGR 19/4244 en SGR 19/4282.




Procesverloop


Jaar 2013


1.1.1.
Aan belanghebbende is over het jaar 2013 een navorderingsaanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen (IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 57.552 (de navorderingsaanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikkingen is € 224 belastingrente in rekening gebracht en is een vergrijpboete opgelegd van € 1.195.



1.1.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de navorderingsaanslag en beschikkingen afgewezen.


Jaar 2014



1.2.1.
Aan belanghebbende is voor het jaar 2014 een aanslag IB/PVV opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.895 (de aanslag). Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 284 belastingrente in rekening gebracht.



1.2.2.
Bij uitspraak op bezwaar heeft de Inspecteur belanghebbendes bezwaren tegen de aanslag en beschikking afgewezen.


Beide jaren



1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep bij de Rechtbank ingesteld. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

"De rechtbank:
- verklaart het beroep gericht tegen de boetebeschikking gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2013 voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking;
- vermindert de boete tot 50% van de boetegrondslag en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de uitspraak op bezwaar;
- verklaart de beroepen voor het overige ongegrond;
- veroordeelt verweerder tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 1.000;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.572;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 47 aan eiser te vergoeden."



1.4.
Belanghebbende is van de uitspraak van de Rechtbank in hoger beroep gekomen bij het Hof. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend en heeft daarbij tevens incidenteel hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft, hoewel daartoe uitgenodigd, geen schriftelijke zienswijze omtrent het incidenteel hoger beroep ingezonden.



1.5.
De eerste mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 16 februari 2021. Partijen zijn verschenen. De gemachtigde van belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en heeft daarin, onder verwijzing naar de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 19 januari 2021, nr. 2205/16, Keskin v. The Netherlands, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516, het Hof verzocht de penningmeester van de [stichting] als getuige te horen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.



1.6.
Bij aangetekende brieven van 26 maart 2021 heeft het Hof partijen bericht de gemachtigde van belanghebbende de gelegenheid te bieden de getuige te horen en de gemachtigde in de gelegenheid te stellen de penningmeester van de [stichting] op te roepen om als getuige te verschijnen tijdens een tweede mondelinge behandeling op 11 mei 2021. In de brieven is tevens aangekondigd dat belanghebbende in persoon zal worden opgeroepen te verschijnen tijdens deze tweede mondelinge behandeling. Bij brief van 1 april 2021 is de oproep voor de tweede mondelinge behandeling aan belanghebbende gezonden. Blijkens bij PostNL ingewonnen informatie is de brief van 26 maart 2021, gericht aan de gemachtigde van belanghebbende, niet op het adres van de gemachtigde uitgereikt. Met dagtekening 19 april 2021 is dezelfde brief daarom nogmaals, met begeleidend schrijven, aangetekend aan de gemachtigde van belanghebbende gezonden.



1.7.
Op 29 april 2021 heeft het Hof van belanghebbende een “kennisgeving oproeping getuige” ontvangen met daarbij gevoegd een kopie van een deurwaardersexploot waaruit blijkt dat de getuige is opgeroepen voor de tweede mondelinge behandeling op 11 mei 2021.



1.8.
De tweede mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof van 11 mei 2021. Partijen zijn verschenen. De getuige is niet verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.



1.9.
Bij brief van 17 mei 2021 heeft het Hof de getuige opgeroepen te verschijnen om te worden gehoord op de derde mondelinge behandeling op 1 juli 2021.



1.10.
De derde mondelinge behandeling van de zaak en het getuigenverhoor hebben plaatsgehad ter zitting van het Hof van 1 juli 2021. Partijen en de getuige zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting en van het getuigenverhoor zijn processen-verbaal opgemaakt.





Vaststaande feiten


Jaar 2013


2.1.1.
Belanghebbende, gehuwd met [A] , voert een eenmanszaak onder de naam [naam onderneming] (de onderneming). Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV over het jaar 2013 een bedrag van € 4.000 aan (contante) giften vermeld met de omschrijving [stichting] . In totaal is aan giften een bedrag van € 3.425, na vermindering van de drempel van € 575, in aftrek gebracht. Het volledige bedrag van de giften is in de aangifte aan belanghebbende toegedeeld.



2.1.2.
Met dagtekening 28 april 2016 heeft de Inspecteur een aanslag IB/PVV voor het jaar 2013 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 54.127. De Inspecteur heeft de giften aan de [stichting] in aftrek toegelaten.


Jaar 2014



2.2.
Belanghebbende heeft in de aangifte IB/PVV over het jaar 2014 een bedrag van € 3.000 aan (contante) giften vermeld met de omschrijving [stichting] . In totaal is aan giften een bedrag van € 2.532, na vermindering van de drempel van € 468, in aftrek gebracht. Het volledige bedrag van de giften is in de aangifte aan belanghebbende toegedeeld.


Beide jaren


2.3.1.
De Belastingdienst is in 2013 een onderzoek gestart naar de houdbaarheid van de ANBI-status van de [stichting] . Daaruit bleek ten aanzien van het jaar 2012 dat belastingplichtigen gezamenlijk voor ten minste een bedrag van € 3.000.000 aan giften aan de [stichting] in aftrek hadden gebracht terwijl in de jaarstukken van de [stichting] voor dat jaar een bedrag van € 591.210 aan ontvangen giften was verantwoord. Voorts bleek dat de [stichting] in het jaar 2012 meer kwitanties (in totaal 2.500) had uitgeschreven dan in haar administratie was verantwoord (531) en dat de [stichting] in de jaarstukken voor 2013 een bedrag van € 88.564 aan ontvangen donaties had verwerkt terwijl in aangiften IB/PVV van diverse belastingplichtigen in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] was aangegeven. Van dit onderzoek is een rapport opgemaakt dat is gedagtekend 17 mei 2016.



2.3.2.
Omdat de administratie van de [stichting] ernstige gebreken vertoonde is de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 ingetrokken met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008.



2.3.3.
In januari 2015 is de FIOD gestart met strafrechtelijke onderzoeken naar het gebruik van valse giftkwitanties bij drie andere ANBI-instellingen dan de [stichting] ( [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] ). Uit die onderzoeken bleek dat diverse belastingplichtigen die giften aan voormelde instanties in de aangiften hadden opgenomen ook giften aan de [stichting] hadden opgenomen in hun aangiften.



2.4.1.
Voormelde bevindingen (2.3.1 en 2.3.3) zijn aanleiding geweest voor de FIOD om op 17 september 2015 een strafrechtelijk onderzoek te starten naar de [stichting] en haar bestuurders in verband met het opmaken van valse giftkwitanties en/of donatieverklaringen van de [stichting] en het gebruik hiervan bij het doen van aangiften IB/PVV ( [FIOD-onderzoek 3] ).



2.4.2.
De bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn door de FIOD opgenomen in een proces-verbaal, met dossiernummer 57425. De Officier van Justitie heeft op 16 maart 2017 toestemming verleend de bevindingen uit het FIOD-onderzoek te gebruiken voor fiscale doeleinden. De resultaten van het onderzoek zijn op 23 april 2018 ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/kantoor Den Haag. Het (geanonimiseerde) proces-verbaal met bijlagen is door de Inspecteur verstrekt op een CD-rom (het FIOD-rapport).



2.4.3.
Belanghebbende is in voormeld onderzoek niet als verdachte aangemerkt noch is hij als getuige gehoord.




2.5.
In het FIOD-rapport zijn proces-verbalen van verhoor van verdachten opgenomen uit de strafrechtelijke onderzoeken [FIOD-onderzoek 1] en [FIOD-onderzoek 2] . De verdachten hebben onder andere verklaringen afgelegd over de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .


2.5.1.
Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 1] (blz. 2040 e.v.) De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"[…] is belastingadviseur en hij werkt samen met de [stichting] met betrekking tot het kopen van kwitanties. Hij koopt de kwitanties in voor 10% en verkoopt ze voor 12 tot 15% aan zijn klanten zodat zij dit kunnen aftrekken van de belasting."



2.5.2.
Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 2] (blz. 2140 e.v.). De verdachte heeft, onder meer verklaard:

"Ik ga u alles vertellen in 2011, 2012 en 2013 heb ik kwitanties gekocht bij [stichting] . Dit was niet voor 10% maar voor 15% of zelfs 20% procent weet ik niet meer zeker. Het zijn allemaal oplichters van die stichtingen. Ze stoppen alles in de eigen zak en melden niets aan de Belastingdienst. In 2011 heb ik geld betaald aan [de bestuurder/directeur] van de [stichting] . In 2012 en 2013 heb ik geld betaald aan [de penningmeester] van de [stichting] . De door mij overgelegde kwitanties over het jaar 2013 van de [stichting] heb ik van die [penningmeester] gekregen. Dit geld heb ik op de [adres] in [woonplaats] betaald. De kwitanties heeft [de penningmeester] mij op het adres aan de [adres] waar de [stichting] is gevestigd gegeven."



2.5.3.
Het FIOD-rapport bevat een "proces-verbaal van verhoor verdachte" uit het onderzoek [FIOD-onderzoek 3] (blz. 1900 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, voor zover van belang:

"Opmerking verbalisanten: Uit onderzoek is naar voren gekomen dat uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 zijn ingediend vanaf het IP-adres van de [stichting] .

Vraag verbalisanten: Wie heeft uw aangiften inkomstenbelasting over de jaren 2010 tot en met 2013 ingevuld en ingediend bij de Belastingdienst?

Antwoord gehoorde:

"Omdat ik slecht Nederlands spreek, ben ik door diverse mensen geadviseerd om naar de [stichting] te gaan. Ik ging naar de [stichting] om mijn aangiften in te laten vullen.
(…)


Vraag verbalisanten: Wie heeft de aangifte Inkomstenbelasting 2011 op uw naam bij de Belastingdienst ingevuld en ingediend?

Antwoord gehoorde:

"Ik ben eerlijk, maar toen ik daar kwam waren het elke keer andere mensen. Er waren allemaal kleine hokjes en daar werd het ingevuld. Ik ben daar gewoon naartoe gegaan, maar ik ken daar helemaal niemand. Ik kan dus niet zeggen wie dat voor mij ingevuld heeft. Op de dag dat ik mijn aangifte liet invullen, kreeg ik de twee kwitanties die ik u zojuist heb overhandigd. De data op de kwitanties hebben zij van de [stichting] erop gezet. Ik heb in ieder geval niet op die data betaald. Ik heb in één keer € 300 of zo betaald. Ik weet niet meer precies hoeveel ik heb betaald maar ik dacht iets van 12 of 15% van € 2.500. Ik heb mijn DigiD code en wachtwoord aan de medewerker van de [stichting] gegeven en die heeft vervolgens mijn aangifte ingediend. Dat ging elk jaar zo."

(…)


Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2012 staat in het onderdeel 'giften' een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

"Daarvoor geldt hetzelfde als het jaar 2011. Ik denk dat ik daar ook ongeveer € 300 voor betaald heb."

(…)


Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2012 staan de data 10-03-2012 en 15112012. Uw aangifte inkomstenbelasting 2012 is gedaan op 9 maart 2013.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."

(…)


Vraag verbalisanten: In uw aangifte inkomstenbelasting 2013 staat in het onderdeel ‘giften’ een bedrag van € 2.500. Wat kunt u hierover verklaren?

Antwoord gehoorde:

“Ook hier heb ik maar € 300 of € 350 voor betaald."


Opmerking verbalisanten: Op de kwitanties over 2013 staan de data 23-02-2013 en 24052013. Uw aangifte inkomstenbelasting 2013 is gedaan op 26 februari 2014.

Vraag verbalisanten: Heeft u de kwitanties op dezelfde dag dat uw aangifte is gedaan, ontvangen?

Antwoord gehoorde:

"Ja."




2.6.
Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "aangetroffen belastingaangiften en correspondentie op de PC van de [stichting] " (blz. 930 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:




"Resumé
Op grond van de volgende feiten en omstandigheden, te weten dat:
(…)
 […] zijn aangifte inkomstenbelasting 2013 voor € 50 in heeft laten vullen door/bij de [stichting] ;
 In de aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] een gift is opgenomen van € 3.000;
 […] € 300, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];
 De aangifte inkomstenbelasting 2013 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is ingediend;
 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] die bij de Belastingdienst is ingediend, is verzonden vanaf één van de computers van de [stichting] ;
 In de aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] een gift is opgenomen van €1.000;
 […] € 100, ofwel 10%, heeft betaald voor de giftkwitantie, wat overeenkomt met de verklaring van [de penningmeester];
 De kwitantie op naam van […] met nummer [xxx] gelet op de verklaring van [de penningmeester] vermoedelijk valselijk is opgemaakt;
 De aangifte inkomstenbelasting 2014 op naam van […] vermoedelijk opzettelijk onjuist is gedaan;
(…)"


2.7.
Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "onderzoek in administratie [stichting] " (blz. 747 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"In verband met dit onderzoek heeft op 13 december 2016 een doorzoeking plaatsgevonden op het adres van de [stichting] , waarbij diverse administratie in beslag is genomen. Ik heb verhuisdoos 1 met boekingsnummer C.22.02.01 van object C van totaal 21 dozen nader onderzocht.

(…)




Resumé
 De [stichting] neemt niet alle door hun afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties naar aanleiding van contante stortingen op in het kasboek van de [stichting] .
 Meerdere malen wordt slechts het bedrag of een gedeelte van het bedrag wat vermeld staat op 1 donatieformulier of op het bewijs van donatie opgenomen in het kasboek van de [stichting] ;
 Uit onderstaande tabel is op te maken dat ongeveer 22% procent van de afgegeven donatieformulieren en/of bewijzen van donaties verantwoord is in het kasboek van de [stichting] ;
 (…)"


2.8.
Het FIOD-rapport bevat een op 16 april 2015 bij de FIOD binnengekomen anonieme melding, met nummer 35.04946 (blz. 4180) met de volgende mededeling:

"Belastingfraude door […]. Het gaat om giften/donaties aan de [stichting] te [woonplaats] . De ontvangstbewijzen die ontvangen zijn van de [stichting] zijn meermalen vervalst en gebruikt voor meerdere personen om belastingteruggaaf aan te vrahen [lees: vragen, hof] (alsof zij deze giften/bedragen ook hebben betaald)"



2.9.
Het FIOD-rapport bevat een proces-verbaal van een opsporingsambtenaar van de FIOD betreffende "Vergelijking opbrengst donaties [stichting] " (blz. 469 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt onder meer:

"Ontvangst Excelbestand en kwitanties [stichting]
(…)
De Belastingdienst heeft, onder andere over het jaar 2014, diverse kwitanties op naam van de [stichting] en een Excelbestand aan de FIOD ter beschikking gesteld.
(…)
Uit onderzoek in het Excelbestand is naar voren gekomen dat er op naam van de [stichting] in de periode 1 januari 2014 tot en met 6 januari 2014 in totaal 232 kwitanties zijn uitgeschreven, die een gezamenlijke waarde van € 564.820 vertegenwoordigen.




Vergelijking donaties 2014 met voorliggende Jaren
Ik heb het aantal boekingen, dat over de jaren 2008 tot en met 2013 in de periode 1 januari tot en met 6 januari in de administratie van de [stichting] is gedaan, vergeleken met het aantal kwitanties, dat in dezelfde periode in 2014 is uitgeschreven.
Ik zag daarbij dat het aantal boekingen in de administratie over de jaren 2008 tot en met 2013 sterk afwijkt van het aantal kwitanties, dat in 2014 is uitgeschreven. Zie onderstaande tabel.














Jaar


2008


2009


2010


2011


2012


2013


2014




Data van de boekingen


1, 4 en 5 januari


5 en 6 januari


2, 3 en 5 januari


1, 3,4 en 5 januari


4 en 6 januari





1 t/m 6 januari




Aantal boekingen


7


5


3


13


6


0


232




Bedrag boekingen


€ 9.300


€ 5.450


€ 3.450


€ 13.900


€ 5.250


€ 0


€ 564.820"








2.10.1.
Tijdens het strafrechtelijk onderzoek [FIOD-onderzoek 3] zijn diverse telefoons in beslag genomen. Het FIOD-rapport (blz. 34) vermeldt hierover, onder meer:

"In diverse telefoons die bij de doorzoeking van de woning van [de penningmeester] in beslag werden genomen zijn tekstberichten aangetroffen waarin wordt gesproken over het aankopen van kwitanties en het percentage wat daarvoor moet worden betaald. Ook zijn er berichten aangetroffen waaruit kan worden opgemaakt dat anderen de kwitanties namens belastingplichtigen aankopen."



2.10.2.
Het FIOD-rapport bevat (de vertaling van) de tekstberichten die op de in beslag genomen telefoons zijn gevonden. Het FIOD-rapport bevat onder meer een vertaling van de volgende sms-berichten (blz. 4259, 4261 en 4262):














"*


Folder


Party


Time


(…)


(…)


Message


(…)




(…)


(…)


(…)


(…)





(…)


(…)







27


Inbox


From
[…]


19-3-2014
12:39:51 (…)





Read


Gegroet, is de termijn voor een gift over 2013 al gesloten?
(…)







28


Sent


To
[…]


19-3-2014
13:02:56





Sent


Hallo, nee het is nog mogelijk.
(…)







32


Inbox


From
[…]


20-3-2014
21:34:43(…)





Read


Hallo […] Je zou een bon opstellen voor […]. Ik heb de datums genoteerd van de gelden die ik van de bank heb opgenomen. Zou je het na vrijdag kunnen regelen als ik morgen even langskom?

7500 opname op 11.10.2013
1000 opname op 30.09.2013
500 opname op 29.09.2013
2000 opname op 18.12.2013
1000 opname op 17.06.2013
1000 opname op 16.07.2013
1000 opname op 25.07.2013
1000 opname op 30.09.2013
500 opname op 02.10.2013

(…)







33


Sent


To
[...]


20-3-2014
21:35:48 (…)





Sent


Hallo broer, is goed. Ik heb het gereed. Zou je mij je adres en het totaalbedrag van wat je wilt willen doorgeven?
(…)







(…)


(…)


(…)


(…)





(…)


(…)







54


Inbox


From
[...]


4-7-2014
22:26:10 (…)





Read


Hallo meneer
24-03-2013 800 euro
23-04-2013 1000 euro
10-06-2013 700 euro
(…)







55


Sent


To
[...]


4-7-2014
22.:27:19





Sent


Hallo hoca, Dankjewel. U kunt het morgenavond op komen halen. Gegroet
(…)"











2.11.
Het FIOD-rapport bevat een "TCI proces-verbaal" van het Team Criminele Inlichtingen (blz. 504 e.v.). Het proces-verbaal vermeldt, onder meer:

"Bij het Team Criminele Inlichtingen van de Belastingdienst/FIOD is in de maand maart 2016 via één informant de navolgende Informatie binnengekomen:

'De leiding van de [ [stichting] ] is op de hoogte van de belastingfraude door middel van de verkoop van valse giftenkwitanties op haar naam. Vals opgemaakte stukken worden ondertekend en gestempeld door […]. Nu de [stichting] geen ANBI meer is, worden andere stichtingen gebruikt voor deze fraude"


2.12.1.
Het FIOD-rapport bevat een handgeschreven kasadministratie, aangeduid als DOC480 (blz. 3614 e.v.). Dit kasboek bevat de contante inkomsten en uitgaven van de [stichting] in de periode van 1 december 2013 tot en met 31 december 2016. Het FIOD-rapport bevat voorts een overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties voor het jaar 2013, aangeduid als DOC-433 (blz. 3399 e.v.).




2.12.2.
De penningmeester heeft over voormelde administratie en voormeld overzicht met aanduiding DOC-433 onder meer verklaard:

a. FIOD-rapport, blz. 1518-1526:
"Ik had zelf een administratie ontwikkeld in excel. Pas toen wij een ANBI controle kregen zijn wij de administratie gaan ontwikkelen. In 2012 als er dan iemand kwam voor een of meerdere kwitanties dan werd deze door mij uitgeschreven en schriftelijk geboekt in een doorschrijf kasboek. Ik boekte dan het bedrag dat wij daadwerkelijk ontvingen. Dus voor een kwitantie van € 1.000 boekte ik een ontvangst van € 100. (…) Later werd door mij het daadwerkelijke bedrag op de kwitantie geboekt. Ik maakte hiervoor een excel bestand aan dat op de computer stond van de [stichting] in dit bestand zette ik het bedrag van de kwitantie, zodat ik kon bijhouden wat er gebeurd was voor als de mensen kwamen voor onder andere donatieverklaringen. (…)"

b. FIOD-rapport, blz. 1535:
"Opmerking verbalisanten:
Wij tonen u een Excel bestand welke is gerelateerd aan donatiekwitanties die door de [stichting] aan derden zijn verstrekt. In het Excel bestand zijn de kwitantienummers, datum van afgifte, naam donateur en het gedoneerde bedrag opgenomen. (Het Excelbestand wordt onder DOC-511 opgenomen in het dossier)

Vraag verbalisanten: Kunt u aan de hand van dit overzicht aangeven of de geldbedragen vermeld op de bijbehorende kwitanties, in combinatie met de vermelde persoonsnamen, daadwerkelijk zijn gedoneerd aan de [stichting] ?

Antwoord gehoorde:

"Van de lijsten die u mij nu laat zien met de namen en bedragen kan ik zeggen, dat niemand hierop deze lijst dat bedragen echt daadwerkelijk aan de [stichting] betaald heeft zij hebben van deze bedragen slechts 10% of 12% betaald zoals ik eerder heb verklaard. Ik heb al eerder gezegd dat er slechts een handjevol mensen is die daadwerkelijk het volledige bedrag heeft betaald maar dat betreffen bedragen van maximaal 300 of 400 euro. Als er in het kasboek kleine bedragen opgenomen zijn en daar staan soms geen kwitanties tegenover, dan is dat omdat deze mensen dit ook niet in aftrek wilden nemen bij de belastingdienst."

c. FIOD-rapport, blz. 1557:
"Vraag verbalisanten: Op 6 januari 2014 is de ANBI status van de [stichting] ingetrokken. Er zijn meerdere kwitanties aangetroffen die zijn voorzien van een datum gelegen in de periode 1 tot en met 6 januari 2014. Zijn al deze kwitanties valselijk opgemaakt?

Antwoord gehoorde:

"Niet allemaal, er zijn ook donaties die echt zijn gedaan. Ik kan mij nu niet herinneren wie dat zijn geweest. Ik heb het dan over de kwitanties vanaf 2012 die onder de € 500 zijn, alles wat daarboven is, is vals. Dit geld voor alle kwitanties die u heeft aangetroffen. Jullie kunnen uit de kasboeken uitvissen welke bedragen echt zijn gedoneerd. Dat boek klopt namelijk wel."



2.12.3.
Het FIOD-rapport vermeldt onder meer nog het volgende over de administratie bij de [stichting] (blz. 33):

"Naast de vermoedelijk achteraf opgestelde donatieoverzichten zijn over de periode
(…) december 2013 tot en met december 2016 handgeschreven kasboeken bijgehouden. Het vermoeden bestaat dat in dat kasboek de juiste bedragen zijn vermeld. De gegevens van dit kasboek zijn ten behoeve van het strafrechtelijk onderzoek in een Excel-bestand verwerkt en digitaal bij het dossier gevoegd. In deze kasboeken staan inkomsten en uitgaven vermeld.

(…) Bij onderzoek van de inkomsten die zijn vermeld in de kasboeken is vastgesteld dat over de periode december 2013 tot en met december 2016 totaal 1.192 mutaties zijn opgenomen met de omschrijving 'donatie'. Het totaalbedrag van deze 1.192 donaties is € 489.087,70. Het is opvallend dat het grootste deel van deze donaties kleiner is dan € 500."




2.13.
In de verweerschriften in eerste aanleg verwijst de Inspecteur naar drie (geanonimiseerde) verslagen van hoorgesprekken met belastingplichtigen en bij het verweerschrift in eerste aanleg voor het jaar 2014 heeft hij hiervan afschriften overgelegd (2014: bijlage 49). De verslagen bevatten verklaringen van de belastingplichtigen over (hun deelname aan) de handel in giftkwitanties bij de [stichting] .


2.13.1.
Het "verslag van het horen op vrijdag 13 juni 2018" [juli; Hof] vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:
(…)

4. (…) Hij vertelt dat hij één keer per week naar toespraken op de [stichting] ging. Na afloop van de toespraak werd aan de toehoorders vertelt dat zij de [stichting] konden helpen. In ruil voor deze donaties werd er een hoger bedrag op de kwitantie geschreven. Wanneer er een bedrag van € 300 werd betaald, werd er op de kwitantie € 3.000 vermeld. (…)"



2.13.2.
Het "verslag van het horen op donderdag 9 augustus 2018" vermeldt, onder meer:

"6. Het volgende is tijdens het gesprek besproken:
(…)

3. Voor de aankoop van zijn woning is hij in contact gekomen met Advieskantoor […] via iemand genaamd […] (…) Ze waren behulpzaam en gaven goede adviezen. De heer […] hielp hem met zijn hypotheek en […] hielp hem met het indienen van zijn aangifte inkomstenbelasting 2013. Bij het indienen van de aangifte kreeg hij van […] het advies om te doneren aan de [stichting] .
De [belastingplichtige] deelde hen mee dat hij daarvoor geen financiële middelen had. […] deelde hem daarop mee dat het ook anders kon, namelijk eerst het bedrag in aftrek brengen in de aangifte, afhankelijk van de teruggaaf zou dan een bedrag aan de [stichting] worden gedoneerd. De kwitantie hiervoor zou dan achteraf geregeld worden (…)."



2.14.1.
Bij het verweerschrift in eerste aanleg voor het jaar 2014 en bij zijn brief van 18 maart 2020 aan de Rechtbank heeft de Inspecteur bladzijden 3400, 3414 en 3433 uit het FIOD-rapport gevoegd (bijlage 50 en bijlage 1). Deze bladzijden betreffen een deel van het onder 2.12.1 genoemde overzicht van de door de [stichting] uitgeschreven kwitanties (DOC-433) voor het jaar 2013. Dit overzicht vermeldt de volgende data en bedragen bij de naam van belanghebbende:









Datum


Naam


bedrag




6-1-2013



[naam onderneming]



€ 1.500




28-4-2013



[naam onderneming]



€ 1.000




15-11-2013



[naam onderneming]



€ 1.500








2.14.2.
Bij zijn brief van 18 maart 2020 aan de Rechtbank heeft de Inspecteur bladzijde 3719 uit het FIOD-rapport gevoegd. Deze bladzijde betreft een deel van de onder 2.12.1 genoemde handgeschreven kasadministratie (DOC-480). Dit overzicht vermeldt een bedrag van € 480, de datum 4 april 2014 en de naam [naam onderneming] .


Jaar 2013



2.15.1.
In reactie op een informatieverzoek van de Inspecteur van 15 december 2016 voor het jaar 2013 heeft belanghebbende op 19 december 2016 de volgende drie donatieformulieren van de [stichting] verstrekt:










Kwitantienummer


Naam


Datum


Bedrag




000060



[naam onderneming]



6 januari 2013


€ 1.500




000764



[naam onderneming]



28 april 2013


€ 1.000




002037



[naam onderneming]



15 november 2013


€ 1.500






De door de Inspecteur in het informatieverzoek gevraagde bankafschriften zijn niet door belanghebbende ingezonden.



2.15.2.
Bij brief van 14 september 2017 heeft de Inspecteur vervolgens aan belanghebbende te kennen gegeven dat hij over het jaar 2013 een navorderingsaanslag zal opleggen waarbij de verleende giftenaftrek wordt gecorrigeerd. Verder heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat hij voornemens is een vergrijpboete op te leggen als bedoeld in artikel 67e van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR) ter hoogte van 75% van de nagevorderde belasting.


2.15.3.
In reactie op de kennisgeving heeft belanghebbende bij brief van 10 oktober 2017 te kennen gegeven zich niet met de afwijking van de aangifte te kunnen verenigen. Hij heeft bij zijn brief voor elke overgelegde kwitantie een scan van een aantal bankafschriften verstrekt van een rekening op naam van zijn onderneming. Uit deze afschriften blijken de volgende geldopnames in de jaren 2012 en 2013:








Datum


Bedrag




8 december 2012


€ 700




10 december 2012


€ 700




29 maart 2013


€ 600




1 april 2013


€ 600




6 april 2013


€ 250




20 april 2013


€ 250




27 april 2013


€ 250




15 oktober 2013


€ 100




17 oktober 2013


€ 600




22 oktober 2013


€ 400




9 november 2013


€ 150








2.15.4.
In reactie hierop heeft de Inspecteur belanghebbende bij brief van 27 november 2017 meegedeeld dat hij de navorderingsaanslag IB/PVV 2013 en boete conform de brief van 14 september 2017 zal vaststellen c.q. opleggen. Met dagtekening 9 december 2017 heeft de Inspecteur, conform voormelde brief, de navorderingsaanslag IB/PVV opgelegd en de beschikking belastingrente en boete over het jaar 2013 gegeven.


Jaar 2014



2.16.1.
In reactie op een informatieverzoek van de Inspecteur op 1 november 2016 naar aanleiding van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 heeft belanghebbende op 14 november 2016 het volgende donatieformulier van de [stichting] verstrekt:










Kwitantienummer


Naam


Datum


Bedrag




000151



[…] [naam onderneming]


3 januari 2014


€ 3.000






De door de Inspecteur in het informatieverzoek gevraagde bankafschriften zijn niet door belanghebbende ingezonden.



2.16.2.
Na een kennisgeving van onder meer het voornemen tot afwijking van de aangifte IB/PVV voor het jaar 2014 op het punt van de giften, heeft belanghebbende bij brief van 10 oktober 2017 laten weten zich daarmee niet te kunnen verenigen en heeft hij daarbij een scan van een aantal bankafschriften van een rekening op naam van zijn onderneming ingezonden. Uit deze afschriften blijken de volgende geldopnames in 2013 en 2014:








Datum


Bedrag




26 december 2013


€ 400




30 december 2013


€ 600




3 januari 2014


€ 70








2.16.3.
Met dagtekening 14 december 2017 heeft de Inspecteur vervolgens een aanslag IB/PVV voor het jaar 2014 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 46.895. De Inspecteur heeft de giften aan de [stichting] daarbij niet in aftrek toegelaten.






Oordeel van de Rechtbank

3. De Rechtbank heeft, voor zover in hoger beroep van belang, geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiser en de Inspecteur als verweerder:

" Giftenaftrek
14. Ingevolge artikel 6.32 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) zijn aftrekbare giften (a) periodieke giften en (b) andere giften. Ingevolge artikel 6.33, eerste lid, onder a van de Wet IB 2001 wordt onder giften verstaan: bevoordelingen uit vrijgevigheid en verplichte bijdragen waar geen directe tegenprestatie tegenover staat. Verder volgt uit artikel 6:33, eerste lid, onder b in samenhang met artikel 6:35 van de Wet IB 2001 dat giften aftrekbaar zijn indien zij worden gedaan aan een ANBI.

15. Niet in geschil is dat ten tijde van de gestelde giften de [stichting] de ANBI-status had. De rechtbank merkt hierbij op dat de omstandigheid dat die ANBI-status op 6 januari 2014 met terugwerkende kracht tot 1 januari 2008 is ingetrokken, op zichzelf niet aan de giftenaftrek in de weg staat.

16. De bewijslast dat sprake is van aftrekbare giften rust op eiser. Bij contante giften moet een belastingplichtige - zoals verweerder terecht heeft gesteld - met schriftelijke bescheiden aantonen dat de door hem gestelde giften daadwerkelijk zijn gedaan, dat wil zeggen aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. Eiser wijst daartoe op de door hem overgelegde kwitanties en bankafschriften. Gezien de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] die worden bevestigd door verklaringen van anderen die hebben erkend gebruik te hebben gemaakt van kwitanties waarvoor zij slechts circa 10% van het daarop vermelde bedrag hebben betaald, kan aan de kwitanties op zichzelf onvoldoende bewijskracht worden toegekend. Nu eiser, behoudens bewijstukken van niet aan de giften te relateren geldopnames, geen andere bewijsstukken heeft overgelegd, is hij niet geslaagd in het bewijs dat hij de giften heeft gedaan. Verweerder heeft dan ook op goede gronden de giftenaftrek gecorrigeerd.


Vergrijpboete

17. Op grond van artikel 67e, eerste lid, van de Awr kan de inspecteur een boete opleggen van ten hoogste 100 percent, indien het aan opzet of grove schuld van de belastingplichtige is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Op verweerder rust de bewijslast dat het beboetbare feit zich heeft voorgedaan.

18. Uit wat hiervoor is overwogen, volgt dat eiser onvoldoende bewijs heeft geleverd voor de door hem in zijn aangifte afgetrokken giften en dat de aanslag IB/PVV 2013 daardoor tot een te laag bedrag is vastgesteld. Ter onderbouwing van zijn stelling dat dit te wijten is aan opzet dan wel grove schuld van eiser maakt verweerder gebruik van bewijsvermoedens die hij baseert op de verklaringen van de penningmeester van de [stichting] , de verklaringen van getuigen en verdachten die betrokken zijn in het onderzoek van de [stichting] en verklaringen die andere belastingplichtigen hebben afgelegd tijdens diverse hoorgesprekken. Verweerder wijst verder op het Excelbestand met de uitgeschreven kwitanties waarin de naam van (het bedrijf van) eiser voorkomt met drie donaties overeenkomstig de door eiser aan verweerder verstrekte kwitanties. Tevens wijst verweerder op de handgeschreven kasadministratie van de [stichting] waaruit valt op te maken dat eiser op 4 april 2014 een bedrag van € 480 heeft betaald.

19. Op zichzelf mag verweerder gebruik maken van bewijsvermoedens, maar die vermoedens moeten wel redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (ECLI:NL:HR:2011:BN6350). Verweerder heeft - met hetgeen hij hierboven onder 18 heeft aangevoerd - naar het oordeel van de rechtbank voldoende bewijs geleverd voor zijn stelling dat eiser wist dat hij in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 giften in aanmerking nam die hij feitelijk niet heeft gedaan en dat de daarvoor verstrekte kwitanties vals waren. Naast de verklaringen van derden heeft verweerder immers gegevens uit de kasadministratie naar voren gebracht waarin eisers naam op 4 april 2014 is vermeld in verband met een betaling van € 480, zijnde 12% van het totaalbedrag van de kwitanties voor het jaar 2013. Dit komt overeen met het fraudepatroon. Gelet op het feit dat de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014 is ingetrokken, kan deze betaling geen betrekking hebben op het jaar 2014, maar uitsluitend zien op het verkrijgen van een kwitantie voor het jaar 2013. Daarmee is het aan opzet van eiser te wijten dat de aanslag IB/PVV 2013 op een te laag bedrag is vastgesteld en dat hij daardoor te weinig belasting heeft betaald. Verweerder is daarmee echter nog niet geslaagd in het bewijs dat sprake is van strafverzwarende omstandigheden. Het enkele gebruik van valse kwitanties is daarvoor onvoldoende. Gezien de aard en ernst van de gedragingen acht de rechtbank daarom een boete van 50% van de nagevorderde belasting passend en geboden.

20. Voor verdere matiging van de boete wegens overschrijding van de redelijke termijn is geen aanleiding. De rechtbank stelt vast dat de redelijke termijn is aangevangen met de aankondiging van de boete op 14 september 2017 en dat sinds die datum tot het moment waarop in deze zaak uitspraak wordt gedaan, 26 augustus 2020, twee jaar en ruim elf maanden zijn verstreken. Hiermee is weliswaar de redelijke termijn van twee jaar overschreden (vgl. Hoge Raad 22 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AO9006), maar nu de boete, na vermindering tot op 50% van de boetegrondslag, minder dan € 1.000 bedraagt, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden (vgl. Hoge Raad 19 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD0191).

21. Van schending van de cautieplicht is volgens de rechtbank geen sprake nu deze alleen betrekking heeft op mondelinge verhoren. De vergrijpboete is door verweerder echter gebaseerd op de resultaten van het strafrechtelijk onderzoek en niet op enige verklaring van eiser of toezending van stukken door eiser.


Rentebeschikkingen

22. Niet is gebleken dat de belastingrente in strijd met de daartoe strekkende wettelijke bepalingen of enige andere regel van geschreven of ongeschreven recht in rekening is gebracht.

23. Gelet op wat hiervoor is overwogen dienen de beroepen voor wat betreft de boetebeschikking gegrond te worden verklaard en voor het overige ongegrond.


Vergoeding van immateriële schade
24. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn. De rechtbank stelt vast dat de onderhavige zaken van eiser op hetzelfde onderwerp betrekking hebben en gezamenlijk en in samenhang met elkaar zijn behandeld in bezwaar en beroep. Gelet daarop is de rechtbank van oordeel dat bij de beoordeling van de vraag of recht bestaat op vergoeding van immateriële schade, deze zaken als samenhangende zaken dienen te worden aangemerkt waarin één maal spanning en frustratie is ondervonden.

25. De redelijke termijn is overschreden wanneer de behandeling van het bezwaar en het beroep gezamenlijk langer duurt dan twee jaar. De behandeltermijn vangt aan op het moment dat verweerder het bezwaarschrift ontvangt en eindigt met de uitspraak van de rechtbank. Als uitgangspunt voor de hoogte van de schadevergoeding hanteert de Hoge Raad een tarief van € 500 per halfjaar dat de redelijke termijn is overschreden, waarbij het totaal van de overschrijding naar boven wordt afgerond. Heeft de procedure tot de uitspraak van de rechtbank langer dan twee jaar geduurd, dan dient vervolgens voor de bezwaar- en de beroepsfase afzonderlijk te worden bezien of sprake is van een langere behandelingsduur dan gerechtvaardigd, waarbij in beginsel geldt dat de bezwaarfase binnen een half jaar en de beroepsfase binnen anderhalf jaar zou moeten worden afgerond (vgl. Hoge Raad 19 februari 2016, ECLI:NL:HR:2016:252).

26. De bezwaarschriften zijn door verweerder ontvangen op 16 januari 2018 en verweerder heeft uitspraak op bezwaar gedaan op 7 mei 2019. De uitspraak van de rechtbank wordt op 26 augustus 2020 gedaan. Dat is dus afgerond twee jaar en acht maanden na indiening van de bezwaarschriften. De overschrijding van de redelijke termijn bedraagt dan acht maanden, zodat eiser recht heeft op een vergoeding van immateriële schade van € 1.000. De overschrijding wordt in zijn geheel toegerekend aan verweerder, aangezien hij er langer dan de voorgeschreven zes maanden over heeft gedaan om uitspraak op bezwaar te doen.


Proceskosten

27. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht, gelet op de samenhang tussen de beroepen, vast op € 1.572 (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 261, 1 punt voor het indienen van de beroepschriften, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 525 en een wegingsfactor 1 voor de zwaarte van de zaak en een factor 1 voor samenhang)."





Omschrijving geschil in (incidenteel) hoger beroep en conclusies van partijen


4.1.
Tussen partijen is in geschil of:


de navorderingsaanslag voor het jaar 2013 terecht is opgelegd, de aanslag voor het jaar 2014 op het juiste bedrag is vastgesteld, meer in het bijzonder of de giftenaftrek terecht is gecorrigeerd, en of


de boetebeschikking voor het jaar 2013 terecht is gegeven en zo ja, of de opgelegde boete passend en geboden is.


Belanghebbende beantwoordt deze vragen ontkennend; de Inspecteur bevestigend.



4.2.
Belanghebbende concludeert in zijn principaal hoger beroep tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank met uitzondering van de beslissingen omtrent de immateriële schadevergoeding, de proceskosten en het griffierecht, vernietiging van de uitspraak op bezwaar, de navorderingsaanslag voor het jaar 2013, de beschikkingen belastingrente voor beide jaren en de boetebeschikking voor het jaar 2013, vermindering van de aanslag voor het jaar 2014, veroordeling van de Inspecteur in de proceskosten in hoger beroep en tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht in hoger beroep.
Belanghebbende concludeert tot ongegrondverklaring van het incidenteel hoger beroep.



4.3.
De Inspecteur concludeert in het principaal hoger beroep primair tot ongegrondverklaring en subsidiair tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank ten aanzien van de vergrijpboete voor het jaar 2013 en tot vaststelling van de boete op 50% van de boetegrondslag en meer subsidiair tot vaststelling van de boete op 25% van de boetegrondslag.
In zijn incidenteel hoger beroep concludeert de Inspecteur tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank ten aanzien van de vergrijpboete en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.





Beoordeling van het (incidenteel) hoger beroep


Giftenaftrek


5.1.1.
Andere giften dan periodieke giften zijn aftrekbaar voor zover zij kunnen worden gestaafd met schriftelijke bescheiden (zie artikel 6.39, lid 1, in verbinding met artikel 6.32 van de Wet Inkomstenbelasting 2001). Aangezien belanghebbende een aftrekpost claimt, brengt een redelijke verdeling van de bewijslast mee dat op belanghebbende de last rust de daarvoor van belang zijnde feiten en omstandigheden te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken.



5.1.2.
Voor zover belanghebbende stelt dat met voormelde verdeling van de bewijslast niet is voldaan aan de in artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens (EVRM) neergelegde waarborgen, kan het Hof hem daarin niet volgen. Beslissingen omtrent verschuldigde (enkelvoudige) belasting en premie volksverzekeringen, zoals hier aan de orde, zijn niet aan te merken als "het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of (…) het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging" als bedoeld in artikel 6, lid 1, EVRM maar moeten worden beschouwd als exclusief behorend tot het terrein van het publiekrecht (vgl. HR 18 juni 1997, ECLI:NL:HR:1997:AA2183, BNB 1997/342, r.o. 3.4 en HR 23 december 1998, ECLI:NL:HR:1998:AA2270, BNB 1999/78, r.o. 3.3).



5.2.1.
Belanghebbende heeft gesteld dat hij in de jaren 2013 en 2014 giften in contanten heeft gedaan aan de [stichting] voor bedragen van respectievelijk € 4.000 en € 3.000. Ter onderbouwing van zijn stelling heeft belanghebbende voor beide jaren kwitanties en bankafschriften overgelegd.



5.2.2.
De Inspecteur stelt zich op het standpunt dat de overgelegde giftkwitanties van de [stichting] niet zonder meer kunnen dienen ter onderbouwing van de opgevoerde giften en wijst daarbij op de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek naar de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] . Uit dat onderzoek volgt dat op grote schaal giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Uit verklaringen van de penningmeester welke worden bevestigd door verklaringen van diverse andere belastingplichtigen en de bevindingen in het strafrechtelijk onderzoek, volgt dat (veelal) geen bedragen zijn gedoneerd van meer dan € 500.



5.2.3.
Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de Inspecteur in beroep en hoger beroep onder meer de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] :


de vaststelling van een controlemedewerker dat namens de [stichting] in het jaar 2012 in totaal 2.500 kwitanties zijn uitgeschreven, terwijl slechts 531 kwitanties in de administratie zijn verantwoord;


dat in het jaar 2013 in de jaarstukken van de [stichting] € 88.564 aan donaties is verantwoord, terwijl in de diverse aangiften over dat jaar in totaal € 3.445.808 aan giften aan de [stichting] is aangegeven;


de verklaringen van verdachten dat giftkwitanties voor een bepaald percentage van het giftbedrag werden gekocht/verkocht van de [stichting] ;


dat uit de inbeslaggenomen administratie van de [stichting] volgt dat 22% van de ontvangen giften is verwerkt in het kasboek;


een anonieme tip aan de FIOD dat de kwitanties zijn vervalst en gebruikt door meerdere personen om een belastingteruggaaf te bewerkstelligen;


dat na het intrekken van de ANBI-status van de [stichting] op 6 januari 2014, dat op 19 december 2013 was aangekondigd, in de periode van 1 januari tot 6 januari 2014 een opvallend groter aantal kwitanties is geboekt dan in voorgaande jaren;


de whatsapp- en sms-berichten en de verklaringen van onder andere de penningmeester van de [stichting] waaruit volgt dat een levendige handel in giftkwitanties bestond en dat uit die berichten volgt dat de data op de kwitanties worden afgestemd op de data van willekeurige pinopnamen;


de verklaring van een informant aan het Team Criminele Inlichtingen waaruit volgt dat de leiding van de [stichting] op de hoogte is van de belastingfraude door middel van de giftkwitanties en meewerkt aan de uitgifte daarvan;


de verklaring van de penningmeester van de [stichting] dat slechts een handvol mensen het volledige vermelde bedrag op de giftkwitanties hebben betaald maar dat die bedragen maximaal € 300 of € 400 betreffen;


de verklaringen van diverse personen aan de FIOD en de Belastingdienst die de handel in kwitanties hebben bevestigd;


een overzicht van uitgeschreven kwitanties voor 2013 waarvan de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeenkomen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen;


een doorlopend handgeschreven kasboek waarin de werkelijk ontvangen bedragen werden opgenomen; de werkelijk ontvangen bedragen (donaties) bedroegen veelal 10% tot 12% van de uitgegeven kwitanties;


dat de Belastingdienst bij 2.040 belastingplichtigen navorderingsaanslagen heeft opgelegd dan wel correcties heeft aangebracht bij het opleggen van de aanslagen en indien mogelijk een vergrijpboete. Van deze 2.040 gevallen zijn ongeveer 450 belastingplichtigen in bezwaar gegaan en 150 in beroep;


dat bij belastingplichtigen van wie aanslagen zijn gecorrigeerd of bij wie is nagevorderd doorgaans een giftenaftrek van minimaal € 500 in de aangifte is opgenomen.





5.3.1.
Uit hetgeen de Inspecteur onder 5.2.3 heeft aangevoerd volgt dat op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld en gebruikt door belastingplichtigen om giften op te voeren die zij niet daadwerkelijk hebben gedaan. Gelet op deze bevindingen kunnen de kwitanties en donatieverklaringen van de [stichting] niet zonder meer dienen als bewijs voor de door belanghebbende gestelde giften. Het is aan belanghebbende aanvullende feiten en omstandigheden aan te voeren en bij betwisting aannemelijk te maken die de conclusie rechtvaardigen dat hij recht heeft op giftenaftrek.



5.3.2.
Met de overgelegde bankafschriften en de daarop vermelde geldopnames heeft belanghebbende dat aanvullende bewijs niet geleverd, reeds omdat met een geldopname niet vaststaat dat de opgenomen gelden ook daadwerkelijk aan de [stichting] ten goede zijn gekomen. Dat belanghebbende per kwitantie heeft gespecificeerd welke bankopnamen zijn gedaan voor de op de respectievelijke kwitanties genoemde bedragen maakt dit niet anders.



5.3.3.
Nu belanghebbende geen ander (schriftelijk) bewijs heeft bijgebracht waaruit volgt dat giften ten goede zijn gekomen aan de [stichting] , heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat hij in de onderhavige jaren giften aan de [stichting] heeft gedaan. De Inspecteur heeft dan ook terecht geen giften in aftrek toegestaan, zodat de navorderingsaanslag over het jaar 2013 terecht is opgelegd en de aanslag voor het jaar 2014 tot het juiste bedrag is vastgesteld.



5.3.4.
Belanghebbende heeft voorts gesteld dat sprake is van schending van het evenredigheidsbeginsel en/of het fair play beginsel omdat de giften niet in aftrek worden toegestaan ondanks dat daarvoor schriftelijk bewijs (kwitanties en bankafschriften) is geleverd, hetgeen volgens artikel 6.39, lid 1, Wet IB 2001 (tekst 2013) in geval van contante giften is voorgeschreven. Dat dit bewijs onvoldoende wordt bevonden en het buitendien niet mogelijk is daarvoor bewijs bij te brengen, dient voor rekening en risico van de Belastingdienst te komen, aldus belanghebbende. Het Hof kan belanghebbende gelet op het in 5.1.2 tot en met 5.3.3 overwogene niet in zijn stelling volgen.


Beschikkingen belastingrente



5.4.
Belanghebbende heeft in hoger beroep geen afzonderlijke gronden aangevoerd tegen de in rekening gebrachte belastingrente. Dat in strijd met de wet belastingrente in rekening is gebracht, is gesteld noch gebleken.


De vergrijpboete


5.5.1.
De Inspecteur kan op grond van artikel 67e, lid 1, AWR een boete opleggen van ten hoogste 100% indien het aan opzet of grove schuld van belanghebbende is te wijten dat de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. De bewijslast hiervan rust op de Inspecteur.




5.5.2.
Bij de beantwoording van de vraag of de inspecteur het bewijs van een beboetbaar feit heeft geleverd, dienen de waarborgen in acht te worden genomen die een belanghebbende kan ontlenen aan artikel 6, lid 2, EVRM. Die waarborgen houden onder meer in dat de bewijslast op de inspecteur rust en de belanghebbende in geval van twijfel het voordeel van de twijfel moet worden gegund. De rechtspraak van het EHRM laat toe dat voor het bewijs gebruik wordt gemaakt van vermoedens. De belanghebbende moet wel een redelijke mogelijkheid hebben zich daartegen te verweren en het gebruik van vermoedens mag er niet toe leiden dat de bewijslast wordt verschoven van de inspecteur naar de belanghebbende; het vermoeden moet redelijkerwijs voortvloeien uit de aanwezige bewijsmiddelen (vgl. HR 15 april 2011, ECLI:NL:HR:2011:BN6350, BNB 2011/207 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207). Het EVRM eist niet dat de inspecteur bij het bewijzen van de opzet of grove schuld is gebonden aan de bewijsregels van het nationale strafrecht. Er hoeft geen wettig en overtuigend bewijs te worden geleverd overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 338 e.v. van het Wetboek van Strafvordering (vgl. HR 18 november 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC5166, BNB 1993/40). Wel moet de uit die vermoedens af te leiden opzet buiten redelijke twijfel zijn (vgl. HR 23 juni 1993, ECLI:NL:HR:1993:ZC5391, BNB 1993/272).




5.6
De Inspecteur heeft gesteld dat de opgelegde boete van 75% passend en geboden is. Hij voert daartoe aan dat belanghebbende opzettelijk een onjuiste aangifte heeft gedaan waardoor te weinig belasting is geheven en dat sprake is van een strafverzwarende omstandigheid doordat belanghebbende gebruik heeft gemaakt van valse kwitanties.



5.7.
Aangezien de Inspecteur primair heeft gesteld dat sprake is van opzet en subsidiair dat sprake is van grove schuld, rust op de Inspecteur de last aannemelijk te maken primair dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 zich ervan bewust is geweest dat (een aanmerkelijke kans bestond dat) de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was en subsidiair dat belanghebbende zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem kan worden verweten dat de aangifte op het punt van de giftenaftrek onjuist was.


5.8.1.
Naast de in 5.2.3 aangevoerde feiten en omstandigheden ten aanzien van de handel in valse giftkwitanties bij de [stichting] , heeft de Inspecteur ten aanzien van belanghebbendes betrokkenheid bij voormelde handel in giftkwitanties de volgende feiten en omstandigheden aangevoerd:


de naam van de onderneming van belanghebbende staat vermeld in het handgeschreven kasboek (DOC-480) op 4 april 2014 met een donatie van € 480;


gelet op de onder 2.12.2 aangehaalde verklaringen van de penningmeester en op in de onder 2.10.2 opgenomen whatsappberichten zal de betaling op 4 april 2014 mede zijn gedaan voor de aankoop van kwitanties die betrekking hebben op de in de aangifte IB/PVV voor het jaar 2013 in aftrek gebrachte giften;


de betaling van € 480 bedraagt exact 12% van de waarde op de overgelegde kwitanties voor het jaar 2013, te weten € 4.000, en


de naam van de onderneming van belanghebbende komt voor in het overzicht van uitgeschreven kwitanties (DOC-433). Op basis van hetgeen in het FIOD-rapport door de penningmeester is verklaard (2.12.2) komen de gegevens die in dit document zijn opgenomen niet overeen met de daadwerkelijk ontvangen bedragen. De lijst werd opgesteld aan de hand van de afgegeven kwitanties en donatieverklaringen.





5.8.2.
Uit hetgeen de Inspecteur heeft aangevoerd volgt een handelwijze waarbij op grote schaal valse giftkwitanties van de [stichting] werden verhandeld voor een percentage van veelal 10%-12% van de op de kwitanties vermelde bedragen. Voorts volgt daaruit dat de valse giftkwitanties door de belastingplichtigen werden gekocht op of rond de datum waarop de aangifte voor het betreffende belastingjaar werd ingediend.



5.8.3.
Uit het onderzoek van de FIOD volgt dat de handgeschreven kasboeken van de [stichting] in totaal 1.192 donaties vermelden met een totaalbedrag van € 489.087,70 in de periode december 2013 tot en met december 2016. Hierbij is het bedrag van het grootste deel van de donaties lager dan € 500. Gelet op i) voormelde handelwijze waarbij de valse giftkwitanties veelal werden verhandeld voor 10%-12% van daarop vermelde bedragen en ii) de verklaringen van getuigen en belastingplichtigen waaruit blijkt dat veelal een paar honderd euro is betaald voor de giftkwitanties, heeft de Inspecteur aannemelijk gemaakt dat het handgeschreven kasboek de juiste gegevens vermeldt.



5.8.4.
De naam van de onderneming van belanghebbende komt in het handgeschreven kasboek voor onder vermelding van een donatie van € 480 op 4 april 2014. Het bedrag bedraagt 12% van de voor 2013 in aftrek gebrachte giften. Deze bevinding ten aanzien van belanghebbende komt overeen met de handelwijze die volgt uit het strafrechtelijke onderzoek naar de handel in valse kwitanties van de [stichting] .



5.8.5.
Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is het vermoeden gerechtvaardigd dat belanghebbende voor het jaar 2013 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] en hij zich er ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 bewust van is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was.




5.9.
De belastingplichtige die wil ontkomen aan bewijs door middel van een bewijsvermoeden, kan zich verweren hetzij door de feiten en omstandigheden te betwisten die aan het bewijsvermoeden ten grondslag zijn gelegd, hetzij door andere feiten te stellen en bij betwisting aannemelijk te maken waardoor redelijke twijfel wordt gewekt aan de redengevende kracht van dat bewijsvermoeden, zodat dit vermoeden wordt ontzenuwd (vgl. HR 25 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE9354, BNB 2003/14 en HR 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:63, BNB 2013/207).


5.9.1.
Belanghebbende betwist dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het doen van een valse aangifte. Hij heeft aangevoerd dat zijn onderneming geen verdachte was in het FIOD-onderzoek en belanghebbende daarin ook niet als getuige is gehoord. Hij heeft voorts aangevoerd dat hij de giften aan de [stichting] daadwerkelijk heeft gedaan. Verder heeft hij aangevoerd dat de verklaringen van de penningmeester niet betrouwbaar zijn en dat dat eveneens geldt voor het handgeschreven kasboek en dat niet kan worden uitgesloten dat de frauduleuze handelingen van de penningmeester verder reikten dan waar hij over heeft verklaard.



5.9.2.
De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de eerste mondelinge behandeling op 16 februari 2021 onder verwijzing naar de uitspraak van het EHRM van 19 januari 2021, nr. 2205/16, Keskin v. The Netherlands, ECLI:CE:ECHR:2021:0119JUD000220516 (Keskin), het Hof verzocht de penningmeester als getuige te (mogen) horen. De Inspecteur heeft gesteld dat dit verzoek tardief is. Het Hof heeft de belangen van beide partijen gewogen en acht het verzoek van belanghebbende niet tardief, omdat de gemachtigde van belanghebbende een redelijke tijd gegund moet worden om van die uitspraak kennis te kunnen nemen. Het Hof heeft in de uitspraak Keskin aanleiding gezien de gemachtigde van belanghebbende in de gelegenheid te stellen de penningmeester op te roepen als getuige.



5.9.3.
Het Hof stelt voorop dat de door de penningmeester in het getuigenverhoor afgelegde verklaringen stroken met hetgeen in het FIOD-rapport naar voren is gekomen en met hetgeen hij heeft verklaard tijdens genoemd onderzoek De gemachtigde van belanghebbende heeft tijdens de derde mondelinge behandeling gesteld discrepanties te hebben gesignaleerd tussen hetgeen de penningmeester tijdens het getuigenverhoor heeft verklaard en hetgeen hij blijkens het FIOD-dossier bij de FIOD heeft verklaard. Hoewel hij daartoe tijdens de derde mondelinge behandeling meermalen in de gelegenheid is gesteld, heeft de gemachtigde de discrepanties op geen enkele wijze onderbouwd; zelfs een begin van onderbouwing ontbrak. Het Hof ziet daarom geen grond het verzoek van de gemachtigde van belanghebbende hem in de gelegenheid te stellen zich schriftelijk over de door hem gesignaleerde discrepanties uit te laten, te honoreren. Het Hof neemt daarbij mede in aanmerking dat de gemachtigde van belanghebbende de penningmeester tijdens het verhoor niet heeft geconfronteerd met de door hem gesignaleerde discrepanties, dat partijen tijdens de procedure in hoger beroep ampel gelegenheid hebben gehad hun stellingen naar voren te brengen en op elkaars stellingen te reageren e en dat het Hof zich voldoende geïnformeerd acht om tot een beslissing in deze zaak te kunnen komen.



5.9.4.
Het Hof ziet geen reden te twijfelen aan de verklaringen van de penningmeester over de handelwijze met betrekking tot de valse giftkwitanties. De verklaringen van de penningmeester zijn bevestigd door verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen die door de FIOD en de Inspecteur zijn gehoord. Daarnaast bevat het FIOD-rapport diverse onderzoeken van opsporingsambtenaren naar onder meer tekstberichten op in beslaggenomen telefoons en de administratie van de [stichting] die voormelde handelwijze bevestigen.



5.9.5.
Het Hof ziet, anders dan belanghebbende, evenmin reden te twijfelen aan de in het handgeschreven kasboek vermelde datum en bedrag van de giften. Die kasadministratie vormt een (administratieve) weergave van de handelwijze waarbij de giftkwitanties voor een bepaald percentage van de daarop vermelde bedragen werden verkocht. Verder volgt uit die kasadministratie en uit de verklaringen van diverse getuigen en belastingplichtigen dat de kwitanties werden gekocht op een latere datum dan vermeld op de uitgeschreven kwitanties.
Belanghebbende heeft bovendien onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd voor het oordeel dat van een andere datum of een ander bedrag dan dat vermeld in het kasboek moet worden uitgegaan.



5.9.6.
Gelet op hetgeen onder 5.9.1 tot en met 5.9.5 is overwogen heeft belanghebbende het bewijsvermoeden dat hij voor het jaar 2013 gebruik heeft gemaakt van valse giftkwitanties van de [stichting] niet ontzenuwd. Dit betekent dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende ten tijde van het doen van zijn aangifte IB/PVV 2013 zich ervan bewust is geweest dat de aangifte voor wat betreft de giftenaftrek onjuist was, zodat de opzetboete bewezen is. Belanghebbendes blote stelling dat hij wel giften aan de [stichting] heeft gedaan en de omstandigheid dat hij of zijn onderneming in het FIOD-onderzoek niet als verdachte is aangemerkt of als getuige is gehoord, maakt dit oordeel niet anders.




5.10.1.
De stelling van belanghebbende dat de boete vernietigd moet worden, omdat de Inspecteur niet heeft voldaan aan de cautieplicht bij het verzoek bewijsstukken toe te zenden, faalt. Daarbij neemt het Hof het volgende in aanmerking.



5.10.2.
In artikel 5:10a Awb is bepaald dat degene die wordt verhoord met het oog op het aan hem opleggen van een bestraffende sanctie, niet verplicht is ten behoeve daarvan verklaringen af te leggen, alsmede dat voor het verhoor aan de betrokkene wordt medegedeeld dat hij niet tot antwoorden is verplicht. Uit de Memorie van Toelichting blijkt dat de cautie dient ter waarborging van het zwijgrecht en dat dat recht in de kern wil voorkomen dat ongeoorloofde dwang wordt toegepast bij het verkrijgen van belastende informatie tegen de wil van de betrokkene. De cautie is voortgekomen uit het ervaringsgegeven dat van een mondelinge ondervraging een zekere druk om te antwoorden kan uitgaan. De cautie wil voorkomen dat onder die druk verklaringen worden afgelegd waarvan niet kan worden gezegd dat zij in vrijheid zijn afgelegd. Bij schriftelijke vragen zal, aldus de wetgever, in de regel geen sprake zijn van een verhoor en behoeft dus geen cautie te worden gegeven. Dat is alleen anders indien door bijzondere omstandigheden van een schriftelijke vraag een zodanige druk om te antwoorden zou uitgaan dat materieel sprake is van een verhoor (Kamerstukken II 2003/04, 29702, nr. 3).



5.10.3.
Belanghebbende heeft gesteld dat uit het onder 2.15.1 bedoelde verzoek om informatie is op te maken dat, in het geval dat belanghebbende niet reageert en/of geen kwitanties of andere schriftelijke bewijsmiddelen overlegt, de giftenaftrek zal worden geweigerd en dat daarom sprake is van een bijzondere omstandigheid als bedoeld in 5.10.2, waarbij van het schriftelijke informatieverzoek een zodanige druk uitgaat dat materieel sprake is van een verhoor.



5.10.4.
Naar het oordeel van het Hof gaat – anders dan belanghebbende betoogt – van de brief waarin de Inspecteur verzoekt om bewijs van de giften (zie onder 2.15.1) niet een zodanige druk uit dat geoordeeld kan worden dat zijn reactie daarop niet in vrijheid is afgelegd. De in de brief verzochte informatie ten aanzien van de beoordeling van de giftenaftrek is immers wettelijk vereist voor de toekenning van die giftenaftrek, hetgeen bij een belastingplichtige die gebruik wenst te maken van contante giftenaftrek bekend zal zijn of behoort te zijn. Bij dat oordeel is van belang dat, gelijk de Inspecteur ter zitting heeft aangevoerd, ten tijde van de verzoeken om informatie geen sprake was van verdenking van een strafbaar feit en dus ook niet van een op te leggen boete. Een en ander leidt tot de conclusie dat van een cautieplicht geen sprake was.


De hoogte van de boete



5.11.1.
De Inspecteur heeft de boete bepaald op 75%, te weten 50% vanwege opzet van belanghebbende verhoogd met 25% wegens strafverzwarende omstandigheden als bedoeld in paragraaf 8 van het Besluit Bestuurlijke Boeten Belastingdienst (het Besluit; tekst 2013). Ingevolge laatstvermelde bepaling is voor het in aanmerking nemen van strafverzwarende omstandigheden in elk geval aanleiding indien sprake is van listigheid, valsheid of samenspanning.



5.11.2.
De Inspecteur heeft gesteld dat het gebruik maken van falsificaties (de valse giftkwitanties) geldt als een strafverzwarende omstandigheid.




5.11.3.
Gelet op hetgeen in 5.8.1 tot en met 5.9.6 is overwogen acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende zich schuldig heeft gemaakt aan het willens en wetens doen van een onjuiste aangifte als gevolg waarvan de aanslag tot een te laag bedrag is vastgesteld. Gelet op de ernst van de gedragingen, te weten het gebruikmaken van valse giftkwitanties, acht het Hof de opgelegde boete van 75% van het nagevorderde bedrag passend en geboden. Voor een door belanghebbende bepleite matiging van de boete wegens disproportionaliteit ziet het Hof geen aanleiding.



5.11.4.
Belanghebbende heeft in eerste aanleg gesteld dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn van de bezwaar- en beroepsprocedure zoals bedoeld in artikel 6 EVRM. Niet in geschil is dat de redelijke termijn met ruim elf maanden is overschreden. Voor de aan de overschrijding verbonden consequenties hanteert het Hof de uitgangspunten van het Gerechtshof Amsterdam zoals neergelegd in de uitspraak van 2 juli 2009, ECLI:NL:GHAMS:2009:BJ1298. Het Hof zal de boete daarom met 10% verminderen, zoals ook de Inspecteur ter zitting heeft gesteld. De boete wordt derhalve verminderd met een bedrag van (afgerond) € 120 tot (afgerond) € 1.075.


Slotsom




5.12.
Gelet op het hiervoor overwogene is het hoger beroep ongegrond en het incidenteel hoger beroep gegrond.





Proceskosten

6. Het Hof ziet geen aanleiding de Inspecteur te veroordelen in de door belanghebbende gemaakte proceskosten in hoger beroep.





Beslissing

Het Gerechtshof:


vernietigt de uitspraak van de Rechtbank voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking voor het jaar 2013;


bevestigt de uitspraak van de Rechtbank voor het overige;


vernietigt de uitspraak op bezwaar voor het jaar 2013 voor zover deze betrekking heeft op de boetebeschikking; en


vermindert de vergrijpboete voor het jaar 2013 tot € 1.075.




Deze uitspraak is vastgesteld door Chr.Th.P.M. Zandhuis, P.J.J. Vonk en H.A.J. Kroon en in tegenwoordigheid van de griffier E.J. Nederveen. De beslissing is op 23 september 2021 in het openbaar uitgesproken.







aangetekend aan
partijen verzonden:








Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.


Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.


Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).



Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:

a. - de naam en het adres van de indiener;


b. - de dagtekening;


c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;


d. - de gronden van het beroep in cassatie.



Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.
Link naar deze uitspraak