Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Peter Houtsma)
ECLI:NL:RBMNE:2022:4961 
 
Datum uitspraak:02-11-2022
Datum gepubliceerd:28-11-2022
Instantie:Rechtbank Midden-Nederland
Zaaknummers:9446942 UC EXPL 21-6708 9446942 UC EXPL 21-6708
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Huur woonruimte; artikel 7:267 lid 1 BW; gezamenlijke vordering van huurster en haar volwassen, inwonende zoon om aan zoon medehuurderschap en vervolgens huurderschap toe te kennen; huurster heeft de huur al opgezegd en is verhuisd naar seniorenwoning; ontvankelijkheid. Deze zaak is gelijktijdig met de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 9444567 UC EXPL 216641 ECLI:NL:RBMNE:2022:4962 behandeld.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
huurovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Civiel recht
kantonrechter

locatie Utrecht



Vonnis van 2 november 2022


zaaknummer: 9446942 UC EXPL 21-6708 aw/1370
in de zaak



1 [eiseres sub 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [eiseres sub 1] ,
2. [eiser sub 2],
wonende te [woonplaats] ,
verder ook te noemen: [eiser sub 2] ,
eisende partijen,
gemachtigde: mr. R.J. Ouderdorp,
tegen:
de stichting

Stichting Portaal,
gevestigd te Utrecht,
verder ook te noemen: Portaal,
gedaagde partij,
gemachtigde: mr. M. van den Oord.




1Het verloop van de procedure
Hoe de procedure is verlopen, blijkt uit het volgende:


de dagvaarding met 11 producties is op 10 september 2021 bij Portaal bezorgd,


Portaal heeft schriftelijk op de dagvaarding gereageerd (conclusie van antwoord). Zij heeft 11 producties bijgevoegd. In de conclusie van antwoord heeft Portaal de kantonrechter gevraagd de zaak te voegen met de bij de kantonrechter aanhangige procedure tussen dezelfde partijen waarbij Portaal eiseres is, met zaaknummer 9444567 UC EXPL 21-6641. In die zaak hebben ook [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in de conclusie van antwoord om voeging gevraagd,



[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben hun eis gewijzigd,



[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben de aanvullende producties 12 tot en met 16 toegezonden,


bij brief van 5 november 2021 heeft de griffier van deze rechtbank aan partijen bericht dat beide zaken op verzoek van partijen gevoegd behandeld zullen worden en dat in beide zaken een mondelinge behandeling zal worden gehouden op een nader te bepalen datum,


die mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2022 gelijktijdig met de mondelinge behandeling van de zaak met zaaknummer 9444567 UC EXPL 216641. Verschenen zijn de heer [eiser sub 2] , vergezeld van mr. R.J. Ouderdorp. Mevrouw [eiseres sub 1] is niet verschenen. Namens Portaal zijn verschenen mevrouw [A] , sociaal beheerder bij Portaal, en mr. M. van den Oord, gemachtigde. Van wat er is besproken heeft de griffier – kort en zakelijk weergeven - aantekening gemaakt. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben een pleitnota overgelegd en die voorgedragen. Partijen hebben er ter zitting mee ingestemd dat hun ter zitting afgelegde verklaringen door de kantonrechter in beide zaken worden meegenomen. Aan het slot van de zitting heeft de kantonrechter meegedeeld dat vonnis zal worden gewezen op 2 november 2022.






2De feiten


2.1.

[eiseres sub 1] , nu 66 jaar oud, heeft met ingang van 1 juni 1985 samen met haar toenmalige partner van Portaal gehuurd de sociale huurwoning op het adres [adres] in [woonplaats] (hierna: de woning). Het betreft een eengezinswoning met drie slaapkamers en een tuin. Na het vertrek van haar ex-partner in 2013 is zij enig huurder van de woning geworden.



2.2.

[eiser sub 2] , geboren op [1985] en nu 36 jaar oud, is de zoon van [eiseres sub 1] en haar ex-partner. Hij heeft zijn hele leven in de woning gewoond, eerst met zijn beide ouders en na het vertrek van zijn vader in 2013, samen met zijn moeder.



2.3.

[eiser sub 2] is (in elk geval) sinds 2006 ingeschreven als woningzoekende op Woningnet Regio Utrecht, als eenpersoonshuishouden. [eiseres sub 1] is sinds 18 februari 2015 ingeschreven als woningzoekende op Woningnet Regio Utrecht, ook als eenpersoonshuishouden.



2.4.

[eiser sub 2] heeft te maken gehad met verslavingsproblemen (gokken en cocaïne). In 2015/2016 is hij daarvoor behandeld.



2.5.
Op 9 mei 2019 heeft [eiseres sub 1] telefonisch contact opgenomen met Portaal. Naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft Portaal aan [eiseres sub 1] een brief gedateerd 9 mei 2019 toegestuurd met de volgende inhoud:

“Vandaag hebben wij elkaar telefonisch gesproken. U vroeg zich af of uw zoon in de woning mag blijven wonen als u wat overkomt. In deze brief leest u mijn reactie.


Het is voor uw zoon
niet
mogelijk om in de woning te blijven wonen. Als u wat overkomt zal hij de woning moeten verlaten. Ik adviseer uw zoon om tijdig op zoek te gaan naar andere passende woonruimte. Verhuizen in een stressvolle en emotionele situatie is niet prettig. U heeft aangegeven dat uw zoon al 15 jaar staat ingeschreven bij woningnet als woningzoekende. Met deze inschrijftijd zal hij hopelijk snel een passende woning moeten kunnen vinden.


Ook heeft u aangegeven dat uw woning te groot is voor u alleen. U kunt met behulp van de Wooncoach Stichtse Vecht kijken welke mogelijkheden er zijn om te verhuizen. U kunt hen op dinsdag en woensdag tussen 10.00 en 12.00 uur bereiken op: (….) of mailen naar (…). De dienstverlening is gratis en vrijblijvend.(…)”




2.6.
Eind 2020 hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een formulier ingevuld voor het verkrijgen van medehuurderschap voor [eiser sub 2] en dat formulier per e-mail van 3 januari 2021 aan Portaal toegezonden.



2.7.
Bij brief aan [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] van 5 januari 2021 heeft Portaal het verzoek om [eiser sub 2] als medehuurder van de woning aan te merken, afgewezen. Daarop heeft alleen [eiser sub 2] een klacht ingediend bij de Klachtencommissie Woningcorporaties Regio Utrecht (hierna: de Klachtencommissie). Op 20 april 2021 heeft de Klachtencommissie de klacht van [eiser sub 2] ongegrond verklaard.



2.8.
Op woensdag 19 mei 2021 heeft Portaal aan [eiseres sub 1] per e-mail bericht dat zij in aanmerking komt voor de seniorenwoning aan de [adres] in [woonplaats] , op voorwaarde dat zij de huurovereenkomst voor de huidige woning uiterlijk vrijdag 16:00 uur opzegt via het bijgevoegde formulier. Vervolgens heeft [eiseres sub 1] op 20 mei 2021 door retournering aan Portaal van het door haar ingevulde en ondertekende opzeggingsformulier de huur voor de woning opgezegd tegen 30 september 2021. Zij heeft de huurovereenkomst voor de woning aan de [adres] (hierna ook: de seniorenwoning) getekend op 21 mei 2021. De ingangsdatum van de huur van de seniorenwoning is 26 mei 2021.



2.9.
Portaal heeft de huuropzegging met betrekking tot de woning op 21 mei 2021 per email aan [eiseres sub 1] bevestigd. Bij brief aan [eiseres sub 1] van 27 mei 2021 heeft zij dat nogmaals gedaan en heeft zij aan [eiseres sub 1] instructies gegeven voor de oplevering van de woning.



2.10.

[eiser sub 2] heeft een advocaat ingeschakeld, die bij brief aan Portaal van 2 juni 2021 namens [eiser sub 2] nogmaals aanspraak heeft gemaakt op toekenning van het medehuurderschap. Portaal heeft dat geweigerd. Daarna hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tezamen een advocaat ingeschakeld, die Portaal bij brief van 12 juli 2021 eenzelfde verzoek heeft gedaan. Portaal is bij haar standpunt gebleven dat [eiser sub 2] geen recht heeft op medehuurderschap en dat hij vóór 30 september 2021 uit de woning moet vertrekken omdat [eiseres sub 1] de huur heeft opgezegd.



2.11.

[eiseres sub 1] is in juli 2021 naar de woning aan de [adres] verhuisd. Zij heeft de woning aan de [adres] bij het einde van de tussen haar en Portaal gesloten huurovereenkomst, dat is 30 september 2021, niet ontruimd aan Portaal opgeleverd. [eiser sub 2] is in die woning blijven wonen.






3De vorderingen en het verweer

3.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen – na wijziging van eis – dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:


Portaal zal veroordelen om het medehuurderschap van de woning toe te kennen bij voorkeur reeds vanaf (1) januari 2021, dan wel zoveel later als redelijk is, naar aanleiding van de aanvraag van het medehuurderschap door eisers, en/of, ervan uitgaande dat de huurovereenkomst met betrekking tot de woning tussen [eiseres sub 1] en Portaal rechtsgeldig is geëindigd per 1 oktober 2021, [eiser sub 2] vanaf 1 oktober 2021 als huurder van voormelde woning te accepteren en de huurovereenkomst per die datum op zijn naam voort te zetten,


Portaal zal veroordelen om aan hen te betalen een schadevergoeding van € 2.800,00;


Portaal zal veroordelen in de proceskosten te vermeerderen met de wettelijke rente en de nakosten.




3.2.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan hun vorderingen – samengevat – ten grondslag dat [eiser sub 2] met [eiseres sub 1] een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft gevoerd als bedoeld in het eerste lid van artikel 7:267 van het Burgerlijk Wetboek (BW). Hij verblijft al zijn hele leven in de woning en hij staat als woonachtig op het adres van de woning ingeschreven in de Basis Registratie Personen (BRP). Aan de gemeenschappelijke huishouding is een einde gekomen door de noodzakelijke verhuizing van [eiseres sub 1] in juli 2021 naar een seniorenwoning, om gezondheidsredenen. Vóór die verhuizing hebben [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot tweemaal toe het medehuurderschap voor [eiser sub 2] bij Portaal aangevraagd, maar Portaal heeft dat ten onrechte geweigerd. Op 19 mei 2021 heeft [eiseres sub 1] van Portaal gehoord dat er een seniorenwoning gevonden was en dat zij binnen twee dagen de huur voor de woning moest opzeggen om voor die seniorenwoning in aanmerking te komen. Portaal heeft in strijd met goed verhuurderschap gehandeld door haar nauwelijks bedenktijd te geven om de huur van de woning op te zeggen en haar te verplichten per direct de huurovereenkomst voor de seniorenwoning te sluiten, met als gevolg dubbele huurlasten. Portaal pleegt daardoor wanprestatie subsidiair handelt in strijd met de redelijkheid en billijkheid. De schade die zij daardoor lijdt bedraagt tenminste € 2.800,00 aan dubbele huur.



3.3.
Portaal stelt dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] de vordering tot toekenning van medehuurderschap te laat hebben ingesteld; bij het uitbrengen van de dagvaarding was de samenleving al beëindigd en de huur van de woning opgezegd. Het zou in strijd zijn met de rechtszekerheid dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als onder die omstandigheden nog een gezamenlijke vordering tot medehuurderschap zou kunnen worden ingesteld. Portaal betwist dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] een duurzame gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, als bedoel in het eerste lid van artikel 7:267 van het BW. De vordering tot toekenning van medehuurderschap moet volgens Portaal al om die reden worden afgewezen. Daarnaast constateert Portaal dat [eiser sub 2] niet beschikt over de vereiste huisvestingsvergunning voor de woning, hetgeen eraan in de weg staat dat hij huurder wordt. Portaal betwist dat sprake is van bedrog dan wel dat zij [eiseres sub 1] onder druk heeft gezegd door haar te vragen binnen twee dagen de huurovereenkomst voor de woning op te zeggen als zij in aanmerking wilde komen voor de vrijgekomen seniorenwoning. [eiseres sub 1] had de seniorenwoning in kwestie namelijk al langere tijd (sinds januari 2021) op het oog en daarover was tussen partijen al herhaaldelijk gesproken. Ook stelt zij dat het de keuze van [eiseres sub 1] zelf is geweest om de huur voor de woning op te zeggen op een langere termijn, namelijk tegen 30 september 2021, met als gevolg dubbele huurlasten. Dat heeft zij gedaan omdat ook [eiser sub 2] moest verhuizen. Van schade is geen sprake; zij heeft ook het huurrecht van twee woningen gehad. Portaal concludeert dan ook tot afwijzing van de vorderingen en zij vraagt de kantonrechter om [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] te veroordelen in de kosten van de procedure en de nakosten en het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.






4De beoordeling
Ontvankelijkheid

4.1.

[eiseres sub 1] heeft de tussen haar en Portaal gesloten huurovereenkomst van de woning tegen 30 september 2021 opgezegd. De dagvaarding is uitgebracht op 10 september 2021. Het feit dat deze huurovereenkomst inmiddels door opzegging is geëindigd is geen reden om de vordering van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] tot toekenning van het medehuurderschap aan [eiser sub 2] niet inhoudelijk te beoordelen omdat – zoals Portaal heeft aangevoerd – die vordering te laat zou zijn ingesteld. De wet schrijft voor het instellen van die vordering immers geen termijn voor en op het moment dat de vordering is ingesteld was [eiseres sub 1] nog huurder van de woning. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] zijn ontvankelijk in hun vordering.


Redelijkheid en billijkheid, rechtszekerheid




4.2.
Portaal heeft verder aangevoerd dat het tijdstip waarop de vordering tot toekenning van medehuurderschap is ingesteld in strijd is met de redelijkheid en billijkheid en de rechtszekerheid. De samenleving tussen [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is al in juli 2021 geëindigd, terwijl de vordering pas op 10 september 2021 is ingesteld. Zij hebben met het instellen van die vordering onredelijk lang gewacht en die vordering niet zo spoedig na de beëindiging van de samenwoning ingesteld als in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon worden gevergd. Portaal verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 14 augustus 2015 (ECLI:NL:HR:2015:2193).



4.3.
Dit standpunt van Portaal kan niet worden gevolgd. Voornoemde uitspraak van de Hoge Raad gaat over het moment dat het gezamenlijk verzoek tot het toekennen van medehuurderschap aan de verhuurder wordt gedaan, nadat de samenwoning is geëindigd. Het gezamenlijk verzoek aan Portaal tot toekenning van medehuurderschap is in dit geval al in januari 2021 gedaan, ruim vóór het einde van de samenwoning. Nadat Portaal dat verzoek had afgewezen heeft [eiser sub 2] direct bij Portaal geprotesteerd en zich daarna gewend tot de Klachtencommissie. Deze heeft zowel Portaal als [eiser sub 2] gehoord en daarna de klacht ongegrond verklaard op 20 april 2021, waarna [eiser sub 2] een advocaat heeft ingeschakeld, die Portaal op 2 juni 2021 heeft verzocht aan [eiser sub 2] het medehuurderschap toe te kennen. Op 2 juli 2021 is Portaal nogmaals aangeschreven door een advocaat, namens [eiser sub 2] en [eiseres sub 1] gezamenlijk. Het was Portaal daarom al die tijd duidelijk dat in elk geval [eiser sub 2] zich niet wilde neerleggen bij de weigering van Portaal om aan hem als medehuurder van de woning te accepteren. Van strijd met de redelijkheid en billijkheid of rechtszekerheid wegens het tijdstip waarop de vordering is ingesteld, is daarom geen sprake.


Medehuurderschap/huurderschap




4.4.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vragen de kantonrechter om aan [eiser sub 2] het medehuurderschap toe te kennen per januari 2021, op grond van het eerste lid van artikel 7:267 van het BW.

In het derde lid van artikel 7:267 van het BW is onder sub a tot en met c bepaald in welke gevallen de rechter die vordering tot het bepalen van medehuurderschap afwijst. Het gaat om de volgende situaties:


a) de beoogd medehuurder heeft niet gedurende tenminste twee jaar zijn hoofdverblijf in het gehuurde en heeft niet met de hoofdhuurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding;


b) de vordering heeft kennelijk slechts de strekking om de beoogd medehuurder op korte termijn de positie van huurder te verschaffen; en


c) de beoogd medehuurder biedt vanuit financieel oogpunt onvoldoende waarborg voor een behoorlijke nakoming van de huur.



Als een van deze situaties zich voordoet, moet de kantonrechter de vordering tot het bepalen van medehuurderschap afwijzen. De kantonrechter heeft dan niet de mogelijkheid om anders te beslissen.



4.5.
In dit geval is de tussen [eiseres sub 1] en Portaal gesloten huurovereenkomst geëindigd op 30 september 2021. [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] vorderen daarom ook dat de kantonrechter zal bepalen dat [eiser sub 2] met ingang van 1 oktober 2021 huurder van de woning zal zijn. Die vordering is gebaseerd op het zesde lid, in samenhang met het vijfde lid, van artikel 7:267 van het BW, waarin is vermeld dat als de huur ten aanzien van de huurder eindigt en het gaat om een sociale huurwoning, de medehuurder huurder van de woning wordt als de rechter dat heeft bepaald.



4.6.
De kantonrechter is van oordeel dat in dit geval aan vereiste (a) voor het verkrijgen van medehuurderschap, namelijk de duurzame gemeenschappelijke huishouding tussen de huurder en de beoogd medehuurder, niet is voldaan. De vorderingen tot het toekennen van medehuurderschap per januari 2021 en huurderschap per 1 oktober 2021, moeten daarom worden afgewezen. Het volgende is daartoe redengevend.


4.6.1.
Bij de beoordeling van het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding spelen zowel objectieve en subjectieve factoren een rol. Er moet niet alleen feitelijk sprake zijn (geweest) van een gemeenschappelijke huishouding, maar de huurder en de beoogde medehuurder moeten ook de bedoeling hebben (gehad) om duurzaam op die manier met elkaar samen te leven.



4.6.2.
Volgens vaste jurisprudentie moet er bij de samenwoning van een ouder met een volwassen kind, zoals ook hier aan de orde is, in beginsel van uit worden gegaan dat er geen sprake is van een duurzame gemeenschappelijke huishouding: het is de bedoeling dat volwassen geworden kinderen op enig moment “uitvliegen”. Alleen als er bijzondere omstandigheden zijn kan daarover anders geoordeeld worden. Als er veronderstellenderwijs vanuit wordt gegaan dat [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] inderdaad vanaf het vertrek van de vader van [eiser sub 2] in 2013 tot aan de verhuizing van [eiseres sub 1] in juli 2021 een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, zoals zij stellen, dan betekent dat nog niet dat zij allebei ook de wil en de bedoeling hebben gehad duurzaam met elkaar samen te wonen. Uit hun handelen en uit hun verklaringen blijkt het tegendeel.



4.6.3.
Allereerst merkt de kantonrechter op dat [eiser sub 2] zich volgens Portaal in 2006 als woningzoekende heeft ingeschreven als een eenpersoonshuishouden. Volgens [eiser sub 2] zelf had hij in 2021 een inschrijfduur van 18 jaar (zie hierna onder 4.6.5.). Daarvan uitgaande heeft hij zich dus als woningzoekende laten inschrijven toen hij 18 jaar oud was. Een inschrijving op die leeftijd duidt erop dat hij de bedoeling heeft gehad, zoals bij jongeren gebruikelijk is, om niet bij zijn ouders te blijven wonen maar zodra dat mogelijk is elders zelfstandig een woning te huren. Dat hij in al die jaren nooit van de gelegenheid gebruik heeft gemaakt om via Woningnet voor zichzelf een woning te huren is niet omdat hij bij zijn moeder wilde blijven wonen, maar omdat hij als eenpersoonshuishouden niet in aanmerking bleek te komen voor de door hem gewenste eengezinswoning met tuin en schuur (zie ook hierna onder 4.6.5.).



4.6.4.
In 2015/2016 heeft [eiser sub 2] te maken gehad met verslavingsproblematiek, waarvoor hij is behandeld. Hij heeft een verslag van zijn behandelaar overgelegd (productie 2 bij dagvaarding, een eindevaluatie gedateerd 6 juni 2016). Uit dat verslag blijkt dat de relatie tussen [eiser sub 2] en zijn moeder in elk geval bij aanvang van de behandeling moeizaam was. Ook blijkt uit dat verslag dat één van de doelen die [eiser sub 2] zich heeft gesteld is dat hij “een huisje” wil huren of kopen (pagina 2 van dat verslag). Ook dit duidt erop dat hij niet van plan was duurzaam met zijn moeder samen te blijven wonen.



4.6.5.
Verder heeft [eiser sub 2] bij het gezamenlijk verzoek tot toekenning van medehuurderschap, ter toelichting op dat verzoek, het volgende aan Portaal geschreven, per e-mail van 3 januari 2021 (productie 2 bij conclusie van antwoord):

“na aanleiding van app gesprek met [B] heb ik formulier ingevuld en heb een uitreksel erbij gedaan dat ik hier nu 35 jaar aan een gesloten woon en 8jaar mee betaal aan de kosten heb voor 5jaar afschriften erbij gedaan 500euro in de maand naar me moeder is gegaan voor rekeningen van de [adres] en ik heb er heel veel werk aan gehad te onderhouden. het huis heeft jongs leden nieuwe electra gekregen nieuwe plafons erin boardt in eruit gehaaldt nu nog een plafon ga ik van de week doen. Zou er graag in blijven wonen, want ben heel druk geweest met zoeken maar is onmogelijk hypotheken zijn heel hoog soort gelijken woning krijg ik niet omdat ik nu nog alleen ben maar wel een relatie aan zit te komen en voor mij in een flat onmogelijk is omdat ik altijd bezig ben en in een flat dat onmogelijk is voor overlast en ik voel me hier thuis en wil plezierig blijven wonen en ik weet wat ik nu heb.”

Nadat Portaal het verzoek tot toekenning van medehuurderschap had afgewezen, heeft [eiser sub 2] aan een medewerkster van Portaal nog het volgende geschreven, per e-mail van 7 januari 2021 (productie 4 bij conclusie van antwoord):

“Excuus dat ik weer een email stuur (…) ik raak in een klap alles kwijt me baan me hond me hobbie me rust kan niet meer meubels maken in de tuin raak wat ik in een flat helemaal niet kan gelloof me ben al 10 jaar aan reageren maar krijg niks omdat ik nog alleen ben en met tuin wil waar ik een schuur moet maken waar mijn gereedschap in kwijt kan voor al me gereedschap materialen ik ben allround vakman heb echt hele huis van binnen gerenoveerdt ben er geboren mijn hond kan naar buiten door kattenluik gaat in flat niet ben werken hele dag dus mijn grootste liefde wat ik heb op dit moment naar alle tegen slagen afgelopen jaar operatie 6000 euro voor me hond dus moet me baan opzeggen of me hond eruit never nooidt AUB IS ER EEN UITZONDERING TE MAKEN WANT IK BEN IN EEN KLAP ALLES KWIJT sta 18jaar ingeschreven reageer overal met tuin krijg helemaal niks hoop dat u een hart heeft en uitzondering kan maken”

Uit die e-mailberichten van [eiser sub 2] aan Portaal blijkt dat hij erg gehecht is aan de woning en dat hij in de woning wil blijven wonen, met name omdat hij er de afgelopen tien jaar niet in is geslaagd voor zichzelf een soortgelijke, vervangende woning te huren of kopen. Het is niet onbegrijpelijk dat [eiser sub 2] in al die jaren gehecht is geraakt aan de woning en dat hij er tegenop ziet om te moeten verhuizen, maar dat is geen grond voor toekenning van het medehuurderschap. Hetzelfde geldt voor zijn voorkeur voor een eengezinswoning met tuin en schuur. Het gaat er niet om of hij de wil en de bedoeling heeft (gehad) om duurzaam van de woning gebruik te blijven maken, maar of hij de wil en de bedoeling heeft (gehad) om duurzaam met zijn moeder samen te wonen. Dat dit laatste het geval is (geweest) blijkt in elk geval niet uit voornoemde e-mailberichten aan Portaal.



4.6.6.
Van belang is verder dat [eiseres sub 1] zich al in februari 2015, dat is relatief kort na het vertrek van haar ex-partner, als woningzoekende heeft ingeschreven. Daarbij heeft zij een eenpersoonshuishouden opgegeven. Zij heeft kennelijk het plan opgevat om op enig moment te verhuizen naar een andere woning, zonder [eiser sub 2] . In die periode had [eiser sub 2] te kampen met verslavingsproblematiek, waarvoor hij in behandeling is geweest en was de relatie tussen moeder en zoon moeizaam (zie hiervoor onder 4.6.4.). Uit de brief die Portaal op 9 mei 2019 aan [eiseres sub 1] heeft toegestuurd, waarin Portaal aan haar bevestigt wat in het met haar gevoerde telefoongesprek is besproken, blijkt dat zij toen de wens heeft geuit om kleiner te gaan wonen – wat zij in juli 2021 ook daadwerkelijk heeft gedaan –. Ook daaruit kan worden afgeleid dat zij niet van plan was om na het vertrek van haar ex-partner duurzaam met haar zoon samen te blijven wonen. Hierbij heeft de kantonrechter in aanmerking genomen dat gesteld noch gebleken is dat [eiseres sub 1] (kort) na ontvangst van de brief van 9 mei 2019 de juistheid van de inhoud daarvan heeft weersproken.



4.6.7.

[eiseres sub 1] heeft daarnaast onvoldoende weersproken dat zij op het moment dat het gezamenlijk verzoek tot toekenning van medehuurderschap is gedaan, begin januari 2021, al actief bezig was met het verkrijgen van andere woonruimte voor haarzelf en dat zij de seniorenwoning waarnaar zij in juli 2021 is verhuisd toen al op het oog had. Portaal heeft in de conclusie van antwoord geciteerd uit de notitie die een medewerkster van Portaal heeft gemaakt van een telefoongesprek met [eiseres sub 1] gevoerd op 7 januari 2021. Volgens die telefoonnotitie heeft [eiseres sub 1] met Portaal telefonisch contact opgenomen en heeft zij in dat gesprek gezegd dat zij niet langer met haar zoon samen wil wonen omdat hij drugsverslaafd is en erg moeilijk en dat zij graag kleiner wil wonen. Zij heeft gezegd dat zij graag naar de woning [adres] wil die binnenkort vrij schijnt te komen. Haar tante woont daarnaast. [eiseres sub 1] was in dat gesprek erg emotioneel omdat ze het gedrag van haar zoon niet meer aankon, aldus de telefoonnotitie van Portaal (punt 15 conclusie van antwoord). Namens Portaal is ter zitting verklaard dat [eiseres sub 1] ook in 2019 een dergelijk emotioneel telefoongesprek met Portaal heeft gevoerd, waarin zij heeft gezegd zonder haar zoon te willen verhuizen naar een kleinere woning. Naar aanleiding van dat telefoongesprek heeft Portaal aan [eiseres sub 1] – naar de kantonrechter begrijpt – de brief van 9 mei 2019 verstuurd (zie onder 2.5.). [eiseres sub 1] is zelf niet ter zitting verschenen om inhoudelijk op die stellingen van Portaal te reageren. Zij kan niet volstaan met de stelling van haar gemachtigde dat zij zich de inhoud van die telefoongesprekken niet meer precies kan herinneren. Zie wat betreft de inhoud van het gesprek van 9 mei 2019 ook onder 4.6.6. staat. In rechte moet er daarom vanuit worden gegaan dat de weergave die Portaal geeft van die telefoongesprekken, juist is. Het telefoongesprek tussen [eiseres sub 1] en Portaal op 9 mei 2019, waarin [eiseres sub 1] bij Portaal geïnformeerd heeft of haar zoon in de woning mag blijven wonen mocht haar wat overkomen, kwalificeert niet als een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap, als bedoeld in de wet. Het standpunt van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] dat zij ook al in 2019 een gezamenlijk verzoek tot medehuurderschap hebben gedaan dat Portaal bij brief van 9 mei 2019 ongemotiveerd heeft afgewezen, wordt daarom verworpen.



4.6.8.
Nadat Portaal het medehuurderschap van [eiser sub 2] in januari 2021 had geweigerd heeft alleen [eiser sub 2] daarover een klacht ingediend bij de Klachtencommissie en na ongegrondverklaring daarvan door de Klachtencommissie, heeft (in eerste instantie) alleen [eiser sub 2] een advocaat ingeschakeld. [eiseres sub 1] daarentegen heeft, met gebruikmaking van de regeling “Van groot naar beter”, de haar aangeboden seniorenwoning aan de [adres] geaccepteerd en de huur van de woning aan de [adres] opgezegd. Ter zitting heeft haar gemachtigde op vragen van de kantonrechter verklaard dat zij bij de opzegging van de huur van de woning een langere opzegtermijn dan gebruikelijk heeft gekozen, om haar zoon/ [eiser sub 2] meer tijd te geven voor de verhuizing. Tot slot is [eiseres sub 1] niet ter zitting verschenen om het gezamenlijk verzoek tot toekenning van medehuurderschap toe te lichten.



4.6.9.
De kantonrechter is van oordeel dat op grond van alles wat hiervoor onder 4.6.6. en 4.6.8. is overwogen niet aannemelijk is geworden dat [eiseres sub 1] de intentie heeft gehad om duurzaam met [eiser sub 2] een gemeenschappelijke huishouding te voeren. Uit haar gedragingen en verklaringen blijkt dat zij die intentie juist niet heeft gehad. Of zij om gezondheidsredenen is verhuisd naar de seniorenwoning aan de [adres] , zoals [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben aangevoerd, kan daarom in het midden blijven. Wel is duidelijk geworden [eiseres sub 1] graag wilde dat [eiser sub 2] na haar vertrek in de woning zou kunnen blijven wonen. Dat is echter geen grond voor toekenning van medehuurderschap en Portaal heeft dat haar (en [eiser sub 2] ) ook herhaaldelijk uitgelegd.



4.6.10.
De conclusie luidt dan ook dat de vorderingen van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] om aan [eiser sub 2] het medehuurderschap toe te kennen per januari 2021 en het huurderschap per 1 oktober 2021, moeten worden afgewezen.

Schadevergoeding




4.7.
De vordering tot betaling van € 2.800,00 aan schadevergoeding wordt eveneens afgewezen, om de volgende redenen.

4.7.1.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] leggen aan die vordering ten grondslag slecht verhuurderschap, wanprestatie en handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid door Portaal, waardoor zij (of [eiseres sub 1] ) dubbele huurlasten hebben/heeft gehad. [eiseres sub 1] heeft in de periode 26 mei tot en met 30 september 2021 de huur voor de woning en voor de seniorenwoning moeten betalen. Portaal zou haar namelijk onder druk hebben gezet om snel, binnen twee dagen, de huur voor de woning op te zeggen en snel de huurovereenkomst voor de seniorenwoning te tekenen, zo begrijpt de kantonrechter het standpunt van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] .


4.7.2.
Dit standpunt van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] is onbegrijpelijk. [eiseres sub 1] heeft er zelf voor gekozen om de huur voor de woning pas tegen 30 september 2021 op te zeggen, zoals haar gemachtigde ter zitting heeft verklaard met het doel om haar zoon/ [eiser sub 2] meer tijd te geven om te verhuizen. Uiteraard moet zij over die periode waarin zij nog het huurrecht van de woning heeft, de huur doorbetalen. Er is geen verband tussen het gestelde handelen van Portaal, namelijk het aandringen op het snel opzeggen van de huurovereenkomst van de woning en het snel tekenen van de huurovereenkomst met betrekking tot de seniorenwoning, en de door haar gestelde schade.


4.7.3.
De kantonrechter ziet overigens niet in waarom sprake zou zijn van slecht verhuurderschap, wanprestatie of handelen in strijd met de redelijkheid en billijkheid door Portaal. Portaal heeft onbetwist gesteld dat [eiseres sub 1] via een voorrangsregeling in aanmerking kwam voor de door haar gewenste seniorenwoning aan de [adres] vlak bij haar tante en dat zij al maandenlang in afwachting was van dát specifieke aanbod door Portaal. Niet is gesteld of gebleken dat [eiseres sub 1] bij Portaal heeft aangegeven dat zij meer bedenktijd nodig had dan de twee dagen, genoemd in het e-mailbericht van Portaal van 19 mei 2021 (productie 6 bij dagvaarding). Zij heeft daarentegen nog dezelfde dag het door Portaal meegezonden opzegformulier ingevuld en ondertekend (productie 8 bij conclusie van antwoord). Portaal stelt dat opzegformulier de volgende dag om 09:31 uur te hebben ontvangen (punt 20 conclusie van antwoord). Die gang van zaken duidt er veeleer op dat zij de langverwachte seniorenwoning heel graag wilde huren en dat zij daarover niet lang hoefde na te denken.



4.7.4.
Op grond van al hetgeen hiervoor onder 4.7.1. tot en met 4.7.3. is overwogen wordt de gevorderde schadevergoeding, bestaande uit de dubbele huurlasten, afgewezen.


Proces- en nakosten





4.8.

[eiseres sub 1] en [eiser sub 2] hebben ongelijk gekregen. Zij worden daarom in de kosten veroordeeld. Dit betekent dat zij de eigen proceskosten dragen en de proceskosten van Portaal moeten betalen. Die proceskosten van Portaal worden tot vandaag begroot op € 327,00 aan salaris gemachtigde (1,5 punt x het tarief van € 218,00, 1 punt voor de conclusie van antwoord en 0,5 punt voor de zitting, wegens de gevoegde behandeling en de nauwe samenhang tussen de zaken).



4.9.
De nakosten worden toegewezen als hierna in de beslissing te melden.


Uitvoerbaar bij voorraad



4.10.
Portaal heeft gevorderd de kostenveroordeling ten aanzien van [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Daartegen zijn [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] niet opgekomen. Evenmin zijn feiten en/of omstandigheden gebleken die die vordering in de weg staan. Gelet op het voorgaande worden op grond van het bepaalde in artikel 233, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad verklaard.







5De beslissing

De kantonrechter:

5.1.
wijst de vorderingen af;



5.2.
veroordeelt [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] in de kosten; zij moeten de proceskosten van Portaal, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 327,00 aan salaris gemachtigde, aan haar betalen;



5.3.
veroordeelt [eiseres sub 1] en [eiser sub 2] , onder de voorwaarde dat zij niet binnen 14 dagen na aanschrijving door Portaal volledig aan dit vonnis voldoen, in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 124,00 aan salaris gemachtigde, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;



5.4.
verklaart deze kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 2 november 2022.
Link naar deze uitspraak