|
|
ECLI:NL:RBGEL:2025:6553 | | | Datum uitspraak | : | 06-08-2025 | Datum gepubliceerd | : | 14-08-2025 | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | Zaaknummers | : | C/05/427129 | Rechtsgebied | : | Civiel recht | Indicatie | : | Eindvonnis na bewijsopdracht. Bewijs niet geleverd. | Trefwoorden | : | mestkelder | | | stallen | | Uitspraak | RECHTBANK Gelderland
Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/427129 / HZ ZA 23-396
Vonnis van 6 augustus 2025
in de zaak van
[eiser]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
advocaat: mr. J.T. Fuller,
tegen
BCF B.V.,
te Ermelo,
gedaagde partij,
hierna te noemen: BCF B.V.,
advocaat: mr. M.J.W. van Osch.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 21 mei 2025
- de akte van [eiser] van 4 juni 2025.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De verdere beoordeling
2.1.
Bij tussenvonnis van 18 december 2024 is [eiser] in de gelegenheid gesteld om te bewijzen dat partijen zijn overeengekomen dat de betonblokken geschikt waren om te gebruiken voor het bouwen van een mestkelder op een wijze zoals door [eiser] gerealiseerd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen (in r.o. 4.3) dat als [naam 1] mededelingen heeft gedaan op basis waarvan [eiser] mocht verwachten dat de bestelde en geleverde betonblokken geschikt waren voor het door [eiser] beoogde gebruik en de door hem gekozen wijze van verwerken, BCF aansprakelijk is voor de schade die [eiser] heeft geleden (gelet op art. 6:74 BW en art. 7:17 BW).
2.2.
[eiser] heeft verklaard:
“Op vragen van de rechter antwoord ik:
Ik heb besproken met [naam 1] , ik heb gezegd dat ik blokken voor een mestkelder wilde hebben en ik heb zelf, ik ben ook bouwvakker, wel aangegeven dat ik klinkerkwaliteit wilde hebben. [naam 1] wist ook dat die blokken voor een mestkelder waren, hij heeft ook veel meer materialen eerder en ook later aan ons geleverd. Ik heb tegen iedereen die ik daarover heb gesproken, ik heb een mevrouw aan de telefoon gehad, maar ik weet niet meer wie, besproken dat ik blokken moest hebben voor een mestkelder. Ik wou die blokken gaan lijmen, dat is ook prima, dat zou ook sterker zijn dan wanneer ik het zou metselen. Ik heb met [naam 1] niet gesproken over verwerkingsvoorschriften voor die blokken, ik ben, zeg maar, niet gewaarschuwd voor iets dergelijks. Ik heb de blokken gekocht toen [naam 1] ( [naam 1] ) direct naast mij in de kelder stond. De heer [naam 1] was dus bij mij ter plaatse toen ik de bestelling deed. [naam 1] kwam bij mij in die put en toen vroeg hij mij: “heb jij de offerte gezien van die blokken?” Daarop zei ik: “Ja die offerte heb ik gezien, maar dat zijn volgens mij niet de blokken die ik nodig heb voor een mestkelder, die blokken zijn veel goedkoper.”
[naam 1] zei: “ik ga bellen voor jou” en dat heeft hij direct gedaan. Ik geloof dat hij met [bedrijf 1] heeft gebeld, maar dat weet ik niet zeker. Na het bellen zei [naam 1] tegen mij: “je kunt andere blokken nemen en dat zijn metselblokken maar die kun je ook lijmen, maar dat ziet er niet zo mooi uit”. Normaal kan dat niet, maar in een mestkelder hoeft dat er niet zo mooi uit te zien. Op een vraag van de rechter of ik en mijn echtgenote eigenaar zijn van de mestkelder antwoord ik: wij hebben samen een maatschap en zijn getrouwd, wij zijn beide eigenaar van die mestkelder.
Op vragen van [naam 2] antwoord ik:
Tijdens de bouw is [naam 1] ook nog in de mestkelder geweest. Ik heb ongeveer 3 jaar gedaan over de bouw van de stal, ik heb dat in fases gedaan, [naam 1] kwam soms wekelijks, soms een paar keer in de maand bij mij langs en dan dronken wij thee of koffie, hij nam thee.
Op vragen van mr. Van Osch antwoord ik:
Het is zeker 3 jaar geleden dat ik voor het laatst zaken heb gedaan met [naam 1] , ik heb een zomerhuisje gebouwd en daarvoor heb ik een keukenblokje gekocht bij [naam 1] , hij had dat in de aanbieding. Dat is het laatste wat ik met hem gedaan heb. Ik heb voor dit getuigenverhoor [naam 1] niet benaderd. Ik heb wel een appje van hem gekregen waarin hij zegt dat beide partijen hem hebben benaderd in verband met het getuigenverhoor, maar ik heb hem niet benaderd. Dus ik vond het vreemd.”.
2.3.
De echtgenote van [eiser] heeft verklaard:
“Op vragen van de rechter antwoord ik:
Ik ben zelf niet bij die afspraak over de betonblokken geweest, ik open de mails met de offertes. Er staat boven die offertes altijd: bouw nieuwe stal [eiser] . Ik heb over de blokken zelf niet met [naam 1] gesproken, wel over de bouw van de stal. Wij zijn daar 3 jaar mee aan het bouwen geweest. [naam 1] kwam in die periode regelmatig langs, ook voor ander werk, maar ook voor de stallen. Over verwerkingsvoorschriften voor die blokken is nooit in een mail iets voorbij gekomen. Mijn man heeft het er ook nooit over gehad. Ik weet niets over een beschermingslaag die op die blokken zou moeten worden aangebracht. Wat de verwerking betreft, ik weet wel iets over het verlijmen van de blokken, er is een lijmbak voor besteld waarmee het makkelijker verwerkt zou kunnen worden. Ik zit nog steeds in een maatschap met mijn man. Ik ben ook eigenaar van die stallen. Ik voer ook de beesten.”.
2.4.
[naam 1] heeft het hierna volgende verklaard.
Op vragen van de rechter:
“In de periode dat [eiser] die stallen bouwde hebben wij zeker contact met elkaar gehad. Alle bestellingen die in die tijd via [eiser] gedaan werden kwamen via mij, dus ook de blokken voor de mestkelder.
Ik weet niet meer 100 % wat wij hebben besproken over die blokken, het is al bijna 10 jaar geleden, maar het staat mij bij dat wij hebben gesproken over klinkerkwaliteit.
Klinkerkwaliteit was nodig omdat die blokken in de mestkelder gingen. Ik weet niet of [eiser] ook klinkerkwaliteit heeft gekregen. Ik denk dat ik [eiser] wel heb geadviseerd over welke blokken hij moest kopen. Dat er klinkerkwaliteit nodig was daar is sowieso over gesproken. Ik zag in het rapport dat er in eerste instantie was gekozen voor andere blokken, maar welke blokken er daarna gekozen zijn, dat weet ik niet meer. Bij de uitnodiging om hier als getuige te komen zat een samenvatting van hoe de zaak tot nu toe verlopen is. Die uitnodiging is aan mij gestuurd door mr. [naam 3]. Over een opofferlaag of beschermlaag is destijds niet gesproken. Ik kan mij herinneren, in de tijd dat de klachten ontstonden, dat ik met collega’s, aan het zoeken ben geweest waar in de verwerkingsvoorschriften iets gestaan zou hebben over een beschermingslaag. Dat stond ergens verstopt op de website van [bedrijf 1] , dat was echt moeilijk te vinden. Tegenwoordig waarschuw ik iedereen hiervoor, ik bedoel op het moment dat iemand dit soort blokken nu bij mij bestelt is het eerste wat ik vraag: ga je het in een mestkelder doen? Dat komt door deze zaak. Destijds deed ik dat niet, omdat ik er niet van op de hoogte was.”.
Op vragen van mr. Van Osch:
“Ik werk op dit moment bij [bedrijf 2] . Ik doe geen zaken meer met [eiser] want hij is inmiddels gestopt. Ik durf niet te zeggen wanneer ik voor het laatst nog eens zaken heb gedaan met [eiser] . Ik denk dat ik niet veel zaken meer heb gedaan met [eiser] sinds ik bij [bedrijf 2] ben.
Ik heb [eiser] niet gesproken over dit verhoor. Ik heb nog wel contact met de heer [naam 4] , de voormalige eigenaar. Met [naam 4] heb ik wel over deze zaak gesproken, hij heeft mij een aantal weken geleden gebeld. Dat was een gesprek onder ons, daar heeft de heer [naam 4] een heel verslag van geappt na afloop.
Ik vraag u of u op 13 januari 2025 per whatsapp aan [naam 4] hebt medegedeeld dat u zich niet meer kan herinneren wat u destijds met [eiser] hebt besproken over de blokken? Ja dat klopt.”
Aanvullend:
“Aanvullend verklaart getuige nog dat hij het heel vervelend vindt om hier tussen te zitten omdat hij met beide partijen privé nog te maken heeft. Bij [naam 4] maak ik nog wel eens gebruik van zijn vakantiehuisje en hem kom ik tegen bij de wielrennersvereniging en bij [eiser] daar staat mijn vouwwagen nog in de stalling en daar kom altijd nog met veel plezier.”.
2.5.
In het tussenvonnis van 21 mei 2025 heeft de rechtbank [eiser] in de gelegenheid gesteld om te reageren op productie 60 van BCF. BCF heeft productie 60 in het geding gebracht ter onderbouwing van haar standpunt dat de getuigenverklaring van [naam 1] onbetrouwbaar is. Het betreft een Whatsapp-bericht van [naam 1] aan de heer [naam 4] van 13 januari 2025, waarin [naam 1] volgens BCF tegenstrijdig met zijn getuigenverklaring heeft verklaard. BCF meent dat uit het Whatsapp-bericht volgt dat er voor het getuigenverhoor contact is geweest tussen [naam 1] en [eiser] en dat [naam 1] zich niet meer kan herinneren wat destijds besproken is. [eiser] heeft gemotiveerd aangevoerd dat [naam 1] een betrouwbare getuige is. De rechtbank zal dit hierna, bij de bewijswaardering, bespreken.
Het bewijs is niet geleverd
2.6.
Bij de bewijswaardering is van belang dat de verklaring van [naam 1] het enige bewijsmiddel is naast de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote. Aan de verklaringen van [eiser] en zijn echtgenote kan slechts beperkte bewijswaarde worden gehecht, omdat zij partijgetuigen zijn. Dat betekent dat hun verklaringen over de door [eiser] te bewijzen feiten geen bewijs in [eiser] voordeel kunnen opleveren, tenzij deze verklaringen strekken ter aanvulling van onvolledig bewijs. Van dat laatste is alleen sprake als er aanvullende bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaringen voldoende geloofwaardig maken.
2.7.
Gelet op het hiervoor weergegeven kader, overweegt de rechtbank als volgt. Zowel [eiser] als [naam 1] verklaren dat zij hebben besproken dat de blokken van klinkerkwaliteit moesten zijn omdat deze bedoeld waren voor verwerking in een mestkelder. Echter, noch uit de getuigenverklaring van [eiser] , noch uit die van [naam 1] wordt duidelijk in hoeverre [naam 1] (namens [bedrijf 1] ) mededelingen heeft gedaan over de geschiktheid van de betonblokken voor het door [eiser] beoogde gebruik en met name ook niet over de door hem gekozen wijze van verwerken. [eiser] zelf verklaart weliswaar dat hij duidelijk had gemaakt dat hij betonblokken moest hebben voor een mestkelder maar er volgt niet uit dat hij met [naam 1] heeft gesproken over de wijze waarop hij die blokken zou verwerken. Integendeel, [eiser] verklaart dat hij niet met [naam 1] heeft gesproken over verwerkingsvoorschriften. In dit verband is van belang dat een van de twistpunten tussen partijen juist is dat [eiser] , die heeft verklaard ook bouwvakker te zijn en die de mestkelder zelf heeft gebouwd, zou hebben nagelaten om een zogeheten opofferlaag aan te brengen. Zie daarover ook het rapport van [bedrijf 3] (ook weergegeven in r.o. 2.11 van het tussenvonnis van 18 december 2024): “In mestkelder is sprake van een situatie waarbij sulfaten aanwezig zijn. Sulfaten tasten de cementsteen aan (…) Ook zuren zijn agressief voor beton (…) Blootstelling van beton aan zuren komt regelmatig voor in agrarische toepassingen. (…) Daarmee hangt uiteraard samen dat naarmate de druksterkte van de betonsteen toeneemt, de mate of kans op aantasting afneemt. Echter ook al zou de steen voldoen aan een sterkte 20 N/mm2, dan nog is het de vraag of deze steen in deze specifieke omstandigheden voldoende duurzaam is. (…) Een en ander wordt bevestigd door de stellingname van [bedrijf 1] dat een opofferingslaag c.q. beschermlaag nodig is.”. Het valt daarom niet uit te sluiten dat de schade is ontstaan doordat [eiser] geen opofferingslaag heeft aangebracht. Dat [eiser] had mogen verwachten dat dit niet nodig was, blijkt nergens uit. Uit de getuigenverklaringen volgt dat niet gesproken is over verwerkingsvoorschriften. Op dit punt zijn dus geen mededelingen gedaan door [naam 1] op basis waarvan [eiser] mocht verwachten dat de bestelde en geleverde betonblokken geschikt waren voor het door [eiser] beoogde gebruik en de door hem gekozen wijze van verwerken. De verklaring van de echtgenote van [eiser] biedt geen aanknopingspunten voor de te bewijzen feiten.
2.8.
Gelet op de beperkte bewijskracht van de verklaring van [eiser] is vervolgens de vraag of de verklaring van [naam 1] aanvullend bewijs oplevert dat zodanig sterk is en essentiële punten betreft dat ze de partijgetuigeverklaringen voldoende geloofwaardig maken. Dat is niet het geval. [naam 1] verklaart dat hij denkt dat hij [eiser] wel geadviseerd heeft over welke blokken hij moest kopen maar waarover precies is geadviseerd blijft onduidelijk. In het hiervoor genoemde Whatsapp-bericht van 13 januari 2025 staat: “In alle eerlijkheid kan ik mij niet meer herinneren wat ik destijds besproken heb” en “ik niet bij machte ben mijzelf te herinneren wat er letterlijk is besproken”. Dit is in overeenstemming met de verklaring van [naam 1] dat hij het “niet meer 100%” weet wat besproken is. Ook is het onduidelijk wat door [eiser] en [naam 1] wordt bedoeld met ‘klinkerkwaliteit’. [bedrijf 3] schrijft in haar rapport over dit begrip “Naar het oordeel van de deskundige vindt de benaming klinkerkwaliteit zijn oorsprong in de baksteenindustrie. Met klinkerkwaliteit wordt dan bedoeld dat het gaat om een baksteen die bij hoge temperaturen is gebakken en daardoor harder is en vooral dichter van structuur” en “dat ook [bedrijf 1] druksterkte hanteert als criterium voor de aanduiding klinker. Waarbij arbitrair de grens wordt gelegd tussen 15 en 20.”. Als de rechtbank er veronderstellenderwijs van uitgaat dat dit is wat [eiser] en [naam 1] hebben bedoeld met klinkerkwaliteit, wil dat nog niet zeggen dat [naam 1] aan [eiser] een toezegging heeft gedaan dat de blokken zonder meer geschikt waren voor de mestkelder. Daarbij spelen namelijk ook andere factoren een rol, zoals de aanwezigheid van sulfaten en zuren in een mestkelder en het al of niet aanbrengen van een opofferlaag.
2.9.
Op basis van het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat [eiser] niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. De verklaring van [naam 1] legt, naast de verklaringen van de partijgetuigen, onvoldoende gewicht in de schaal.
2.10.
[eiser] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van BCF worden begroot op:
- griffierecht
€
5.737,00
- salaris advocaat
€
8.142,00
(3 punten × € 2.714,00)
- nakosten
€
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
14.057,00
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiser] af,
3.2.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 14.057,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2025.
Op 1 januari 2025 is de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht in werking getreden. Daarbij is artikel 164 lid 2 (oud) Rv geschrapt. In deze zaak is deze bepaling nog wel van toepassing, omdat deze procedure is gestart voor 1 januari 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| |
|
|