Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2019:3023 
 
Datum uitspraak:11-07-2019
Datum gepubliceerd:29-08-2025
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:AWB - 17 _ 1918
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:revisievergunning, bouwen en strijdig gebruik, geluid en geur.
Trefwoorden:agrarisch
bestemmingsplan
bouwvergunning
buitengebied
geurhinder
koeien
melkrundveehouderij
melkvee
mestkelder
mestopslag
omgevingsvergunning
paarden
perceel
rundvee
stallen
vee
veehouderij
vrijstelling
wabo
Wetreferenties:Besluit omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Wet geurhinder en veehouderij 4
Wet geurhinder en veehouderij 5
Wet geurhinder en veehouderij 6
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummers: LEE 17/1918, LEE 17/2020 en LEE 19/735

uitspraak van de meervoudige kamer van 11 juli 2019 in de zaken tussen


[eiseres]
(gemachtigde: ir. A.K.M. van Hoof),


[eisers] ,

allen wonende te [plaats] ,
eisers en belanghebbenden in zaak LEE 19/735

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente De Wolden, verweerder
(gemachtigden: M.J. Siersema- van den Hof, R. Tap, K. Thijssen en J.Grit).

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde belanghebbende] , te [plaats] (gemachtigde: J.T.F. van Berkel), tevens eiseres in zaak LEE 19/735.




Procesverloop

Bij besluit van 20 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder aan derde -belanghebbende een omgevingsvergunning verleend voor de activiteiten milieu, handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en het uitvoeren van werk of werkzaamheden ten behoeve van het veranderen van een melkrundveehouderij op het perceel [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te [plaats] .

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld (LEE 17/1918 en LEE 17/2020).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 23 januari 2018 heeft de Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (StAB) advies uitgebracht aan de rechtbank. Vervolgens hebben eisers en verweerder gereageerd op het advies van de StAB, naar aanleiding waarvan door de StAB op 24 april 2018 aanvullend is gerapporteerd.

Op 21 februari 2019 heeft verweerder een gewijzigd besluit (6:19 Awb) genomen.

Tegen dit besluit heeft belanghebbende beroep ingesteld (19/735).

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 maart 2019. Voor eisers zijn verschenen ir. A.K.M. van Hoof, [eisers] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Voor derde-belanghebbenden zijn verschenen [namen] , haar gemachtigde J.T.F. van Berkel en [naam] .




Overwegingen

1. De rechtbank gaat voor haar oordeelsvorming uit van de volgende – door partijen niet betwiste – feiten en omstandigheden.

1.1
Op 30 juni 2000 is een revisievergunning verleend voor een melkrundveehouderij op de percelen plaatselijk bekend [adres 2] en [adres 3] te [plaats] . De vergunning betrof conform de aanvraag 210 melk-en kalfkoeien ouder dan 2 jaar, 161 stuks vrouwelijk jongvee van 0 tot 2 jaar en 3 paarden ouder dan 3 jaar.


1.2
Op 25 april 2003 heeft verweerder een melding ten behoeve van een nieuwe inloopmelkstal geaccepteerd.


1.3
Op 2 april 2009 heeft verweerder een melding geaccepteerd voor het realiseren van een werktuigenberging naast de stal op het perceel [adres 3] .


1.4
Op 12 januari 2012 heeft verweerder een melding ontvangen op grond van het Besluit mestbassins milieubeheer voor een mestkelder onder de werktuigenberging op het perceel [adres 3] .


1.5
In 2013 is perceel [adres 1] met de daarop aanwezige melkrundveehouderij aangekocht. Op 29 augustus 2003 is een melding gedaan op grond van het Besluit melkveehouderijen milieubeheer. Volgens de melding worden 50 melkkoeien, 28 stuks jongvee 0-2 jaar en 2 paarden gehouden.


1.6
Via het daartoe bestemde formulier heeft derde belanghebbende op 26 mei 2015 bij verweerder een aanvraag om revisievergunning voor het houden van een melkveebedrijf op het [adres 1] , [adres 2] en [adres 3] te Ruinerwold ingediend. De aanvraag betreft de onderdelen


Revisievergunning milieu


Vergunning voor het handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening


Vergunning voor het uitvoeren van een werk of werkzaamheden




1.7
Op 4 februari 2016 heeft verweerder kenbaar gemaakt voornemens te zijn de gevraagde revisievergunning te verlenen.


1.8
Tegen dit voornemen hebben eisers zienswijzen ingebracht.


1.9
Bij besluit van 20 april 2017 (het primaire besluit) heeft verweerder de gevraagde omgevingsvergunning verleend.

2. Het bestreden besluit betreft een (revisie)vergunning voor de volgende activiteiten:
- Plaatsing van enkele iglo’s voor huisvesting jonge kalveren;
- Realisatie van een werkplaats met olieopslag in de werktuigenberging;
- Plaatsing van een silo voor natte bijvoederproducten;
- Wijziging en uitbreiding van het aantal sleufsilo’s voor kuilvoeropslag;
- Wijziging en uitbreiding in de opslag van kuilvoerbalen, zaagsel, hooi en stro;
- Toevoeging van het perceel [adres 1] aan de inrichting.
Op de bij de aanvraag behorende tekening is aangegeven dat op de drie locaties de volgende aantallen dieren worden gehouden:

[adres 1] : 50 stuks rundvee;

[adres 2] : 188 melkkoeien en 79 stuks jongvee;

[adres 3] : 22 stuks droogvee, 92 stuks jongvee en 3 paarden.
De activiteiten handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening en uitvoering van werken zien op de bouw buiten het bouwvlak van extra silo’s ten behoeve van kuilvoeropslag op nummer 147/148 en de inpassing daarvan.

3. Ter plaatse geldt de Beheersverordening Buitengebied De Wolden (hierna: de beheersverordening). De gronden ter plaatse van de percelen van derde-belanghebbende hebben de bestemmingen ‘agrarisch’ met de aanduidingen van een bouwvlak en ‘agrarisch bedrijf’ alsmede de dubbelbestemming ‘waarde- archeologie’ en de aanduiding ‘karakteristiek’.
De gronden van de percelen van eisers hebben de bestemming ‘wonen’.


Beroepen LEE 17/1918 en LEE 17/2020



Bouwen



5.1
Eisers voeren aan dat de aanvraag ten onrechte niet ziet op de activiteit bouwen. Volgens eisers vallen de silo’s niet onder artikel 3, zesde lid, Bijlage II, van het Besluit Omgevingsrecht (Bor). Dit artikel zet de vergunningplicht alleen opzij indien sprake is van een achtererfgebied. Daarvan is echter geen sprake nu de beheersverordening de inrichting als erf verbiedt. Er is geen sprake van een bouwvlak en er is een vergunning voor het gebruik van gronden in strijd met de beheersverordening nodig om de sleufsilo’s op de locatie mogelijk te maken. Daarbij zijn de sleufsilo’s niet de enige bouwwerken waar de vergunning betrekking op heeft, er is ook nog sprake van 4 kalveriglo’s, een silo voor natte bijproducten en het vervangen van een jongveeschuurtje.



5.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat geen bouwactiviteit vergund hoeft te worden voor de sleufsilo’s. Door de binnenplanse afwijking te verlenen voor de mogelijkheid tot bouw van de sleufsilo’s buiten het bouwblok behoort dat gedeelte van het perceel tot het erf/achtererfgebied zoals omschreven in artikel 1, eerste lid bijlage II, van het Bor. Door het verlenen van de ruimtelijke activiteit is deze inrichting niet langer verboden en kunnen de sleufsilo’s vergunningvrij worden gebouwd op grond van artikel 3, zesde lid, bijlage II van het Bor.



5.3
Ingevolge artikel 3, zesde lid, bijlage II van hetBor is een omgevingsvergunning voor een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a van de wet, niet vereist, indien deze activiteit betrekking heeft op een bouwwerk, geen gebouw zijnde, in achtererfgebied ten behoeve van agrarische bedrijfsvoering, voor zover het betreft:


een silo, of


een ander bouwwerk niet hoger dan 2 m



Ingevolge artikel 1, eerste lid, bijlage II, het Bor wordt onder achtererfgebied verstaan: erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 m achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, bijlage II, het Bor wordt onder erf verstaan: al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden.

Ingevolge artikel 3, lid 3.2, onder c, ten eerste, van de beheersverordening, voor zover van belang, geldt voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen en overkappingen zijnde, dat silo’s en bassins niet zijn toegestaan buiten het bouwvlak.



5.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich ten onrechte op het standpunt gesteld dat voor de silo’s die buiten het bouwvlak zijn gelegen geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is vereist. Daarvoor is van belang dat de gronden, waar deze silo’s worden gerealiseerd, naar het oordeel van de rechtbank in het onderhavige geval niet zijn aan te merken als erf in de zin van artikel 1, eerste lid, bijlage II, Bor, nu de beheersverordening de plaatsing van silo’s, en daarmee de inrichting als erf zoals in het onderhavige geval wordt beoogd, gelet op het ontbreken van een bouwvlak, verbiedt. Anders dan verweerder meent zijn deze gronden niet reeds door het verlenen van de binnenplanse vrijstelling aan te merken als erf. Nu geen sprake is van een erf is evenmin sprake van een achtererf(gebied).
Gelet op het voorgaande dient voor de activiteit bouwen alsnog een omgevingsvergunning te worden verleend.

De beroepen zijn in zoverre gegrond.


Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening




6.1.
Eisers voeren diverse gronden aan waarom verweerder geen gebruik heeft mogen maken van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid om de sleufsilo’s buiten het bouwvlak te plaatsen. Eisers voeren onder meer aan dat de onderhavige vergunning geen betrekking heeft op de twee - reeds bestaande en buiten het bouwvlak gelegen - silo’s, zodat de silo’s, waarop de vergunning wel betrekking heeft, niet direct aansluitend aan het bouwvlak zijn gesitueerd. Er wordt daarom ook niet voldaan aan het vereiste in artikel 3.4, onder f, sub 2, beheersverordening, dat de opslag direct aansluitend aan het bouwvlak moet worden gesitueerd.



6.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in redelijkheid kon worden afgeweken van de beheersverordening. Verweerder stelt dat de twee zonder vergunning gebouwde silo’s middels de onderhavige procedure zijn vergund. Overigens zijn alle sleufsilo’s aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd en voldoen daarmee aan de gestelde eisen.
Verder blijkt volgens verweerder uit de “motivatie uitbreiding voeropslag” bij de aanvraag om omgevingsvergunning de noodzaak van extra voeropslag voor een goede bedrijfsvoering. De geconcentreerde opslag achter het bouwvlak van [adres 2] draagt bij aan de efficiëntie van het agrarisch bedrijf en veroorzaakt ten opzichte van een verspreide voeropslag over de drie locaties per saldo minder overlast richting de omgeving. Door de gekozen locatie wordt de voeropslag op een zo groot mogelijke afstand van omliggende woningen gesitueerd. Verder is een overcapaciteit normaal voor een agrarisch berdrijf om per seizoen te kunnen inspelen op verschillen in opbrengsten, voerkwaliteit en weersomstandigheden.



6.3
Ingevolge artikel 3, lid 3.4, onder f, ten tweede, van de beheersverordening, voor zover van belang, kan het bevoegd gezag, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid, de milieusituatie, de gebruiksmogelijkheden van omliggende gronden en de landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische waarden, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in lid 3.2, onder c, ten eerste, en toestaan dat silo’s en bassins buiten het bouwvlak worden gebouwd mits de opslag direct aansluitend aan het bouwvlak wordt gesitueerd.



6.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder geen toepassing kunnen geven aan het bepaalde in artikel 3, lid 3.4, onder f, ten tweede, van de beheersverordening. Daarvoor is van belang dat de onderhavige vergunning, anders dan verweerder meent, naar het oordeel van de rechtbank geen betrekking heeft op de twee - reeds bestaande en buiten het bouwvlak gelegen - silo’s. Noch de aanvraag en de daaraan ten grondslag liggende stukken, noch de verleende omgevingsvergunning, bieden hiervoor aanknopingspunten. Zowel de tekeningen en de “motivatie uitbreiding voeropslag” vermelden slechts het realiseren van vier nieuwe sleufsilo’s. Daarmee zijn de silo’s, waar de vergunning wel betrekking op heeft, niet direct aansluitend aan het bouwvlak gesitueerd. Er wordt daarom ook niet voldaan aan het vereiste in artikel 3.4, onder f, sub 2, Beheersverordening, dat de opslag direct aansluitend aan het bouwvlak moet worden gesitueerd.

Nu, zoals hierboven is overwogen, reeds niet wordt voldaan aan één van de vereisten voor toepassing van artikel 3, lid 3.4, onder f, van de beheersverordening, komt de rechtbank niet toe aan bespreking van de overige door eisers op dit punt ingediende gronden. De beroepen zijn in zoverre gegrond.



7.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat de werkzaamheden in de werktuigenberging, waar volgens eisers een kennis van vergunninghouder handgrasmaaiers repareert, een activiteit betreft welke niet past binnen de bestemming. Bij de toetsing van een bouwplan aan een bestemmingsplan dient niet alleen te worden bezien of het bouwwerk overeenkomstig de bestemming kan worden gebruikt maar ook of het met het oog op zodanig gebruik wordt opgericht. Het bouwplan is in strijd met de bestemming indien redelijkerwijs valt aan te nemen dat het bouwwerk uitsluitend of mede zal worden gebruikt voor andere doeleinden dan die waarin de bestemming voorziet (ECLI:NL:RVS:2003:AN8359).



7.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat in werktuigenbergingen zoals de onderhavige normaliter reparatiewerkzaamheden plaatsvinden. De reparatie van handgrasmaaiers vindt slechts op kleine schaal plaats zodat er geen sprake is van strijdigheid met de geldende bestemming.



7.3
Naar het oordeel van de rechtbank valt het gebruik van de werkplaats in de werktuigenberging door vergunninghouder voor reparatiewerkzaamheden onder het uitoefenen van een agrarisch bedrijf en past dit gebruik daarmee binnen de bestemming. Indien sprake is van niet ondergeschikt gebruik door derden kunnen eisers een verzoek om handhaving indienen.

De beroepen zijn op dit punt ongegrond.


Milieu / geur




8.1.
Eisers stellen zich op het standpunt dat sprake is van een met artikel 5, eerste lid, Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) strijdige situatie. De afstand tussen de buitenzijde van stal 1A bevindt zich op minder dan 25 meter van de gevel van de woning [adres 4] , terwijl het aantal dieren waarvoor geen geuremissiefactor geldt in deze stal met 10 stuks toeneemt. In 2000 is vergunning verleend voor 161 stuks jongvee, terwijl thans vergunning is verleend voor 171 stuks. Nu deze vergunning is verleend voor dieraantallen en niet voor dierplaatsen zijn de tien eenlingboxen in 2000 niet meegerekend in het kader van de dieraantallen. Dat de tien eenlingboxen wel op de tekening stonden vermeld doet daaraan niet af. Daarbij heeft de in 2000 vergunde situatie ten aanzien van de tien kalveren in de eenlingboxen betrekking op kalveren tot 14 dagen, hetgeen niet te vergelijken is met de in de huidige vergunning vergunde diercategorie A3 uit de Rgv, vrouwelijk jongvee tot 2 jaar. Ook op grond hiervan is sprake van toename van het aantal dieren van deze diercategorie binnen de stal 1A.

Verder is sprake van toename van het aantal dieren omdat voorschrift 3.1 van de thans verleende vergunning expliciet toestaat dat tijdelijk 3 melkkoeien uit stal 1B in de (afkalf)stal 1A gehuisvest mogen worden. Deze stal was in 2000 niet vergund. Dat deze dieren in mindering moeten worden gebracht op de melkkoeien in stal 1B maakt dit niet anders, nu de stallen afzonderlijk moeten worden beoordeeld. Eiseres wijst op uitspraak 200703630/1.



8.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is van toename van het aantal dieren ten opzichte van de oude vergunning. Volgens verweerder moet gelet op de in 2000 geldende regelgeving uitgegaan worden van het aantal dieren. In 2000 waren de 10 eenlingboxen, gelet op de bij de vergunning behorende tekening, reeds vergund. Aanvankelijk werden deze dierplaatsen, gelet op het soort dieren, jonge kalfjes tot 14 dagen oud, niet meegerekend als reguliere dierplaats en daarom niet meegenomen in de aanvraag, maar in een uitspraak van 2 februari 2005 (200406930/1) oordeelde de Afdeling dat een afleverstal ten onrechte buiten beschouwing was gelaten. Deze omissie is in de huidige aanvraag hersteld.
Verweerder stelt zich verder op het standpunt dat, anders dan in de door eisers genoemde uitspraak, (afkalf)stal 1A geen nieuwe stal is; de (oude) stal is gesplitst in twee gedeelten, 1A en 1B. Volgens verweerder waren in de in 2000 vergunde situatie de stallen 1A en 1B zodanig met elkaar verbonden dat met betrekking tot geur niet van twee afzonderlijke stallen kon worden uitgegaan. Er was sprake van één emissiepunt voor beide stallen. In het thans bestreden besluit is sprake van een zodanige afscheiding tussen de stalgedeelten dat nu sprake is van twee verschillende emissiepunten. Het aantal dieren in deze stal(len) wordt niet uitgebreid en de afstand tussen emissiepunt en dichtstbijzijnde woning wordt niet kleiner. Daarmee wordt voldaan aan artikel 4, derde lid, en 5 tweede lid Wgv.


8.3
Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wgv bedraagt de afstand tussen een veehouderij waar dieren worden gehouden van een diercategorie waarvoor niet bij ministeriële regeling een geuremissiefactor is vastgesteld, en een geurgevoelig object:
a. ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 4, derde lid, Wgv, wordt, indien de afstand, bedoeld in het eerste of tweede lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, een omgevingsvergunning, in afwijking van die leden, niet geweigerd indien de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste of tweede lid bedoelde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

Ingevolge artikel 5, eerste lid, Wgv, bedraagt, onverminderd de artikelen 3 en 4, de afstand van de buitenzijde van een dierenverblijf tot de buitenzijde van een geurgevoelig object:
a. ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en
b. ten minste 25 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.

Ingevolge artikel 5, tweede lid, onder b, Wgv, wordt, indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, kleiner is dan aangegeven in dat lid, een omgevingsvergunning, in afwijking van het eerste lid, niet geweigerd indien de afstand, bedoeld in het eerste lid, niet afneemt en
de in artikel 4 bedoelde afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object dat binnen de in het eerste lid genoemde afstand is gelegen, niet afneemt en het aantal dieren van één of meer diercategorieën waarvoor geen geuremissiefactor is vastgesteld niet toeneemt.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, Wgv, voor zover van belang, kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere waarde van toepassing is dan de desbetreffende waarde, genoemd in artikel 3.

Ingevolge artikel 6, derde lid, Wgv kan bij gemeentelijke verordening worden bepaald dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente een andere afstand van toepassing is dan de afstand, genoemd in artikel 4, eerste lid, met dien verstande dat deze:


ten minste 50 meter bedraagt indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en


ten minste 25 meter bedraagt indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.



Op 10 juni 2010 heeft de raad van de gemeente De Wolden een geurverordening vastgesteld voor het gehele grondgebied van de gemeente, waarin de hiervoor genoemde afstanden van respectievelijk 50 en 25 meter zijn opgenomen.


8.4
Volgens de StAB zit er weliswaar een discrepantie tussen het aanvraagformulier en de tekening behorende bij de in 2000 verleende vergunning voor wat betreft het aantal dieren in de stal, maar net als in 2000 ziet de thans in geding zijnde vergunning op het houden van 10 kalveren in eenlingboxen en 21 kalveren in ligboxen in stal 1A. Weliswaar zijn in stal 1A thans ook drie afkalfruimten vergund, maar nu in (voorschrift 3.1 van) de vergunning is gewaarborgd dat deze dieren uit een andere stal (1B) komen en het aantal op die stal in mindering moet worden gebracht, is geen sprake van toename van het aantal dieren. Op de locatie [adres 2] neemt het aantal vergunde dieren daarom niet toe ten opzichte van de situatie uit 2000. Verder is niet te onderbouwen dat de geuremissie van het vergunde jongvee van 0 tot 2 jaar hoger ligt dan dat van de in 2000 vergunde kalfjes, omdat voor melkvee en vrouwelijk jongvee (Rav A1 en A3) geen geuremissiefactoren zijn vastgesteld. Inhoudelijk maakt dit daarom niet uit voor de geurbeoordeling.
De StAB heeft verder overwogen dat geen sprake is van afname van de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelig object. De (oude) stal wordt gesplitst in twee delen, waarbij stal 1A een eigen ventilatiepunt krijgt middels een ventilator met koker op het dak op een afstand van 28 meter van de woning [adres 4] . Verder worden een aantal voorzieningen getroffen, zoals het luchtdicht gesloten houden van stal 1A (voorschrift 3.2), en het verkleinen van de opening aan de westgevel van stal 1B.
Volgens de StAB is er gelet op het voorgaande geen sprake van een qua geur onaanvaardbare situatie die met inachtneming van de Wgv niet opnieuw verleend zou kunnen worden.



8.5
De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen in haar standpunt dat geen sprake is van toename van het aantal dieren danwel afname van de afstand tussen de veehouderij en het geurgevoelige object [adres 4] . Naar het oordeel van de rechtbank ziet zowel de vergunning uit 2000 als de thans in geding zijnde vergunning op plaatsing van 31 koeien in stal 1A. Dat er in de thans vergunde situatie nog drie (afkalf) ruimten extra aanwezig zijn ten opzichte van de in 2000 vergunde situatie maakt dit niet anders, nu de koeien in deze ruimten in mindering dienen te worden gebracht op de koeien in stal 1B. Het totaal aantal koeien in stal 1A en 1B verandert daarom niet, terwijl het emissiepunt, door plaatsing van de ventilator met koker op het dak van nummer [adres 2] op een afstand van 28 meter van de woning [adres 4] , is gelegen op een afstand van meer dan 25 meter van het dichtstbijgelegen geurgevoelige object. Dat de vergunning uit 2000 voor stal 1A betrekking heeft op een andere categorie vee, namelijk kalfjes met een lagere geuremissiefactor dan de thans vergunde jongvee van 0 tot 2 jaar, volgt de rechtbank niet; in de Regeling geurhinder en veehouderij zijn voor melkvee en vrouwelijk jongvee (Rav-code A1 en A3) geen geuremissiefactoren vastgesteld.

Gelet op het voorgaande neemt het aantal vergunde dieren derhalve niet toe en neemt de afstand tot het geurgevoelig object [adres 4] niet af. Derhalve is er geen sprake van een met de Wgv strijdige situatie.

De beroepen zijn op dit punt ongegrond.



Geluid




9.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat de verleende vergunning in voorschrift 2.2 ten onrechte een langtijdgemiddeld geluidsniveau in de dagperiode ter hoogte van woning [adres 5] toestaat van 44 dB(A). Dit is 4 dB(A) boven de richtwaarde. Nu sprake is van een behoorlijke overschrijding kan verweerder zich niet beroepen op oud recht en dient bekeken te worden of deze niet kan worden teruggebracht. Eisers pleiten voor een schuin scherm tussen de weg en de sleufsilo’s in plaats van het thans geplande scherm langs de inrichtingsgrens. Niet onderbouwd is dat een schuin scherm de bedrijfsvoering zal belemmeren. Eisers vinden voor hun standpunt steun in het rapport van de StAB.



9.2
Verweerder acht een langtijdgemiddeld geluidsniveau van 44 dB(A) onder de representatieve bedrijfssituatie (rbs) toelaatbaar. De activiteit doet zich vaker dan 12 keer per jaar voor en is daarom niet aan te merken als incidentele bedrijfssituatie (ibs). Evenmin vindt de activiteit op voorspelbare basis plaats. Daarbij vond de activiteit ook al onder de oude vergunning plaats en is de berekende geluidbelasting lager dan de grenswaarde die in de oude vergunning is opgenomen, te weten 45 dB(A). Verweerder heeft voorts berekend dat indien het oppompen en de transport van mest als regelmatige afwijking wordt aangemerkt dit resulteert in een afname van 2dB(A), hetgeen nog steeds een overschrijding van de voorkeurswaarde van 40dB(A) betekent. Verweerder ziet geen voordelen in de suggestie van de StAB om het pompen van mest onder de ra-rbs te brengen. Het oppompen van mest wordt gemaximaliseerd door de hoeveelheid mest die wordt geproduceerd. Het vastleggen middels ra-rbs zal niet tot effect hebben dat er minder of minder vaak wordt gepompt dan nu het geval zal zijn binnen de huidige voorschriften.
Volgens verweerder zou een scherm, om de mestpomp als zijnde de maatgevende bron af te schermen, de bedrijfsvoering belemmeren vanwege verminderde bereikbaarheid van het achtererf, de stallen danwel de voerplaten. Uit door verweerder gemaakte berekeningen blijkt voorts dat het plaatsen van een mobiel geluidscherm, zoals door de StAB wordt geadviseerd, nog daargelaten de vraag hoe mobiel een scherm van 5x3 meter is, eveneens maar een gering effect heeft.



9.3
Volgens de StAB had het meer voor de hand gelegen om het oppompen van mest en het afvoeren daarvan met betrekking tot de locatie [adres 2] aan te merken als ra-rbs en daarvoor een maximum aantal keren in de vergunning vast te leggen, nu het periodiek afvoeren van mest op jaarbasis niet zo vaak voor zal komen, mede gelet op de als incidentele bedrijfssituatie aangemerkte activiteit van afvoer van mest in voor en najaar met sleepslangen. Het toestaan van een iets hogere geluidsbelasting overdag gedurende een aantal dagen per jaar (ra-rbs) is volgens de StAB passender dan het toestaan van een afwijking van 4 dB(A) in een rbs situatie (hele jaar). Hiermee kan blijkens berekeningen van verweerder een geluidsbelasting in de rbs van 41,9 dB(A) worden bereikt, hetgeen een verlaging van 2 dB(A) betekent.
De StAB adviseert verder om een klein mobiel geluidscherm dichtbij de opstelplaats van de tractor(pomp) te plaatsen. Uit de berekening van verweerder kan worden herleid dat een scherm op een afstand van 1,75 meter van de tractor eveneens tot ongeveer 2 dB reductie kan leiden bij de woning van eiseres [eiseres] , terwijl het afschermend effect nog hoger zal worden indien het scherm op nog kortere afstand van de stationair draaiende tractor wordt geplaatst.



9.4
Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder het in voorschrift 2.2 van de vergunning toegestane langtijdgemiddeld geluidsniveau in de dagperiode ter hoogte van woning [adres 5] van 44 dB(A) onvoldoende heeft gemotiveerd. Onvoldoende is gemotiveerd dat het niet mogelijk is om voor de rbs een lager langtijdgemiddeld geluidsniveau toe te staan dan 44 dB(A). In dat verband is van belang dat verweerder niet heeft ontkend dat bij het aanmerken van deze activiteit als ra-rbs sprake is van een verlaging van geluidsbelasting met 2dB(A). Voorts is van belang dat naar het oordeel van de rechtbank niet, zoals verweerder betoogt, slechts sprake is van een rekenkundige verbetering, nu het in het kader van handhaving wel degelijk uitmaakt of elke dag een geluidsnorm van 44dB(A) geldt danwel of deze norm slechts een aantal keren per jaar geldt. De stelling van verweerder, dat het vastleggen middels ra-rbs niet tot effect zal hebben dat er minder of minder vaak wordt gepompt dan nu het geval zal zijn is in dat verband niet relevant, nu het gaat om de handhaafbaarheid van de gestelde geluidsnormen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voorts onvoldoende gemotiveerd waarom het plaatsen van een mobiel scherm niet effectief is. De enkele opmerking, dat deze slechts een gering effect heeft, acht de rechtbank onvoldoende. In dat verband overweegt de rechtbank dat het plaatsen van een mobiel scherm, zoals uit de berekeningen van verweerder is gebleken, eveneens tot een reductie van ongeveer 2 dB(A) kan leiden bij de woning van eiseres [eiseres] , terwijl het afschermend effect nog hoger zal worden indien het scherm op nog kortere afstand van de stationair draaiende tractor wordt geplaatst.

Dat in de oude situatie sprake was van een toegestaan geluidsniveau van 45 dB(A) doet aan het voorgaande niet af. Daarvoor is van belang dat aan eerder gestelde voorschriften geen bestaande rechten kunnen worden ontleend, maar onder omstandigheden alleen aan eerder vergunde activiteiten. In dat verband overweegt de rechtbank verder dat niet is gebleken dat de genoemde maatregelen voor belanghebbende onevenredig bezwarend zijn danwel de bedrijfsvoering zouden belemmeren.

De beroepen zijn in zoverre gegrond.



10.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat voor de incidentele bedrijfssituatie (ibs) inkuilen in voorschrift 2.12 bij de woning van eiseres [eiseres] een zeer grote overschrijding van de richtwaarde wordt toegelaten. Dat sprake is van een ibs betekent niet dat geen limiet gesteld kan worden. Eisers menen dat de hinder kan worden beperkt door de duur van de ontheffing te beperken. In tegenstelling tot hetgeen in het akoestisch rapport wordt geadviseerd, wordt het inkuilen in de voorschriften voorts niet beperkt tot de dagperiode. Anders dan verweerder meent, is een uitloopmogelijkheid naar de avond- en nachtperiode niet nodig omdat weersomstandigheden voorspelbaar zijn en de bedrijfsvoering daarop aangepast kan worden. Daarbij geven de geluidsvoorschriften teveel ruimte daar de voor de dagperiode bepaalde 134 tractorbewegingen, zoals ook verweerder stelt, in het algemeen voldoende zijn en het niet nodig is om ook in avond- en nachtperiode tractorbewegingen te vergunnen.
Eisers menen verder dat de onder de ibs vergunde activiteiten “inkuilen van mais” en “afvoer van mest met sleepslangen” veel vaker plaatsvindt dan de vergunde 12 keer per jaar.



10.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat de gevraagde incidentele activiteiten inherent zijn aan en noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. De aangegeven aantallen vervoersbewegingen zijn het maximum per periode. Indien alles overdag kan plaatsvinden zijn er 134 tractorbewegingen berekend. Dit is het maximum dat is toegestaan om binnen de geluidsnormen te blijven. Bij slechte weersomstandigheden of indien het loonwerk noodzaakt dat later wordt begonnen is het nodig dat het in de avond en nacht tevens mogelijk is om te rijden. Die aantallen zijn evengoed de maximale aantallen per periode. Van opplussen binnen een periode, zoals de StAB aangeeft, is geen sprake. Het is overigens technisch ook niet mogelijk om meer mais en gras aan te voeren omdat met het vergunde aantal tractorbewegingen circa elke 5,5 minuut een wagen kan worden geleegd. Meer tractorbewegingen zijn niet mogelijk omdat de tractoren elkaar dan in de weg gaan rijden.



10.3
De StAB geeft aan dat het in het akoestisch rapport gehanteerde aantal tractorbewegingen ten behoeve van het inkuilen, 134 overdag, 44 in de avondperiode en 22 in de nachtperiode, hoog te noemen is en verwacht dat hiermee minimaal 1 sleufsilo in een etmaal gevuld zal kunnen worden. Op jaarbasis zal het inkuilen van 5 tot 6 grassnedes en mais binnen het door de gemeente toegestane aantal van 10 dagen voor inkuilen niet problematisch hoeven te zijn. Volgens de StAB bestaat echter wel gevaar dat, indien het weer niet zou tegenzitten en het inkuilen snel en voortvarend zou geschieden, de verhouding van het aantal vergunde tractorbewegingen over de drie etmaalperioden beduidend anders zou kunnen komen te liggen en de grenswaarden in voorschrift 2.12 niet kunnen worden nageleefd. Volgens de StAB blijkt uit het aan de vergunning ten grondslag liggende akoestische rapport niet dat de hierin opgenomen aantallen tractorbewegingen in respectievelijk de dag-, avond-, en nachtperiode de maximale verkeersbewegingen zijn die nodig zijn om in de desbetreffende periode binnen de geluidnormen te blijven. Mede gelet op de grootte van de silo’s en de belading en de inhoud van de aanhanger van de tractor verwacht de StAB niet dat de silo’s op een dag kunnen worden gevuld met minder tractoren dan is aangehouden. De StAB handhaaft het standpunt dat er zich situaties voordoen waarin de grenswaarde voor ibs moeilijk naleefbaar zal zijn.
Overigens is de StAB van oordeel dat de in het voorschrift 2.12 toegestane overschrijdingen van de grenswaarden uit voorschrift 2.1 met 15 en 14 dB(A) in de avond- en nachtperiode voor 10 dagen op jaarbasis hoog zijn, maar niet als onaanvaardbaar kunnen worden beschouwd.



10.4
Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat het inkuilen zoveel mogelijk overdag plaatsvindt en dat, indien de weersomstandigheden dat toelaten, het in het akoestische rapport opgenomen aantal van 134 tractorbewegingen, gelet op de 5,5 minuten die nodig zijn voor het vullen van de silo’s, niet kan worden overschreden. Niet betwist is voorts dat met het toegestane aantal van 134 tractorbewegingen overdag geen voor de ibs gestelde geluidsnormen worden overschreden. Daarbij ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de StAB dat de in voorschrift 2.12 voor de ibs toegestane overschrijdingen van de grenswaarden uit voorschrift 2.1 met 15 en 14 dB in de avond- en nachtperiode voor 10 dagen op jaarbasis hoog zijn, maar niet als onaanvaardbaar kunnen worden beschouwd.

Ten aanzien van de frequentie van het inkuilen en het oppompen van de mest met de sleepslangen overweegt de rechtbank dat, indien het inkuilen van mais en het afvoeren van mest met sleepslangen vaker plaatsvindt, eisers verweerder kunnen verzoeken om hiertegen handhavend op te treden.

De beroepen zijn in zoverre ongegrond.



11.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat in het akoestisch rapport ten onrechte het vullen van de voedersilo’s, ondanks dat het een belangrijke geluidsbron betreft, niet is opgenomen. Daarbij is er geen worst-case-scenario opgenomen voor het gelijktijdig vullen van de voedersilo’s met de afvoer van drijfmest en het mixen van de mest.



11.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het in dit verband gaat om de aan- en afvoerbewegingen, waarbij is uitgegaan van 30 transporten per dag en waarbij rekening is gehouden met het feit dat tegelijkertijd andere reguliere bewegingen tussen de locaties plaatsvinden. Dit wordt ruim voldoende geacht om alle genoemde transporten te kunnen uitvoeren. Het leveren van voer of het afvoeren van vee bestaat niet uit meerdere transporten per dag. Het rapport is opgesteld op grond van de gegevens van de aanvrager, waaraan de aanvrager zich dient te houden.
Verweerder heeft verder overwogen dat het gelijktijdig pompen van mest en vullen van de silo niet mogelijk is gezien het ruimtebeslag, maar ook bedrijfsvoeringstechnisch niet. Bij gewijzigd besluit van 21 februari 2019 heeft verweerder echter alsnog een extra voorschrift opgenomen teneinde te verduidelijken dat de activiteiten niet gelijktijdig plaatsvinden.



11.3
Volgens de StAB is de keuze van verweerder om het oppompen danwel het afvoeren van de mest als maatgevende bedrijfstoestand voor de rbs te rekenen reëel, nu het mixen een iets lagere geluidbelasting zal opleveren dan het oppompen van de mest.
Ten aanzien van het oppompen danwel afvoeren van de mest en het gelijktijdig vullen van de voedersilo overweegt de StAB dat, gelet op de plaatsen van de brokvoersilo’s ten opzichte van de woning [adres 5] en de toe te passen bedrijfsduurcorrectie bij het vullen van de silo’s gedurende 5, 15 en 20 minuten van resp 25,6 dBA, 16,8 dBA en 15,6 dBA bij het berekenen van het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau, niet te verwachten valt dat het gelijktijdig op een dag vullen van de (brok)silo’s zal leiden tot hogere geluidsbelastingen dan de berekende rbs. De silo van het tarwegistconcentraat staat wel op korte afstand van de plek waar mest wordt opgepompt. In het geluidrapport is geen bronniveau weergegeven, maar uitgaande van een bronniveau van 105dB(A) is de bijdrage van het vullen van de silo van 5 dB(A) niet te verwaarlozen en leidt tot een hogere geluidbelasting dan vergund. Gezien de frequentie van het vullen gedurende 4 keer per week is niet aannemelijk dat beide processen gelijktijdig zullen plaatsvinden, om welke reden een verbodsbepaling voor het gelijktijdig uitvoeren van deze activiteiten geen probleem voor de maatschap op levert.



11.4
De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen in haar overwegingen dat in het akoestisch rapport ten aanzien van het gelijktijdig afvoeren van mest met het vullen van de silo met tarwegistconcentraat niet is meegenomen en kan leiden tot een hogere geluidbelasting dan vergund.

De beroepen zijn in zoverre gegrond.



12.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat het laden (de afvoer) van vee 3 keer per week plaatsvindt op de locatie nummer [adres 2] , maar niet is opgenomen in de rbs. Ten aanzien van de afvoer van vee menen eisers dat, anders dan verweerder en de StAB aangeven, bron 133 geen betrekking heeft op de afvoer van vee. Eisers wijzen daarvoor op de omschrijving van deze bron, te weten ‘vrachtwagen tbv aanvoer divers en melk’. Aanvoer van vee vindt immers niet plaats, gelet op pagina 9 van het akoestisch rapport.
Verder is het laden van mest als geluidsbron 118 slechts opgenomen bij stal 5 en niet bij stal 2 en 4 aan de locatie [adres 2] . Dat, zoals verweerder aangeeft, gerekend wordt met drie bronnen voor het laden van vloeibare mest doet daar niet aan af nu de andere bronnen 211 en 308 betrekking hebben op andere locaties, namelijk [adres 1] en [adres 3] . Anders dan de StAB meent zien de bronnummers 114 en 115 niet op het laden van (vaste) mest. Deze hebben betrekking op de inzet van de tractor voor 15 minuten per dag per bron. Eiseres verwijst naar paragraaf 3.1 van het geluidrapport, waarin is aangegeven dat de eigen tractoren en wiellader worden gebruikt voor diverse werkzaamheden, gezamenlijk maximaal 1 uur per dag.



12.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het afvoeren van vee plaatsvindt tussen gebouw 4 en 5 en is verdisconteerd in bron 133 (vrachtwagen divers ). Het laden van mest met betrekking tot de bronnen 118, 201 en 308 heeft betrekking op vloeibare mest. De bronnummers 115 en 114 (tractor divers) tussen gebouwen 4 en 5 en bij gebouw 2 zijn opgenomen voor afvoer van vaste mest.



12.3
Volgens de StAB zijn in het rekenmodel in de rbs bij bronnummer 133 sprake van vier bewegingen in de dagperiode, twee in de avond en twee in de nacht. Voor de puntbronnen 114 en 115 is gerekend met het inwerking zijn van de afzonderlijke bronnen gedurende 15 minuten per dag. De StAB acht het standpunt van verweerder dat de door eiseres genoemde bronnen zijn meegenomen niet onjuist.



12.4
Anders dan de StAB is de rechtbank van oordeel dat verweerder, gelet op hetgeen eisers hebben aangevoerd, onvoldoende heeft gemotiveerd dat de bronnen laden van vee en laden van mest voldoende als geluidsbronnen zijn meegenomen. Met eisers is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft onderbouwd dat het laden van vee, gelet op de omschrijving van deze bron, te weten ‘vrachtwagen tbv aanvoer divers en melk’, is verdisconteerd in bron 133. Verder heeft verweerder onvoldoende onderbouwd dat het laden van mest als geluidsbron is meegenomen bij stal 2 en 4 aan de locatie [adres 2] . Daarvoor is van belang dat de bronnen 211 en 308 betrekking hebben op andere locaties, namelijk [adres 1] en [adres 3] , terwijl de bronnummers 114 en 115 betrekking hebben op de inzet van de tractor voor diverse werkzaamheden voor 15 minuten per dag per bron.

De beroepen zijn in zoverre gegrond.



13.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat de krachtvoerboxen en het loeien van koeien ten onrechte niet zijn opgenomen in het akoestisch rapport, nu deze 24 uur per dag lawaai en hinder veroorzaken en daarom als geluidsbron niet mogen ontbreken. Dat deze geluidsbron bij een ander bedrijf is gemeten wil niet zeggen dat deze akoestisch vergelijkbaar zijn.



13.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het geluid van de krachtvoerboxen en het loeien van koeien is inbegrepen bij de bepaling van de geluidsbron met betrekking tot stalgeluid, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van het akoestisch rapport.
Daarin is tevens een vergelijking gemaakt met een andere stal met krachtvoerboxen. Daaruit is gebleken dat met name het stoten tegen de (voer)hekken bepalend is voor het geluidsniveau in de stal. Verder zijn geluiden als stromend water en urineren waarneembaar. Het loeien van koeien heeft een geringe bijdrage op het gemiddelde geluidsniveau. Verweerder heeft naar aanleiding van het StAB-rapport aangevoerd dat uit metingen bij de woning nummer [adres 4] , verricht op een hoogte van 1,5 meter aan de achtergevel, is gebleken dat het gemeten maximale geluidniveau van loeiende koeien, 60,8 dB(A) bedroeg waarmee gecorrigeerd voor de gevelreflectie van 3dB de grenswaarde voor de nachtperiode niet wordt overschreden.



13.3
Volgens de StAB kan, gelet op de vergelijking van de meetgegevens met betrekking tot het geluid vanuit de stal met een ander representatief bedrijf, niet worden volgehouden dat bij de geluidsemissie uit de stal geen rekening is gehouden met het geluid van de krachtvoerboxen en het loeien van koeien.
Het loeien van koeien zal over het algemeen een geringe bijdrage vanuit de stal leveren aan het energetisch gemiddeld geluidniveau over een etmaalbeoordelingsperiode. In de avond-en nachtperiode zal van het loeien wel snel hinder kunnen worden ondervonden met name in geval zoals in het onderhavige geval met een woning van derden op zeer korte afstand van de stal.
Nu alleen is gerekend met gemiddelde geluidniveaus in de stal om ter plaatse van de openingen in de zijwanden te kunnen rekenen met mogelijk uitredend geluid uit de stal, bevat het rapport geen gegevens omtrent het bronniveau van een loeiende koe. Daardoor kan niet worden bepaald wat in een worst-case-situatie het maximale geluidniveau (piek) zal zijn dat kan optreden bij de woning van [eisers] . Derhalve is niet duidelijk of aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau bij die woning voor de avond-en nachtperiode in voorschrift 2.3 kan worden voldaan. Volgens de StAB mag het maximale bronvermogenniveau van een loeiende koe in de stal op 20 m afstand van de woning van [eisers] , om in de nachtperiode bij die woning aan de grenswaarde van 60dB(A) te kunnen voldoen, niet meer bedragen dan 100 dBA. Dit niveau zal eenvoudig kunnen worden overschreden nu het maximale bronvermogenniveau van een blaffende hond varieert van 107-126 dBA. Volgens de StAB is dit aspect in de procedure onderbelicht gebleven.
Ten aanzien van de door verweerder verrichte metingen geeft de StAB aan dat uit het geleverde materiaal niet kan worden herleid of met de meting de worst-case-situatie is gemeten, te weten een loeiende koe dichtbij de opening in de stal op korte afstand van de woning van eisers van [eisers] . Uit de foto leidt de StAB af dat als meetpunt is gebruikt de hoek van de gevel van de woning op 1,5 m hoogte, zodat geen sprake zal zijn geweest van loodrecht op de gevel invallend geluid. Daardoor is de in rekening gebrachte correctiefactor voor de gevelreflectie van 3dB niet juist. Daarbij had in de nachtperiode op een hoogte van 5 meter moeten worden gemeten.



13.3
De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen in haar oordeel. Derhalve moet worden geconcludeerd dat het akoestisch rapport dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt geen maximaal bronniveau van een loeiende koe bevat en dat daardoor niet kan worden bepaald wat in een worst-case-situatie het maximale geluidniveau (piek) zal zijn en of aan de grenswaarden voor het maximale geluidsniveau bij die woning voor de avond-en nachtperiode voorschrift 2.3 kan worden voldaan. De door verweerder vermelde meetgegevens leiden niet tot een ander oordeel, nu, zoals de StAB heeft overwogen, twijfels bestaan of de metingen op de juiste manier hebben plaatsgevonden.

De beroepen zijn in zoverre gegrond.




14.1
Eisers stellen dat de in paragraaf 3.3 van het akoestisch rapport vermelde tijdsduur van 3 minuten voor het laden van een vracht drijfmest aan de [adres 3] niet reëel is. Daarbij wordt regelmatig mest gemixt en staat de tractor soms de hele dag te draaien, hetgeen naast geluidsoverlast ook stankoverlast veroorzaakt. Nu de mestkelder is aangevraagd moet deze als onderdeel van de inrichting en als relevante geluidsbron in het akoestisch rapport in kaart gebracht worden danwel moet ze expliciet geweigerd worden.



14.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit navraag bij een loonbedrijf blijkt dat 3 minuten laadtijd per tank een realistisch gemiddelde is en als standaardgegeven bij akoestische rapporten wordt gehanteerd. Voor de mestopslag is in 2012 een melding mestbassins ingediend en bouwvergunning verleend terwijl de mestopslag is meegenomen in de aanvraag en in het akoestisch rapport. Het mixen van mest is opgenomen in de rbs en mag maximaal 3 uur in de dagperiode in beslag nemen. Deze bedrijfstijd wordt niet onrealistisch geacht.



14.3
De StAB acht met modern materieel een tijdspanne van 3 minuten voor het laden van vee niet onrealistisch. Er is een bron 308 tussen de veestal en de te bouwen werktuigenberging die betrekking heeft op het oppompen van mest uit de veestal. De putten van de te realiseren mestkelder liggen iets verder weg van de woning van eisers zodat met deze bron ook het oppompen van mest (of mixen) uit de nog te realiseren mestkelder wordt weergegeven.



14.4
De rechtbank ziet geen aanleiding om de StAB niet te volgen in haar oordeel dat de berekende tijdsduur voor het laden van mest van 3 minuten per keer niet onrealistisch is. Mocht deze tijd overschreden worden dan kunnen eisers verzoeken om handhaving.

De beroepen zijn op dit punt ongegrond.



Voorschriften




15.1
Eisers stellen zich op het standpunt dat ten onrechte geen voorschriften aan de vergunning zijn verbonden waaruit volgt dat de openbare straat zoveel mogelijk moet worden vrijgehouden en de toegangen naar woningen moeten worden vrijgehouden. Verweerders standpunt, dat deze activiteiten niet zijn aangevraagd, is niet te volgen.



15.2
Verweerder stelt zich op het standpunt dat het gebruik van de openbare weg niet valt binnen de grenzen van de inrichting zodat hiervoor geen voorschriften gesteld kunnen worden.



15.3
Naar het oordeel van de rechtbank dient het gebruik van de openbare weg in het kader van de goede ruimtelijke ordening, hetgeen gelet op artikel 2.12, eerste lid, Wabo, dat ook toetsingskader is voor het verlenen van de onderhavige vergunning, bij de beoordeling van de aanvraag te worden betrokken. Daarbij is met name van belang dat de aanvraag betrekking heeft op het samenvoegen van de drie locaties.

De beroepen zijn op dit punt gegrond.



Beroep LEE 19/735




17.1
Op 21 februari 2019 heeft verweerder een gewijzigd besluit genomen. Daarin is overwogen dat aan de omgevingsvergunning van 20 april 2017 een aanvullend voorschrift 2.17 wordt opgenomen, waarin is bepaald dat op dagen dat er drijfmest wordt afgevoerd, het niet is toegestaan om drijfmest te mixen of de voedersilo’s te (laten) bevoorraden.



17.2
Belanghebbende – eiseres in deze zaak - stelt dat het voorschrift te ruim is opgesteld en dat zij hierdoor meer beperkt wordt in haar bedrijfsvoering dan bij vergunningverlening bedoeld was. Volgens belanghebbende kan ook uit het StAB-rapport niet worden opgemaakt dat de StAB heeft getracht aan te geven dat deze activiteiten niet gedurende hele dagen gelijktijdig mogen worden verricht. Volgens belanghebbende heeft de StAB bedoeld dat deze activiteiten niet op hetzelfde tijdstip mogen worden verricht.



17.3
Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat uit de StAB-rapporten niet volgt dat de aanbeveling, dat de activiteiten oppompen van mest en vullen van de voedersilo’s niet gelijktijdig mogen plaatsvinden, geldt voor een hele dag. Met belanghebbende is de rechtbank van oordeel dat uit de StAB-rapporten slechts volgt dat deze activiteiten niet gelijktijdig mogen plaatsvinden. In zoverre is het in het besluit van 21 februari 2019 opgenomen voorschrift te beperkend opgesteld. Naar het oordeel van de rechtbank dient voorts, gelet op de rapporten van de StAB van 23 januari 2018 en 24 april 2018 nader onderzoek te worden verricht naar de vraag in hoeverre sprake is van een significante geluidsbijdrage van het vullen van de voedersilo indien deze gelijktijdig plaatsvindt met het oppompen van de mest. In dat verband is van belang dat verweerder de mogelijkheid dat de activiteiten gelijktijdig kunnen plaatsvinden, niet heeft betrokken in de besluitvorming. In zoverre is het besluit onzorgvuldig voorbereid.

Het beroep van belanghebbende is gegrond.

18. Resumerend overweegt de rechtbank dat de beroepen van eisers [eiseres] en [eisers] gegrond zijn voor zover bij het bestreden besluit van 20 april 2017 geen omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen is verleend. Voorts zijn deze beroepen gegrond voor zover bij het bestreden besluit omgevingsvergunning voor de activiteit handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening is verleend. Tevens zijn de beroepen gegrond voor zover de beroepsgronden zien op het aspect geluid. Dit betreft de volgende onderdelen: het langtijdgemiddeld geluidsniveau in de dagperiode ter hoogte van woning [adres 5] van 44 dB(A), het niet meenemen van de situatie dat gelijktijdig mest wordt afgevoerd en de silo met tarwegistconcentraat wordt gevuld, het ontbreken van de geluidsbronnen afvoer van vee en het laden van de mest en het ontbreken van de geluidsbron loeien van koeien. Voort is overwogen dat in het bestreden besluit van 20 april 2017 ten onrechte in het kader van een goede ruimtelijke ordening het gebruik van de weg niet is betrokken.
Voorts is het beroep van belanghebbende tegen het wijzigingsbesluit van 21 februari 2019 gegrond.

Gelet op het voorgaande kunnen de bestreden besluiten niet in stand blijven. De bestreden besluiten dient te worden vernietigd en verweerder dient met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen.

19. De beroepen zijn gegrond.

20. Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eisers en belanghebbende het door hen betaalde griffierecht vergoedt.

21. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eisers en belanghebbende - gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand voor respectievelijk eiseres [eiseres] en belanghebbende vast op € 1024,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 512,- en een wegingsfactor 1).







Beslissing

De rechtbank:
- verklaart alle beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten van 20 april 2017 en 21 februari 2019;
- draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen;
- draagt verweerder op het door eisers en belanghebbende betaalde griffierecht van € 167,- aan eisers en belanghebbende te vergoeden;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres [eiseres] en belanghebbende tot een bedrag van € 1024,-, derhalve in totaal € 2048,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Bastin, voorzitter, en mrs. L. Mulder en D. Pool , leden, in aanwezigheid van mr. F.K. Heiting, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 11 juli 2019.








griffier voorzitter


Afschrift verzonden aan partijen op:




Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening.
Link naar deze uitspraak