Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2025:5754 
 
Datum uitspraak:25-08-2025
Datum gepubliceerd:29-08-2025
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE - 24 _ 7406 24 _ 7407 24 _ 7408 en 24 _ 7409
Rechtsgebied:Belastingrecht
Indicatie:Geheimhouding
Trefwoorden:belastingrecht
nertsen
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Belastingrecht
zaaknummers: BRE 24/7406, 24/7407, 24/7408 en 24/7409


beslissing als bedoeld in artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen




[belanghebbende] , uit [plaats] , belanghebbende,
(gemachtigde: mr. M. Hendriks),

en



de inspecteur van de Belastingdienst, de inspecteur.




Het verzoek

1. De inspecteur heeft, met dagtekening 28 januari 2025, een verweerschrift ingediend en daarin een verzoek om geheimhouding als bedoeld in artikel 8:29 van de Awb gedaan. In onderdeel 8 van het verweerschrift en paragraaf 5 van het Memo ‘ [naam project] – op de zaak betrekking hebbende projectstukken’ is het verzoek om geheimhouding toegelicht. De inspecteur heeft in het verweerschrift ter zake van de beroepen met zaaknummers 24/7402 tot en met 24/7405 van [naam] , de echtgenoot van belanghebbende, hetzelfde verzoek om geheimhouding gedaan. Bij brief van 28 januari 2025 heeft de inspecteur ter zake van de beroepen van belanghebbende en haar echtgenoot één gesloten doos overgelegd met daarin de stukken met passages die volgens hem in de zaken van belanghebbende en haar echtgenoot geheimgehouden moeten worden (de geschoonde passages). De rechtbank heeft een afschrift van het verweerschrift en de bijbehorende (geschoonde) bijlagen aan belanghebbende verstrekt.


1.1.
De stukken met de geschoonde passages zijn als bijlagen 4, 5, 6, 7, 12, 14, 16, 17, 18, 18a, 29, 30, 31, 32, 33, 44, 71, 72 en 73 bij het verweerschrift gevoegd. De stukken met geschoonde passages zijn als volgt (grofweg) te omschrijven:








Bijlagenr.




Omschrijving





4


Een viertal memo’s




5


Document ‘Niederlande’




6


Verzoek Luxemburg [kenmerk 1]




7


Reactie Luxemburg [kenmerk 1]




12


Aanvulling verzoek Luxemburg [kenmerk 1]




14


Verzoek Luxemburg [kenmerk 2]




16


Deelantwoord verzoek Luxemburg [kenmerk 1]




17


Eindantwoord verzoek Luxemburg [kenmerk 1]




18


Informatie vanuit Luxemburg [kenmerk 2]




18a


Brief Luxemburg [kenmerk 3]




29


Proces-verbaal onderzoek [kenmerk 4]




30


Interne e-mailwisseling




31


Logboek branche nertsen




32


Verzoek Luxemburg [kenmerk 5]




33


Reactie vanuit Luxemburg, stand van zaken [kenmerk 5]




44


Boeteadvies




71


Printscreens applicatie ‘Vermogen in buitenland: renseignementen’




72


Brieven kennisgeving vergrijpboete




73


Brieven mededeling vergrijpboete








1.2.
De inspecteur heeft bij de geschoonde passages doorgaans één of meerdere letters aangebracht (A tot en met D). Deze letters corresponderen met de reden waarop het verzoek om geheimhouding voor de desbetreffende passage is gebaseerd. De redenen zijn – in de kern – als volgt te omschrijven:


Het belang van privacy van individuele ambtenaren;


Het belang van privacy van derden;


Het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (C1), waaronder begrepen een effectieve en efficiënte interne werkwijze (C2) en het voorkomen van calculerend en/of anticiperend gedrag van belastingplichtigen (C3);


Persoonlijke opvattingen en vrije meningsvorming.





1.3.
De inspecteur heeft bij een passage van een stuk waarin een persoonsgegeven is geschoond een zogenoemd NN-nummer aangebracht. Dat NN-nummer correspondeert volgens de inspecteur met het nummer dat in de ‘Naam-Nummerlijst’ aan die persoon is toegekend. De inspecteur heeft de ‘Naam-Nummerlijst’ in de gesloten doos gedaan en aan de geheimhoudingskamer verstrekt.



1.4.
Verder heeft de inspecteur bij passages van een stuk waarin een persoonsgegeven van een derde is geschoond – in het bijzonder in het Proces-verbaal onderzoek [kenmerk 4] (bijlage 29 van het verweerschrift) – een zogenoemd B-nummer aangebracht. Dat B-nummer correspondeert volgens de inspecteur met het nummer dat in de ‘B-lijst’ aan die persoon is toegekend. De inspecteur heeft de ‘B-lijst’ in de gesloten doos gedaan en aan de geheimhoudingskamer verstrekt.



1.5.
De gemachtigde heeft bij brief van 14 februari 2025 gereageerd op het verzoek van de inspecteur. Daarbij heeft hij aangegeven dat hij niet akkoord gaat met het verzoek van de inspecteur. Belanghebbende stelt dat het voor haar beroep onontbeerlijk is dat hij in staat wordt gesteld om integraal kennis te nemen van de geschoonde documenten. Dit geldt volgens belanghebbende met name (maar niet uitsluitend) voor de projectstukken, logboeken, interne e-mails en de CLO-verzoeken. Deze documenten bevatten volgens belanghebbende informatie die van belang is voor de beoordeling of de inspecteur voldoende voortvarendheid heeft betracht bij het vaststellen van de in geschil zijnde navorderingsaanslagen en vergrijpboeten die aan belanghebbende zijn opgelegd.




Overwegingen


Geen zitting

2. Belanghebbende heeft de geheimhoudingskamer verzocht om het geheimhoudingsverzoek op een zitting te behandelen.


2.1.
De geheimhoudingskamer heeft besloten om een mondelinge behandeling ter zitting achterwege te laten. Reden daarvoor is dat de aard van de geheimhoudingsprocedure meebrengt dat een behandeling ter zitting in dit geval naar het oordeel van de geheimhoudingskamer niet geschikt is om het verzoek om geheimhouding van de inspecteur te behandelen. Immers, de inspecteur en de geheimhoudingskamer beschikken over de ongeschoonde stukken en belanghebbende niet, zodat een debat tijdens een zitting over die ongeschoonde stukken niet snel zinvol kan worden gevoerd. Het is niet de bedoeling dat tijdens een zitting de ongeschoonde inhoud van de stukken wordt prijs gegeven, terwijl deze ongeschoonde inhoud wellicht op grond van gewichtige redenen voor belanghebbende geheim moet worden gehouden. Belanghebbende is in de gelegenheid gesteld, en heeft ook van deze gelegenheid gebruik gemaakt, om op het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur te reageren. De geheimhoudingskamer zal het geheimhoudingsverzoek van de inspecteur behandelen met inachtneming van deze reactie van belanghebbende.


Kader voor beoordeling artikel 8:29 van de Awb

3. De omstandigheid dat stukken met geschoonde passages behoren tot de op de zaak betrekking hebbende stukken in de zin van artikel 8:42 van de Awb brengt niet automatisch mee dat die stukken (volledig) aan de andere partij ter kennis moeten worden gebracht. Het bepaalde in artikel 8:29 van de Awb biedt aan partijen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, de mogelijkheid het overleggen van stukken te weigeren (geheimhouding) of de rechtbank mede te delen dat uitsluitend de rechtbank kennis zal mogen nemen van deze stukken (beperkte kennisneming).



3.1.
Het verschil tussen het honoreren van een verzoek om geheimhouding en het honoreren van een verzoek om beperking van kennisneming is als volgt:
a. Geheimhouding: (delen van de) stukken mogen door een partij worden onthouden aan de rechter die de hoofdzaak beslist en aan de wederpartij; zowel de rechter die de hoofdzaak beslist als de wederpartij nemen geen kennis van deze (delen van) stukken en deze blijven bij de beslissing van de hoofdzaak geheel buiten beschouwing (geheimhouding).
b. Beperking kennisneming: de (delen van de) stukken komen wel ter beschikking van de rechter die de hoofdzaak beslist, maar de wederpartij kan geen kennis nemen van deze (delen van) stukken: de kennisneming is beperkt tot de rechter die de hoofdzaak beslist (beperkte kennisneming).



3.2.
Uit de toelichting van de inspecteur in het verweerschrift leidt de geheimhoudingskamer af dat de inspecteur zich beroept op variant b. als bedoeld in 3.1. Belanghebbende heeft echter geen instemming verleend met beperkte kennisneming, terwijl die instemming wel is vereist. Als het geheimhoudingsverzoek wordt toegewezen, is beperkte kennisneming daarom niet mogelijk. De geheimhoudingskamer begrijpt het verzoek van de inspecteur zo, dat daarin ook een verzoek om geheimhouding in de zin van variant a. als bedoeld in 3.1 besloten ligt. Om proceseconomische redenen zal de geheimhoudingskamer het verzoek van de inspecteur behandelen als een verzoek om geheimhouding, en niet als een verzoek om beperkte kennisneming.



3.3.
Bij het geheimhouden van (delen van) op de zaak betrekking hebbende stukken moet de grootst mogelijke terughoudendheid worden betracht. Slechts indien de door de inspecteur voor geheimhouding aangevoerde redenen zwaarder wegen dan het belang van belanghebbenden bij onbeperkte kennisneming van (delen) van die stukken, is sprake van gewichtige redenen die geheimhouding rechtvaardigen.


Beoordeling van het verzoek

4. De geheimhoudingskamer heeft, met toepassing van artikel 8:29 van de Awb, kennis genomen van de geschoonde passages (veronderstellend dat deze onderdeel zijn van stukken die op de zaak betrekking hebben in de zin van artikel 8:42 van de Awb) en van de stukken van de hoofdzaak. De geschoonde passages stukken zijn vervolgens onderworpen aan een afweging van het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming tegenover de afweging van de inspecteur om delen van de stukken geheim te houden.


Persoonsgegevens van ambtenaren (reden A)



4.1.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat de inspecteur verschillende passages met namen, telefoonnummers, (e-mail)adressen en handtekeningen van (belasting)ambtenaren heeft geschoond. De inspecteur heeft daar steeds reden A voor aangevoerd.



4.2.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang van bescherming van deze persoonsgegevens en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. Door het geheimhouden van deze persoonsgegevens wordt belanghebbende ook niet wezenlijk in haar procesvoering belemmerd, nu de geschoonde gegevens van ambtenaren zijn voorzien van een NN-nummer en de ambtenaren daardoor individualiseerbaar zijn. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding op dit punt dan ook toe. Daarbij plaatst de geheimhoudingskamer de volgende opmerkingen.



4.3.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat het NN-nummer bij een weggelakt persoonsgegeven steeds correspondeert met het nummer dat in de ‘Naam-Nummerlijst’ aan die persoon is toegekend. De geheimhoudingskamer ziet geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan kleine verschillen in de schrijfwijze tussen namen in de geschoonde stukken en namen in de ‘Naam-Nummerlijst’, aangezien steeds duidelijk is welke persoon het betreft. De geheimhoudingskamer merkt verder op dat in het Memo 'Logboek Luxemburgse info ( [naam project] )’, gevoegd als vierde memo in bijlage 4 van het verweerschrift, op verschillende plekken een NN-nummer is genoteerd als ‘N?’. Dit NN-nummer heeft steeds betrekking op dezelfde persoon, die niet voorkomt in de ‘Naam-Nummerlijst’. Omdat ‘N?’ steeds betrekking heeft op dezelfde persoon, is dit persoonsgegeven individualiseerbaar en bestaat er geen aanleiding om gevolgen te verbinden aan het ontbreken van een nummer.



4.4.
De geheimhoudingskamer constateert dat bij een aantal geschoonde passages die betrekking hebben op een persoonsgegeven van een (belasting)ambtenaar het corresponderende NN-nummer ontbreekt. Daardoor zijn deze ambtenaren niet direct individualiseerbaar. Het is aan de rechter die een inhoudelijk oordeel zal vellen om te beoordelen in hoeverre de inspecteur hier nog inlichtingen over moet verstrekken. Desalniettemin geeft de geheimhoudingskamer de inspecteur vanuit praktisch oogpunt in overweging om alsnog de geheim te houden persoonsgegevens te voorzien van NN-nummers alsmede een, nog aan de geheimhoudingskamer te overleggen, daarmee corresponderende lijst met namen van de ambtenaren. Daarbij merkt de geheimhoudingskamer op dat het praktisch en overzichtelijk zou zijn als de inspecteur de geheim te houden persoonsgegevens voorziet van NN-nummers die corresponderen met de nummers uit de ‘Naam-Nummerlijst’. Het gaat dan om persoonsgegevens die zonder toevoeging van een NN-nummer zijn weggelakt in de volgende stukken:


het stuk gevoegd als bijlage 30 van het verweerschrift;


het stuk gevoegd als bijlage 31 van het verweerschrift;


het stuk gevoegd als bijlage 44 van het verweerschrift.




(Persoons)gegevens van derden (reden B)



4.5.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat de inspecteur passages heeft geschoond met gegevens die ogenschijnlijk betrekking hebben op derden of herleidbaar zijn tot derden. Het gaat dan onder meer om gegevens zoals (code)namen, telefoon- en faxnummers, (e-mail)adressen, burgerservicenummers, rekeningnummers, saldo-informatie, contactgegevens van adviseurs, persoonsgegevens van verbalisanten en justitiële ambtenaren, talonnummers, bestandsnamen waarin kenmerken zijn genoemd die te relateren zijn aan personen, handtekeningen, disclaimers onderaan e-mails, handtekeningen (delen van) kopieën van identiteitsbewijzen en logo’s van bedrijven. De inspecteur heeft daar doorgaans reden B voor gegeven. Op sommige plekken zijn dergelijke gegevens geschoond, maar is er geen reden bij vermeld. De geheimhoudingskamer gaat ervan uit dat de inspecteur zich op die plekken ook beroept op reden B.



4.6.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat het belang van bescherming van deze (persoons)gegevens van derden en de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van derden in dit geval aanzienlijk zwaarder weegt dan het belang dat belanghebbende heeft bij kennisneming van deze gegevens. Dat kan anders zijn indien de inhoud van die passages ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het (verdedigings)belang van belanghebbende in gedrang zou kunnen komen, maar dat is de geheimhoudingskamer hier niet gebleken. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat belanghebbende door het geheimhouden van deze gegevens – gelet op de aard en inhoud ervan – niet wezenlijk in haar procesvoering belemmerd. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding op dit punt in beginsel dan ook toe. Daarop gelden drie uitzonderingen (zie 4.7, 4.8 en 4.9). Verder plaatst de geheimhoudingskamer bij dit oordeel nog een opmerking (zie 4.10).



4.7.
De geheimhoudingskamer is van oordeel dat een aantal gegevens niet onder aanvoering van reden B geheim kunnen worden gehouden. Deze gegevens hebben voor belanghebbende weliswaar betrekking op een derde, namelijk haar echtgenoot, maar de geheimhoudingskamer komt in de geheimhoudingsprocedure van de echtgenoot tot de conclusie dat deze gegevens niet geheim kunnen blijven. Het ligt – gelet op de sterke verwevenheid tussen beide procedures en het feit dat het gaat om gegevens van de echtgenoot – niet voor de hand om het geheimhoudingsverzoek in deze ene procedure op dit punt af te wijzen en in deze procedure toe te wijzen. De geheimhoudingskamer wijst het verzoek om geheimhouding ook in deze procedure op dit punt dan ook af en draagt de inspecteur op om deze gegevens aan belanghebbende ter beschikking te stellen. Het gaat dan om (persoons)gegevens met betrekking tot de echtgenoot die zijn geschoond in:


het stuk gevoegd als bijlage 29 van het verweerschrift, in de tabel op pagina 159 van dat stuk;


het stuk gevoegd als bijlage 29 van het verweerschrift, in de tabel op pagina 206 van dat stuk;


het stuk gevoegd als bijlage 29 van het verweerschrift, in de tabel op pagina 245 van dat stuk;


het stuk gevoegd als bijlage 29 van het verweerschrift, in de tabel op pagina 1.105 van dat stuk.





4.8.
De inspecteur heeft in het stuk gevoegd als bijlage 29 bij het verweerschrift op verschillende plekken codenamen weggelakt. Op pagina 1.099 en 1.100 van dat stuk zijn enkele codenamen echter wel zichtbaar. Belanghebbende heeft dus kennis van een aantal codenamen. Reeds bekende codenamen, die zonder verdere context voorkomen in het stuk, zoals bijvoorbeeld in een tabel, kunnen daarom aan belanghebbende worden verstrekt. Het gaat dan om de bekende codenamen die zijn gelakt op pagina’s 157, 159, 206 en 207 van het voornoemde stuk. Indien een weggelakte bekende codenaam is geplaatst in een bepaalde context, kan het prijsgeven van die codenaam leiden tot identificatie van de betrokkene op wie die passage ziet. De geheimhoudingskamer acht geheimhouding in dat laatste geval – onder verwijzing naar 4.6 – gerechtvaardigd. Afwijzing van het geheimhoudingsverzoek op dit punt ziet dus alleen op de bekende codenamen als genoemd op de hiervoor vermelde pagina’s van bijlage 29 bij het verweerschrift.



4.9.
De inspecteur heeft de tekst op pagina’s 1.087, 1.088 en 1.089 van het stuk gevoegd als bijlage 29 bij het verweerschrift volledig weggelakt. Deze pagina’s bevatten een uitvergrote weergave van het overzicht dat op pagina 1.086 van het stuk gevoegd als bijlage 29 bij het verweerschrift deels geschoond is opgenomen. Aangezien belanghebbende de ongeschoonde inhoud van dat overzicht reeds kent, is geheimhouding op pagina’s 1.087, 1.088 en 1.089 slechts toelaatbaar voor zover het gaat om de gegevens van derden die ook in het overzicht op pagina 1.086 zijn weggelakt.



4.10.
Verder stelt de geheimhoudingskamer vast dat het B-nummer bij een weggelakt persoonsgegeven steeds correspondeert met het nummer dat in de ‘B-lijst’ aan die persoon is toegekend. Bij sommige passages waarin een (persoons)gegeven van een derde is geschoond, is geen B-nummer vermeld. De geheimhoudingskamer verbindt aan het ontbreken van een B-nummer in dit geval echter geen gevolgen. Belanghebbende kan uit de context waarin deze geschoonde passages staan naar het oordeel van de geheimhoudingskamer voldoende individualiseren op welke persoon de passage betrekking heeft. Daarbij geeft de geheimhoudingskamer als voorbeeld een handtekening die behoort tot de daarvoor genoemde persoon.


Het belang van de Belastingdienst bij een effectieve controle en controlestrategie (reden C) en persoonlijke opvattingen en vrije meningsvorming (reden D).



4.11.
De geheimhoudingskamer stelt vast dat de geschoonde passages ten aanzien waarvan de inspecteur zich heeft beroepen op reden C en/of reden D grotendeels verslaglegging betreffen van – kortgezegd – controlestrategie, intern beraad en intercollegiale toetsing. Het belang van vrije bepaling van de (controle)strategie en procespositie kan een belang zijn dat geheimhouding van stukken op grond van artikel 8:29 van de Awb kan rechtvaardigen. Dat kan anders zijn indien de inhoud van die stukken ook bijvoorbeeld niet aan belanghebbende bekende feitelijke informatie bevat, waardoor het (verdedigings)belang van belanghebbende in gedrang zou kunnen komen. Dat is de geheimhoudingskamer echter hier niet gebleken. Gelet op de aard van de geschoonde passages waarvoor reden C en/of reden D voor geheimhouding is gegeven, is de geheimhoudingskamer van oordeel dat deze redenen aanzienlijk zwaarder wegen dan het belang van belanghebbende bij onbeperkte kennisneming van de geschoonde passages, omdat ook de inspecteur recht heeft op vrijheid en vertrouwelijkheid van het bepalen van de (controle)strategie, intern beraad en intercollegiale toetsing. De geheimhoudingskamer is van oordeel dat daarmee sprake is van gewichtige redenen die geheimhouding op grond van artikel 8:29 van de Awb rechtvaardigen. Dit oordeel geldt alleen niet voor de volgende geschoonde passages:


in het memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’, gevoegd als bijlage 4 bij het verweerschrift, de geschoonde passage in paragraaf 4.2.6, met uitzondering van de laatste twee zinnen, en de titel van die paragraaf in de inhoudsopgave van het memo;


in het memo ‘Aandachtspunten projecten Verhuld Vermogen’, gevoegd als bijlage 4 bij het verweerschrift, de geschoonde passage in paragraaf 4.3.4 en de titel van die paragraaf in de inhoudsopgave van het memo.





4.12.
Voor de hiervoor genoemde passages geldt dat met de aangevoerde grond onvoldoende toegelicht is waarom geheimhouding gerechtvaardigd is. Het had op de weg van de inspecteur gelegen om die toelichting wel te geven, gelet op de aard en de inhoud van de desbetreffende passages. De passages betreffen (ogenschijnlijk) een weergave van jurisprudentie, feiten of het procesverloop. Dat het belang van vrijheid en vertrouwelijkheid van juridisch intern beraad een rechtvaardiging kan zijn voor geheimhouding van (delen van) stukken, brengt niet mee dat geheimhouding zonder meer gerechtvaardigd is voor alle passages van een stuk dat ten behoeve van intern beraad is opgesteld.


Conclusie

5. Het voorgaande betekent dat het verzoek van de inspecteur om geheimhouding van de geschoonde passages in bijlagen 4, 5, 6, 7, 12, 14, 16, 17, 18, 18a, 29, 30, 31, 32, 33, 44, 71, 72 en 73 bij het verweerschrift deels wordt toegewezen en deels wordt afgewezen. Op grond van het procesreglement wordt de inspecteur dan ook in de gelegenheid gesteld om binnen vier weken na verzending van deze beslissing aan de rechtbank mede te delen welke consequenties hij aan de beslissing van de geheimhoudingskamer verbindt. Dit houdt in dat de inspecteur de keuze moet maken de beslissing van de geheimhoudingskamer (geheel) na te leven – en binnen dezelfde vier weken de stukken conform in te sturen – of dat niet (geheel) te doen in welk laatste geval hij de uit toepassing van artikel 8:31 van de Awb mogelijkerwijs voortvloeiende consequenties daarvan zal moeten aanvaarden.




Beslissing

De geheimhoudingskamer:


wijst het verzoek om geheimhouding af voor de passages genoemd in overwegingen 4.7, 4.8, 4.9 en 4.11;


wijst het verzoek om geheimhouding voor het overige toe.




Deze beslissing is genomen door mr. S.A.J. Bastiaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E.M. Houben, griffier, op 25 augustus 2025 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.










griffier


rechter






Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst.



Rechtsmiddel
Tegen deze beslissing kan ingevolge artikel 8:104, derde lid, van de Awb slechts tegelijk met het hoger beroep tegen de uitspraak in de hoofdzaak hoger beroep worden ingesteld.



Vgl. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 13 april 2018, ECLI:NL:GHSHE:2018:1593, r.o. 3.31.


Artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb.


Vgl. conclusie van mr. P.J. Wattel van 25 april 2008, ECLI:NL:PHR:2008:BA3851, en Gerechtshof Amsterdam 4 juni 2015, ECLI:NL:GHAMS:2015:4228.


Zie Hoge Raad 18 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3600.
Link naar deze uitspraak