Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:19 
 
Datum uitspraak:27-01-2026
Datum gepubliceerd:27-01-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:24/633
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Beroep ongegrond. De minister heeft de aanvraag voor DEI+-subsidie terecht afgewezen, omdat de onderneming onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij haar eigen aandeel in het project te financieren. Ook is er geen sprake van stimulerend effect en is het project onvoldoende innovatief.
Trefwoorden:lnv-subsidies
subsidies
tarieven
Wetreferenties:Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 24/633

uitspraak van de meervoudige kamer van 27 januari 2026 in de zaak tussen

[naam 1] B.V., te [woonplaats] (onderneming)

en

de minister van Economische Zaken
(gemachtigde: mr. N. Adams)




Procesverloop

Met het besluit van 28 december 2023 (afwijzingsbesluit) heeft de minister de subsidieaanvraag van de onderneming op grond van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies, paragraaf 4.2.10 Demonstratie energie- en klimaatinnovatie (DEI+) (regeling) afgewezen.

Met het besluit van 6 juni 2024 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard.

De onderneming heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

De zitting was op 3 december 2025. Aan de zitting hebben deelgenomen: [naam 2] namens de onderneming en de gemachtigde van de minister.



Overwegingen


Inleiding



1.1
Op 29 augustus 2023 heeft de onderneming DEI+-subsidie aangevraagd (aanvraag) voor het project ‘ [projectnaam] ’ (project). Het project heeft als doel via het communicatieplatform [platformnaam] bij inwoners van gemeenten het draagvlak te vergroten voor verduurzaming van hun woning. Voorafgaand aan de aanvraag en tijdens de aanvraagfase heeft de onderneming contact gehad met verschillende medewerkers van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RvO).



1.2
Met het afwijzingsbesluit heeft de minister de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens het Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies (Kaderbesluit) gestelde regels (artikel 22, eerste lid, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit). Het gaat daarbij om drie afwijzingsgronden. In de eerste plaats is de kwaliteit van het project onvoldoende (artikel 4.2.69, aanhef en onder a, van de regeling). Verder is er niet voldaan aan de eisen over het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit). Tot slot heeft de minister onvoldoende vertrouwen dat de onderneming haar eigen aandeel in het project kan financieren (artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit).



1.3
Met het bestreden besluit heeft de minister het bezwaar van de onderneming ongegrond verklaard. Hij is gebleven bij zijn standpunt in het afwijzingsbesluit en heeft verder toegelicht dat er voor het project geen sprake is van innovatie op sociaal, psychologisch en organisatorisch vlak of het vlak van digitalisering, zoals vereist op grond van de regeling (artikel 4.2.69, aanhef en onder d, van de regeling, die gold op het moment van de aanvraag). Naar het oordeel van de minister bestaan de activiteiten beschreven in het projectplan in hoofdzaak uit de doorontwikkeling van een reeds bestaand communicatieplatform, dat gebruik maakt van bestaande communicatietechnieken (WhatsApp Business en vergelijkbare digitale tools).


Wettelijk kader




2.1
De DEI+-subsidiemodule is bedoeld om subsidie te geven aan ondernemers die een innovatieve techniek binnen hun bedrijf willen testen in een pilotproject of demonstreren in een demonstratieproject. De innovatie moet leiden tot CO2-reductie.



2.2
Het toepasselijke wettelijke kader is opgenomen in een bijlage bij deze uitspraak.


Standpunt van de onderneming


3 De onderneming voert in beroep aan dat de minister haar aanvraag ten onrechte heeft afgewezen. Zij voldoet wel degelijk aan de bij of krachtens het Kaderbesluit gestelde regels. Het project is innovatief, omdat het geavanceerde technologieën gebruikt, zoals datagedreven analyses en privacybescherming. De pilots in [plaats 1] en [plaats 2] hebben de unieke toepasbaarheid van [platformnaam] aangetoond voor verduurzamingsprojecten, met een participatiegraad van 20% en concrete bijdragen aan CO2-reductie. Het schaalbare karakter is wat het project onderscheidt en innovatief maakt. Verder wordt voldaan aan de eisen van stimulerend effect. Het standpunt van de minister dat er geen sprake is van stimulerend effect, omdat het project al is gestart voor de aanvraag, is onjuist. Op zitting heeft zij daartoe een opdrachtbevestiging van de gemeente [plaats 2] van 1 november 2023 overgelegd. [platformnaam] bevindt zich in een demonstratiefase, die verschilt van de eerder uitgevoerde pilots in [plaats 1] en [plaats 3] in de pilotfase, en is gericht op nationale opschaling. Dit onderscheid tussen de pilotfase, gericht op technische validatie, en de demonstratiefase, gericht op nationale implementatie en doorontwikkeling, is ook duidelijk vermeld in de aanvraag. Zonder subsidie blijft het project beperkt tot de pilots. Ook betoogt de onderneming dat zij haar eigen aandeel in het project kan financieren. De begroting is opgesteld conform de vereisten van het subsidietemplate en is in eerdere communicatie door de minister als voldoende beoordeeld, waarbij rekening is gehouden met de startupstatus van de onderneming. Haar financiële soliditeit blijkt uit verschillende overgelegde stukken, zoals de offerte aan de gemeente [plaats 2] . In deze offerte is gerekend met reële tarieven van € 6,20 per huishouden. Die tarieven tonen een marktconforme strategie. In de overgelegde begroting is ook gerekend met een duurzame kostenstructuur, met 15% kostenreductie bij opschaling. De goedgekeurde offertes uit de pilotfase bewijzen dat gemeenten bereid zijn markconforme tarieven te betalen. Bovendien heeft er een professionalisering plaatsgevonden door de exploitatie van [platformnaam] onder te brengen in de aparte vennootschap [naam 3] . Verder voert de onderneming aan dat de besluiten zijn genomen in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel, en doet zij een beroep op het vertrouwensbeginsel. De minister heeft geen rekening gehouden met de bewijsstukken uit de aanvraagfase, die de professionaliteit en financiële soliditeit van de onderneming aantonen. Zonder verdere uitleg heeft de minister besloten tot afwijzing, ondanks positieve beoordelingen en toezeggingen in de aanvraagfase.


Beoordeling door het College



Afwijzing van de subsidie




4.1
Zoals het College eerder heeft geoordeeld, behoort het tot de verantwoordelijkheid van de aanvrager om een juiste en volledige subsidieaanvraag in te dienen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 25 maart 2025, ECLI:NL:CBB:2025:193, onder 7). Uit artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit volgt dat voldoende vertrouwen moet bestaan dat de onderneming de activiteiten kan financieren. Het is dus aan de onderneming om dit aannemelijk te maken. De stukken die de onderneming over de financiering heeft overgelegd zijn daarvoor niet voldoende, zoals zij op de zitting tot op zekere hoogte ook heeft onderkend. Ondanks nadrukkelijk verzoek daartoe van de minister, heeft zij geen concrete bewijsstukken overgelegd waaruit blijkt dat voldoende middelen beschikbaar zijn om haar eigen aandeel in het project te financieren. De minister heeft terecht opgemerkt dat een verwijzing naar toekomstige inkomsten niet voldoende zeker en afdwingbaar is. Dat de onderneming haar begroting heeft opgesteld conform de vereisten van het subsidietemplate en dat in de begroting en in de offerte voor de gemeente [plaats 2] is gerekend met marktconforme tarieven en een duurzame kostenstructuur, alsook dat een professionaliseringsslag is gemaakt door de exploitatie van [platformnaam] onder te brengen in [naam 3] , maakt nog niet aannemelijk dat de onderneming haar eigen aandeel in het project kan financieren. Naar het oordeel van het College volgt hieruit dat de minister terecht heeft geconcludeerd dat er onvoldoende vertrouwen bestaat dat de onderneming haar eigen aandeel in het project kan financieren, als bedoeld in artikel 23, aanhef en onder a, van het Kaderbesluit. Omdat deze afwijzingsgrond de afwijzing van de subsidie zelfstandig kan dragen, heeft de minister de subsidieaanvraag terecht afgewezen.



4.2
Overigens heeft de minister er verder terecht op gewezen dat niet is voldaan aan de eisen over het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader (artikel 22, eerste lid, aanhef en onder c, van het Kaderbesluit) en het project onvoldoende innovatief is (artikel 4.2.69, aanhef en onder a, van de regeling, die gold op het moment van de aanvraag). Tegenover het standpunt van de minister dat het project berust op een bestaand communicatieplatform dat gebruik maakt van bewezen technieken heeft de onderneming onvoldoende concrete punten genoemd waaruit het innovatieve karakter van het project kan blijken.


Vertrouwensbeginsel


5 Voor een geslaagd beroep op het vertrouwensbeginsel moet de onderneming in ieder geval aannemelijk maken dat van de zijde van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit de onderneming in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs kon en mocht afleiden of, en zo ja, hoe het bestuursorgaan in een concreet geval een bevoegdheid zou uitoefenen. Daar is in dit geval geen sprake van. De onderneming heeft niet aannemelijk gemaakt dat de RvO-medewerkers met wie zij heeft gesproken een toezegging hebben gedaan over de uitkomst van de beoordeling, terwijl de onderneming bovendien wist dat de inhoudelijke beoordeling van de nog in te dienen aanvraag door een andere adviseur zou worden gedaan. Aan positieve uitlatingen over het project(idee) in de voorfase, kon de onderneming niet het vertrouwen ontlenen dat de subsidie ook daadwerkelijk zou worden verleend als de subsidieaanvraag werd ingediend. Het beroep op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.


Zorgvuldigheidsbeginsel en motiveringsbeginsel


6 Voor de conclusie dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en niet deugdelijk is gemotiveerd, bestaat geen grond.


Slotsom


7 Het beroep is ongegrond en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.




Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Venekamp, mr. M.J. Jacobs en mr. P. Glazener, in aanwezigheid van mr. L. ten Hove, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.







w.g. A. Venekamp w.g. L. ten Hove



Bijlage


Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies


Artikel 4.2.69. Afwijzingsgronden
De minister beslist afwijzend op een aanvraag indien:
[…]
a. de kwaliteit van het project onvoldoende is, blijkend uit de uitwerking van aanpak en methodiek, de omgang met risico's, de uitvoerbaarheid, de deelnemende partijen of de mate waarin de beschikbare middelen effectief en efficiënt worden ingezet;
[…]
d.er onvoldoende sprake is van vernieuwing, blijkende uit een vernieuwende technologie of een vernieuwende toepassing van een bestaande technologie, tenzij het een aanvraag om subsidie voor een DEI+-test- en experimenteerinfrastructuurproject betreft;
[…]


Kaderbesluit nationale EZK- en LNV-subsidies


Artikel 22
1. Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien:
a. de aanvraag niet voldoet aan de bij of krachtens dit besluit gestelde regels;
(…)
c. niet voldaan wordt aan de eisen inzake het stimulerend effect, bedoeld in het toepasselijke Europese steunkader;
[…]

Artikel 23
Onze Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie, niet zijnde een subsidie aan een financier, voor zover:
a. onvoldoende vertrouwen bestaat dat de betrokkenen de activiteiten kunnen financieren;
[…]
Link naar deze uitspraak