|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2022:1472 | | | | | Datum uitspraak | : | 20-05-2022 | | Datum gepubliceerd | : | 09-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_21_627 | | Rechtsgebied | : | Bestuursprocesrecht | | Indicatie | : | Beroep n.a.v. afwijzing verzoek om nadeelcompensatie o.g.v. Tracébesluit. Beroep ongegrond. Het verzoek om nadeelcompensatie is op goede gronden afgewezen. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | onteigening | | | perceel | | | planschade | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 21/627
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], te [woonplaats], eiser,
gemachtigden: mr. J. Bax en mr. A. Bakker,
en
de minister van Infrastructuur en Waterstaat, verweerder,
gemachtigde: mr. ir. M.A. Drapers BA.
Procesverloop
Bij besluit van 29 september 2020 (het primaire besluit) heeft verweerder een verzoek van eiser om nadeelcompensatie afgewezen.
Tegen dat besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.
Bij besluit van 1 maart 2021 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit met een aangepaste motivering in stand gelaten.
Eiser heeft tegen dat besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek op de zitting heeft in eerste instantie plaatsgevonden op 7 maart 2022, waar eiser en zijn gemachtigde niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoor-digen door zijn gemachtigde mr. ir. M.A. Drapers, voornoemd, en door mr. F.J.G. Peters-van den Elsen en [naam].
Eisers gemachtigde heeft vlak voor de zitting van 7 maart 2022 telefonisch laten weten dat hij om dringende persoonlijke omstandigheden niet op de zitting aanwezig kon zijn en zich niet kon laten vervangen. Hij heeft hij de rechtbank gevraagd om de zitting te verplaatsen naar een latere datum. Omdat het uitstelverzoek pas zeer kort voor de zitting is gedaan en de gemachtigden van verweerder al aanwezig waren, heeft de rechtbank besloten toch over te gaan tot behandeling van de zaak. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek geschorst.
Na de zitting heeft de rechtbank eisers gemachtigde bij brief van 11 maart 2022 in de gelegenheid gesteld om te reageren op wat er op de zitting van de kant van verweerder is gezegd. Een kopie van de zittingsaantekeningen van de griffier was bij die brief gevoegd.
In reactie op de brief van de rechtbank van 11 maart 2022 heeft eisers gemachtigde bij brief van 25 maart 2022 meegedeeld dat hij na lezing van de zittingsaantekeningen concludeert dat hetgeen in het beroepschrift is vermeld reeds antwoord geeft op de mogelijk aan eiser te stellen vragen. Voorts wenst eiser zijn beroep graag toe te lichten op een zitting.
Het onderzoek op de zitting is vervolgens voortgezet op 26 april 2022. Eiser heeft zich daarbij laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde mr. A. Bakker. Voor verweerder zijn verschenen mr. ir. M.A. Drapers, voornoemd, mr. F. de Meer en [naam].
Overwegingen
Waar gaat het in deze zaak om?
1. In deze zaak is aan de orde of verweerder het verzoek van eiser om planschade-vergoeding/nadeelcompensatie in verband met het Tracébesluit [adres 2] (verder: het Tracébesluit) op goede gronden heeft afgewezen.
Welke wettelijke bepalingen zijn van toepassing?
2.1
Ingevolge artikel 2, eerste lid, van de Beleidsregel nadeelcompensatie Infrastructuur en Waterstaat 2019 (hierna: de Beleidsregel) kent de minister degene die schade lijdt of zal lijden als gevolg van de rechtmatige uitoefening door of namens de minister van een aan het publiekrecht ontleende bevoegdheid of taak, op verzoek een vergoeding toe, voor zover de schade redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen last behoort te blijven en voor zover de vergoeding niet of niet voldoende anderszins is verzekerd.
2.2
In artikel 14, derde lid, van de Beleidsregel is bepaald dat de minister het verzoek zonder nader onderzoek afwijst indien het naar zijn oordeel kennelijk ongegrond is.
Relevante feiten en omstandigheden
3.1
Eiser was eigenaar van het perceel [adres 1], kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastrale aanduidingen 1]. Op dit perceel stond een woning.
Het gedeelte van het perceel waarop de woning stond is onteigend in verband met de aanleg van de Rijksweg [adres 2]. Eiser heeft in verband daarmee een schadeloosstelling van de Staat ontvangen van in totaal € 440.000,-.
3.2
Als gevolg van de onteigening heeft eiser nog maar een deel van het perceel in eigendom. Op het overgebleven perceel stond geen woning. Dat perceel is thans kadastraal bekend gemeente [gemeente], [kadastrale aanduidingen 2] (hierna: het perceel).
3.3
Op 3 april 2020 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om vergoeding van planschade/nadeelcompensatie in verband met het Tracébesluit, omdat er volgens hem geen woning (meer) gebouwd c.q. herbouwd mag worden op het na de onteigening overgebleven perceel.
3.4
Bij het primaire besluit heeft verweerder het verzoek van eiser zonder nader onderzoek afgewezen omdat het kennelijk ongegrond is. Daarbij heeft verweerder overwogen dat de Staat eiser in het kader van de onteigeningsprocedure al schadeloos heeft gesteld voor het verlies van zijn woning en de mogelijkheid om die woning op het overgebleven perceel te herbouwen. Daarmee is de door eiser geleden schade volgens verweerder anderszins verzekerd en bestaat er geen aanleiding tot het toekennen van een vergoeding van nadeel-compensatie. Verweerder heeft het verzoek van eiser daarom bij het primaire besluit afgewezen. Hiertegen heeft eiser bezwaar gemaakt.
3.5
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard, waarbij verweerder de motivering van de afwijzing van eisers verzoek heeft gewijzigd c.q. aangepast. Verweerder stelt zich nader op standpunt dat het overgebleven perceel op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” de bestemming “Agrarisch gebied” heeft en niet is voorzien van een agrarisch bouwvlak. Omdat deze bestemming door het Tracébesluit niet is gewijzigd, heeft eiser volgens verweerder geen planschade geleden.
Voor zover al aangenomen zou kunnen worden dat eiser directe planschade heeft geleden, is deze naar de mening van verweerder geen gevolg van het Tracébesluit omdat het over-blijvende perceel buiten de grenzen van het Tracébesluit valt. Dat eiser op basis van informatie van het college van burgemeester en wethouders van [gemeente] in een brief van 17 december 2014 ervan uitging dat er wel een woning op het overblijvende perceel kan worden gebouwd c.q. herbouwd, maakt die conclusie niet anders, aldus verweerder.
De gronden van het beroep
4. Eiser is het niet mee eens met de afwijzing van zijn verzoek. Hij stelt zich op het standpunt dat hij recht heeft op schadevergoeding/planschade voor het overblijvende perceel [kadastrale aanduidingen 1], omdat hij op dat perceel (onder andere) geen woning mag (her)bouwen. Eiser betwist dat de waardevermindering door het verlies van zijn woning en de eventuele moge-lijkheid om die woning op het overblijvende perceel te herbouwen al is meegenomen in de schadeloosstelling die hij heeft ontvangen in verband met de onteigening, omdat de gestelde waardevermindering juist ziet op het niet-onteigende deel van het perceel. Eiser is het dan ook niet eens met de stelling van verweerder dat de vergoeding van die schade anderszins verzekerd is en daarom niet voor vergoeding in aanmerking komt.
Op de zitting heeft eisers gemachtigde nog aangevoerd dat hij het er niet mee eens is dat verweerder de aanvraag heeft afgewezen zonder een deskundigencommissie in te schakelen. Volgens de gemachtigde van eiser had verweerder het verzoek moeten voorleggen aan een onafhankelijke deskundigencommissie om de planschade te bepalen.
Hoe oordeelt de rechtbank?
5.1
De rechtbank stelt allereerst vast dat verweerder bij het bestreden besluit de motivering van de afwijzing van eisers verzoek om planschadevergoeding/nadeelcompensatie heeft gewijzigd. Aan die afwijzing legt verweerder niet langer de overweging ten grondslag dat de vergoeding van de schade al anderszins verzekerd is, maar dat er geen sprake is van plan-schade omdat de bestemming van het perceel niet is gewijzigd door het Tracébesluit en bovendien omdat het overblijvende perceel buiten de grenzen van het Tracébesluit valt zodat, voor zover al kan worden aangenomen dat eiser directe planschade heeft geleden, deze niet het gevolg is van dat besluit.
5.2
De rechtbank is het eens met het besluit van verweerder om eisers verzoek af te wijzen en met de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd bij het bestreden besluit.
De bestemming van het overblijvende perceel [kadastrale aanduidingen 1] is niet gewijzigd door het Tracé-besluit, zodat geen sprake is van een planologische verslechtering. Het overblijvende perceel heeft geen bouwvlak, zodat het alleen agrarisch gebruikt mag worden en daarop geen woning of andere bebouwing mag worden gerealiseerd. Dat was ook vóór het Tracébesluit al zo. Bovendien valt het overblijvende deel van het perceel buiten de grenzen van het Tracébesluit. Voor zover er al sprake is van schade, is deze al om die reden geen direct gevolg van dat besluit. Verweerder heeft eisers verzoek om (plan)schadevergoeding /nadeelcompensatie daarom op goede gronden afgewezen.
5.3
Op grond van artikel 14, derde lid, van de Beleidsregel kan verweerder een verzoek om planschade zonder advies van een commissie afwijzen als het verzoek kennelijk ongegrond is. Noch uit de Algemene wet bestuursrecht of de Tracéwet, noch uit de Beleidsregel volgt dat verweerder gehouden is om elk planschadeverzoek voor te leggen aan een onafhankelijke deskundigencommissie om de planschade te bepalen indien – zoals in dit geval – al op voorhand duidelijk is dat er geen recht op planschadevergoeding bestaat. Het betoog van eisers gemachtigde op de zitting dat verweerder het verzoek niet zonder nader onderzoek had mogen afwijzen maar had moeten voorleggen aan een onafhankelijke deskundigencommissie, slaagt daarom niet.
Conclusie
6. Het bestreden besluit kan in stand worden gelaten. Het beroep is ongegrond.
Proceskosten
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
G. Kootstra, als griffier op
De uitspraak wordt openbaar gemaakt op de eerstvolgende donderdag na deze datum.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Als hoger beroep is ingesteld, kan bij de voorzieningenrechter van de hogerberoepsrechter worden verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening of om het opheffen of wijzigen van een bij deze uitspraak getroffen voorlopige voorziening. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|