|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:743 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-02-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202207507/1/R1 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Op 10 maart 2022 heeft het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de toepassing van Thermisch Gereinigde Grond bij de aanleg van de Máximabrug, niet-ontvankelijk verklaard. Het gaat in deze zaak over het, in opdracht van de gemeente Alphen aan den Rijn, realiseren van de Koningin Máximabrug over de Oude Rijn in de periode tussen 2015 en 2017. Als onderdeel hiervan was het nodig om voor de toerit van de brug aan beide zijden het hoogteverschil tussen de landhoofden en het oorspronkelijke maaiveld te overbruggen. Daarbij is het maaiveld eerst deels ontgraven en daarna op- en aangevuld met Thermisch Gereinigde Grond. Vervolgens is de ontgraven grond daaroverheen teruggebracht als leeflaag. Het toepassen van de TGG is daarbij door het college aangemerkt als een zogenoemde Grootschalige Bodemtoepassing als bedoeld in artikel 63 van het Besluit bodemkwaliteit. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | paarden | | | perceel | | | vrijstelling | | | wet milieubeheer | | | | Uitspraak | 202207507/1/R1.
Datum uitspraak: 11 februari 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B], beiden wonend te Alphen aan den Rijn (hierna samen: [appellant]),
appellanten,
en
het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn,
verweerder.
Procesverloop
Op 10 maart 2022 heeft het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen de toepassing van Thermisch Gereinigde Grond bij de aanleg van de Máximabrug, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij besluit van 18 november 2022 heeft het college beslist op het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar, het bezwaar voor zover het betrekking heeft op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], gegrond verklaard en het verzoek om handhaving in zoverre alsnog afgewezen. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
[appellant] en het college hebben nadere stukken ingediend.
De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: de STAB) heeft op verzoek van de Afdeling een deskundigenbericht uitgebracht (hierna: het deskundigenbericht). [appellant] en het college hebben een zienswijze daarop gegeven.
Het college en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 29 september 2025, waar [appellant], bijgestaan door mr. E.J.H. Plambeck, advocaat te Alphen aan den Rijn, en [gemachtigde], en het college, vertegenwoordigd door mr. T.N. Sanders, advocaat te Breda, bijgestaan door M. Langevoort, F.J. Beerepoot, A. Bosselaar en N.M. Paardekooper, zijn verschenen.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet, de Invoeringswet Omgevingswet en de Aanvullingswet bodem Omgevingswet in werking getreden. Voor de beoordeling van het beroep tegen het besluit van 18 november 2022 is het recht zoals dat gold ten tijde van het nemen van dat besluit bepalend.
Inleiding
Voorgeschiedenis
2. Het gaat in deze zaak over het, in opdracht van de gemeente Alphen aan den Rijn, realiseren van de Koningin Máximabrug over de Oude Rijn in de periode tussen 2015 en 2017. Als onderdeel hiervan was het nodig om voor de toerit van de brug aan beide zijden het hoogteverschil tussen de landhoofden en het oorspronkelijke maaiveld te overbruggen. Daarbij is het maaiveld eerst deels ontgraven en daarna op- en aangevuld met Thermisch Gereinigde Grond (hierna: TGG). Vervolgens is de ontgraven grond daaroverheen teruggebracht als leeflaag. Het toepassen van de TGG is daarbij door het college aangemerkt als een zogenoemde Grootschalige Bodemtoepassing (hierna: GBT) als bedoeld in artikel 63 van het Besluit bodemkwaliteit (hierna: Bbk).
Vanuit de zorgplicht van de gemeente en de hieruit voortvloeiende wens om inzicht te krijgen in de invloed van de toegepaste TGG op de milieukwaliteit van de omgeving heeft de gemeente Alphen aan den Rijn aan bureau Tauw opdracht gegeven om onderzoek te doen. Dit heeft geresulteerd in het rapport "Onderzoek toepassing thermisch gereinigde grond Màximabrug te Alphen aan den Rijn" van Tauw van 26 juli 2021 (hierna: het Tauw-rapport van 26 juli 2021).
Vrees van [appellant] en het handhavingsverzoek
3. Aan de noordzijde van de Oude Rijn ligt aan de oostzijde van de Máximabrug een terrein dat kadastraal bekend is als gemeente Oudshoorn, sectie A, nummer 1668 (hierna wordt het perceel aangeduid als: paardenweide). De eigendom van dit terrein is op 12 december 2016 overgegaan van de gemeente op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf]. Sindsdien gebruikt zij dit terrein als paardenweide. [appellant B] heeft een perceel dat grenst aan de paardenweide in eigendom. Mede op basis van de resultaten uit het Tauw-rapport van 26 juli 2021 vreest [appellant] dat vanwege de TGG die bij het realiseren van de Máximabrug is toegepast de bodem en het oppervlaktewater ter plaatse van de paardenweide verontreinigd is geraakt met de nodige negatieve effecten voor haar paarden die op de paardenweide grazen tot gevolg.
[appellant] heeft het college daarom bij brief van 24 november 2021 verzocht om handhavend op te treden wegens overtreding van de zorgplicht op basis van de Wet bodembescherming (hierna: de Wbb) en het feit dat de toepassing van TGG kennelijk niet voldoet aan de daaraan te stellen eisen op grond van het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit (hierna: Rbk).
Besluiten
4. Het college heeft op 10 maart 2022 het handhavingsverzoek van [appellant] niet-ontvankelijk verklaard.
5. Bij besluit van 18 november 2022 heeft het college beslist op het daartegen door [appellant] gemaakte bezwaar, het bezwaar gegrond verklaard, voor zover het betrekking heeft op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en het verzoek om handhaving in zoverre alsnog afgewezen. Voor het overige heeft het college het bezwaar ongegrond verklaard.
Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat de toepassing van de TGG ter plaatse van de Koningin Máximabrug, inclusief de bermen en taluds, (hierna: projectlocatie) geen overtreding oplevert van het Bbk of van artikel 13 van de Wbb. Bij de paardenweide is volgens het college wel sprake van een overtreding van artikel 63 van het Bbk, omdat de TGG is toegepast buiten de GBT. Maar het volledig ontgraven van de TGG uit de paardenweide acht het college een veel te zwaar middel ten opzichte van wat dat oplevert voor het milieu. De afdeklaag ter plaatse van de paardenweide voldoet aan de waarden die gelden voor dat gebied als bedoeld in de bodemkwaliteitskaart 2004. Uit het rapport "Aanvullend onderzoek toepassing thermisch gereinigde grond Máximabrug te Alphen aan den Rijn" van Tauw van 6 september 2022 volgt dat er geen onaanvaardbare risico’s voor de omgeving, de bodem en het grondwater te verwachten zijn. Daarom is handhaving onevenredig in relatie tot de daarmee te dienen doelen en wordt van het opleggen van handhavende maatregelen afgezien.
6. [appellant] is het niet eens met het besluit van 18 november 2022 en heeft beroep ingesteld. Zij voert, mede op basis van diverse reacties van bureau Geofoxx, inhoudelijk in de kern aan dat de op de projectlocatie gebruikte TGG in strijd met diverse artikelen uit het Bbk en de Rbk is toegepast en de toegepaste TGG in strijd met artikel 13 van de Wbb uitloogt in de bodem van de projectlocatie en de omgeving, waaronder de paardenweide. Hierbij heeft [appellant] aangevoerd dat de TGG niet alleen op de projectlocatie, maar ook ter hoogte van de oksel van de weg en de bocht van het fietspad aan de noordzijde van de Oude Rijn, in een strook ter plaatse van de paardenweide (hierna wordt dit deel van de paardenweide aangeduid als: ‘paardenweide deel A’), is toegepast. Verder is de TGG bij de levering niet direct in het werk toegepast, maar tijdelijk als depot op de paardenweide (hierna wordt dit deel van de paardenweide aangeduid als: ‘paardenweide deel B’) opgeslagen geweest alvorens de TGG daadwerkelijk in het werk werd toegepast. Dit terwijl de op de projectlocatie ontgraven grond die uiteindelijk als leeflaag is gebruikt ook op de paardenweide opgeslagen lag. Als gevolg hiervan heeft niet alleen vermenging van de TGG plaatsgevonden met de op de paardenweide gelegen grond, maar ook met de grond die uiteindelijk als leeflaag is toegepast, zo stelt [appellant] in haar beroep.
7. Bij brief van 25 juli 2024 heeft het college zich, naar aanleiding van het in opdracht van de aannemer opgestelde rapport "De toepassing TGG bij Maximabrug te Alphen aan de Rijn" van het bureau TTE consultants B.V. van 1 februari 2024 (hierna: het TTE-rapport van 1 februari 2024), op een gewijzigd standpunt gesteld wat de locatie ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ betreft, namelijk dat de toepassing van de TGG ter plaatse van de Koningin Máximabrug, inclusief de bermen en taluds, breder is dan waarvan in de rapporten van Tauw en Geofoxx is uitgegaan en zich ook uitstrekt tot de locatie van ‘paardenweide deel A’. Dat betekent dat de toepassing van de TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ onderdeel was van de GBT en er daarmee - anders dan in het besluit van 18 november 2022 staat - ook in zoverre geen overtreding van artikel 63 van het Bbk was. Daarom komt het college in het geheel geen bevoegdheid toe om handhavend op te treden, zo heeft het college gesteld.
Opdracht aan de STAB
8. De Afdeling heeft, mede gelet op de diverse door partijen overgelegde rapporten van Tauw, Geofoxx en TTE, de STAB benoemd als deskundige als bedoeld in artikel 8:47, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) voor het instellen van een onderzoek. De Afdeling heeft de STAB gevraagd de feitelijke situatie te beschrijven, voor zover nodig voor de behandeling van het beroep.
Wet- en regelgeving
9. De relevante wet- en regelgeving, voor zover niet geciteerd in de overwegingen, is opgenomen in de bijlage. Deze bijlage maakt deel uit van de uitspraak.
Beoordeling van het beroep
Is [appellant B] belanghebbende?
10. [appellant], voor zover het betreft [appellant B], betoogt dat het college hem in het besluit van 18 november 2022 ten onrechte niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt.
10.1. Ingevolge artikel 1:2, eerste lid, wordt onder belanghebbende verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.
10.2. Het perceel van [appellant B] ligt direct naast de paardenweide en daarmee in de directe omgeving van de paardenweide en de Máximabrug. Niet kan worden uitgesloten dat hij ter plaatse van zijn perceel gevolgen van enige betekenis kan ondervinden van een eventuele verontreiniging of aantasting van de bodem ter plaatse van de projectlocatie en de paardenweide als gevolg van de toepassing van TGG voor de aanleg van de Máximabrug. In die hoedanigheid is zijn belang rechtstreeks betrokken bij het verzoek om handhaving. Dat betekent dat het college [appellant B] in het besluit van 18 november 2022 ten onrechte niet als belanghebbende heeft aangemerkt bij het verzoek om handhaving en ten onrechte niet inhoudelijk heeft beslist op het verzoek om handhaving voor zover dat door hem is ingediend.
Het betoog slaagt.
Advies van de commissie bezwaarschriften
11. [appellant], voor zover het betreft [appellant B], betoogt verder dat het college in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb geen motivering heeft gegeven waarom wordt afgeweken van het advies van de commissie bezwaarschriften door [appellant B] niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb aan te merken bij het verzoek om handhaving.
11.1. Artikel 7:13, zevende lid, van de Awb luidt:
"Indien de beslissing op het bezwaar afwijkt van het advies van de commissie, wordt in de beslissing de reden voor die afwijking vermeld en wordt het advies met de beslissing meegezonden."
11.2. De Afdeling stelt vast dat het college in het besluit van 18 november 2022 de reden voor de afwijking van het advies van de commissie bezwaarschriften niet heeft vermeld. Het besluit van 18 november 2022 is in zoverre in strijd met artikel 7:13, zevende lid, van de Awb.
11.3. Artikel 6:22 van de Awb:
"Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld."
11.4. De Afdeling ziet aanleiding om het geconstateerde gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat [appellant B] door de schending van artikel 7:13, zevende lid, van de Awb niet is benadeeld. Daartoe overweegt de Afdeling dat het college in het verweerschrift alsnog de redenen voor de afwijking van het advies van de commissie heeft opgenomen door te motiveren waarom hij [appellant B] in het besluit van 18 november 2022 niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Awb heeft aangemerkt. [appellant B] heeft de mogelijkheid gehad hierop te reageren en heeft van de mogelijkheid in de stukken en op de zitting gebruik gemaakt. De Afdeling overweegt in dat verband dat aannemelijk is dat eventuele andere belanghebbenden door het voorgaande niet zijn benadeeld.
Omvang van het inhoudelijke geding
12. Het college stelt zich op het standpunt dat wat [appellant] aanvoert over artikel 10.2 van de Wet milieubeheer (hierna: de Wm), bezien in samenhang met het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, buiten de omvang van het geding valt. Deze aspecten zijn volgens het college in het verzoek om handhaving niet vermeld en zijn pas in de beroepsprocedure naar voren gebracht. Het is niet toegestaan om de reikwijdte van het handhavingsverzoek na het primaire besluit uit te breiden, ook niet met een andere wettelijke grondslag.
12.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 19 oktober 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2944, onder 6) kan de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding. Vast staat dat [appellant] aan het handhavingsverzoek de zorgplicht op basis van de Wbb en de op grond van het Bbk en de Rbk gestelde eisen aan een toepassing als hier aan de orde ten grondslag heeft gelegd. Daarmee heeft zij het college niet expliciet verzocht om handhavend op te treden op grond van de Wm. Dit laat evenwel onverlet dat, zoals ook uit de considerans van het Bbk volgt, de Wm mede als grondslag voor het Bbk geldt. Hierom vergt beoordeling van de vraag of de Wm is overtreden in zoverre geen toepassing van een ander wettelijk toetsingskader dan het Bbk. Dat geldt in dit geval temeer omdat als de TGG niet als bouwstof, grond of baggerspecie als bedoeld in het Bbk zou zijn toegepast, het storten van afvalstoffen in strijd met artikel 10.2 van de Wm aan de orde kan zijn (zie ook overweging 13.6 hierna). Voor het college moet dat voldoende duidelijk worden geacht. Het voorgaande betekent dat het college onterecht heeft aangevoerd dat wat [appellant] over artikel 10.2 van de Wm, bezien in samenhang met het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen, in beroep heeft aangevoerd in dit geval buiten de omvang van het geding valt.
Is het verzoek om handhavend op te treden terecht afgewezen?
13. [appellant] betoogt dat het college haar verzoek om handhaving ten onrechte heeft afgewezen, omdat de toepassing van TGG niet voldoet aan diverse eisen uit het Bbk en er daarmee een overtreding van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk heeft plaatsgevonden. Ook zijn artikel 10.2 van de Wm en artikel 13 van de Wbb volgens [appellant] overtreden.
Daartoe stelt zij allereerst dat TGG, anders dan het college veronderstelt, geen ‘grond’ of ‘bouwstof’ is als bedoeld in artikel 1 van het Bbk, omdat het - kort gezegd - niet voldoet aan de geldende grenswaarden. Alleen al daarom kan TGG niet overeenkomstig de eisen van het Bbk worden toegepast bij de aanleg van de Máximabrug.
Voor zover TGG wel een ‘grond’ of ‘bouwstof’ is in de zin van artikel 1 van het Bbk, voert [appellant] ten eerste aan dat de toepassing van TGG in strijd is met het vereiste van artikel 5, eerste lid, onder a, van het Bbk, omdat er gelet op diverse e-mails van ambtenaren van de gemeente aanwijzingen zijn dat er een grotere hoeveelheid TGG is toegepast dan de gemelde hoeveelheid, en dus ook meer dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing. [appellant] betoogt ten tweede dat niet voldaan wordt aan het vereiste van artikel 5, eerste lid, onder b, van het Bbk, omdat er TGG is toegepast ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ die geen deel uitmaakt van de aanleglocatie van de Máximabrug. Ten derde betoogt [appellant] dat niet is voldaan aan het vereiste van artikel 5, eerste lid, onder c, van het Bbk, omdat met het toepassen van TGG in dit geval sprake is van de verwijderingshandeling ‘storten van afvalstoffen’. Dat betekent dat het opslaan van TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ alvorens het toe te passen ook in strijd met artikel 10.2, eerste lid, van de Wm heeft plaatsgevonden, zo stelt [appellant].
Voor zover TGG niet in strijd met artikel 5 van het Bbk is toegepast en het Bbk dus van toepassing is op de toepassing van TGG, voert [appellant] aan dat overtreding van artikel 42 van het Bbk heeft plaatsgevonden, omdat de toepassing van TGG op de projectlocatie niet tijdig is gemeld en de tijdelijke opslag van TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ voorafgaand aan de toepassing op de projectlocatie niet is gemeld. Daarnaast voert [appellant] aan dat de toepassing van TGG op de projectlocatie niet voldoet aan de eisen voor GBT als bedoeld in artikel 63 van het Bbk, omdat er diverse overschrijdingen van maximale waarden als gevolg van de toepassing van TGG ter plaatse zijn geconstateerd en de aangebrachte leeflaag wat betreft de dikte en de kwaliteit op diverse plaatsen ook niet voldoet aan de daaraan op grond van artikel 63 van het Bbk te stellen eisen.
Tot slot voert [appellant] aan dat artikel 13 van de Wbb is overtreden, omdat degene die de TGG toepaste ten tijde van deze toepassing wist en redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat toepassing van TGG tot verontreiniging- en aantasting van de bodem op de projectlocatie en de omgeving, waaronder de paardenweide, zou kunnen leiden. Daartoe wijst [appellant] op een e-mail van 6 januari 2015 van de adviseur bodem van de Omgevingsdienst West-Holland aan een ambtenaar van de gemeente, waarin kanttekeningen worden geplaatst bij het grondstromenplan en erop wordt gewezen dat men bij het toepassen van TGG bedacht moet zijn op uitloging.
13.1. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het college het verzoek om handhaving van [appellant] terecht heeft afgewezen. Daartoe zal de Afdeling hierna eerst ingaan op de beroepsgronden over artikel 1 van het Bbk (overweging 13.2 tot en met 13.2.1), artikel 5, eerste lid, van het Bbk (overwegingen 13.3 tot en met 13.3.4), artikel 42, eerste en derde lid, van het Bbk (overweging 13.4 tot en met 13.4.1) en artikel 63 van het Bbk (overwegingen 13.5 tot en met 13.5.5). Vervolgens zal de Afdeling ingaan op de beroepsgrond over artikel 10.2, eerste lid, van de Wm (overweging 13.6). Daarna zal de Afdeling ingaan op de beroepsgrond over artikel 13 van de Wbb (overweging 13.7 tot en met 13.7.2). De tussenconclusie over beantwoording van de vraag of het college het verzoek om handhaving van [appellant] terecht heeft afgewezen, is opgenomen in overweging 13.8.
- Artikel 1 van het Bbk: grond of bouwstof?
13.2. De Afdeling stelt voorop dat dat de kwalificatie ‘grond’ in de zin van artikel 1 van het Bbk, in samenhang gelezen met artikel 34, tweede lid, van dat besluit, of ‘bouwstof’ als bedoeld in het Bbk van belang is omdat hieruit onder meer volgt onder welke voorwaarden een bepaald materiaal toegepast kan worden onder het Bbk. Uit het deskundigenbericht volgt dat TGG kan voldoen aan de kwalificatie van grond in het Bbk. Voor zover [appellant] dat betwist en daartoe stelt dat bij de thermische reiniging van teerhoudend asfaltgranulaat om tot het restproduct TGG te komen de vulstof, bestaande uit een mengsel van vliegas en kalk, niet in alle gevallen verwijderd wordt, heeft zij zich in het bijzonder gebaseerd op het rapport "Verslag van een voorlopig deskundigenonderzoek naar het toepassen van thermisch gereinigde grond in een zeedijk in de Perkpolder" van Bodemkundig Adviesbureau Edelman van 12 maart 2021. De Afdeling stelt echter vast dat in dit rapport niet wordt ingegaan op de vraag of en in welke mate de in dit geval toegepaste TGG voldoet aan de definitie van ‘grond’ of ‘bouwstof’ in de zin van het Bbk, maar enkel de toepassingsmogelijkheden van TGG in een zeedijk in de Perkpolder worden onderzocht. Gelet op het deskundigenbericht ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] hierover heeft aangevoerd dan ook geen aanleiding voor het oordeel dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de TGG grond is als bedoeld in het Bbk. Aan de vraag of de toegepaste TGG kan worden aangemerkt als een bouwstof, komt de Afdeling dan ook niet toe. Het voorgaande betekent dat in dit geval niet gebleken is dat de toegepaste TGG geen grond is als bedoeld in het Bbk.
Het betoog slaagt niet.
13.2.1. Dat betekent dat de Afdeling hierna, aan de hand van hetgeen [appellant] heeft aangevoerd, toekomt aan beantwoording van de vraag of de toegepaste TGG voldoet aan de daarin op grond van het Bbk te stellen eisen.
Het betoog slaagt niet.
- Artikel 5, eerste lid, van het Bbk: is voldaan aan het functionaliteitsvereiste en is daarmee het Bbk van toepassing?
13.3. Over het betoog van [appellant] ten aanzien van het functionaliteitsvereiste en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbk, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling is niet gebleken, ook niet uit de door [appellant] overgelegde e-mails van ambtenaren, dat bij het toepassen van grond een grotere hoeveelheid grond is toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig was voor het functioneren van de voormelde toepassing als bedoeld onder a van artikel 5, eerste lid, van het Bbk. De door [appellant] op de zitting genoemde omstandigheid dat het ook mogelijk was geweest om de verhoging met toepassing van een geringere hoeveelheid TGG te realiseren, doet daaraan niet af. Die omstandigheid betekent namelijk niet dat de toepassing van TGG in dit geval in het licht van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van het Bbk (ook) op andere wijze had gemoeten.
13.3.1. Over wat [appellant] heeft aangevoerd in het kader van het functionaliteitsvereiste en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbk, overweegt de Afdeling als volgt. Zoals onder 2 is vermeld, was het als onderdeel van de aanleg van de brug nodig om als toerit van de brug een verhoging te realiseren aan beide zijden van de brug. Daarbij is TGG toegepast. Niet in geschil is dat de TGG ter hoogte van de oksel van de weg en de bocht van het fietspad aan de noordzijde van de Oude Rijn ook ter plaatse van ‘paardenweide deel A’, en daarmee buiten de projectlocatie, is toegepast. Maar dat betekent naar het oordeel van de Afdeling niet dat alleen al om die reden geoordeeld moet worden dat niet voldaan wordt aan artikel 5 van het Bbk, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbk. [appellant] heeft gesteld dat de ontgraving van het maaiveld en de opvulling daarvan met TGG op grond van tekeningen ruimer is dan voor de aanleg van het fietspad op het talud noodzakelijk was. Daarmee heeft [appellant] echter niet aannemelijk gemaakt dat - anders dan waarvan in het deskundigenbericht is uitgegaan - de toepassing van TGG onder het maaiveld en deels ook in een strook ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ volgens gangbare maatstaven niet nodig was om de toerit van de brug uiteindelijk te realiseren zoals bedoeld onder b van het artikellid. Daarbij betrekt de Afdeling dat het college in de stukken en op de zitting heeft toegelicht dat de ontgraving en opvulling met TGG ter plaatse daarvan ruimer is geweest dan aanvankelijk was gedacht, omdat de vorm van het talud ter hoogte van de oksel van de weg en de bocht van het fietspad omwille van het waarborgen van de stabiliteit van de verhoging, vlakker moest aflopen en er ter plaatse van dit deel van het project ook de ruimte was om dit zo te doen. De Afdeling ziet in het aangevoerde geen aanleiding aan deze toelichting van het college te twijfelen. De door [appellant] op de zitting genoemde omstandigheid dat de toepassing met TGG ten behoeve van de verhoging ook anders had gekund, namelijk op zodanige wijze dat ter plaatse van ’paardenweide deel A’ geen TGG was toegepast, doet - wat daarvan ook zij - aan het voorgaande niet af. Die omstandigheid betekent namelijk niet dat de toepassing van TGG in dit geval in het licht van artikel 5, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bbk (ook) op andere wijze had gemoeten.
13.3.2. Over wat [appellant] heeft aangevoerd in het kader van het functionaliteitsvereiste en artikel 5, eerste lid, aanhef en onder c, van het Bbk, over de vraag of in dit geval een ‘nuttige toepassing’ aan de orde is, overweegt de Afdeling als volgt. De Afdeling stelt voorop dat het begrip ‘nuttige toepassing’ als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm slechts relevant is wanneer iets een afvalstof is. De Afdeling ziet in dit geval aanleiding eerst de vraag te beantwoorden of, áls de TGG een afvalstof zou zijn, deze in dit geval nuttig is toegepast. Daartoe stelt de Afdeling vast - en dat is ook niet tussen partijen in geschil - dat de toepassing van TGG in deze zaak kan worden aangemerkt als de toepassing van grond in bouw- en wegconstructies als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk. Nu daarmee een nuttig doel wordt gediend, omdat in zoverre geen andere materialen behoeven te worden gebruikt om als toerit van de brug een verhoging te realiseren, is dit een nuttige toepassing als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm. Gelet hierop is het antwoord op de vraag of de toegepaste TGG in dit geval het karakter van afvalstof als bedoeld in artikel 1.1, eerste lid, van de Wm heeft naar het oordeel van de Afdeling niet meer van belang. Immers, zou worden aangenomen dat er in dit geval sprake is van een afvalstof, dan wordt die afvalstof nuttig toegepast.
13.3.3. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat de toepassing van TGG in strijd met artikel 5, eerste lid, van het Bbk is. Daarmee is er ook geen overtreding van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk.
Het betoog slaagt niet.
13.3.4. Uit het voorgaande volgt dat de toepassing van TGG voldoet aan artikel 5, eerste lid, van het Bbk, zodat het Bbk hier van toepassing is. Nu, zoals hiervoor is vastgesteld, het ook gaat om een toepassing als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk, zijn de artikelen 42 en 63 van het Bbk eveneens van toepassing. Deze artikelen gelden immers slechts als sprake is van een toepassing als bedoeld in onder meer artikel 35, aanhef en onder a, van het Bbk. Daarover oordeelt de Afdeling hierna onder 13.4 en verder respectievelijk 13.5 en verder.
- Artikelen 42 van het Bbk: te late melding/ten onrechte geen melding?
13.4. Over het betoog van [appellant] dat de toepassing van de TGG in strijd met artikel 42, eerste lid, van het Bbk niet tijdig is gemeld, overweegt de Afdeling het volgende.
In het deskundigenbericht is opgemerkt dat de aannemer op 24 april 2015 de toepassing van 40.000 m3 TGG ten behoeve van het project heeft gemeld. In deze melding is uitgegaan van 18 mei 2015 als startdatum van de toepassing. Op 20 januari 2016, en daarmee na afronding van de toepassing van 53.757 m3 TGG in het najaar van 2015, is een tweede melding gedaan door de aannemer, waarin de hoeveelheid toegepaste TGG is verhoogd met 14.000 m3 tot 54.000 m3, zo staat in het deskundigenbericht. Daarmee is de uiteindelijk toegepaste TGG in strijd met artikel 42, eerste lid, van het Bbk niet ten minste vijf werkdagen voor de toepassing gedaan. Dit betekent dat een overtreding heeft plaatsgevonden van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk. Het college was daarom bevoegd handhavend op te treden. Het college heeft dit op de zitting ook erkend, maar heeft aangegeven van deze bevoegdheid geen gebruik te maken omdat de overtreding louter van administratieve aard is.
Nu de toepassing zelf - naar tussen partijen ook niet in geschil is - reeds lange tijd is afgerond en de toepassing kort na de afronding alsnog is gemeld, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het college naar aanleiding van deze overtreding een bestuurlijke sanctie had moeten opleggen. Voor zover [appellant] in dit verband heeft gesteld dat het college ten onrechte niet heeft onderkend dat ook sprake is van een strafbaar feit, valt dit - wat daar overigens ook van zij - buiten de omvang van het geding. Hier ligt slechts de vraag voor of het college terecht het handhavingsverzoek van [appellant] heeft afgewezen.
Het betoog slaagt niet.
13.4.1. Over het betoog van [appellant] dat de tijdelijke opslag van de TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ voorafgaand aan de toepassing ervan op de "projectlocatie" in strijd met artikel 42, derde lid, van het Bbk, bezien in samenhang met artikel 35, aanhef en onder h, van dat besluit, niet is gemeld, overweegt de Afdeling het volgende. In het deskundigenbericht staat dat de (vooral agrarisch gebruikte) grond ter plaatse van de projectlocatie voorafgaand aan de toepassing van TGG tijdelijk is uitgenomen, vervolgens ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ tijdelijk opgeslagen is geweest en na het toepassen van de TGG op de projectlocatie en ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ vervolgens, zonder te zijn bewerkt, als leeflaag daaroverheen is teruggebracht. In wat [appellant] in de stukken en op de zitting heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen. Dit betekent dat de opslag ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ de lokaal ontgraven bovengrond betrof die vervolgens weer als leeflaag is toegepast. Daarmee is er geen tijdelijke opslag geweest van TGG ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ voorafgaand aan de toepassing ervan als bedoeld in artikel 35, aanhef en onder h, van het Bbk, maar van het tijdelijk verplaatsen van grond als bedoeld in artikel 36, derde lid, van het Bbk. Ingevolge dat artikel is het verplaatsen van grond, zoals hier is gebeurd, toegestaan zonder inachtneming van de artikel 38 tot en met 64 van het Bbk. Dat betekent dat artikel 42, derde lid, van het Bbk in dit verband niet geldt. Reeds daarom slaagt het betoog niet.
- Artikelen 63 van het Bbk: voldaan aan de vereisten voor GBT?
13.5. De Afdeling benadrukt dat zij bij de beoordeling hierna of de GBT voldoet aan de daaraan op grond van artikel 63 van het Bbk te stellen eisen ervan uitgaat dat de toepassing zich uitstrekt over de projectlocatie en over de locatie ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ (zie overweging 13.3.1 hierboven).
13.5.1. Niet in geschil is dat de toepassing van TGG een toepassing van grond is op basis van artikel 35 van het Bbk in een laagdikte van minimaal twee meter, dan wel op plekken 0,5 meter, en een minimale omvang van 5.000 m3 als bedoeld in artikel 63, eerste lid, aanhef, en vijfde lid, van het Bbk.
13.5.2. Over het betoog van [appellant] over de kwaliteit van de toegepaste TGG op de projectlocatie en ter plaatse van ‘projectlocatie deel A’, overweegt de Afdeling het volgende. Op grond van het Bbk en de Rbk is het toegestaan om bij GBT grond tot en met de kwaliteitsklasse "industrie" als hier aan de orde te gebruiken. In het deskundigenbericht staat dat de TGG is geproduceerd door Afvalstoffen Terminal Moerdijk B.V. Sinds 24 april 2007 is dit bedrijf erkend voor het thermisch reinigen van grond conform protocol 7510 (certificaat BVB-010/06). Verder is voor de hier aan de orde zijnde TGG aan Martens en Van Oord Aannemingsbedrijf B.V. een productcertificaat GR-052/5 op basis van BRL 9335, protocol 9335-2 afgegeven. Hieruit volgt dat de partij voldoet aan de maximale waarden bodemkwaliteitsklasse "industrie" en dat de grond ook overigens voldoet aan de maximale waarde voor GBT op of in de bodem. Dat betekent dat de partij TGG ten tijde van het realiseren van de Máximabrug toegepast mocht worden. Weliswaar is in het deskundigenbericht bevestigd dat uit na de toepassing van de TGG uitgevoerde onderzoeken volgt dat op een beperkt aantal plekken sprake is van een minimale overschrijding van uit het Bbk en de Rbk voortvloeiden maximale waarden van enkele stoffen, waaronder in het bijzonder antimoon, maar in het deskundigenbericht staat ook dat er ten tijde van het toepassen van de TGG geen reden was om deze emissies vast te stellen vanwege de aanwezigheid van het productcertificaat. In wat [appellant] heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding om op dit punt aan de juistheid van het deskundigenbericht te twijfelen.
Voor zover [appellant] pas op de zitting heeft gesteld dat het productcertificaat ten onrechte is afgegeven, omdat na de TGG-toepassing ter plaatse minimale overschrijdingen zijn geconstateerd, overweegt de Afdeling het volgende. Daargelaten dat het betoog niet is onderbouwd of nader geconcretiseerd, heeft dit betoog ook geen betrekking op de afwijzing van het verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de toepassing van de TGG als zodanig. Alleen al om die reden kan dit betoog niet slagen.
13.5.3. De Afdeling merkt op dat de dikte van de over de toegepaste TGG aangebrachte leeflaag op de projectlocatie en ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ bij een GBT ingevolge artikel 63, derde lid, van het Bbk minimaal 0,5 m moet zijn. In het deskundigenbericht staat hierover het volgende. Na de toepassing van TGG zijn diverse boringen verricht om de laagdikte van de leeflaag te onderzoeken. Hieruit bleek dat slechts ter plaatse van twee boringen in de oksel van de weg en de bocht van het fietspad en één boring ter plaatse van de paardenweide is geconstateerd dat de leeflaag een dikte heeft van 0,4 meter en daarmee niet voldoet aan een minimale dikte van 0,5 meter als bedoeld in artikel 63, derde lid, van het Bbk. Bij de overige boringen voldoet de leeflaag overal aan de minimale laagdikte van 0,5 m, zo staat in het deskundigenbericht. Het college heeft in reactie op het deskundigenbericht gesteld dat de leeflaag in 2016 is aangebracht en dat uit het deskundigenbericht volgt dat [appellant] zelf allerlei graaf- en grondverzet werkzaamheden heeft uitgevoerd ter plaatse. Naar het oordeel van de Afdeling heeft [appellant] niet aan de hand van objectieve gegevens aannemelijk gemaakt dat de dikte van de leeflaag op de locaties waarbij deze op het moment van de boringen te dun is gebleken ook ten tijde van het aanleggen van de leeflaag al niet aan dat artikellid voldeed. Nu de leeflaag bij de overige boringen wel aan de vereiste dikte voldoet, heeft het college dit juist eerder als een positieve indictie kunnen aanmerken dat de dikte van de aangebrachte leeflaag ten tijde van de aanleg toereikend was.
13.5.4. De Afdeling begrijpt het betoog van [appellant] dat de leeflaag niet voldoet aan artikel 63, vierde lid, van het Bbk, gelet op de stukken en het verhandelde op de zitting, zo dat de grond van de leeflaag vermengd is geraakt met TGG toen die grond en de TGG tijdelijk tezamen ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ opgeslagen lagen voorafgaand aan de toepassing. Anders dan waarvan [appellant] kennelijk uitgaat, is op grond van de stukken, waaronder het deskundigenbericht, echter voldoende komen vast te staan dat de TGG voorafgaand aan de toepassing niet ter plaatse van ‘paardenweide deel B’ tijdelijk opgeslagen is geweest voorafgaand aan de toepassing. Anders dan [appellant] aanvoert, is dit dus geen aanwijzing dat de grond van de leeflaag ter plaatse van de ‘paardenweide deel B’ vermengd is geraakt met TGG. Ook anderszins is de Afdeling niet gebleken dat er vermenging van de leeflaag met TGG heeft plaatsgevonden. Vermenging van verschillende opgebrachte lagen, zoals hier de toegepaste TGG en de leeflaag bestaande uit de oorspronkelijke (agrarische) grond, is weliswaar niet volledig uit te sluiten, maar er zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat dat ook in dit geval zo is.
Voor zover [appellant] er nog op heeft gewezen dat bij de toepassing van de leeflaag ten onrechte geen rekening is gehouden met het puin dat zich daarin bevindt, heeft zij dit in het geheel niet onderbouwd of nader geconcretiseerd, zodat de Afdeling daaraan voorbij gaat.
13.5.5. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat TGG is toegepast ter plaatse van de projectlocatie en ‘paardenweide deel A’ in strijd met de op grond van artikel 63 van het Bbk daaraan te stellen eisen. Dat betekent dat het college het toepassen van de TGG in dit geval terecht heeft aangemerkt als GBT. Daarmee is er ook geen overtreding van de verbodsbepaling die is opgenomen in artikel 37, eerste lid, van het Bbk. Het voorgaande betekent ook dat het college zich in zijn brief van 25 juli 2024 niet ten onrechte op een gewijzigd standpunt heeft gesteld wat de locatie ter plaatse van ‘paardenweide deel A’ betreft. Het betoog van [appellant] dat het college zich in strijd met de goede procesorde op dit gewijzigd standpunt heeft gesteld, kan daarom in het midden blijven.
Het betoog slaagt niet.
- Is artikel 10:2, eerste lid, van de Wm overtreden?
13.6. De Afdeling ziet zich vervolgens voor de vraag gesteld of artikel 10:2, eerste lid, van de Wm is overtreden. Ingevolge artikel 10.2, eerste lid, van de Wm is het verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden. Ingevolge het tweede lid kan bij of krachtens algemene maatregel van bestuur voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling van dit verbod worden verleend. Dit is gebeurd bij het Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen (hierna: Besluit vrijstellingen). Een van de in het Besluit vrijstellingen vermelde categorieën van gevallen is het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten de inrichting op of in de bodem te brengen, indien dit geschiedt door het toepassen van grond als bedoeld in het Bbk. Nu, zoals hiervoor is overwogen, de TGG kan worden aangemerkt als grond die mag worden toegepast in het kader van een GBT, geldt het verbod van artikel 10.2, eerste lid, van de Wm niet. Reeds hierom slaagt het betoog niet.
- Artikel 13 Wbb: zorgplicht overtreden?
13.7. Tot slot ziet de Afdeling zich voor de vraag gesteld of artikel 13 van de Wbb is overtreden. Daartoe overweegt zij het volgende.
13.7.1. De Afdeling stelt vast, en tussen partijen is ook niet in geschil, dat de toepassing van TGG bij de aanleg van de Máximabrug kan worden aangemerkt als een handeling als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 van de Wbb. Dat betekent dat de zorgplicht van artikel 13 van de Wbb hier van toepassing is en dat de (mede)verantwoordelijke die bevoegd en feitelijk in staat is om de overtreding van de zorgplicht te beëindigen dan wel te voorkomen, de aannemer als toepasser van de TGG en de gemeente als eigenaar van de locatie, op die grondslag als mogelijke overtreders kunnen worden aangeschreven.
13.7.2. Voor beantwoording van de vraag of artikel 13 van de Wbb is overtreden, is in beginsel van belang of degene die de desbetreffende handelingen verrichtte ten tijde van belang wist of redelijkerwijs kon vermoeden dat de bodem door de toepassing van TGG bij de aanleg van de Máximabrug kon worden verontreinigd of aangetast. De Afdeling is van oordeel dat dat in dit geval niet het geval was. Daarbij is van belang dat voor de TGG een productcertificaat is afgegeven (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1167, onder 8.2.4, en van 7 juni 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2221, onder 10.6). Het betoog van [appellant] dat uit een e-mail van 6 januari 2015 van de adviseur bodem van de Omgevingsdienst West-Holland aan een ambtenaar van de gemeente kan worden opgemaakt dat degene die de handelingen verrichtte ten tijde van belang wist of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat verontreiniging of aantasting van de bodem kon ontstaan, volgt de Afdeling niet. Niet alleen is gesteld noch gebleken dat de aannemer ten tijde van belang op de hoogte was van de e-mail van 6 januari 2015. Maar ook acht de Afdeling de inhoud van deze e-mail, waarin aandacht wordt gevraagd voor het grondstromenplan en waarin aan het slot een opmerking staat over de toepassing van TGG, daarvoor te algemeen. Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in hetgeen [appellant] heeft aangevoerd geen aanleiding voor de conclusie dat artikel 13 van de Wbb is overtreden.
Het betoog slaagt niet.
Tussenconclusie
13.8. Al het voorgaande leidt tot de conclusie dat het college het verzoek van [appellant] om handhavend op te treden tegen het toepassen van TGG bij de aanleg van de Máximabrug, terecht heeft afgewezen. Hetgeen [appellant] voor het overige heeft aangevoerd, behoeft, gelet hierop, geen bespreking.
Conclusie
14. Gelet op wat onder 10.2 is overwogen is het beroep tegen het besluit van 18 november 2022 gegrond. Dit besluit moet worden vernietigd voor zover daarbij het bezwaar van [appellant B] ongegrond is verklaard en geen inhoudelijk besluit op zijn verzoek om handhaving is genomen. De Afdeling ziet aanleiding om zelf in de zaak te voorzien en daarbij te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit op bezwaar van 18 november 2022, voor zover dat is vernietigd. Het besluit van 18 november 2022 blijft in stand, voor zover het betrekking heeft op [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf].
15. De uitspraak betekent dat het handhavingsverzoek definitief is afgewezen. De handhavingsprocedure is met deze uitspraak beëindigd.
Proceskosten
16. Het college moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het beroep tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn van 18 november 2022, kenmerk 2022107221, gegrond;
II. vernietigt dat besluit voor zover het bezwaar van [appellant B] daarbij niet gegrond is verklaard en geen inhoudelijk besluit op zijn verzoek om handhaving is genomen;
III. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 18 november 2022, voor zover dat is vernietigd;
IV. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn tot vergoeding van bij [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B] in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 1.868,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan;
V. gelast dat het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn aan [appellant A], ook handelend onder de naam [bedrijf], en [appellant B] het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 184,00 vergoedt, met dien verstande dat bij betaling van genoemd bedrag aan een van hen het college aan zijn betalingsverplichting heeft voldaan.
Aldus vastgesteld door mr. N. Verheij, voorzitter, en mr. G.T.J.M. Jurgens en mr. N.H. van den Biggelaar, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.C. Lammers, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Lammers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026
890
BIJLAGE
Besluit bodemkwaliteit
Artikel 1
In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt, tenzij anders bepaald, verstaan onder:
[…]
bouwstof: materiaal waarin de totaalgehalten aan silicium, calcium of aluminium tezamen meer dan 10 gewichtsprocent van dat materiaal bedragen, uitgezonderd vlakglas, metallisch aluminium, grond of baggerspecie, dat is bestemd om te worden toegepast;
[…]
grond: vast materiaal dat bestaat uit minerale delen met een maximale korrelgrootte van 2 millimeter en organische stof in een verhouding en met een structuur zoals deze in de bodem van nature worden aangetroffen, alsmede van nature in de bodem voorkomende schelpen en grind met een korrelgrootte van 2 tot 63 millimeter, niet zijnde baggerspecie;
[…]
Artikel 5
1 Dit besluit is van toepassing op het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie, voor zover:
a. geen grotere hoeveelheid van die bouwstoffen, grond of baggerspecie wordt toegepast dan volgens gangbare maatstaven nodig is voor het functioneren van de toepassing,
b. de toepassing volgens gangbare maatstaven nodig is op de plaats waar deze plaatsvindt, of onder de omstandigheden waarin deze plaatsvindt; en
c. ingeval van het toepassen van afvalstoffen sprake is van nuttige toepassing in de zin van artikel 1.1, eerste lid, van de Wet milieubeheer.
[…]
Artikel 34
[…]
2 Voor de toepassing van dit besluit wordt onder grond of baggerspecie mede verstaan, grond of baggerspecie die is vermengd met ten hoogste 20 gewichtsprocenten bodemvreemd materiaal.
[…]
Artikel 35
Dit hoofdstuk is van toepassing op de volgende handelingen:
a. toepassing van grond of baggerspecie in bouw- en weg constructies, waaronder mede worden begrepen wegen, spoorwegen en geluidswallen;
[…]
h. tijdelijke opslag van grond of baggerspecie, bestemd voor de toepassingen, bedoeld in onderdeel a tot en met e gedurende maximaal drie jaar op of in de bodem, met uitzondering van de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, of gedurende maximaal tien jaar in een oppervlaktewaterlichaam;
[…]
Artikel 36
[…]
3 Het tijdelijk verplaatsen of uit de toepassing wegnemen van grond of baggerspecie is toegestaan zonder inachtnemening van de artikelen 38 tot en met 64, indien deze vervolgens, zonder te zijn bewerkt, op of nabij dezelfde plaats en onder dezelfde conditie opnieuw in die toepassing wordt aangebracht.
Artikel 37
1 Het is verboden om grond of baggerspecie toe te passen in strijd met de artikelen 5, eerste lid, 7, 38, 42, 44, 45, 46, 52, 59, 60, 63 en 64 van dit besluit.
[…]
Artikel 42
1 Degene die voornemens is grond of baggerspecie toe te passen als bedoeld in artikel 35, onderdeel a tot en met i, met uitzondering van onderdeel f, meldt dat voornemen ten minste vijf werkdagen van tevoren aan Onze Minister.
[…]
3 Op de melding van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, is het tweede lid, onder a, c tot en met f, van overeenkomstige toepassing en op meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h, het tweede lid, onder g. Bij meldingen van de toepassing, bedoeld in artikel 35, onder h en i, wordt ook de voorziene duur van de toepassing vermeld.
[…]
Artikel 63
1. Een toepassing van grond of baggerspecie als bedoeld in artikel 35, onder a, c tot en met e, in een laagdikte van minimaal twee meter en een minimale omvang van 5000 m3 hoeft niet te voldoen aan de eisen die daaraan in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, worden gesteld, mits
a. de kwaliteit van de grond of baggerspecie voldoet aan:
i. de bij regeling van Onze Ministers vast te stellen maximale emissiewaarden, en
ii. bij toepassing op of in de bodem, uitgezonderd de bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid;
iii. bij toepassing in een oppervlaktewaterlichaam, de maximale waarden voor de bodemfunctieklasse industrie, bedoeld in artikel 55, tweede lid, onderscheidelijk de interventiewaarden, en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie een leeflaag of een laag bouwstoffen wordt aangebracht.
2 De kwaliteit van de grond of baggerspecie wordt, in afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel a, onder i, niet getoetst aan de maximale emissiewaarden in de bij regeling van Onze Ministers te bepalen gevallen.
3 De leeflaag, bedoeld in het eerste lid, onder b, heeft een minimale dikte van een halve meter. Bij regeling van Onze Ministers kunnen op grond van milieuhygiënische overwegingen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de dikte van de leeflaag of de laag bouwstoffen.
4 Op het aanbrengen van een leeflaag zijn de eisen die in afdeling 2, paragraaf 1 en 2, aan het toepassen van grond of baggerspecie worden gesteld van overeenkomstige toepassing.
5 In afwijking van het eerste lid, aanhef, geldt voor de toepassingen, bedoeld in artikel 35, onder a, een laagdikte van minimaal een halve meter, indien:
a. het de aanleg of het wijzigen van Rijkswegen, provinciale en gemeentelijke wegen en spoorwegen betreft; en
b. op de desbetreffende grond of baggerspecie in afwijking van het eerste lid, onder b, een aaneengesloten laag bouwstoffen wordt aangebracht, met uitzondering van de bijbehorende bermen en taluds.
6 In het geval, bedoeld in het vijfde lid, voldoet de kwaliteit van de grond of baggerspecie in de bermen of taluds van Rijkswegen, provinciale wegen of spoorwegen tot aan een fysieke afscheiding met een maximum van 10 meter vanaf de rand van de verharding of het ballastbed, aan de maximale waarden van de bodemfunctieklasse industrie.
[…]
Wet milieubeheer
Artikel 1.1
1 In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
[…]
afvalstoffen: alle stoffen, mengsels of voorwerpen, waarvan de houder zich ontdoet, voornemens is zich te ontdoen of zich moet ontdoen;
[…]
nuttige toepassing: elke handeling met als voornaamste resultaat dat afvalstoffen een nuttig doel dienen door hetzij in de betrokken installatie, hetzij in de ruimere economie, andere materialen te vervangen die anders voor een specifieke functie zouden zijn gebruikt, of waardoor de afvalstof voor die functie wordt klaargemaakt, tot welke handelingen in ieder geval behoren de handelingen die zijn genoemd in bijlage II bij de kaderrichtlijn afvalstoffen;
[…]
Artikel 10.2
1 Het is verboden zich van afvalstoffen te ontdoen door deze - al dan niet in verpakking - buiten een inrichting te storten, anderszins op of in de bodem te brengen of te verbranden.
2 Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan, indien het belang van de bescherming van het milieu zich daartegen niet verzet, voor daarbij aangegeven categorieën van gevallen vrijstelling worden verleend van het verbod, bedoeld in het eerste lid.
[…]
Besluit vrijstellingen stortverbod buiten inrichtingen
[…]
Artikel 2
Als categorie van gevallen als bedoeld in artikel 10.2, tweede lid, van de Wet milieubeheer, wordt aangegeven: het zich van afvalstoffen ontdoen door deze - al dan niet in verpakking buiten een inrichting op of in de bodem te brengen indien:
[…]
b. sprake is van het toepassen van bouwstoffen, grond of baggerspecie als bedoeld in het Besluit bodemkwaliteit;
[…]
Wet bodembescherming
[…]
Artikel 13
Ieder die op of in de bodem handelingen verricht als bedoeld in de artikelen 6 tot en met 11 en die weet of redelijkerwijs had kunnen vermoeden dat door die handelingen de bodem kan worden verontreinigd of aangetast, is verplicht alle maatregelen te nemen die redelijkerwijs van hem kunnen worden gevergd, teneinde die verontreiniging of aantasting te voorkomen, dan wel indien die verontreiniging of aantasting zich voordoet, de verontreiniging of de aantasting en de directe gevolgen daarvan te beperken en zoveel mogelijk ongedaan te maken. Indien de verontreiniging of aantasting het gevolg is van een ongewoon voorval, worden de maatregelen onverwijld genomen.
[…] | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|