|
|
|
| ECLI:NL:OGEAA:2026:29 | | | | | Datum uitspraak | : | 04-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-02-2026 | | Instantie | : | Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba | | Zaaknummers | : | AUA202501502 AR | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Verdeling van in 2011 ontbonden huwelijksgoederengemeenschap. Waarde per de peildatum van sommige vermogensbestanddelen wordt in redelijkheid door het Gerecht vastgesteld. | | Trefwoorden | : | echtscheiding | | | perceel | | | san | | | | Uitspraak | Vonnis van 4 februari 2026
Behorend bij AUA202501502 AR
GERECHT IN EERSTE AANLEG VAN ARUBA
VONNIS
in de zaak van:
[Eiser in het verzet, oorspronkelijk gedaagde],
te Aruba,
eiser in het verzet, oorspronkelijk gedaagde,
hierna ook te noemen: de man,
gemachtigde: de advocaat mr. J.J.C. Odor,
tegen:
[Gedaagde in het verzet, oorspronkelijk eiseres],
te Aruba,
gedaagde in het verzet, oorspronkelijk eiseres,
hierna ook te noemen: de vrouw,
gemachtigde: de advocaat mr. D.G. Croes.
1DE PROCEDURE
1.1
Op 3 juli 2024 heeft de vrouw een verzoekschrift ingediend, waarin zij vordert dat het Gerecht de huwelijksgoederengemeenschap waarin partijen getrouwd zijn geweest verdeelt conform het voorstel van de vrouw.
1.2
De man heeft in die procedure geen verweer gevoerd en tegen hem is verstek verleend. Vervolgens heeft het Gerecht de vordering van de vrouw bij vonnis van 5 februari 2025 toegewezen (zaaknummer AUA202402372).
1.3
Het verstekvonnis is op 29 april 2025 aan de man betekend.
1.4
De man heeft op 13 mei 2025 een verzetschrift ingediend.
1.5
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op 27 oktober 2025. Daarbij waren de man aanwezig, bijgestaan door mr. Odor, en de vrouw, bijgestaan door mr. Emerencia die waarnam voor mr. Croes.
1.6
Vervolgens is bepaald dat vonnis zal worden gewezen.
2DE VASTSTAANDE FEITEN
2.1
De man en de vrouw zijn op 11 september 1987 in gemeenschap van goederen met elkaar getrouwd.
2.2
Op 8 april 2009 hebben partijen een echtscheidingsconvenant ondertekend. In dit convenant hebben partijen afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap waarin zij toen nog waren getrouwd. Geen van partijen heeft vervolgens een echtscheidingsverzoek ingediend.
2.3
Pas bij beschikking van 26 september 2011 is de echtscheiding uitgesproken (zaaknummer 1441 van 2011). In deze beschikking is de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap bevolen, onder benoeming van notaris [notaris] tot notaris te wier overstaan de verdeling tot stand moet worden gebracht. De echtscheiding is op 1 december 2011 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.
2.4
Op 26 februari 2024 heeft notaris [notaris] een proces-verbaal verdeling huwelijksgoederengemeenschap opgemaakt. In dit proces-verbaal staat, samengevat, dat tussen partijen diverse verschillen van inzicht bestaan over de omvang en samenstelling van de gemeenschap, en ook over de vraag hoe die moet worden verdeeld.
3DE STANDPUNTEN VAN PARTIJEN
3.1
De vrouw vordert dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap wordt verdeeld op de manier die zij voorstelt, waarbij het Gerecht zal bepalen dat dit vonnis in de plaats komt van de noodzakelijke medewerking van de man.
3.2
De man voert verweer.
3.3
Het Gerecht zal hierna ingaan op de standpunten van partijen, voor zover die van belang zijn voor de beoordeling van de vordering en het verweer.
4DE BEOORDELING
4.1
Het verzet is tijdig ingesteld, zodat de man ontvankelijk is.
4.2
Vast staat dat partijen al lang zijn gescheiden, maar dat de gemeenschap van goederen nog steeds niet is verdeeld. De vrouw wil dat dit alsnog gebeurt en heeft daarom een vordering ingesteld.
4.3
De man heeft als meest verstrekkende verweer aangevoerd dat de vrouw niet-ontvankelijk moet worden verklaard in haar vordering, omdat partijen bij notaris [notaris] afspraken hebben gemaakt over de verdeling. Dit verweer gaat niet op. Uit het proces-verbaal van de notaris blijkt immers dat tussen partijen “zwarigheden zijn gerezen”, wat betekent dat het partijen niet is gelukt om tot overeenstemming te komen.
4.4
Het Gerecht heeft zich nog wel de vraag gesteld wat de status is van het echtscheidingsconvenant dat partijen in 2009 hebben ondertekend. Die vraag heeft het Gerecht tijdens de zitting ook aan partijen voorgehouden. Partijen hebben het convenant weliswaar nooit uitgevoerd, maar zij hebben daarin wel afspraken gemaakt over de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Omdat geen van partijen vindt dat de afspraken in het convenant alsnog moeten worden nageleefd (volgens de vrouw is het convenant achterhaald, terwijl de man betoogt dat het convenant niet geldig is omdat hij de inhoud daarvan niet begreep), zal het Gerecht in dit vonnis de verdeling zelf vaststellen.
4.5
Daarbij stelt het Gerecht het volgende voorop. Bij een verdeling als deze moeten eerst de peildata voor (i) de omvang van de gemeenschap en (ii) de waardering van de verschillende vermogensbestanddelen worden vastgesteld. De peildatum voor de omvang van de gemeenschap is in dit geval de datum waarop de echtscheiding werd ingeschreven in de registers, dus 1 december 2011. De peildatum voor de waardering is in beginsel de datum waarop de feitelijke verdeling plaatsvindt, tenzij partijen iets anders afspreken.
De omvang van de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap
4.6
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat tot de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap de volgende goederen behoorden:
a. registergoed [adres 1] in Aruba;
b. registergoed [adres 2] in Aruba;
c. Suzuki Gran Vitara XL7;
d. Suzuki Alto;
e. Honda Civic;
f. speedboot Bayliner;
g. activa en passiva eenmanszaak [bedrijf];
h. eventuele pensioenaanspraken;
i. eventuele aandelen in nalatenschappen en/of andere onverdeeldheden die in de gemeenschap zijn gevallen;
j. bankrekening Arubabank [bankrekening 1] t.n.v. vrouw;
k. bankrekening Arubabank [bankrekening 2] t.n.v. vrouw;
l. bankrekening Arubabank [bankrekening 3] t.n.v. man;
m. bankrekening / debit card rekening CitiBank [bankrekening 4] t.n.v. man;
n. bankrekening / time deposit CitiBank [bankrekening 5] t.n.v. man;
o. bankrekening / money market account CitiBank [bankrekening 6] t.n.v. man;
p. bankrekening / checking account CitiBank [bankrekening 7] t.n.v. man;
q. twee appartementen in China.
4.7
Daarnaast heeft de vrouw gesteld dat zij een vordering heeft op de man vanwege
r. sinds maart 2023 door de man ontvangen huurinkomsten voor de [adres 2] ter hoogte van Afl. 1.300,- per maand;
s. sinds de echtscheiding door de man ontvangen huurinkomsten voor de appartementen in China;
t. investeringen die zij heeft gedaan in de woningen [locatie 2] en [locatie 1];
u. de door de man te betalen gebruiksvergoeding voor de bewoning door de woning aan de [adres 1].
4.8
Het Gerecht zal hierna de verschillende (gestelde) vermogensbestanddelen en vorderingen bespreken.
Ad a. de woning [adres 1]
4.9
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de woning op dit moment Afl. 522.553,25 waard is en voor dit bedrag in de verdeling moet worden betrokken. Deze waarde baseert de vrouw op een taxatierapport dat zij heeft laten opmaken. De man heeft geen gemotiveerd verweer gevoerd tegen de door de vrouw gestelde waarde. Hij heeft in zijn verzetschrift wel geschreven dat het taxatierapport niet onafhankelijk is, maar waarom dat zo is en wat dan wel een realistische waarde zou zijn, heeft de man niet uitgelegd. Op de zitting heeft de man geen bezwaar gemaakt tegen de door de vrouw gestelde waarde. Het Gerecht gaat er dus vanuit dat de man het met die waarde (inmiddels) eens is.
4.10
De vrouw heeft voorgesteld dat de woning tegen het getaxeerde bedrag aan de man wordt toegedeeld. De man is het daarmee eens, maar heeft tijdens de zitting gezegd dat hij niet zeker weet of hij die toedeling kan betalen. De man heeft laten weten dat hij maximaal Afl. 100.000,00 aan de vrouw kan betalen.
4.11
Dit betekent dat het Gerecht pas kan beslissen over de toedeling van de woning, als duidelijk is wat de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap is. De beslissing over die toedeling volgt in nummers 4.50 en 4.51.
4.12
Uit de kadastrale gegevens van de woning blijkt dat op 23 oktober 1986 een hypotheekrecht op het perceel is gevestigd ten behoeve van mevrouw [betrokkene 1] voor een bedrag van Afl. 45.000,-. In het proces-verbaal verdeling, dat de notaris heeft opgesteld, staat dat partijen het erover eens zijn dat deze schuld volledig is afgelost. Dat hebben partijen tijdens de zitting bevestigd. Dit betekent dat partijen het erover eens zijn dat de in het kadaster aangetekende hypotheekschuld geen onderdeel uitmaakt van de huwelijksgoederengemeenschap en dat het Gerecht geen beslissing hoeft te nemen over de draagplicht voor die schuld.
Ad b. de woning [adres 2]
4.13
De vrouw heeft, onder verwijzing naar een door haar overgelegd taxatierapport, voorgesteld dat de woning aan de [locatie 2] voor de getaxeerde waarde van Afl. 206.682,50 aan haar wordt toegedeeld. De man heeft zich daartegen niet (langer) verweerd, zodat het Gerecht als volgt zal beslissen.
4.14
Uit de kadastrale gegevens van de woning blijkt dat op 30 november 1999 op de woning een hypotheekrecht is gevestigd ten gunste van mevrouw [betrokkene 2] voor een bedrag van Afl. 162.500,-. Partijen zijn het erover eens dat ook deze schuld volledig is afgelost. Het Gerecht hoeft dus ook geen beslissing te nemen over de draagplicht voor de hypotheekschuld.
Ad c., d. en e. de auto’s
4.15
De vrouw heeft voorgesteld dat de auto’s zonder nadere verrekening worden toegedeeld aan degene die de auto’s onder zich heeft of had. De man is daarmee akkoord gedaan, zodat het Gerecht aldus zal beslissen.
Ad f. de speedboot
4.16
Het Gerecht begrijpt uit de stellingen van de vrouw dat zij wil dat de speedboot, zonder nadere verrekening, aan de man wordt toegedeeld. De man heeft zich daartegen niet verzet, zodat het Gerecht dit zal vastleggen.
Ad g. de eenmanszaak
4.17
Partijen werkten tijdens het huwelijk in een eenmanszaak, die op naam van de vrouw stond. De eenmanszaak is inmiddels opgeheven. De vrouw heeft daarom voorgesteld dat de activa en de passiva van de eenmanszaak aan haar worden “toegedeeld” (naar het Gerecht begrijpt: dat de activa aan haar worden toegedeeld, onder de verplichting de passiva voor haar rekening te nemen). De man is daarmee akkoord gegaan.
Ad h. de pensioenrechten
4.18
De vrouw heeft voorgesteld dat ieder van partijen de eigen pensioenaanspraken behoudt, zonder verrekening met de ander. Ook daarmee is de man akkoord gegaan.
Ad i. eventuele aandelen in nalatenschappen
4.19
Partijen zijn het erover eens dat, voor zover zij tijdens het huwelijk deelgenoot zijn geworden in een nalatenschap, hun aandeel daarin zonder verrekening aan die partij zal worden toegedeeld. Omdat geen van partijen concreet heeft gesteld dat een van hen tijdens het huwelijk iets heeft geërfd, ziet het Gerecht een aanleiding deze afspraak op te nemen in de beslissing.
Ad j., k. en l. de bankrekeningen bij Arubabank
4.20
Tussen partijen staat niet ter discussie dat zij beiden ten tijde van hun scheiding beschikten over bankrekeningen bij Arubabank. Omdat partijen kennelijk beiden hun eigen bankrekening zijn blijven gebruiken, zal (het saldo op) de bankrekening van de man aan de man worden toegedeeld, en (de saldi op) de bankrekeningen van de vrouw aan de vrouw.
4.21
Geen van partijen heeft zich uitgelaten over de vraag wat het saldo op de rekeningen was op de peildatum 1 december 2011. De vrouw heeft voorgesteld om uit te gaan van de saldi per oktober 2008, omdat die saldi in het echtscheidingsconvenant zijn opgenomen en dus bekend zijn. De man heeft daar (voor zover het de rekeningen bij Arubabank betreft) geen bezwaar tegen gemaakt. Om praktische redenen zal het Gerecht daarom aansluiten bij het voorstel van de vrouw. Naar verwachting is het door tijdsverloop onmogelijk na te gaan wat precies het saldo was op de peildatum en geen van partijen heeft moeite gedaan om die saldi te achterhalen. Voor zover de man tijdens de zitting heeft willen stellen dat het saldo op zijn bankrekening bij Arubabank tussen oktober 2008 en december 2011 is verlaagd, heeft hij nagelaten dat te onderbouwen. De man heeft weliswaar tijdens de zitting (overigens in het kader van de hierna te bespreken rekeningen bij CitiBank) wel gezegd dat hij nog in de gelegenheid wil worden gesteld bewijs te leveren, maar daartoe bestaat pas aanleiding als hij zijn stellingen voldoende onderbouwt. Dat heeft hij niet gedaan.
4.22
De vrouw heeft – onder verwijzing naar het echtscheidingsconvenant – gesteld dat het saldo op haar bankrekeningen in oktober 2008 Afl. 100,- en Afl. 500,- was, en dat op de bankrekening van de man Afl. 40.000,-. De man heeft dit niet bestreden. Het Gerecht zal daarom uitgaan van deze saldi.
Ad m. tot en met p. de rekeningen bij CitiBank
4.23
De vrouw heeft gesteld dat partijen tijdens het huwelijk diverse rekeningen hadden bij CitiBank. De man heeft over de rekeningen bij CitiBank wisselende standpunten ingenomen. In het proces-verbaal van verdeling van de notaris staat: “Volgens de man (…) had hij in het buitenland geen bankrekeningen. (…) De man heeft als laatste meegedeeld dat hij geen bankrekeningen heeft in het buitenland, zoals door hem eerder meegedeeld (…).”
4.24
Tijdens de zitting is de man op deze ontkenning teruggekomen, maar heeft hij wel aangevoerd dat er tijdens de scheiding geen geld meer op de bankrekeningen bij CitiBank stond. Hij heeft in eerste instantie betoogd dat hij tien jaar voor de scheiding het hele saldo heeft gebruikt om meubels te kopen. Toen het Gerecht hem voorhield dat dat niet kon kloppen, omdat er volgens het convenant eind 2008 nog wel geld op de rekeningen stond, heeft hij gezegd dat hij het geld na 2008 (maar voor de scheiding) heeft uitgegeven. Volgens de man is er dus geen banksaldo dat in de verdeling moet worden betrokken.
4.25
Het heeft er alle schijn van dat de man zijn uiterste best doet om de vrouw (en ook het Gerecht) om de tuin te leiden en om vermogensbestanddelen te verzwijgen. Het Gerecht heeft de man gewezen op artikel 3:194 lid 2 BWA, dat bepaalt dat een deelgenoot die (kort gezegd) opzettelijk tot de gemeenschap behorende goederen verzwijgt, geen aanspraak meer kan maken op zijn aandeel in dat goed en dat het hele goed aan de ander toekomt. Dit zou dan betekenen dat de vrouw recht heeft op het hele saldo op de bankrekeningen bij CitiBank. De vrouw heeft echter geen beroep gedaan op deze bepaling en wil nog altijd dat het saldo op de bankrekeningen wordt verdeeld. Het Gerecht zal die verdelingsvordering dan ook beoordelen.
4.26
De vrouw wil dat de bankrekeningen bij CitiBank aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting de helft van het saldo per oktober 2008 aan de vrouw te betalen. Zij verwijst hierbij naar de saldi die zijn opgenomen in het convenant. In dit convenant staan vier bankrekeningen bij CitiBank opgesomd met een saldo van in totaal USD 208.611,96.
4.27
De man heeft betoogd dat het convenant niet rechtsgeldig is. Volgens de man was hij destijds in de war, begreep hij geen Papiamento en heeft niemand hem uitgelegd waarvoor hij tekende. Het Gerecht stelt vast dat de man zijn stellingen op geen enkele manier heeft onderbouwd. Uit niets blijkt dat de man in de war was toen hij het convenant tekende. Bovendien is tijdens de zitting gebleken dat de man wel Papiamento spreekt, in ieder geval zodanig dat hij de inhoud van het convenant heeft moeten kunnen begrijpen.
4.28
Naar het oordeel van het Gerecht is het echtscheidingsconvenant dus een sterke aanwijzing dat de man inderdaad in april 2009 beschikte over bankrekeningen met een saldo ter hoogte van de in het convenant genoemde bedragen.
4.29
De man heeft zijn stelling dat hij het saldo vóór de echtscheiding heeft opgemaakt, niet onderbouwd. Dit had wel op zijn weg gelegen: de bankrekeningen stonden op zijn naam, terwijl het gaat om een hoog bedrag dat hij in betrekkelijk korte tijd zou hebben uitgegeven. Voor zover de man het geld zou hebben gebruikt voor de aankoop van goederen, geldt bovendien dat dan de waarde van die goederen in de verdeling zou moeten worden betrokken. Over die waarde heeft de man geen enkel standpunt ingenomen. Het Gerecht zal dus uitgaan van de door de vrouw genoemde saldi, omdat de man onvoldoende onderbouwd heeft bestreden dat deze ten tijde van de peildatum beschikbaar waren.
4.30
Omdat de man de bankrekeningen na de echtscheiding is blijven gebruiken, zullen de saldi op die rekeningen aan de man worden toegedeeld, onder de verplichting de helft daarvan aan de vrouw te betalen.
Ad q. de appartementen in China
4.31
Volgens de vrouw hebben partijen tijdens het huwelijk twee appartementen gekocht in China, die behoren tot de (ontbonden) huwelijksgoederengemeenschap. De man ontkent dat hij een huis in China bezit of ooit heeft bezeten.
4.32
Het Gerecht vindt die betwisting ongeloofwaardig. In de eerste plaats heeft de man in 2011 tijdens de zitting voorlopige voorzieningen erkend dat hij een woning in China had. Dit is vastgelegd in de beschikking van 18 juli 2011 (EJ nummer 1440 van 2011): “[Eiser in het verzet, oorspronkelijke gedaagde] heeft voorts erkend dat hij een woning in China heeft, maar heeft daaromtrent ter zitting aanvankelijk gesteld dat deze woning aan de bank is vervallen en daarna dat de woning wegens achterstallig onderhoud niet geschikt is voor de verhuur. (…)” In de daarop volgende echtscheidingsprocedure is de woning in China ook aan de orde gekomen. In de beschikking van 26 september 2011 (EJ nummer 1441 van 2011) staat daarover: “Voorts heeft hij niet betwist dat hij een woning in China heeft”. In de derde plaats heeft de vrouw in een schriftelijke verklaring gedetailleerd verteld dat partijen tijdens het huwelijk twee tweekamerappartementen hebben gekocht, die vanaf 2008 zijn verbouwd. De stelling van de vrouw wordt bevestigd door de zoons van partijen, die in een verklaring schrijven dat de man twee appartementen bezit in Guangdon, China, en dat zij tijdens een verblijf in China in 2018 in een van deze appartementen hebben verbleven.
4.33
Gelet op de gerechtelijke erkenning door de man in de procedure voorlopige voorzieningen, en gelet op de overige verklaringen, is de enkele ontkenning door de man in deze zaak dat hij onroerend goed heeft in China, onvoldoende. Het heeft er alle schijn van dat de man ook het bestaan van deze appartementen opzettelijk voor de vrouw (en het Gerecht) verborgen probeert te houden, en dat hij zijn aandeel in die appartementen daarom aan de vrouw heeft verbeurd. De vrouw heeft daarop echter geen beroep gedaan, en wil dat de man de helft van de waarde van de appartementen aan haar betaalt. Geen van partijen heeft echter een concreet standpunt ingenomen over de waarde daarvan. Het Gerecht zal in nummers 4.46 tot en met 4.49 beslissen hoe daarmee moet worden omgegaan.
Ad r. vordering vrouw in verband met huur [adres 2]
4.34
Tussen partijen is niet in geschil dat de man sinds de echtscheiding altijd de huur voor de woning aan [adres 2] heeft geïnd en dat hij de helft daarvan aan de vrouw heeft afgedragen. De vrouw stelt dat de man in maart 2023 is gestopt om haar te betalen. Zij vordert dat de man wordt veroordeeld om haar deel van de huur van Afl. 1.300,- per maand alsnog te betalen, te rekenen vanaf maart 2023 tot aan de datum waarop het huis aan de [adres 2] zal zijn geleverd.
4.35
De man heeft tijdens de zitting ook op dit punt wisselende stellingen ingenomen. Hij heeft gezegd dat hij pas begin 2024 is gestopt de huur door te betalen aan de vrouw. De man heeft daarvoor (als het Gerecht het goed begrijpt) verschillende redenen gegeven. In de eerste plaats heeft de man gezegd dat hij is gestopt met betalen omdat de vrouw weigerde een ontvangstbevestiging te tekenen. Vervolgens heeft de man gezegd dat de huur voor de [adres 2] is verlaagd, en tot slot heeft hij gezegd dat hij niet verplicht is om de huur voor de vrouw te innen, omdat partijen zijn gescheiden.
4.36
Wat daar ook van zij: vast staat dat het tussen partijen gewoonte was dat de huurder de volledige huur aan de man betaalde, en dat de man de helft van de huur doorbetaalde aan de vrouw. Bij de notaris heeft de man erkend dat hij daarmee in maart 2023 (dus niet, zoals hij tijdens de zitting vertelde, begin 2024) is gestopt. Het Gerecht gaat er dus vanuit dat de man sinds maart 2023 een achterstand heeft laten ontstaan.
4.37
Volgens de vrouw moest de man een bedrag van Afl. 1.300,- per maand aan haar betalen. De man heeft niet betwist dat dit de helft van de afgesproken huurprijs is. Wel heeft hij gesteld dat de huur in 2025 is verlaagd. De man heeft echter niet gesteld dat hiervoor een noodzaak bestond, terwijl de vrouw bovendien (onderbouwd met een verklaring van de huurder) heeft gesteld dat de man uit eigen beweging naar de Huurcommissie is gegaan om de huur te verlagen, enkel en alleen om haar dwars te zitten. Wat er ook van zij: vast staat dat de vrouw (die mede-eigenaar is van het huis en dus ook mede-verhuurder) nooit akkoord is gegaan met een lagere huur, terwijl de man ook niet duidelijk heeft gemaakt dat de huur daadwerkelijk is verlaagd en om welke reden dat noodzakelijk was.
4.38
Het Gerecht gaat er dus vanuit dat de man vanaf 1 maart 2023 een bedrag van Afl. 1.300,- per maand aan de vrouw moest betalen. Tot en met februari 2026 bedraagt de vordering van de vrouw op de man dan (Afl. 1.300,- x 36 maanden =) Afl. 46.800,-. Met ingang van 1 maart 2026 is de man verplicht om maandelijks Afl. 1.300,- aan de vrouw af te dragen. Hij zal daartoe worden veroordeeld, zoals de vrouw ook heeft gevorderd.
Ad s. vordering vrouw in verband met huur China
4.39
De vrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de man haar de helft van de huur moet betalen, die hij sinds de echtscheiding heeft geïnd in verband met de verhuur van de appartementen in China. De man heeft betwist dat hij appartementen in China bezit, en dus ook dat hij huurinkomsten heeft.
4.40
Het Gerecht vindt – opnieuw – de betwisting door de man ongeloofwaardig. In de voorlopige voorzieningenprocedure heeft de man (na een ontkenning) erkend dat hij appartementen in China bezit. Ook is vastgesteld dat de man daaruit huur ontvangt: “[Gedaagde in het verzet, oorspronkelijk eiseres] heeft er zitting kopieën getoond van bescheiden betreffende een Chinese bankrekening van de man. [Eiser in het verzet, oorspronkelijk gedaagde] heeft de juistheid van die bescheiden erkend. Gezien de hoogte van het saldo van deze rekening, zoals die uit die bescheiden blijkt, gaat het gerecht er vanuit dat [eiser in het verzet, oorspronkelijke gedaagde] huurinkomsten heeft van zijn woning in China, nu [eiser in het verzet, oorspronkelijke gedaagde] geen andere verklaring heeft gegeven omtrent de herkomst van de gelden op die rekening. (…) Het saldo van de bankrekening bedroeg in april van dit jaar rond de USD 150.000.” Gelet daarop, en gelet op de overige stellingen van de vrouw, heeft de man onvoldoende gemotiveerd bestreden dat hij huurinkomsten heeft. Het Gerecht gaat er dus vanuit dat die huurinkomsten er wel zijn.
4.41
Dit betekent dat de man aan de vrouw rekening en verantwoording moet afleggen. Dit houdt in dat hij een overzicht moet opstellen van de inkomsten die hij uit die appartementen heeft gekregen, afgezet tegen de kosten die hij voor de appartementen heeft gemaakt. Gelet op de proceshouding van de man heeft het Gerecht er echter geen enkel vertrouwen in dat de man dit ook zal doen, laat staan eerlijk. Het Gerecht zal hierna in nummers 4.46 tot en met 4.49 ingaan op de vraag welke gevolgen dit heeft voor de beslissing.
Ad t. de investeringen in de woning(en)
4.42
Beide partijen hebben zich op het standpunt gesteld dat zij lasten van de woningen in Aruba hebben betaald, en dat zij kosten hebben gemaakt voor het onderhoud en verbouwingen van die woningen. Voor zover partijen daarvoor een vordering hebben ingesteld, wordt die afgewezen. Geen van partijen heeft de gestelde investeringen immers onderbouwd.
Ad u. de gebruiksvergoedingen
4.43
Tijdens de zitting hebben partijen afgesproken om de gebruiksvergoeding, die zij aan elkaar moeten betalen omdat zij beiden in woningen hebben gewoond die tot de gemeenschap behoren, tegen elkaar weg te strepen. Hierover hoeft het Gerecht dus niet meer te beslissen.
Tussenconclusie
4.44
In het licht van het voorgaande stelt het Gerecht vast dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt is samengesteld:
Vermogensbestanddeel
Waarde
Woning [adres 1]
Afl. 522.553,25
Woning [adres 2]
Afl. 206.682,50
Suzuki Gran Vitara
Afl. 0,00
Honda Civic
Afl. 0,00
Suzuki Alto
Afl. 0,00
Speedboot Bayliner
Afl. 0,00
Activa en passiva [bedrijf]
Afl. 0,00
Pensioenaanspraken man
Afl. 0,00
Pensioenaanspraken vrouw
Afl. 0,00
Saldo Arubabank t.n.v. man [bankrekening 3]
Afl. 40.000,00
Saldo Arubabank t.v.n. vrouw [bankrekening 1]
Afl. 500,00
Saldo Arubabank t.n.v. vrouw [bankrekening 2]
Afl. 100,00
Saldo debit card Citibank Brooklyn t.v.n. man
[bankrekening 4]
USD 48.500,00
Afl. 84.875,00
Saldo time deposit CitiBank San Antonio t.v.n. man [bankrekening 5]
USD 109.611,96
Afl. 191.820,93
Saldo money market account CitiBank t.v.n. man [bankrekening 6]
USD 50.000,00
Afl. 87.500,00
Saldo checking account CitiBank t.v.n. man [bankrekening 7]
USD 500,00
Afl. 875,00
Appartementen China
??
Subtotaal
Afl. 1.134.906,68
+
appartementen China
4.45
Daarnaast moet de man aan de vrouw een bedrag van Afl. 46.800,- betalen in verband met door hem ontvangen huur voor de [adres 2], en de helft van de huur voor de appartementen in China.
Waardering appartementen China en huurvordering vrouw
4.46
Zoals gezegd heeft geen van partijen een concreet standpunt ingenomen over de waarde van de appartementen in China. Ook heeft het Gerecht er geen enkel vertrouwen in dat de man een juist overzicht zal opstellen van zijn huurinkomsten uit China. Om praktische redenen zal het Gerecht geen deskundige benoemen om de waarde van de appartementen in China vast te stellen of de huurinkomsten van de man te berekenen.
4.47
Bij gebrek aan andere concrete aanknopingspunten stelt het Gerecht de waarde van de appartementen in China gelijk aan de waarde van de woning aan de [adres 2]. De waarde van de appartementen in China wordt dus bepaald op Afl. 206.682,50. Daarbij speelt een rol dat de vrouw tijdens de zitting heeft gezegd dat partijen de appartementen ooit voor USD 7.500,- per stuk hebben gekocht. Door tijdsverloop en de door de vrouw gestelde verbouwing zullen de appartementen in waarde zijn gestegen. Door deze (praktische) beslissing kan de waarde van de appartementen in China worden “weggestreept” tegen de waarde van de woning aan de [adres 2], die aan de vrouw wordt toegedeeld.
4.48
De hoogte van de huurinkomsten van de man in China (over de periode tussen 2011 en heden, omdat de man niet heeft gesteld dat uitgegaan moet worden van een andere periode) zal het Gerecht in redelijkheid vaststellen op een bedrag gelijk aan de huurinkomsten die de man vanaf 2023 aan de vrouw had moeten betalen voor de [adres 2], dus op Afl. 46.800,-.
4.49
Voor zover de daadwerkelijke waarde van de appartementen en/of de daadwerkelijke huurinkomsten lager zijn, komt dat voor rekening en risico van de man. Hij heeft immers nagelaten een standpunt in te nemen over die waarde en over zijn huurinkomsten, terwijl dat wel op zijn weg had gelegen. Voor zover de daadwerkelijke waarde van de appartementen en de huurinkomsten hoger zouden zijn, is de schatting door het Gerecht voor de vrouw nadelig. Dat valt echter te rechtvaardigen, doordat ook de vrouw geen enkele inschatting heeft gemaakt (en dus geen concrete vordering heeft ingesteld), terwijl bovendien hierna zal blijken dat deze beslissing (gelet op de beschikbare vermogensbestanddelen in Aruba) voor de vrouw het hoogst haal- en executeerbare is.
(Wijze van) verdeling
4.50
Omdat beide partijen hebben gesteld dat zij niet meer dan Afl. 100.000,- aan de ander zullen kunnen betalen, moet het Gerecht een praktische manier vinden om de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap zodanig te verdelen, dat er over en weer geen grote vorderingen ontstaan. Dat kan, als de beide onroerende goederen in Aruba aan de vrouw worden toegedeeld. Dit betekent dan dat de man geen eigen onroerend goed meer heeft in Aruba. Daar staat tegenover dat hij wel de appartementen in China, en het hele vermogen op de bankrekeningen bij CitiBank krijgt toegedeeld.
4.51
Het voorgaande leidt dan tot de volgende beslissing over de (wijze van) verdeling:
Aan de man worden toegedeeld
Aan de vrouw worden toegedeeld
Appartementen in China
Afl. 206.682,50
Woning [adres 1]
Afl. 522.553,25
Suzuki Gran Vitara
Afl. 0,00
Woning [adres 2]
Afl. 206.682,50
Speedboot Bayliner
Afl. 0,00
Suzuki Alto
Afl. 0,00
Pensioenaanspraken man
Afl. 0,00
Honda Civic
Afl. 0,00
Saldo Arubabank [bankrekening 3]
Afl. 40.000,00
Activa [bedrijf]
Afl. 0,00
Saldo debit card Citibank Brooklyn
[bankrekening 4]
Afl. 84.875,00
Pensioenaanspraken vrouw
Afl. 0,00
Saldo time deposit CitiBank San Antonio [bankrekening 5]
Afl. 191.820,93
Saldo Arubabank [bankrekening 1]
Afl. 500,00
Saldo money market account CitiBank [bankrekening 6]
Afl. 87.500,00
Saldo Arubabank [bankrekening 2]
Afl. 100,00
Saldo checking account CitiBank [bankrekening 7]
Afl. 875,00
Onder de verplichting om als eigen schuld voor haar rekening te nemen
Passiva [bedrijf]
Afl. 0,00
Subtotaal
Afl. 611.753,43
Subtotaal
Afl. 729.835,75
Te ontvangen van de vrouw
Onder de verplichting om aan de man te betalen
Vordering wegens overbedeling
Afl. 59.041,16
Schuld wegens overbedeling
Afl. -/- 59.041,16
Totaal
Afl. 670.794,59
Totaal
Afl. 670.794,59
4.52
Daarbij kan de vrouw haar schuld aan de man wegens overbedeling van Afl. 59.041,16 verrekenen met haar vordering op de man wegens gemiste huurinkomsten van (in totaal) Afl. 93.600,-. Dit betekent dat de man nog Afl. 34.558,84 aan de vrouw moet betalen. De vrouw kan dit bedrag incasseren door middel van het conservatoir maritaal beslag, dat zij heeft gelegd op de Arubabankrekening van de man (waarop volgens de vrouw nog steeds een saldo van ongeveer Afl. 40.000,- staat).
3:300 lid 2 BW
4.53
Zoals de vrouw heeft gevorderd, zal het Gerecht bepalen dat dit vonnis zo nodig in de plaats treedt van de medewerking van de man aan de levering van (zijn aandeel in) de Arubaanse woningen aan de vrouw. De man heeft tegen dit gedeelte van de vordering geen verweer gevoerd.
Proceskosten
4.54
Omdat partijen met elkaar getrouwd zijn geweest, bepaalt het Gerecht dat ieder van partijen de eigen proceskosten moet betalen.
5DE UITSPRAAK
Het Gerecht:
5.1
vernietigt het verstekvonnis dat op 5 februari 2025 onder zaaknummer AUA202502372 is gewezen;
en opnieuw beslissend:
5.2
staat de vrouw toe kosteloos te procederen;
5.3
stelt de (wijze van) verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap als volgt vast:
5.3.1
aan de man worden toegedeeld:
- de twee appartementen in China;
- de Suzuki Gran Vitara;
- de speedboot Bayliner;
- de pensioenaanspraken die van de zijde van de man in de gemeenschap van goederen zijn gevallen;
- het saldo op de rekening bij Arubabank met nummer [bankrekening 3];
- het saldo op de debit card bij Citibank Brooklyn met nummer [bankrekening 4];
- het saldo op de time deposit rekening bij CitiBank San Antonio met nummer [bankrekening 5]
- het saldo money market rekening bij CitiBank met nummer [bankrekening 6];
- het saldo op de checking account bij CitiBank met nummer [bankrekening 7];
5.3.2
aan de vrouw worden toegedeeld:
- het erfpachtrecht op het perceel [adres 1] in Aruba met de daarop gebouwde woning;
- de woning aan de [adres 2] in Aruba;
- de Suzuki Alto;
- de Honda Civic
- de activa van de eenmanszaak [bedrijf];
- de pensioenaanspraken die van de zijde van de vrouw in de gemeenschap van goederen zijn gevallen;
- het saldo op de rekening bij Arubabank met nummer [bankrekening 1];
- het saldo op de rekening bij Arubabank met nummer [bankrekening 2];
onder de verplichting om aan de man te betalen:
- de schuld wegens overbedeling van Afl. 59.041,16;
en onder de verplichting om als eigen schuld voor haar rekening te nemen:
- de passiva van de eenmanszaak [bedrijf];
5.4
veroordeelt de man om aan de vrouw te betalen:
- een bedrag van Afl. 46.800,- wegens door de man ontvangen huur van de woning aan de [adres 2] over de periode tussen maart 2023 en februari 2026;
- een bedrag van Afl. 46.800,- wegens door de man ontvangen huur voor de appartementen in China over de periode tussen 1 december 2011 en februari 2026;
- een bedrag van Afl. 1.300,- per maand wegens door de man te ontvangen huur aan de woning aan de [adres 2] vanaf 1 maart 2026 tot het moment waarop (het aandeel van de man in) de woning aan de [adres 2] aan de vrouw zal zijn geleverd;
5.5
bepaalt dat dit vonnis in de plaats treedt van de benodigde medewerking van de man aan de levering van de in 5.3.2 genoemde onroerende zaken aan de vrouw, een en ander zoals bedoeld in artikel 3:300 lid 2 BW;
5.6
stelt vast dat de vrouw haar in 5.3.2 genoemde schuld aan de man wegens overbedeling kan verrekenen met haar in 5.4 genoemde vorderingen op de man;
5.7
verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;
5.8
compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;
5.9
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J. Brandt, rechter in dit Gerecht, en werd uitgesproken ter openbare terechtzitting van woensdag 4 februari 2026 in aanwezigheid van de griffier. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|