|
|
|
| ECLI:NL:RBMNE:2026:478 | | | | | Datum uitspraak | : | 13-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 13-02-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Midden-Nederland | | Zaaknummers | : | UTR 25/2664 UTR 25/2058 en UTR 25/24 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | Wav-boete. Wml-boete. Last onder dwangsom. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiseres een boete mocht opleggen op grond van de Wav omdat de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden van de studenten niet in overeenstemming waren met de voorwaarden van de tewerkstellingsvergunningen die waren verleend. De minister heeft kunnen concluderen dat de stages, die met name gericht waren op het meewerken in de productie, niet op het vereiste hbo- of universitair niveau waren. De hoogte van die boete vindt de rechtbank niet onredelijk. Het beroep hiertegen is ongegrond. De rechtbank is het echter met eiseres eens dat de minister gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak niet heeft kunnen concluderen dat de Wml is overtreden. Dat de stages niet op het vereiste niveau waren, maakt op zichzelf niet dat dan dus sprake was van arbeidsovereenkomsten. De rechtbank is daarbij van oordeel dat de minister gelet op diverse contra-indicaties niet aan zijn bewijslast heeft voldaan dat sprake was van arbeidsovereenkomsten. Daarom staat niet vast dat sprake is van overtredingen van de Wml. De boete en de last onder dwangsom op die grond komen daarom te vervallen. Deze beroepen zijn gegrond. | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | biologisch | | | gewassen | | | landbouw | | | minimumloon | | | tewerkstellingsvergunningen | | | | Uitspraak | RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: UTR 25/2664, UTR 25/2058 en UTR 25/2401
uitspraak van de meervoudige kamer van 13 februari 2026 in de zaken tussen
[eiseres] V.O.F. h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [plaats] , eiseres
(gemachtigde: mr. S. Maakal),
en
de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de minister
(gemachtigden: mr. S. Alkema-Notting en mr. J.J.A. Huisman).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over twee boetes die de minister aan eiseres heeft opgelegd voor het meermaals overtreden van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav) en de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag (Wml). Daarnaast gaat deze uitspraak over een last onder dwangsom in het kader van de overtredingen van de Wml. Eiseres is het niet eens met deze boetes en de last. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de boetes en de last mocht opleggen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister aan eiseres een boete mocht opleggen op grond van de Wav en dat de hoogte van die boete niet onredelijk is. Het beroep hiertegen is ongegrond. De rechtbank is het echter met eiseres eens dat de minister gelet op de feiten en omstandigheden in deze zaak niet heeft kunnen concluderen dat de Wml is overtreden. Die boete en de last onder dwangsom komen daarom te vervallen. Deze beroepen zijn gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 28 juni 2024 aan eiseres een boete opgelegd wegens drie overtredingen van artikel 2, eerste lid, van de Wav. Aan drie studenten werden tewerkstellingsvergunningen op grond van paragraaf 30 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen afgegeven voor de functie ‘stagiair landbouw’. Deze regeling ziet op vreemdelingen die op Hbo- of universitair niveau een stage in Nederland willen lopen. Volgens de minister kan voor deze drie studenten worden vastgesteld dat de feitelijke werkzaamheden die zij bij eiseres hebben uitgevoerd niet op dat niveau waren. Dit volgt volgens de minister uit het feit dat de werkzaamheden niet overeenkwamen met het stageplan op grond waarvan de tewerkstellingsvergunningen zijn verleend. De studenten werkten met name in de productie en er werd geen onderzoek gedaan zoals omschreven in het stageplan. De studenten hebben volgens de minister daarom reguliere arbeid verricht. Omdat de studenten daar geen tewerkstellingsvergunning voor hadden is volgens de minister sprake van een overtreding van artikel 2, eerste lid, van de Wav. De minister ziet aanleiding om de boete te matigen met 50% omdat sprake is van normale verwijtbaarheid. Verder wordt de boete met 25% gematigd gelet op het tijdsverloop tussen de start van het onderzoek en het insturen van het boeterapport. De totale boete stelt de minister vast op € 9.000,-.
2.1.
Met het bestreden besluit van 31 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij dat besluit gebleven.
2.2.
De minister heeft op 28 juni 2024 aan eiseres ook een boete opgelegd wegens vier overtredingen van de Wml. Aan vier studenten werden tewerkstellingsvergunningen op grond van paragraaf 30 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen afgegeven voor de functie ‘stagiair landbouw’. Het gaat om dezelfde drie studenten waarvoor de Wav-boete is opgelegd en daarnaast om een andere student waarop de Wav niet van toepassing is. Eiseres betaalde deze studenten een stagevergoeding. Volgens de minister was gelet op de werkzaamheden van deze studenten geen sprake van een stage maar van een arbeidsovereenkomst. De stage was namelijk niet op het vereiste Hbo- of universitair niveau omdat zij met name meedraaiden met de primaire bedrijfsactiviteiten. Bij drie studenten was daarom sprake van onderbetaling van het bruto en netto minimumloon. Ten aanzien van één student was sprake van onderbetaling van het bruto en netto minimumjeugdloon. Daarnaast wordt eiseres verweten dat zij drie studenten contant heeft uitbetaald. Gelet op de samenloop van overtredingen wordt conform het beleid van de minister een matiging toegepast. De totale boete stelt de minister vast op € 16.125,-.
2.3.
Daarnaast heeft de minister op 28 juni 2024 aan eiseres een last onder dwangsom opgelegd wegens bovengenoemde overtredingen van de Wml. Aan eiseres is gelast om binnen twee weken over te gaan tot een nabetaling van het loon. Dit op straffe van een dwangsom van € 900,- per dag met een maximum van € 40.000,- per werknemer.
2.4.
Met de bestreden besluiten van 31 januari 2025 op het bezwaar van eiseres is de minister bij de boete en de last onder dwangsom gebleven. In de beslissing op bezwaar die zich richt tegen de last onder dwangsom is aan eiseres een begunstigingstermijn van twee weken gegeven om te voldoen aan de last.
2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. Aan de last is inmiddels voldaan.
2.6.
De rechtbank heeft de beroepen op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [A] , [B] , [C] en [D] namens eiseres als (voormalig) vennoten van de vennootschap onder firma, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigden van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
De Wav-boete (UTR 25/2664)
Is er sprake van overtredingen van de Wav?
3. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte overweegt dat sprake is van een overtreding van de Wav. Er is volgens haar gewoon stage gelopen door de studenten, er is een verslag gemaakt en zij hebben op basis daarvan hun diploma in hun thuisland behaald. De minister houdt in dit verband ten onrechte vast aan de normen die in Nederland gelden voor een stage op hbo- of universitair niveau. Daarnaast is niet duidelijk waar de minister de conclusie op baseert dat de werkzaamheden onvoldoende zouden zijn voor een hbo- of wetenschappelijke stage. Eiseres betwist dat het onderzoek in dat kader onvoldoende was. De studenten hebben ervaring opgedaan met en geleerd over de biodynamische landbouw en wijze van bedrijfsvoering. Er is ook meegewerkt in de productie, maar dat had niet de nadruk. Anders dan verweerder stelt, vindt eiseres dat het grootste deel van de werkzaamheden en leeractiviteiten die in het stageplan staan wel zijn uitgevoerd, voor zover dat binnen het seizoen mogelijk was. Eiseres heeft niet gecontroleerd of de studenten een onderzoek hebben uitgevoerd, omdat zij dat de eigen verantwoordelijkheid van de studenten vindt.
3.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Uit artikel 2, eerste lid, van de Wav volgt – kortgezegd – dat je iemand niet mag laten werken zonder de benodigde tewerkstellingsvergunning. Dat geldt zowel voor reguliere arbeid als voor werk in het kader van een stage. De studenten waar het in deze zaak om gaat hebben op grond van paragraaf 30 van de Regeling uitvoering Wet arbeid vreemdelingen 2014 een tewerkstellingsvergunning gekregen voor de functie “stagiaire landbouw”. Dit betrof een versoepelde regeling voor studenten die in Nederland op hbo- of universitair niveau stage kwamen lopen. Voorwaarde voor deze regeling was daarom dat de stage op dat niveau is en dat de stage niet in de plaats mag komen van een reguliere baan. De tewerkstellingsvergunningen zijn verleend op basis van – onder andere – ingediende trainingsplannen. Op grond van die plannen is beoordeeld dat aan de voorwaarden van de regeling is voldaan, en dus ook dat sprake was van een stage die op papier voldoet aan het vereiste hbo- of universitair niveau.
3.2.
De rechtbank overweegt gelet hierop dat het in deze zaak gaat om de vraag of de feitelijk verrichte werkzaamheden zijn verricht in overeenstemming met de daarvoor verleende vergunningen. Nu die vergunningen op aanvraag zijn verleend, onderbouwd met de trainingsplannen waarin de te verrichten werkzaamheden zijn omschreven, gaat het om de vraag of de werkzaamheden conform deze trainingsplannen zijn uitgevoerd. Op basis daarvan moet namelijk worden beoordeeld of de minister heeft kunnen concluderen dat feitelijk geen sprake was van een stage op hbo- of universitair niveau. Anders dan eiseres stelt, is het feit dat de vergunningen zijn verleend op zichzelf dus geen indicatie dat eiseres aan de geldende regelgeving heeft voldaan.
3.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden niet overeen kwamen met de in de trainingsplannen opgenomen aspecten van de stage, en dat daarom sprake was van werkzaamheden zonder een daarvoor verleende tewerkstellingsvergunning. De minister heeft in dit kader zwaar gewicht mogen toekennen aan het feit dat de studenten het in het trainingsplan omschreven onderzoek niet of nauwelijks hebben uitgevoerd. In het trainingsplan staat dat de studenten een onderzoek doen. In het kader van dat onderzoek moeten zij data verzamelen over het bedrijf en de gewassen. Daar moet een rapport over worden opgesteld en worden gepresenteerd. Het onderzoek kan bestaan uit een literatuurstudie en/of een interview met de supervisor. Op basis daarvan wordt een plan gemaakt en dat wordt besproken met deze supervisor. In het kader van het onderzoek moeten de studenten meedraaien met de dagelijkse werkzaamheden, omdat dit nodig is om de data te verzamelen. Het onderwerp en/of de onderzoeksvraag van het onderzoek wordt in de trainingsplannen omschreven. Uit de eigen verklaringen van de studenten volgt dat een dergelijk onderzoek niet is gedaan. De vennoten van eiseres verklaren daarnaast dat zij niet wisten dat zij de onderzoeken moesten begeleiden en dat zij dus niks afwisten van de inhoud daarvan. Ook zij erkennen dat de onderzoeken, voor zover zij weten, niet zijn uitgevoerd. De minister heeft kunnen overwegen dat juist dit onderzoek een belangrijke factor is waardoor de stages het vereiste hbo- of universitaire niveau halen. Juist dat onderzoek onderscheidt de stage in dit geval van een stage op mbo-niveau (naar Nederlandse maatstaven).Dat daarbij met een “Nederlandse bril” wordt gekeken, vindt de rechtbank niet onbegrijpelijk omdat het gaat om Nederlandse regelgeving. Dat het Nederlandse opleidingsniveau het uitgangspunt vormt wordt ook bevestigd in het aanvraagformulier, waarin wordt gevraagd wat het niveau is van de stage naar Nederlandse maatstaven. Eiseres wijst er terecht op dat er wel verslagen zijn gemaakt van de feitelijk uitgevoerde werkzaamheden maar de minister heeft kunnen overwegen dat die niet voldoen aan de eisen die aan een onderzoek conform het trainingsplan mogen worden gesteld. Zo is er op geen enkele wijze gebleken dat de studenten data hebben verzameld en dat zij literatuurstudies of andere onderzoeksmethodes hebben toegepast. Ook is niet gebleken dat het onderzoek is besproken met de supervisor en dat de opzet en het onderzoek verder zijn uitgewerkt of gepresenteerd. Verder heeft de minister kunnen overwegen dat ook uit de overige werkzaamheden niet is gebleken dat het vereiste niveau van de stage is gehaald. Dat een deel van de leercomponenten uit het trainingsplan wel is gerealiseerd, maakt niet dat de minister had moeten concluderen dat wél aan het vereiste niveau is voldaan. De studenten hebben verklaard dat zij het merendeel van de tijd hebben meegewerkt in de productie; door bijvoorbeeld gewassen te oogsten, sorteren en voorbereiden voor de verkoop. Ook hebben zij de grond voorbereid en gezaaid. De minister heeft er in dit kader terecht op gewezen dat het enkele feit dat er veel geleerd is door de studenten omdat zij in hun thuisland niet bekend zijn met biologisch dynamische agrarische bedrijven, onvoldoende is voor een ander oordeel. Omdat de feitelijke werkzaamheden niet overeenkomen met de hbo- of universitaire stage waarvoor een tewerkstellingsvergunning is verleend, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat artikel 2, eerste lid, van de Wav is overtreden. Gelet op het voorgaande staat immers vast dat de feitelijke werkzaamheden niet in overeenstemming zijn met de voorwaarden van de vergunningen die verleend waren.
3.4.
De vraag of de feitelijke werkzaamheden dan hadden moeten worden gekwalificeerd als stage op mbo-niveau of als feitelijke werkzaamheden (arbeidsovereenkomst), is voor dit oordeel niet relevant. Ook als geoordeeld zou worden dat de werkzaamheden gekwalificeerd kunnen worden als stage op mbo-niveau geldt namelijk dat deze niet in overeenstemming zijn met de verleende vergunning. Die vraag komt hieronder wel aan de orde in het gedeelte van de uitspraak over de Wml-boete.
Heeft de minister aanleiding moeten zien om de Wav-boete (verder) te matigen?
4. Eiseres stelt zich op het standpunt dat de boete moet worden gematigd omdat zij geen enkele kwade intentie had. De studenten zijn altijd zeer goed behandeld en de werkzaamheden zijn (grotendeels) conform de stageovereenkomsten en leerplannen uitgevoerd. Die overeenkomsten zijn goedgekeurd door zowel DUO als de IND bij het afgeven van de tewerkstellingsvergunningen. Verder werkt eiseres al jaren met de tussenpersoon SUSP en had zij geen enkele aanwijzing dat die iets niet goed deden. Eiseres mocht er daarom van uit gaan dat zij voldeed aan de geldende wetgeving.
4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de boete niet verder heeft hoeven matigen. De minister heeft conform het eigen beleid al rekening gehouden met normale verwijtbaarheid en is daarom uitgegaan van een matiging van 50% van het boetebedrag. Daarmee gaat de minister dus expliciet niet uit van opzet of grove schuld. De rechtbank begrijpt uit het betoog van eiseres dat zij het gevoel heeft te worden weggezet als zware crimineel, maar dat is dus feitelijk niet aan de orde in het kader van deze boeteoplegging. De minister heeft bij de matiging rekening gehouden met het nieuwe beleid dat naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 13 juli 2022 is opgesteld. Daarin wordt voldoende gedifferentieerd in hoogte van de boete naar de mate waarin de overtreding aan de overtreder kan worden verweten.
4.2.
Dat sprake zou zijn van het ontbreken van verwijtbaarheid volgt de rechtbank niet. Zoals de minister terecht aangeeft heeft eiseres als werkgever een zelfstandige verantwoordelijkheid om zich te verdiepen in de op haar van toepassing zijnde regelgeving. Dat deze stages al jaren werden geregeld door tussenpersoon SUSP, en dat er nooit indicaties waren dat het op deze wijze niet was toegestaan, ontslaat eiseres niet van die verantwoordelijkheid. Daarbij wijst de minister er terecht op dat in de handleiding van SUSP wordt uitgelegd aan werkgevers dat zij de stage en het bijbehorende onderzoek moeten begeleiden en dat zij daar een actieve rol in moeten hebben. Eiseres had dus ook via deze weg op de hoogte kunnen zijn van haar verantwoordelijkheden.
4.3.
De minister heeft de boete verder nog met 25% gematigd vanwege tijdsverloop tussen de start van het onderzoek en het insturen van het boeterapport. Omdat de minister terecht heeft overwogen dat sprake was van normale verwijtbaarheid heeft hij conform het huidige beleid gehandeld. Eiseres heeft daarnaast geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het oordeel dat de boete onevenredig is.
4.4.
Het beroep is ongegrond.
De Wml-boete (UTR 25/2058) en de last onder dwangsom (UTR 25/2401)
Is er sprake van overtredingen van de Wml?
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat sprake is van een overtreding van de Wml. Er was sprake van stages en niet van arbeidsovereenkomsten, waardoor de Wml niet op eiseres en de studenten van toepassing is. Dat de stages mogelijk niet het juiste niveau hadden betekent namelijk niet dat daarmee automatisch geen sprake meer was van een stage. De studenten hebben daarom niet te weinig loon ontvangen. Daarnaast hebben de studenten verklaard dat zij ook helemaal geen extra loon meer wilden ontvangen. Onder protest hebben eisers het loon toch overgemaakt, om aan de last te voldoen.
5.1.
In geschil is de vraag of eiseres ten onrechte niet het minimumloon heeft uitbetaald aan de studenten en ten onrechte contant heeft uitbetaald. De beantwoording van die vragen is afhankelijk van de vaststelling of de verhouding tussen de studenten en eiseres naar civiel recht een arbeidsovereenkomst was zoals de minister in het bestreden besluit aangeeft of dat het een stageovereenkomst betrof. Alleen wanneer sprake was van een arbeidsovereenkomst naar civiel recht bestaat op grond van de Wml namelijk de verplichting minimumloon te betalen en om dat giraal te doen (dat volgt uit artikel 2, eerste lid, van de Wml en artikel 4, eerste lid, van de Wml). Het is aan de minister om aan te tonen dat sprake was van een arbeidsovereenkomst. De toets die onder de Wml wordt aangelegd om te bepalen of sprake is van een arbeids- of een stageovereenkomst is dus anders dan de eerder besproken toets die onder de Wav wordt aangelegd.
5.2.
In het arrest Logidex heeft de Hoge Raad overwogen dat bij de toetsing of een rechtsverhouding civielrechtelijk beantwoordt aan de criteria voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien. Daarbij dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen hadden, maar moet ook rekening worden gehouden met de manier waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en daaraan inhoud hebben gegeven. Daarnaast is een leerovereenkomst volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad geen arbeidsovereenkomst indien de verrichte werkzaamheden primair zijn gericht op het vergroten van eigen kennis en het opdoen van werkervaring. Kort en goed is het van belang dat het leeraspect tijdens de stage voorop staat om te kunnen spreken van een leerovereenkomst.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat de minister er niet in is geslaagd om aan te tonen dat sprake was van arbeidsovereenkomsten en niet van leerovereenkomsten. Het betoog van de minister dat dit kan worden afgeleid uit het feit dat de feitelijke werkzaamheden niet in lijn waren met de verleende vergunningen (zoals overwogen in de Wav-zaak), volgt de rechtbank niet. Als geen sprake is van een stage op hbo- of universitair niveau, kan immers nog steeds sprake zijn van een stage (bijvoorbeeld op mbo-niveau). Anders dan de minister stelt is er in dit geval dus niet automatisch sprake van een overtreding van de Wml bij een overtreding van de Wav. De op grond van de Wav aangevraagde en verleende tewerkstellingsvergunningen zijn niet relevant voor de vraag of civielrechtelijk gezien sprake is van een arbeidsovereenkomst. De Wml verwijst ook niet naar de Wav en de Wml is van toepassing op iedereen die in Nederland werk verricht, terwijl de Wav een beperkter toepassingsbereik heeft. Het volstaat daarom niet, zoals verweerder heeft gedaan, om te beoordelen of de verrichte werkzaamheden zijn gedaan conform de aangevraagde Wav-vergunningen en daar aan ten grondslag liggende stageplannen. Of er in lijn met een stageplan is gewerkt kan wel relevant zijn voor de vraag of sprake is van een leerovereenkomst, maar niet doorslaggevend.
5.4.
De rechtbank ziet in de volgende feiten en omstandigheden contra-indicaties voor de aanwezigheid van een arbeidsovereenkomst. Allereerst volgt uit het stageplan en de overige stukken uit het dossier dat de studenten en eiseres de intentie hadden om een stageovereenkomst te sluiten. SUSP is als tussenpersoon ingeschakeld door eiseres om stagiaires te regelen. De studenten liepen (verplicht) stage in het kader van hun opleidingen in het buitenland. In dat kader werden door SUSP bij aankomst in Nederland introductiebijeenkomsten georganiseerd en tijdens de stage zogenoemde “midpoint-meetings”. Uit de verklaringen van de studenten en de vennoten van eiseres volgt dat er tijdens de werkzaamheden een focus lag op het bijbrengen van kennis. Tijdens de stage was er contact met begeleiders van de universiteiten. De studenten hebben gedurende hun verblijf ook andere bedrijven en steden bezocht. Twee studenten uit Costa Rica hebben verklaard dat zij tijdens hun stage bij eiseres ook een korte maatschappelijke stage hebben gelopen bij een ander bedrijf. Daarnaast zijn de stages van de studenten positief beoordeeld door zowel eiseres als door de universiteiten in het buitenland. De studenten hebben een eindverslag gemaakt van hun tijd in Nederland en zij hebben hun opleiding daarmee met succes afgerond. Naar het oordeel van de rechtbank volgt hier uit dat het leeraspect voorop heeft gestaan.
5.5.
Dat de minister naar het oordeel van de rechtbank terecht tot de conclusie is gekomen dat deze werkzaamheden niet kwalificeren als een stage op hbo- of universitair niveau of dat niet volledig is gewerkt conform het stageplan, maakt gelet op het voorgaande niet dat dus sprake is geweest van een arbeidsovereenkomst. Omdat de minister niet heeft voldaan aan zijn bewijslast kan niet worden gesproken van een overtreding en is de boete op grond van de Wml naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte opgelegd. De minister was daarom ook niet bevoegd om de last onder dwangsom in het kader van de Wml op te leggen.
5.6.
De beroepen zijn gegrond.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep tegen de Wav-boete is ongegrond. Dat betekent dat die boete in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.
6.1.
De beroepen tegen de Wml-boete en de aanverwante last onder dwangsom zijn gegrond en die bestreden besluiten worden vernietigd. Op grond van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voorziet de rechtbank zelf in deze zaken door de primaire besluiten te herroepen en te bepalen dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten. Dit betekent dat eiseres geen Wml-boete hoeft te betalen en dat de last onder dwangsom ten onrechte is opgelegd.
6.2.
Omdat de rechtbank de beroepen gegrond verklaart, moet de minister aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoeden in deze twee zaken.
6.3.
Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgt eiseres een vergoeding voor de proceskosten die zij heeft gemaakt. De minister moet die vergoeding betalen. Daarbij stelt de rechtbank vast dat deze twee zaken gelijktijdig zijn behandeld, dat daarin dezelfde rechtsbijstandverlener rechtsbijstand heeft verleend en dat deze in elke zaak (nagenoeg) identieke bezwaar- en beroepschriften heeft ingediend. Daarom is zowel in bezwaar als in beroep sprake van samenhangende zaken in de zin van artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: Bpb), die voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a, van het Bbp worden beschouwd zowel als één zaak. De rechtbank stelt de door eiseres in bezwaar en beroep gemaakte proceskosten voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.200,– (1 punt voor het indienen van de bezwaarschriften en 1 punt voor het verschijnen bij de hoorzitting, met een waarde per punt van € 666,- en 1 punt voor het indienen van de beroepschriften en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,– en wegingsfactor 1).
Beslissing
De rechtbank:
UTR 25/2664
- verklaart het beroep ongegrond
UTR 25/2058 en UTR 25/2401:
- verklaart de beroepen gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde bestreden besluiten en herroept de primaire besluiten;
- draagt de minister op het betaalde griffierecht van € 770,- (2 x € 385,-) aan eiseres te vergoeden;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.200,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzitter, en mr. J.W. Wagenaar, en mr. H.H.L. Krans, leden, in aanwezigheid van mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 13 februari 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Dit zijn overtredingen van artikel 7 en 13 van de Wml.
ECLI:NL:RVS:2022:1973
ECLI:NL:HR:2015:3019.
ECLI:NL:HR:2012:BY8742. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|