|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:1398 | | | | | Datum uitspraak | : | 11-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-03-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202402859/1/R4 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bij besluit van 23 mei 2023 heeft het college van burgemeester en wethouders van De Bilt aan BHM Solar B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van stellages ten behoeve van de opwek van duurzame energie en bijbehorende technische installaties en kabelwerk voor "Zonneweide Voordaan", op de locatie Maartensdijk, sectie N, nrs. 1434, 2368, 2373 en 2374 in Groenekan, gemeente De Bilt, voor een periode van dertig jaar. "Zonneweide Voordaan" is een initiatief van BHM Solar om een zonnepark te realiseren in Groenekan, gemeente De Bilt. Ter realisatie van het zonnepark heeft zij op 30 mei 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd om stellages ten behoeve van de opwek van duurzame energie en bijbehorende technische installaties en kabelwerk op te richten en om daarbij af te wijken van de regels van het bestemmingsplan. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] wonen allen aan de Lindenlaan in Groenekan en vrezen dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast als gevolg van het zonnepark. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | subsidies | | | wabo | | | | Uitspraak | 202402859/1/R4.
Datum uitspraak: 11 maart 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
1. [appellant sub 1] en anderen, allen wonend in Groenekan, gemeente De Bilt,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Groenekan, gemeente De Bilt,
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 22 maart 2024 in zaak nr. 23/3555 in het geding tussen:
[appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2]
en
het college van burgemeester en wethouders van De Bilt.
Procesverloop
Bij besluit van 23 mei 2023 heeft het college aan BHM Solar B.V. een omgevingsvergunning verleend voor het oprichten van stellages ten behoeve van de opwek van duurzame energie en bijbehorende technische installaties en kabelwerk voor "Zonneweide Voordaan", op de locatie Maartensdijk, sectie N, nrs. 1434, 2368, 2373 en 2374 in Groenekan, gemeente De Bilt, voor een periode van dertig jaar.
Bij uitspraak van 22 maart 2024 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hoger beroep ingesteld.
Het college en BHM Solar hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Het college en [appellant sub 1] en anderen hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 28 januari 2026, waar [appellant sub 1] en anderen, op [appellant sub 1A] na, allen vertegenwoordigd door mr. M. Abdelkader Mohamed, advocaat in Amsterdam en [personen], en het college, vertegenwoordigd door mr. W.R. Beukhof en mr. M. de Jong, zijn verschenen. Verder is op zitting BHM Solar, vertegenwoordigd door mr. T. Brouwer en [gemachtigde], gehoord.
Overwegingen
Overgangsbepaling inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 30 mei 2022. Dat betekent dat in dit geval het recht, waaronder de Wabo en de Crisis- en herstelwet, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. "Zonneweide Voordaan" is een initiatief van BHM Solar om een zonnepark te realiseren in Groenekan, gemeente De Bilt. Ter realisatie van het zonnepark heeft zij op 30 mei 2022 een omgevingsvergunning aangevraagd om stellages ten behoeve van de opwek van duurzame energie en bijbehorende technische installaties en kabelwerk op te richten en om daarbij af te wijken van de regels van het bestemmingsplan.
Op 4 januari 2023 is de ontwerp-omgevingsvergunning samen met de ontwerp-verklaring van geen bedenkingen ter inzage gelegd en zijn belangstellenden in de gelegenheid gesteld zienswijzen naar voren te brengen over het voorgenomen zonnepark.
Op 23 april 2023 heeft BHM Solar de aanvraag aangevuld met onder meer de situatietekening van 7 april 2023. De situatietekening bevat een plattegrond van het zonnepark en de bijbehorende bebouwing. Hiermee is de indeling van het zonnepark verduidelijkt.
De raad van de gemeente De Bilt heeft op 25 april 2023 een verklaring van geen bedenkingen afgegeven voor het realiseren van het zonnepark.
Bij het besluit van 23 mei 2023 heeft het college aan BHM Solar de gevraagde omgevingsvergunning verleend. De vergunning maakt de aanleg van zonnepanelen en bijbehorende dienstwegen en bebouwing zoals omvormers, transformatoren en hekwerk mogelijk. Het zonnepark zal op de gronden ten oosten van de rijksweg A27, op de locatie Maartensdijk, sectie N, nrs. 1434, 2368, 2373 en 2374 komen te liggen. Volgens het bestemmingsplan "Buitengebied Maartensdijk 2012" hebben deze gronden de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 2" en "Waarde - Archeologie 3". Omdat het zonnepark in strijd met bestemmingsplan wordt gerealiseerd, heeft het college de vergunning ook met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, aanhef en onder 3°, van de Wabo verleend voor het afwijken van het bestemmingsplan. De vergunning is verleend voor een periode van dertig jaar.
[appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] wonen allen aan de Lindenlaan in Groenekan en vrezen dat hun woon- en leefklimaat zal worden aangetast als gevolg van het zonnepark.
Zij hebben samen beroep ingesteld tegen het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning.
Bij de uitspraak van 22 maart 2024 heeft de rechtbank hun beroep ongegrond verklaard.
Hoger beroep
Situatietekening
3. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de situatietekening van 7 april 2023 niet aan de raad is overgelegd.
3.1. Dit betoog mist feitelijke grondslag. De situatietekening is bij brief van 23 april 2023 als aanvulling op de aanvraag aan de raad overgelegd. Dit betekent dat de raad van de situatietekening kennis heeft kunnen nemen voor het nemen van het besluit over het afgeven van de verklaring van geen bedenkingen.
Het betoog slaagt niet.
Omvang van de aanvraag
4. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de transformatorgebouwen geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. Volgens hen is voor het bouwen van de transformatorgebouwen dus geen omgevingsvergunning verleend. Zij voeren aan dat uit het aanvraagformulier blijkt dat de aanvraag alleen betrekking heeft op het bouwen van technische installaties en niet op het bouwen van transformatorgebouwen. De transformatorgebouwen zijn namelijk bouwwerken en in het aanvraagformulier is volgens hen aangegeven dat er geen bouwwerken zullen worden bijgebouwd ten opzichte van de situatie ten tijde van de aanvraag. Dat BHM Solar bij de aanvraag tekeningen van gebouwen, waaronder een transformatorstation, heeft ingediend, maakt volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet dat deze gebouwen zijn aangevraagd, omdat dit slechts indicatieve tekeningen zijn. Bovendien is van meerdere bouwwerken die op de situatietekening van 7 april 2023 zijn weergegeven, helemaal geen tekening ingediend.
4.1. Bij de beantwoording van de vraag voor welke activiteiten de omgevingsvergunning is verleend, is de aanvraag met de daarbij horende stukken leidend. De Afdeling is van oordeel dat het college daaruit terecht heeft afgeleid dat de transformatorgebouwen ook behoren tot de aanvraag. De Afdeling betrekt daarbij dat op pagina 2 van het aanvraagformulier is vermeld dat de aanvraag ook betrekking heeft op het bouwen van bouwwerken. Op pagina 7 is verder toegelicht dat de nieuw te bouwen bouwwerken de stellages voor de opwek van duurzame energie en bijbehorende technische installaties en kabelwerk betreffen. Dat hiermee ook de transformatorgebouwen worden bedoeld, volgt uit de situatietekening van 7 april 2023. In de situatietekening zijn de transformatorgebouwen duidelijk weergegeven. Daarnaast blijkt ook duidelijk uit de bouwtekening van een transformatorgebouw van 30 mei 2022 en de ruimtelijke onderbouwing dat de transformatorgebouwen onderdeel uitmaken van het te realiseren zonnepark. Dat op de bouwtekening van 30 mei 2022 is vermeld dat het gaat om een indicatief ontwerp van een transformatorgebouw, betekent niet dat het college niet van deze tekening mocht uitgaan. BHM Solar heeft die tekening namelijk ingediend als bijlage bij haar aanvraag en deze maakt daarom daarvan deel uit.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat de transformatorgebouwen geen onderdeel uitmaken van de aanvraag. Dit betekent dat de omgevingsvergunning ook is verleend voor het bouwen van de transformatorgebouwen.
Het betoog slaagt niet.
Volledigheid van de aanvraag
5. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de aanvraag niet aan de indieningsvereisten als bedoeld in artikel 2.1 tot en met 2.3 van de Regeling Omgevingsrecht (Mor) voldoet. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] waren de bij de aanvraag overgelegde gegevens onvoldoende voor het college om een besluit te kunnen nemen op de aanvraag.
Zij voeren allereerst aan dat de situatietekening van 7 april 2023 geen definitief karakter heeft en dat het exacte aantal en de exacte locaties van onder andere de omvormers, transformatoren en andere gebouwen die in de tekening zijn weergegeven, niet duidelijk zijn. Uit de situatietekening blijkt verder niet voor welke gebouwen in de situatietekening de minimale afstand van 100 m tot de omliggende woningen geldt. Deze afstand geldt volgens de situatietekening namelijk alleen voor de zogenoemde "technische gebouwen", maar in de situatietekening is volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet toegelicht welke gebouwen hiermee worden bedoeld.
Verder voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] aan dat uit de stukken bij de aanvraag niet duidelijk volgt hoeveel zonnepanelen zullen worden gelegd en wat het vermogen daarvan is. Zij wijzen er hierbij op dat de minister van Economische Zaken en Klimaat bevoegd is om te beslissen op de aanvraag indien het vermogen van het zonnepark 50 Megawatt of meer bedraagt. Nu niet duidelijk is wat het vermogen van de zonnepark is, is evenmin duidelijk of het college bevoegd was om op de aanvraag om omgevingsvergunning te beslissen.
Tot slot stellen [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] dat de ligging van het projectgebied verkeerd is weergegeven in de situatietekening. Volgens hen blijkt uit de afbeelding op pagina 7 van de ruimtelijke onderbouwing dat het zonnepark ook gedeeltelijk op het kadastrale perceel met nummer 2638 komt te liggen. Hierop is het bestemmingsplan "[locatie] te Groenekan" van toepassing. Volgens hen heeft het college daarom ten onrechte niet getoetst aan de regels van dat bestemmingsplan.
5.1. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Mor maakt de aanvrager ten aanzien van de gegevens en bescheiden bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit de samenhang kenbaar tussen deze gegevens en bescheiden onderling en met de overige gegevens en bescheiden die bij de aanvraag zijn gevoegd.
Op grond van artikel 2.2 verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit de in het eerste tot en met zevende lid van deze bepaling genoemde gegevens en bescheiden ten behoeve van toetsing aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012.
Op grond van artikel 2.3, aanhef en onder d, verstrekt de aanvrager ten behoeve van de toetsing aan het bestemmingsplan of de beheersverordening, en, voor zover van toepassing, de stedenbouwkundige voorschriften van de bouwverordening in of bij de aanvraag om een vergunning voor een bouwactiviteit een situatietekening van de bestaande toestand en een situatietekening van de nieuwe toestand met daarop de afmetingen van het perceel en bebouwd oppervlak, alsmede de situering van het bouwwerk ten opzichte van de perceelsgrenzen en de wegzijde, de wijze waarop het terrein ontsloten wordt, de aangrenzende terreinen en de daarop voorkomende bebouwing en het beoogd gebruik van de gronden behorende bij het voorgenomen bouwwerk.
5.2. De omgevingsvergunning is verleend op basis van de aanvraag en de daarbij behorende stukken. Daarnaast is in voorschrift 9 van de omgevingsvergunning bepaald dat de bouwwerken moeten worden gebouwd overeenkomstig de in de vergunning genoemde stukken en bescheiden. Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] stellen, zal het zonnepark dus moeten worden gerealiseerd zoals in de aanvraag en de daarbij behorende stukken, waaronder de situatietekening van 7 april 2023, is aangegeven. Mocht blijken dat bouwwerken in afwijking van de verleende omgevingsvergunning worden gebouwd, dan kan eventueel een handhavingstraject worden gestart. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college hiermee in het kader van de aanvraag geen rekening hoefde te houden.
Op de situatietekening is weergegeven welke bouwwerken in het zonnepark zullen komen te staan, hoeveel bouwwerken er zullen worden gerealiseerd en waar deze zullen komen te staan. Het is niet onduidelijk welke gebouwen worden bedoeld met de zogenoemde "technische gebouwen", omdat deze zijn gemarkeerd in de situatietekening.
Op de situatietekening is ook het vermogen van het inkoopstation en het maximale vermogen van het zonnepark vermeld. Uit deze gegevens is af te leiden dat het vermogen van het zonnepark niet meer dan 50 Megawatt zal bedragen. De Afdeling ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat het college niet bevoegd was om de omgevingsvergunning te verlenen.
Op pagina 5 van de ruimtelijke onderbouwing is duidelijk vermeld dat het zonnepark zal worden gerealiseerd op de kadastrale percelen met nummers 1434, 2368, 2373 en 2374 en niet op het kadastraal perceel met nummer 2638 waarop de regels van het bestemmingsplan "[locatie] te Groenekan" van toepassing zijn. Uit de afbeelding op pagina 7 van de ruimtelijke onderbouwing kan niet worden afgeleid dat het zonnepark op kadastraal perceel met nummer 2638 komt te liggen, omdat deze afbeelding een uitsnede van het bestemmingsplan zonder de kadastrale percelen weergeeft en daarmee niet weergeeft op welke kadastrale percelen het zonnepark zal komen te liggen. Dit betekent dat de plattegrond in de situatietekening het projectgebied en het toepasselijke planologische regime juist weergeeft.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen aanknopingspunten voor het oordeel dat de aanvraag niet aan de indieningsvereisten van artikel 2.1 tot en met 2.3 van de Mor voldoet. De rechtbank heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de bij de aanvraag overgelegde gegevens voor het college onvoldoende waren om een besluit te kunnen nemen op de aanvraag.
Het betoog slaagt niet.
Participatieproces
6. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat het participatieproces dat aan de aanvraag voorafging, niet in strijd met artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht (Omgevingsverordening) is doorlopen. Het participatieproces schiet volgens hen tekort, omdat zij als direct omwonenden hierbij niet zijn betrokken, terwijl anderen die niet direct aan het projectgebied wonen en vanzelfsprekend minder bezwaren hebben tegen het zonnepark, wel zijn betrokken.
Dat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] onvoldoende zijn betrokken bij het project, blijkt volgens hen uit de omstandigheid dat zij pas door BHM Solar zijn benaderd voor een gesprek nadat een van hen een zienswijze had ingediend. BHM Solar heeft niet gereageerd op hun e-mail van 21 november 2021, waarin zij reageren op een uitnodiging om deel te nemen aan een klankbordgroep. Dat er een website is met informatie over het project is volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] onvoldoende, omdat zij niet wisten van het bestaan daarvan.
6.1. Op grond van artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder c, gelezen in samenhang met artikel 1.3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Omgevingsverordening moet de motivering van de omgevingsvergunning een beschrijving bevatten van hoe de omwonenden en andere stakeholders in de planvorming zijn betrokken. Die beschrijving van het participatieproces is opgenomen in het rapport "Participatie Zonneweide Voordaan" van 30 mei 2022. In dit rapport en de bijlagen daarbij is vermeld dat BHM Solar met omwonenden, waaronder de bewoners van de Lindenlaan, contact heeft opgenomen en hen in de gelegenheid heeft gesteld om op 20 of 22 september 2021, of op 11 of 25 oktober 2021 hun mening te geven over het zonnepark. Van deze bijeenkomsten zijn verslagen gemaakt waaruit blijkt dat aan omwonenden ruimte is geboden om hun mening te geven over de realisatie van het zonnepark op de gekozen locatie en dat tevens de gelegenheid is geboden om vragen te stellen. Uit de Omgevingsverordening volgt niet dat alleen direct omwonenden mogen worden betrokken bij het participatieproces.
De Afdeling ziet verder geen aanknopingspunten voor de conclusie dat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] in strijd met de Omgevingsverordening onvoldoende bij het project zijn betrokken. Uit het participatierapport blijkt dat zij al voordat de aanvraag om omgevingsvergunning werd ingediend, meerdere mogelijkheden hebben gehad om op verschillende bijeenkomsten dan wel telefonisch of online hun mening te geven over het zonnepark. Voor zover [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] stellen dat zij niet op de hoogte waren van het bestaan van de website over het zonnepark, wijst de Afdeling erop dat die in de uitnodiging van 30 september 2021 is vermeld en dat daarbij ook de contactgegevens van BHM Solar zijn gedeeld, zodat relevante informatie gemakkelijk kon worden ingewonnen.
Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in wat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] aanvoeren, geen aanleiding voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de omgevingsvergunning niet in strijd met artikel 5.5, tweede lid, aanhef en onder c, van de Interim Omgevingsverordening is verleend.
Het betoog slaagt niet.
Platte schijfhoren
7. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de niet heeft onderkend dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen vanwege het ontbreken van een natuurtoestemming als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder i, van de Wabo. Volgens hen is een natuurtoestemming vereist om de vergunning te kunnen verlenen, omdat er ten tijde van het verlenen van de vergunning voldoende aanwijzingen waren dat de platte schijfhoren in het projectgebied aanwezig is. In de "Quickscan flora en fauna - Zonneweide Voordaan te De Bilt" van 15 november 2022 (Quickscan) is namelijk geconcludeerd dat nader onderzoek naar de aanwezigheid van de platte schijfhoren vereist is. Het nader onderzoek waaruit moet blijken dat de platte schijfhoren niet in het projectgebied aanwezig is, is echter niet uitgevoerd of in ieder geval niet voor het verlenen van de omgevingsvergunning, aldus [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2].
7.1. Naar het oordeel van de Afdeling kan uit de Quickscan niet worden afgeleid dat er concrete aanwijzingen zijn dat de platte schijfhoren aanwezig is in het projectgebied. Dat hierin is geconstateerd dat het projectgebied geschikt is als leefgebied voor de platte schijfhoren, levert niet meteen een concrete aanwijzing op dat de platte schijfhoren ook daadwerkelijk in het projectgebied aanwezig is. Uit de Quickscan blijkt verder dat de platte schijfhoren bij het verrichte veld- en bureau-onderzoek niet is aangetroffen in het projectgebied. Bovendien is vastgesteld dat er van de platte schijfhoren geen verspreidingsgegevens in en rondom het projectgebied bekend zijn. Het college heeft daarbij toegelicht dat op waarnemingen.nl ook geen waarnemingen van de platte schijfhoren zijn geregistreerd.
Omdat geen concrete aanwijzingen naar voren zijn gekomen dat de platte schijfhoren in het projectgebied aanwezig is, heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat een natuurtoestemming vereist is. Gelet op de bevindingen in de Quickscan heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat nader onderzoek naar de aanwezigheid van de platte schijfhoren niet nodig was.
Het betoog slaagt niet.
Archeologie
8. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte met toepassing van artikel 8:69a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hun beroepsgrond dat de omgevingsvergunning in strijd met artikel 30.2 van de planregels is verleend vanwege het ontbreken van een archeologisch rapport, niet inhoudelijk heeft besproken. Volgens hen had de rechtbank hun beroepsgrond wel inhoudelijk moeten bespreken, omdat zij in de besluitvormingsfase geen mogelijkheid hebben gehad een zienswijze in te dienen over de noodzaak om een archeologisch rapport op te stellen. Zij hebben de situatietekening van 7 april 2023 op basis waarvan zij menen dat een archeologisch rapport vereist is, namelijk niet kunnen inzien.
8.1. Artikel 8:69a van de Awb bepaalt dat de bestuursrechter een besluit niet vernietigt op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept.
8.2. Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
8.3. Zoals de Afdeling in de uitspraak van 15 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:606, onder 7.8, heeft overwogen, komt bij de toepassing van het relativiteitsvereiste, als bedoeld in artikel 8:69a van de Awb, aan de procedurele normen over het recht op inspraak een zelfstandige betekenis toe. Dit betekent dat als belanghebbenden een zienswijze hebben ingediend, het relativiteitsvereiste niet aan vernietiging in de weg staat bij een door hen ingeroepen procedurele norm over het recht op inspraak. Wanneer zij beroep doen op een procedurele norm die of een formeel beginsel van behoorlijk bestuur dat niet betrekking heeft op inspraak of wanneer zij aanvoeren dat in strijd met een materiële norm is gehandeld, staat artikel 8:69a van de Awb wel aan vernietiging in de weg als die norm niet strekt tot bescherming van hun belangen.
8.4. Wat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] in beroep hebben aangevoerd, gaat niet over de schending van een door hen ingeroepen procedurele norm die of formeel beginsel van behoorlijk bestuur dat betrekking heeft op inspraak, maar over de schending van een materiële norm, namelijk artikel 30.2 van de planregels. Op grond van artikel 30.2 moet de aanvrager van een omgevingsvergunning voor de bouw op gronden met de bestemming "Waarde - Archeologie 3" van één of meer bouwwerken met een gezamenlijke oppervlakte van 500 m2 of groter en dieper dan 0,5 m onder het maaiveld een rapport overleggen waaruit blijkt dat de ingreep niet zal leiden tot aantasting van de archeologische waarde. Zoals de rechtbank terecht heeft geconcludeerd, strekt deze norm tot bescherming van de in de grond aanwezige of verwachte archeologische waarden en niet tot bescherming van de belangen van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2]. Gelet op artikel 8:69a van de Awb kan deze beroepsgrond dan niet leiden tot vernietiging van de omgevingsvergunning. De rechtbank heeft dan ook terecht met toepassing van artikel 8:69a deze beroepsgrond niet inhoudelijk besproken.
Overigens stelt de Afdeling vast dat de situatietekening van 7 april 2023 niet nodig was voor een onderbouwde zienswijze over het ontbreken van een archeologisch rapport. De benodigde informatie over de verwachte bodemverstoring als gevolg van het zonnepark was namelijk ook vermeld in de "Archeologie memo Zonneweide Voordaan" van 16 november 2022 en deze memo is als bijlage bij de ruimtelijke onderbouwing samen met de aanvraag om omgevingsvergunning ingediend en ter inzage gelegd.
Het betoog slaagt niet.
Bodemkwaliteit
9. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank niet heeft onderkend dat met de aan de omgevingsvergunning verbonden voorschriften onvoldoende wordt gewaarborgd dat de bodemkwaliteit niet verslechtert en dat de gronden na de exploitatie van het zonnepark weer overeenkomstig de bestemmingen "Agrarisch met waarden - 2" kunnen worden gebruikt.
In de voorschriften staat dat de bodemkwaliteit zal worden gemonitord en na de vergunningstermijn van dertig jaar op hetzelfde kwaliteitsniveau zal worden teruggebracht. Dit achten [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] onvoldoende, omdat volgens hen niet aannemelijk is dat het zonnepark tijdens de vergunningstermijn zal worden heringericht als uit de monitoring blijkt dat er verontreiniging plaatsvindt of dreigt plaats te vinden. Bovendien zijn de daarvoor noodzakelijke wijzigingen volgens hen niet mogelijk, omdat wijzigingen van ondergeschikte aard alleen mogelijk zijn zolang de omgevingsvergunning niet onherroepelijk is.
9.1. In voorschrift 1 bij de omgevingsvergunning is bepaald: "Het is van belang het bodemleven en de waterkwaliteit in stand te houden en bodemdaling zo veel mogelijk te voorkomen. Uitlogen van materialen die via de bodem of rechtstreeks in het (grond)water kunnen komen, moet tegengegaan worden. Ook het wegnemen van licht of inbreng van chemische stoffen kan negatieve effecten hebben, die vermeden moeten worden." Verder is bepaald: "Binnen zes maanden na afloop van de vergunningstermijn worden de zonnepanelen en alle bijbehorende stellages, installaties en bekabeling verwijderd en wordt het terrein weer in zijn oorspronkelijke staat gebracht […]"
In voorschrift 1 is de verplichting voor de vergunninghouder om te voorkomen dat bodemverontreiniging plaatsvindt en hiertoe maatregelen te treffen vastgelegd. Ook is bepaald dat de vergunninghouder het projectgebied na afloop van de vergunningstermijn naar zijn oorspronkelijke staat terugbrengt. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben niet concreet gemaakt dat met deze verplichtingen in de voorschriften onvoldoende is gewaarborgd dat de bodemkwaliteit wordt behouden en dat na afloop van de vergunningstermijn de oorspronkelijke agrarische bestemming wordt hersteld. De vergunninghouder moet deze verplichtingen ook tijdens de vergunningstermijn nakomen. Mocht de vergunninghouder dit niet doen, dan kan een handhavingstraject worden gestart. Verder wijst de Afdeling erop dat de noodzakelijke maatregelen om bodemverontreiniging te voorkomen, allerlei maatregelen kunnen behelzen, zoals het schoon houden van de bodem. Deze maatregelen leveren dan ook niet meteen een wijziging van de aanvraag op. Mocht dit wel het geval zijn, dan moet de vergunninghouder hiervoor een nieuwe aanvraag doen.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling van oordeel dat met de voorschriften bij de omgevingsvergunning voldoende is gewaarborgd dat tijdens de vergunningstermijn onomkeerbare bodemverontreiniging wordt voorkomen en dat het projectgebied na de vergunningstermijn weer geschikt wordt gemaakt voor zijn oorspronkelijke gebruik. De Afdeling ziet in wat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hierover aanvoeren, geen aanleiding om de aangevallen uitspraak te vernietigen.
Het betoog slaagt niet.
Richtafstanden
10. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat vanuit akoestisch oogpunt geen sprake is van een onaanvaardbare aantasting van hun woon- en leefklimaat als gevolg van de omgevingsvergunning. Volgens hen heeft de rechtbank daarbij ten onrechte geconcludeerd dat de verleende omgevingsvergunning voldoet aan de richtafstanden zoals opgenomen in de Handreiking "Bedrijven en milieuzonering" van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) van 2009.
[appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] voeren allereerst aan dat uit de stukken bij de aanvraag niet duidelijk blijkt wat het vermogen van het zonnepark is, waardoor de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van de door het college gehanteerde richtafstand van 50 m tot aan de omliggende woonbestemmingen.
Verder voeren zij aan dat de rechtbank niet heeft onderbouwd dat bij het toetsen of aan de richtafstand is voldaan, mag worden gemeten vanaf de geluidbronnen zelf in plaats van vanaf de rand van het zonnepark.
Tot slot voeren [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] aan dat de installaties die in de situatietekening van 7 april 2023 en de tekening bij het landschappelijk inrichtingsplan zijn weergegeven, dichter dan 50 m bij de woningen kunnen worden gerealiseerd. De richtafstand van 50 m geldt volgens hen namelijk alleen voor gebouwen en niet voor installaties. Daarnaast kan volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet van de afstanden in de situatietekening worden uitgegaan, omdat die tekening geen definitief karakter heeft.
10.1. Zoals de Afdeling onder 5.2 heeft overwogen, zijn de ruimtelijke onderbouwing en situatietekening van 7 april 2023 leidend en moet het zonnepark overeenkomstig deze stukken worden gerealiseerd. Uit die stukken volgt dat het zonnepark een maximaal vermogen heeft van meer dan 10 MVA maar ruim minder dan 100 MVA. Volgens de handreiking van de VNG mag in dat geval een richtafstand van 50 m voor geluid worden gehanteerd tot aan woonbestemmingen.
In de situatietekening is verder vastgelegd op welke plekken binnen het zonnepark de verschillende geluidbronnen zullen worden geplaatst. Omdat de locaties van de geluidbronnen bekend zijn, heeft de rechtbank terecht geconcludeerd dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat bij het beoordelen van de geluidoverlast vanaf die locaties en niet vanaf de grens van het zonnepark kon worden gemeten.
Anders dan [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] stellen, hanteert de omgevingsvergunning geen andere afstanden voor gebouwen dan voor installaties. Er zijn namelijk geen aanknopingspunten voor de conclusie dat met installaties en gebouwen iets anders wordt bedoeld, omdat de verschillende installaties in de situatietekening zijn afgebeeld en daarin zijn aangemerkt en gemarkeerd als technische gebouwen. Uit de situatietekening blijkt bovendien niet dat de technische gebouwen dichter dan 50 m bij de omliggende woonbestemmingen zullen worden gerealiseerd.
Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank terecht geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het woon- en leefklimaat van [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] onevenredig zal worden aangetast als gevolg van de in de omgevingsvergunning gehanteerde afstand van de geluidbronnen van het zonnepark tot aan de omliggende woonbestemmingen.
Het betoog slaagt niet.
Voorkeursvolgorde
11. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat de omgevingsvergunning niet in strijd met de in het landelijke en gemeentelijke beleid opgenomen voorkeursvolgorde voor zonnepanelen is verleend. Volgens hen hanteren de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) en de beleidsregel "Zonnevelden gemeente De Bilt 2017" (beleidsregel) een voorkeursvolgorde waarbij zonnepanelen eerst op daken en op onbenut bebouwd terrein moeten worden geplaatst in plaats van op agrarische gronden. Dit volgt volgens hen ook uit de brief van de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties van 26 oktober 2023, omdat hierin de wens is uitgesproken om geen zonneparken meer te plaatsen op agrarische gronden.
11.1. Naar het oordeel van de Afdeling heeft de rechtbank terecht overwogen dat uit het rijks- en gemeentelijk beleid niet volgt dat is uitgesloten dat agrarische gronden in aanmerking kunnen komen voor de realisatie van een zonnepark. Hierbij is van belang dat de voorkeursvolgorde zoals opgenomen in de NOVI geen volgtijdelijkheid inhoudt. Dit betekent dat de voorkeur in de NOVI om eerst zonnepanelen op daken en gevels van gebouwen en op onbenut bebouwd terrein te plaatsen niet uitsluit dat in plaats daarvan ook zonnepanelen worden geplaatst op agrarische gronden. De voorkeursvolgorde in de beleidsregel verzet zich evenmin tegen de realisatie van het zonnepark. Het zonnepark zal namelijk worden gerealiseerd langs de rijksweg A27 en in coulisselandschap en volgens de beleidsregel zijn locaties langs rijkswegen en in coulisselandschap kansrijk voor de realisatie van zonneparken.
De brief van de minister van 26 oktober 2023 geeft geen aanleiding voor het oordeel dat het college de omgevingsvergunning niet mocht verlenen. Het college kon in de brief geen reden zien om de vergunning te weigeren, omdat de brief pas is gepubliceerd nadat het college de vergunning had verleend.
Gelet op het voorgaande is de Afdeling met de rechtbank van oordeel dat het college voldoende heeft gemotiveerd dat de voorkeursvolgorde voor de plaatsing van zonnepanelen in landelijk dan wel gemeentelijk beleid er niet aan in de weg staat dat het zonnepark op de voorziene locatie kan worden gerealiseerd.
Het betoog slaagt niet.
Alternatieve locaties
12. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat er alternatieve locaties zijn voor het zonnepark waarvan op voorhand duidelijk was dat een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. Volgens hen zijn er twee geschikte alternatieve locaties. De eerste alternatieve mogelijkheid is om het zonnepark in zijn geheel naar het noordoosten te verplaatsen, voorbij de gronden met de bestemming "Wonen" en "Sport" waar het projectgebied nu aan grenst. De andere locatie ligt verder naar het noorden, ter hoogte van het Oostveensepad, waar geen woon- of sportbestemmingen aanwezig zijn.
12.1. Het college moet beslissen over het verlenen van een omgevingsvergunning voor het project waarvoor vergunning is aangevraagd. Als dat project op zichzelf aanvaardbaar is, dan kan het college in beginsel niet vanwege alternatieven voor dat project weigeren daaraan mee te werken. Het college kan dat alleen weigeren als op voorhand duidelijk is dat met één of meer alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren.
12.2. De voorgestelde locatie ten noordoosten van het huidige projectgebied behoort al gedeeltelijk tot het projectgebied. Om evenveel zonnepanelen te kunnen plaatsen, moet het zonnepark anders worden vormgegeven en [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] hebben niet concreet gemaakt hoe het zonnepark in dat geval met een gelijkwaardig resultaat en aanmerkelijk minder bezwaren kan worden gerealiseerd.
Over de voorgestelde locatie ter hoogte van het Oostveensepad hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] alleen aangevoerd dat zich hier minder woon- en sportbestemmingen bevinden. Zij hebben niet concreet gemaakt hoe het zonnepark op die locatie met een gelijkwaardig resultaat en aanmerkelijk minder bezwaren kan worden gerealiseerd dan op de voorziene locatie. Hierbij zijn zij bovendien niet ingegaan op de eigendomssituatie van deze gronden en de omstandigheid dat hier een hoogspanningsverbinding loopt.
Gelet op het voorgaande is de rechtbank terecht tot de conclusie gekomen dat [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet aannemelijk hebben gemaakt dat op voorhand duidelijk was dat met verwezenlijking van de door hen voorgestelde alternatieven een gelijkwaardig resultaat met aanmerkelijk minder bezwaren kan worden bereikt.
Het betoog slaagt niet.
Financiële uitvoerbaarheid
13. [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] betogen dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project financieel-economisch niet kan worden uitgevoerd. Volgens [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] was de realisatie van het zonnepark toen de omgevingsvergunning werd verleend, niet financieel haalbaar, omdat BHM Solar de benodigde subsidie en private investeringen op dat moment nog niet rond had en het ook niet meer mogelijk was om de benodigde subsidie aan te vragen. Uit een e-mail van BHM Solar van 16 augustus 2023 blijkt ook dat BHM Solar ten tijde van het verlenen van de vergunning onvoldoende investeerders had aangetrokken om het zonnepark te financieren.
13.1. Een betoog dat een project niet uitvoerbaar is, bijvoorbeeld omdat het financieel-economisch niet haalbaar is, is meestal geen reden om het besluit over een omgevingsvergunning te vernietigen. Het is wel een reden om te vernietigen als de bestuursrechter oordeelt dat het college op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project niet kan worden uitgevoerd.
13.2. Dat ten tijde van het verlenen van de omgevingsvergunning nog niet geheel zeker was dat de benodigde subsidie en alle private investeringen waren geregeld, betekent niet dat het college op voorhand had moeten inzien dat het project financieel-economisch niet haalbaar is. Het verkrijgen van deze zekerheid was toen bovendien nog niet mogelijk, omdat BHM Solar gelet op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder d, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie pas na het verlenen van de omgevingsvergunning aanspraak kon maken op subsidie. BHM Solar heeft toegelicht dat zij deze subsidie ook nog in 2024 kon verkrijgen.
Verder hebben [appellant sub 1] en anderen en [appellanten sub 2] niet aannemelijk gemaakt dat uit de e-mail van 16 augustus 2023 volgt dat op voorhand duidelijk was dat BHM Solar niet de benodigde private investeringen kan verkrijgen. In de betreffende e-mail heeft BHM Solar mogelijke investeerders gevraagd om intentieverklaringen om in het zonnepark te investeren, omdat dit voor haar subsidieaanvraag vereist was. Deze e-mail geeft naar het oordeel van de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat op voorhand duidelijk was dat het zonnepark geen investeerders zou trekken. Op de zitting heeft BHM Solar overigens toegelicht dat er geen problemen zijn bij de financiering van het zonnepark.
Het voorgaande betekent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het college niet op voorhand redelijkerwijs had moeten inzien dat het project financieel-economisch niet kan worden uitgevoerd.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
14. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
15. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B.P.M. van Ravels, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.E.P. van Gulik, griffier.
w.g. Van Ravels
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van Gulik
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 maart 2026
490-1098 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|