|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:1651 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 11-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 25_1877 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Tijdelijke omgevingsvergunning opslag van pallets in agrarische lood. Artikel 2.22, tweede lid, van de Wabo. Voorschriften die zien op cameratoezicht zijn niet gesteld met het oog op de goede ruimtelijke ordening. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | omgevingsvergunning | | | perceel | | | wabo | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/1877
uitspraak van de enkelvoudige kamer van
in de zaak tussen
[eiser] , uit [plaats 1] , eiser
(gemachtigde: mr. E.M. Uijttewaal),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Buren
(gemachtigde: mr. S.M.J. Thijssen).
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de in bezwaar alsnog verleende tijdelijke omgevingsvergunning voor het gebruiken van een loods voor de opslag van pallets. Eiser is het niet eens met een aantal voorschriften dat aan de omgevingsvergunning is verbonden. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de verleende omgevingsvergunning.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college een aantal voorschriften niet kon verbinden aan de omgevingsvergunning. Eiser krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Op 21 december 2022 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen. Met de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 heeft het college het bezwaar gegrond verklaard en alsnog de omgevingsvergunning verleend.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 20 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het college samen met ing. J. Snoeijs.
Beoordeling door de rechtbank
Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is (middelijk) directeur en enig aandeelhouder van [naam bedrijf] aan de [locatie 1] in [plaats 2] . Voor dat bedrijf heeft eiser opslagruimte nodig. Eiser heeft daarom op 8 juli 2022 een vooroverleg aangevraagd bij het college voor het tijdelijk wijzigen van het gebruik van de loods voor palletopslag op het adres [locatie 2] in [plaats 1] . Eiser is eigenaar van dat perceel. Met de brief van 23 september 2022 heeft het college het verzoek van eiser positief beoordeeld en aangegeven bereid te zijn een omgevingsvergunning voor maximaal vijf jaar te verlenen.
3.1.
Op 13 oktober 2022 heeft eiser een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend. Het gaat om het gebruiken van de bestaande loods op het perceel [locatie 2] voor opslag voor een periode van vijf jaar. De aanvraag ziet op de activiteit “gebruik van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”.
3.2.
Op het perceel is het bestemmingsplan “Buitengebied, reparatieplan” van toepassing en het perceel heeft de bestemming “Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied”. Deze gronden zijn bestemd voor onder andere grondgebonden agrarische productie en het weiden van dieren. Het gebruik voor de opslag van pallets past volgens het college niet binnen de bestemming.
3.3.
Op 21 december 2022 heeft het college geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen. Volgens het college is er geen sprake van een goede ruimtelijke ordening.
3.4.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen de geweigerde omgevingsvergunning.
3.5.
Met de beslissing op bezwaar van 11 maart 2025 heeft het college alsnog de gevraagde omgevingsvergunning voor vijf jaar verleend, omdat de weigering in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel. De omgevingsvergunning geldt tot en met 12 maart 2029. Aan de omgevingsvergunning heeft het college (voor zover van belang) de volgende voorschriften verbonden:
De tijdelijke in gebruik name van de loods ten behoeve van opslag van het pallethandelbedrijf gevestigd aan de [locatie 1] te [plaats 2] , voor een periode van maximaal vijf jaar;
Waarbij geldt dat er géén sprake is van buitenopslag;
Bij het verrichten van een activiteit is het langtijdgemiddelde geluidniveau (LAr,LT) op een geluidgevoelig gebouw niet meer dan 45 dB(A) in de dagperiode (07:00-19:00 uur);
De activiteiten mogen uitsluitend plaatsvinden in de dagperiode van 07:00 tot 19:00 uur; In de periode tussen 19:00 en 07:00 mogen er binnen- en buiten het bedrijfsgebouw op het perceel [perceel] ( [locatie 2] ) geen activiteiten plaatsvinden;
Opm: In de periode 19:00 tot 07:00 uur zijn daarom in voorschrift c. geen LAr,LT-normen opgenomen; dit omdat in deze periode geen activiteiten (mogen) plaatsvinden, zie voorschrift c.
Het bedrijf mag in de dagperiode worden bezocht door maximaal zes vrachtwagens (mobiele bron M02) en één personenwagen; De rijroute van de vrachtwagens loopt langs de westzijde van het gebouw, aan de noordzijde van het gebouw wordt gekeerd (zie figuur 1).
De overheaddeur mag in de dagperiode gedurende maximaal 3 uur per dag geopend zijn ten behoeve van laad en losactiviteiten, waarbij de (zie figuur 1);
a. De activiteiten met de heftruck in de bedrijfshal (met geopende deur) zijn beperkt tot maximaal 1,5 uur in de dagperiode, namelijk 1,5 uur (puntbron P09) t.b.v. het laden en lossen;
b. De heftruck mag in de dagperiode alleen op het buiten terrein worden ingezet gedurende 1,5 uur t.b.v. het laden en lossen van vrachtwagens ter hoogte van de zuidwestelijk gelegen (geopende) roldeur (puntbron P22);
c. Op de overige deze van het buitenterrein mogen geen activiteiten plaatsvinden (waaronder bijvoorbeeld op- en opslag van goederen).
De gemiddelde geluidemissie van de elektrische heftruck, die binnen- en buiten de loods voor activiteiten wordt ingezet, mag ten hoogste 79,5 dB(A) bedragen. Het is niet toegestaan activiteiten uit te voeren met een verbrandingsmotor, behoudens de transportactiviteiten met vrachtwagens en personenwagens naar het bedrijf.
Op de overige delen van het buitenterrein mogen geen laad- en losactiviteiten en/of andere activiteiten plaatsvinden, waaronder mede verstaan;
a. Geen (buiten) opslag.
Het perceel waar de activiteiten plaatsvinden moet voorzien zijn van videobewaking. De videobewaking moet zodanig zijn opgesteld dat er zicht is op het westelijk-, noordelijk- en oostelijk deel van het perceel [perceel] te [plaats 1] . De videobewaking moet 24/7 aan staan. Op de videobeelden moeten de datum en het tijdstip zichtbaar zijn. De videobeelden dienen als registratie.
De videobeelden als bedoeld in voorschrift i. moeten minimaal drie kalendermaanden na de maand waarin de videobeelden zijn opgenomen worden bewaard. Op verzoek van onze toezichthouders moeten de videobeelden van een bepaalde periode worden overgelegd.
Mocht het college voorschriften verbinden aan de omgevingsvergunning?
4. Op grond van artikel 2.22, tweede lid van de Wabo mogen aan de omgevingsvergunning voorschriften worden verbonden die nodig zijn met het oog op de goede ruimtelijke ordening. In welke gevallen een bepaald voorschrift nodig is, staat primair ter beoordeling van het bevoegd gezag. De rechtbank beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het college de voorschriften aan de omgevingsvergunning mocht verbinden.
Voorschriften d, f en h
5. Eiser betoogt dat de voorschrift d, onderdeel c van voorschrift f en voorschrift h verder gaan dan met het oog op een goede ruimtelijke ordening nodig is. Het perceel van eiser heeft de bestemming “Agrarisch met waarden - Oeverwalgebied”. Eiser mag op het perceel bepaalde activiteiten verrichten die planologisch gezien zijn toegestaan. Daaronder vallen bijvoorbeeld het weiden van dieren of het maaien van gras. De vergunningvoorschriften d, f en h bepalen nu dat eiser helemaal geen activiteiten (meer) mag verrichten op het buitenterrein. Dat gaat volgens eiser te ver. De vergunningvoorschriften kunnen volgens eiser alleen zien op de aangevraagde activiteit voor de opslag van pallets.
5.1.
De rechtbank oordeelt dat de voorschriften uitsluitend zien op de activiteit die met de omgevingsvergunning is toegestaan. In dit geval gaat het om het gebruiken van de loods voor de opslag van pallets en de daarbij behorende activiteiten, zoals het laden en lossen. Dat betekent dat voorschrift d zo gelezen moet worden dat de activiteit die met de omgevingsvergunning is verleend (het opslaan van pallets en daarmee samenhangende gebruik) uitsluitend mag plaatsvinden in de dagperiode van 07:00 uur tot 19:00 uur. Buiten de dagperiode mag de activiteit die met de omgevingsvergunning is verleend niet plaatsvinden. Uit voorschrift f volgt dat de overheaddeur van de loods in de dagperiode maximaal 3 uur geopend mag zijn. Daarbij mag de heftruck voor maximaal 1,5 uur in de dagperiode worden ingezet, waarbij wordt uitgegaan van de transportroute die volgt uit figuur 1 bij de omgevingsvergunning. Dat betekent dat onderdeel c van voorschrift f zo gelezen moet worden dat op de overige delen van het buitenterrein geen activiteiten mogen plaatsvinden die zien op het laden- en lossen van pallets in samenhang met het gebruik van de heftruck. Datzelfde geldt voor voorschrift h. Er mogen elders op het terrein geen laad- en losactiviteiten ten behoeve van de opslag van pallets plaatsvinden. Uit de omgevingsvergunning volgt niet dat de omgevingsvergunning de planologisch toegestane activiteiten uitsluit – hetgeen overigens ook niet is toegestaan. De vrees van eiser dat hij niet meer dieren mag weiden of het gras mag maaien, terwijl dat planologisch gezien wel mag, is daarom ongegrond. De beroepsgrond slaagt in zoverre niet.
Voorschriften cameratoezicht
6. Eiser betoogt dat de voorschriften i en j zien op toezicht en handhaving. Dit erkent het college volgens eiser ook in de omgevingsvergunning. De voorschriften houden volgens eiser geen rechtstreeks verband met de ruimtelijke aanvaardbaarheid van het vergunde gebruik. Dit is niet alleen in strijd met artikel 2.22 van de Wabo, maar ook in strijd met artikel 3:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Het college heeft met het stellen van voorschriften i en j zijn bevoegdheid gebruikt voor een ander doel dan waarvoor de omgevingsvergunning is bedoeld, aldus eiser.
6.1.
Volgens het college zijn er meerdere klachten van omwonenden die onder meer zien op verkeersbewegingen van voertuigen op- en afgaand van het perceel van eiser. Dat gaat gepaard met geluidsoverlast en overlast van onder meer laad- en losactiviteiten. Het college stelt zich op het standpunt dat hij aan de hand van het doel en de strekking van titel 5 van de Awb ervoor mag kiezen om cameratoezicht ter ondersteuning van de bevoegdheidsuitoefening toe te passen. Het toezicht is volgens het college gericht op een zo effectief mogelijke waarneming van de bedrijfsactiviteiten op het perceel. De tijdelijke vergunning ziet op de dagperiode. Dit betekent dat de toezichthouders van het college gedurende de hele dag toezicht zou moeten houden op naleving van de randvoorwaarden en het garanderen van een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden. Dit is volgens het college onredelijk belastend voor de toezichtstaak van het college. Er is volgens het college een noodzaak tot cameratoezicht om een goed woon- en leefklimaat te bewerkstelligen. Dan kan namelijk op een effectieve manier gemonitord worden of de relevante voorschriften worden nageleefd. Het college wil bovendien voorkomen dat er opnieuw diverse klachten of handhavingsverzoeken van omwonenden ingediend worden. Het college stelt zich verder op het standpunt dat hij niet in strijd met artikel 3:3 van de Awb heeft gehandeld. Er is een gerechtvaardigd belang om cameratoezicht als randvoorwaarde aan de omgevingsvergunning te verbinden. De videobeelden worden niet voor andere doeleinden gebruikt dan noodzakelijk.
6.2.
De rechtbank oordeelt dat de voorschrift i en j niet gesteld zijn met het oog op een goede ruimtelijke ordening. Uit het standpunt van het college volgt ondubbelzinnig dat deze voorschriften bedoeld zijn voor toezicht en handhaving. Het is niet toegestaan om voorschriften aan de omgevingsvergunning te verbinden die niet nodig zijn met het oog op het belang van de goede ruimtelijke ordening, zoals dat bij de omgevingsvergunning is betrokken. De vrees dat het college op diverse momenten moet controleren op het perceel van eiser om na te gaan of hij zich aan de omgevingsvergunning houdt, is geen afweging die het college kan maken in het kader van een goede ruimtelijke ordening. De beroepsgrond slaagt. Het beroep is daarom gegrond. De rechtbank gaat in de conclusie in op de gevolgen hiervan.
6.3.
Omdat het beroep gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de beroepsgronden dat voorschriften i en j in strijd zijn met het evenredigheidsbeginsel en de Algemene Verordening Gegegevensbescherming.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is gegrond omdat eiser terecht aanvoert dat de voorschriften i en j niet aan de omgevingsvergunning mochten worden verbonden. Daarom moet het bestreden besluit worden vernietigd voor zover het de voorschriften i en j betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding om - in de plaats van de vernietigde voorschriften - vervangende voorschriften op te nemen. De omgevingsvergunning blijft voor het overige in stand.
7.1.
Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden en krijgt eiser ook een vergoeding van zijn proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiser een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De bijstand door een gemachtigde levert 2 punten op (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting). De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 11 maart 2025 voor zover het de voorschriften i en j betreft;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,- aan eiser moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Bijlage
Figuur 1 uit de omgevingsvergunning: grafische weergave positie geluidbronnen en transportbewegingen
Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).
Artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 2°, van de Wabo in samenhang met artikel 4, onderdeel 11, van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht.
Figuur 1 staat in de bijlage bij deze uitspraak. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|