Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:CBB:2026:104 
 
Datum uitspraak:17-03-2026
Datum gepubliceerd:17-03-2026
Instantie:College van Beroep voor het bedrijfsleven
Zaaknummers:25/88
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Derde verzoek om herziening is niet-ontvankelijk omdat het onredelijk laat is ingediend.
Trefwoorden:agrarisch
huurovereenkomst
landbouw
perceel
taxatie
Wetreferenties:Gezondheids- en welzijnswet voor dieren
 
Uitspraak
uitspraak












COLLEGE VAN BEROEP VOOR HET BEDRIJFSLEVEN

zaaknummer: 25/88

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 maart 2026 op het verzoek van


[naam 1] , te [woonplaats] , verzoeker

om herziening van de uitspraak van het College van 1 september 2016 met zaaknummer 14/240.




Procesverloop

Met de uitspraak van 1 september 2016 (ECLI:NL:CBB:2016:261) heeft het College het beroep van verzoeker tegen beslissingen over de toepassing van spoedbestuursdwang en over daarvoor in rekening gebrachte kosten ongegrond verklaard. Daarnaast heeft het College het beroep van verzoeker tegen twee (ingetrokken) kostenbesluiten niet-ontvankelijk verklaard.

Met de op 14 augustus 2018 door het College ontvangen brief heeft verzoeker het College verzocht deze uitspraak te herzien (het eerste herzieningsverzoek).

Met de uitspraak van 6 november 2018 (ECLI:NL:CBB:2018:583) heeft het College met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het eerste herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend.

Met de uitspraak van 21 mei 2019 (ECLI:NL:CBB:2019:214) heeft het College het verzet van verzoeker tegen de uitspraak van 6 november 2018 ongegrond verklaard

Op 29 september 2021 heeft verzoeker het College opnieuw verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien (het tweede herzieningsverzoek).

Met de uitspraak van 29 augustus 2023 (ECLI:NL:CBB:2023:454) heeft het College het tweede herzieningsverzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend.

Met de op 9 december 2024 door het College ontvangen brief, aangevuld op 3 april 2025, 3 juni 2025 en 26 augustus 2025, heeft verzoeker het College nog een keer verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien (het derde herzieningsverzoek).

De minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (minister) heeft een reactie op het derde herzieningsverzoek gegeven.

De zitting was op 24 februari 2026. Aan de zitting heeft mr. S. Piron, gemachtigde van de minister, deelgenomen.



Overwegingen


Wettelijk kader


1. In artikel 8:119, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de bestuursrechter op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak kan herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de bestuursrechter eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.


Verzoek om herziening


2 Verzoeker heeft aan zijn verzoek om herziening ten grondslag gelegd dat hij – in weerwil van rechtsoverweging 4.7 van de uitspraak van 1 september 2016 – niet als houder van de honden die in de opstallen op het perceel [adres 1] in [woonplaats] (perceel) zijn aangetroffen, was aan te merken. Hij is dus niet aansprakelijk voor de kosten die zijn gemaakt in verband met het toepassen van spoedbestuursdwang op 21 januari 2016 wat betreft die honden. Hij voert daartoe de volgende feiten en omstandigheden aan.
Op het perceel was een agrarisch bedrijf gevestigd. Verzoeker heeft het perceel met opstallen op basis van een huurovereenkomst per 1 oktober 2003 verhuurd aan het bedrijf [naam 2] van zijn broer ten behoeve van onder meer varkensopslag. Uit een taxatie die is verricht in het kader van een rechtszaak bij een kantonrechter is volgens verzoeker gebleken dat, als ervan moet worden uitgegaan dat op het perceel een agrarische bestemming rust en sprake is van agrarisch gebruik, niet het wettelijke regime inzake huur, maar van pacht van toepassing was op die overeenkomst. Als deze feiten en omstandigheden, die zich volgens verzoeker hebben voorgedaan voordat de uitspraak werd gedaan, eerder bekend waren geweest, hadden deze mogelijk tot een andere uitspraak geleid. Omdat het perceel was verpacht, was verzoeker namelijk niet als houder van de honden aan te merken. De minister heeft deze informatie achtergehouden, zodat verzoeker geen eerlijk proces heeft gehad.
Daarnaast was verzoeker vanwege een blessure die hij had opgelopen tijdens een skivakantie eind december 2013 in januari 2014 fysiek niet in staat de zorg voor de honden op zich te nemen.
Verder heeft hij verwezen naar een verklaring van [naam 3] ( [naam 3] ) van, naar het College uit de eerdere herzieningszaken begrijpt, 19 juli 2021. Uit die verklaring blijkt volgens verzoeker dat [naam 3] de honden van de moeder van verzoeker op het adres [adres 2] zou verzorgen. In een veterinaire verklaring van dierenarts drs. M.H. Companjen van 10 februari 2014 is volgens verzoeker (dan ook) ten onrechte gesteld dat verzoeker de honden (in de hokken achter het huis) van zijn moeder verzorgde. Hij verzorgde alleen zijn eigen honden.


Beoordeling door het College


3 Zoals het College in de uitspraken van 6 november 2018, 21 mei 2019 en 29 augustus 2023 heeft overwogen, hanteert hij bij de beoordeling van een verzoek om herziening, hoewel de indiening ervan niet aan enige wettelijke termijn is gebonden, het “onredelijk laat-criterium”. De indiening van een herzieningsverzoek wordt als onredelijk laat aangemerkt als het is ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nieuwe feiten of omstandigheden (nova) dan wel, als daarin geen nova zijn gesteld, na de datum van openbaarmaking van de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Een verzoek om herziening is niet-ontvankelijk en wordt niet inhoudelijk beoordeeld als het onredelijk laat is ingediend.


4.1
Het College is van oordeel dat ook het derde herzieningsverzoek onredelijk laat is ingediend en legt hierna uit waarom.



4.2
Verzoeker stelt in het derde herzieningsverzoek dat sprake is van nova als bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Ter onderbouwing van die stelling verwijst hij naar stukken die betrekking hebben op een rechtszaak tussen verzoeker en [naam 4] bij de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant. Het betreft een deel van een beschikking van de kantonrechter van [datum] waarbij deze een deskundige heeft benoemd en een deel van, naar het College begrijpt, het (vervolgens) door die deskundige uitgebrachte deskundigenrapport. Omdat verzoeker zelf partij was in deze rechtszaak moet ervan worden uitgegaan dat hij in of vlak na 2019 al kennis heeft genomen van deze stukken. Het derde herzieningsverzoek dateert van 9 december 2024. Het is daarmee ingediend meer dan een jaar na het bekend worden met de daarin gestelde nova.



4.3
Verzoeker heeft in het derde herzieningsverzoek ook nog gewezen op een blessure die hij stelt te hebben opgelopen tijdens een skivakantie eind december 2013. Daarnaast heeft hij verwezen naar een (overigens niet bijgevoegde) getuigenverklaring van [naam 3] van 19 juli 2021. Gelet op rechtsoverweging 1 van de uitspraak van het College van 29 augustus 2023 heeft verzoeker deze feiten en omstandigheden al aan het tweede herzieningsverzoek ten grondslag gelegd. Met de uitspraak van 29 augustus 2023 heeft het College dat verzoek niet-ontvankelijk verklaard, omdat het onredelijk laat was ingediend. Het College ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen.


Slotsom


5 Het herzieningsverzoek is niet-ontvankelijk.

6 De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

7 Verzoeker heeft inmiddels drie keer verzocht de uitspraak van 1 september 2016 te herzien. Hij is het eenvoudigweg niet eens met die uitspraak. Al zijn verzoeken zijn niet-ontvankelijk verklaard omdat ze onredelijk laat waren ingediend. Het College wijst verzoeker erop dat het rechtsmiddel herziening niet is gegeven om, anders dan vanwege enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als hiervoor bedoeld, een hernieuwde discussie over de betrokken zaak te voeren en ook niet om een discussie over de betrokken uitspraak te openen.












Beslissing

Het College verklaart het herzieningsverzoek niet-ontvankelijk.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C. Stuldreher, in aanwezigheid van mr. W.I.K. Baart, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.



w.g. S.C. Stuldreher w.g. W.I.K. Baart
Link naar deze uitspraak