|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:743 | | | | | Datum uitspraak | : | 19-03-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 19-03-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.354.715/03 OK | | Rechtsgebied | : | Ondernemingsrecht | | Indicatie | : | OK; enquête; eerste fase; onmiddellijke voorzieningen; afwijzing | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | | Uitspraak | beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.354.715/03 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 19 maart 2026
inzake
HET LEDENPARLEMENT VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
VERZOEKER,
advocaten: mr. O.J.W. Schotel en mr. R.J. Laméris, beiden kantoorhoudende te Amsterdam,
t e g e n
de vereniging met volledige rechtsbevoegdheid
FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
VERWEERSTER,
advocaat: mr. S.M. Marges, kantoorhoudende te Utrecht,
e n t e g e n
1FNV PERSONEEL,
gevestigd te Utrecht,
2. 575 LEDEN VAN DE VERENIGING FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
als vermeld op de lijst die als bijlage aan deze beschikking is gehecht,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. J.D.A. Domela Nieuwenhuis, kantoorhoudende te Amsterdam,
3HET INTERIM-BESTUUR VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. S.M. Marges, voormeld,
4DE RAAD VAN TOEZICHT VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. M.W. Josephus Jitta, kantoorhoudende te Amsterdam,
5DE ONDERNEMINGSRAAD VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE,
advocaten: mr. D. Schwartz en mr. L.C.J. Sprengers, beiden kantoorhoudende te Utrecht,
6DE SECTORRAAD OVERHEID VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
7. DE SECTORRAAD VERVOER VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
8. DE SECTORRAAD DIENSTEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
9. DE SECTORRAAD UITKERINGSGERECHTIGDEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
10. DE SECTORRAAD ZORG EN WELZIJN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
11. DE SECTORRAAD METAAL VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
12DE SECTORRAAD HANDEL VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
13. DE SECTORRAAD AGRARISCH EN INDUSTRIE VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
14. DE SECTORRAAD ZELFSTANDIGEN VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. L.C.J. Sprengers en mr. D. Schwartz, beiden kantoorhoudende te Utrecht,
15DE WERKORGANISATIE VAN DE FEDERATIE NEDERLANDSE VAKBEWEGING,
gevestigd te Utrecht,
BELANGHEBBENDE,
advocaat: mr. S.C.M. van Thiel, kantoorhoudende te Amsterdam,
e n t e g e n
16Lodewijk Frans ASSCHER,
17. Antonius Joseph Maria HEERTS,
beiden in hun hoedanigheid van tijdelijk door de Ondernemingskamer benoemde leden van de raad van toezicht van Federatie Nederlandse Vakbeweging,
BELANGHEBBENDEN,
advocaten: mr. M. Holtzer en mr. S.E. Harenberg, beiden kantoorhoudende te Amsterdam.
Hierna zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:
verzoeker als het ledenparlement;
verweerster als FNV;
belanghebbenden sub 1 en 2 als FNV Personeel c.s.
belanghebbende sub 3 als het interim-bestuur;
belanghebbende sub 4 als de raad van toezicht;
belanghebbende sub 5 als de ondernemingsraad;
belanghebbenden sub 6 tot en met 14 als de sectorraden;
belanghebbende sub 15 als de werkorganisatie
belanghebbenden sub 16 en 17 gezamenlijk als de OK-functionarissen.
1. Het verloop van het geding
1.1
Voor het verloop van het geding verwijst de Ondernemingskamer naar haar beschikkingen van 13 juni 2025, 17 juni 2025, 20 juni 2025, 27 juni 2025 en 30 december 2025 in deze zaak.
1.2
Bij voornoemde beschikkingen van 13, 17, 20 en 27 juni 2025 heeft de Ondernemingskamer – kort gezegd – een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van FNV en bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang en vooralsnog voor de duur van de procedure de OK-functionarissen benoemd tot leden van de raad van toezicht van FNV met gezamenlijk een beslissende stem.
1.3
Bij beschikking van 30 december 2025 heeft de Ondernemingskamer bij wijze van onmiddellijke voorziening – kort gezegd – bepaald dat de OK-functionarissen in hoedanigheid van tijdelijk door de Ondernemingskamer benoemde leden van de raad van toezicht van FNV eenmalig bevoegd zijn een besluit te nemen tot wijziging van de statuten van FNV overeenkomstig de aan die beschikking gehechte concept-statuten en zij bevoegd zijn de akte van statutenwijziging te doen verlijden.
1.4
Het ledenparlement heeft bij verzoekschrift van 26 februari 2026 meegedeeld dat het ter zake van de beschikking van 30 december 2025 cassatieadvies wil inwinnen en dat het – bij een positief advies – voornemens is cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025. Het ledenparlement verzoekt de Ondernemingskamer om bij wijze van nadere onmiddellijke voorziening:
- primair: te bepalen dat elke statutair bestuurder van FNV alle nodige en mogelijke maatregelen treft teneinde te waarborgen dat het ledenparlement in staat is cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025, waaronder mede begrepen het verlenen van alle medewerking aan de betaling van de door het ledenparlement aan te wijzen cassatieadvocaten; dan wel,
- subsidiair: een zelfstandig bevoegde tijdelijke bestuurder met doorslaggevende stem in het bestuur bij FNV aan te stellen, die het tot haar/zijn taak mag rekenen al het nodige en nuttige te doen om het ledenparlement in staat te stellen cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025.
1.5
Het interim-bestuur, de OK-functionarissen, de sectorraden en de ondernemingsraad hebben bij verweerschriften van 10 maart 2026 de Ondernemingskamer verzocht het ledenparlement niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek, althans het verzoek af te wijzen. FNV Personeel c.s. heeft bij verweerschrift van 13 maart 2026 het standpunt van het interim-bestuur, de OK-functionarissen, de sectorraden en de ondernemingsraad onderschreven.
1.6
Het verzoek is behandeld op de zitting van de Ondernemingskamer van 17 maart 2026. De advocaten van het ledenparlement en de OK-functionarissen hebben de standpunten van de verschillende partijen toegelicht aan de hand van overgelegde aantekeningen. Partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
2Inleiding en feiten
2.1
Tussen de verschillende gremia binnen FNV heeft lange tijd een geschil bestaan over de manier waarop de diverse organen van de vereniging met elkaar zouden moeten omgaan. Dat geschil is steeds verder geëscaleerd en partijen kwamen daar onderling niet meer uit. Om dit op te lossen heeft de Ondernemingskamer twee tijdelijke leden van de raad van toezicht van FNV benoemd.
2.2
Deze OK-functionarissen hebben mogelijke oplossingen voor het geschil verkend en zijn op basis van met alle betrokkenen gevoerde gesprekken en na kennisneming van eerder opgestelde rapporten tot de slotsom gekomen dat de bestaande geschillen in de kern het gevolg zijn van onduidelijkheid over de rol en de verantwoordelijkheid van de verschillende gremia binnen de vereniging en dat de problemen binnen FNV niet konden worden opgelost zonder aanpassing van de bestaande governance. De OK-functionarissen hebben vervolgens in overleg met de diverse gremia binnen FNV concept-statuten opgesteld waarmee de bestaande knelpunten in de governance zouden kunnen worden weggenomen.
2.3
De OK-functionarissen hebben het ledenparlement gevraagd in te stemmen met een wijziging van de statuten van FNV overeenkomstig de voorgelegde concept-statuten. Het ledenparlement heeft daar in meerderheid tegen gestemd. Vervolgens hebben de OK-functionarissen de Ondernemingskamer verzocht om hen bij wijze van onmiddellijke voorziening de bevoegdheid te geven om, in afwijking van de geldende statuten, zelfstandig te besluiten tot wijziging van de statuten van FNV overeenkomstig die concept-statuten.
2.4
Op 15 december 2025 heeft het ledenparlement een motie aangenomen waarin is vermeld dat het ledenparlement voornemens is om bij een toewijzende beschikking van de Ondernemingskamer cassatieadvies in te winnen en, als het advies daar aanleiding toe geeft, cassatieberoep tegen de beschikking in te stellen.
2.5
Bij beschikking van 30 december 2025 heeft de Ondernemingskamer het verzoek van de OK-functionarissen toegewezen.
2.6
De statuten van FNV zijn op 31 december 2025 gewijzigd op de wijze als voorzien in de voorgelegde concept-statuten. Als gevolg van de statutenwijziging is de naam van het ledenparlement als vertegenwoordigend orgaan van de leden van FNV gewijzigd in bondsraad, zijn de zittende leden van ledenparlement – voor zover zij dat wilden – lid geworden van de bondsraad en is het ledenparlement van FNV opgehouden te bestaan.
2.7
Eind januari 2026 heeft de voorzitter van het (voormalig) ledenparlement het interim-bestuur verzocht het ledenparlement in staat te stellen cassatieadvies in te winnen en eventueel cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025 en te beslissen dat FNV de kosten daarvan zal dragen. Tussen (de advocaten van) het ledenparlement en het interim-bestuur is hierover tussen 30 januari 2026 en 18 februari 2026 gecorrespondeerd.
2.8
Op 6 februari 2026 heeft aansluitend aan de eerste vergadering van de bondsraad een bijeenkomst plaatsgevonden van een deel van de 104 personen die voorheen zitting hadden in het ledenparlement. Op die bijeenkomst hebben zij met een meerderheid van 43 van de 53 aanwezige personen gestemd vóór het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van 30 december 2025.
2.9
Het interim-bestuur heeft zich laatstelijk op 18 februari 2026 op het standpunt gesteld dat FNV de kosten van een door het ledenparlement in te winnen cassatieadvies en een eventueel cassatieberoep niet zal voldoen omdat – kort gezegd – het ledenparlement niet bevoegd is om cassatieberoep in te stellen, FNV geenszins verplicht is de door het ledenparlement te maken kosten te dragen en FNV niet gebaat is bij het voeren van een cassatieprocedure aangezien dit leidt tot onzekerheid over de status van de nieuwe governance terwijl FNV nu juist behoefte heeft aan rust.
2.10
De cassatietermijn verstrijkt op 30 maart 2026.
3De gronden van de beslissing
De standpunten van partijen
3.1
Het ledenparlement heeft – samengevat – aan zijn verzoek ten grondslag gelegd dat het interim-bestuur ten onrechte weigert om het ledenparlement in staat te stellen cassatieadvies in te winnen en cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025. Het standpunt van het interim-bestuur is volgens het ledenparlement niet in het belang van FNV en in strijd met de op grond van artikel 2:8 BW jegens het ledenparlement in acht te nemen zorgvuldigheid. Het interim-bestuur stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het ledenparlement niet bevoegd zou zijn om cassatieberoep in te stellen, omdat het per 31 december 2025 is opgehouden te bestaan en het ledenparlement als (voormalig) orgaan van FNV geen rechtspersoonlijkheid heeft en dus niet zelfstandig in rechte kan optreden. Het ledenparlement is in de procedure bij de Ondernemingskamer verschenen en kan daarom op grond van artikel 426 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) beroep in cassatie instellen van de beschikking van 30 december 2025. Daarnaast weigert het interim-bestuur ten onrechte om de kosten van het inwinnen van cassatieadvies en het voeren van de cassatieprocedure te voldoen. Het interim-bestuur ontzegt het ledenparlement daarmee de toegang tot de rechter, terwijl het principiële karakter van deze procedure en het daarmee gemoeide belang van FNV als vakbond juist vergt dat de beschikking van 30 december 2025 in hoogste nationale instantie door de rechter wordt getoetst. Het door het interim-bestuur genoemde belang dat een cassatieprocedure leidt tot onzekerheid over de status van de nieuwe governance terwijl FNV nu juist behoefte heeft aan rust, weegt niet op tegen het belang van het ledenparlement en FNV als vakbond om de beschikking van 30 december 2025 door de Hoge Raad te laten toetsen.
3.2
Het interim-bestuur heeft – kort gezegd – aangevoerd dat het ledenparlement niet ontvankelijk is in zijn verzoeken omdat (i) het niet meer bestaat, (ii) het geen procesbevoegdheid heeft, (iii) er geen rechtsgeldig besluit van het (voormalig) ledenparlement is om deze actie in te zetten en (iv) de gevraagde onmiddellijke voorzieningen de bevoegdheid van de Ondernemingskamer in het kader van een enquêteprocedure te buiten gaan. Het verzoek moet bovendien worden afgewezen omdat FNV niet verplicht is het instellen van cassatieberoep door het ledenparlement te faciliteren. Het is aan het interim-bestuur om te beslissen of het, met het oog op het belang van FNV, dienstig is het ledenparlement daartoe in staat te stellen. Het interim-bestuur heeft bij het besluit om een cassatieberoep door het ledenparlement niet te faciliteren verschillende omstandigheden in zijn afweging betrokken, waaronder (i) de kosten die met een cassatieprocedure zijn gemoeid, (ii) de kans van slagen van deze procedure, (iii) de mogelijkheid van imagoschade voor FNV als gevolg van continuering van de juridische strijd, (iv) de interne onrust die het voorzetten van de procedure met zich brengt, (v) het principieel belang om de beschikking van de Ondernemingskamer in hoogste nationale instantie te toetsen en (vi) het belang van het ledenparlement om op te kunnen komen tegen een oordeel waarmee het ledenparlement het oneens is. Het interim-bestuur is op basis van de afweging van alle voorliggende belangen tot de conclusie gekomen dat FNV het meest gebaat is bij beëindiging van de onrust en onzekerheid die de enquêteprocedure voor de vereniging en alle daaraan verbonden belanghebbenden heeft meegebracht waardoor het een cassatieberoep niet in het belang van FNV acht. Het interim-bestuur heeft tot slot aangevoerd dat niet is gesteld of gebleken dat de verzochte onmiddellijke voorzieningen vereist zijn in verband met de toestand van FNV of in het belang van het onderzoek, zodat niet is voldaan aan de in artikel 2:349a lid 2 BW genoemde vereisten voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
3.3
De ondernemingsraad en de sectorraden onderschrijven het standpunt van het interim-bestuur dat het ledenparlement niet ontvankelijk is in zijn verzoek en dat het ook overigens moet worden afgewezen. Zij benadrukken dat het interim-bestuur terecht heeft meegewogen dat het instellen van cassatieberoep zal leiden tot het voortduren van de onrust binnen FNV en dat dit niet in het belang is van de vakbond, de medewerkers en de leden. De ondernemingsraad en de sectorraden hebben het ledenparlement opgeroepen te stoppen met procederen en zich samen met de andere gremia binnen FNV te richten op de toekomst.
3.4
Ook de OK-functionarissen menen dat het ledenparlement niet in zijn verzoek kan worden ontvangen en dat het verzoek moet worden afgewezen. De OK-functionarissen benadrukken daarbij dat de Ondernemingskamer alleen onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien dat “vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek” en dat daarvan in dit geval geen sprake is.
3.5
FNV Personeel c.s. heeft zich bij het standpunt van het interim-bestuur, de OK-functionarissen, de sectorraden en de ondernemingsraad aangesloten. Ook zij onderstreept dat FNV nu vooral gebaat is bij rust en normalisering van de interne verhoudingen en dat het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van 30 december 2025 daar niet aan bijdraagt.
Het oordeel van de Ondernemingskamer
3.6
De Ondernemingskamer stelt voorop dat het niet aan haar is om te beslissen of het ledenparlement cassatieberoep mag instellen tegen de beschikking van 30 december 2025. Dat staat het ledenparlement vrij.
3.7
De Ondernemingskamer zal zich in deze procedure ook niet uitlaten over de vraag of een cassatieberoep al dan niet zinvol is. Het ledenparlement zal zelf die afweging moeten maken en het is aan de Hoge Raad om te beoordelen of een eventueel door het ledenparlement ingesteld cassatieberoep ontvankelijk is. Daarop kan en wil de Ondernemingskamer hier niet vooruitlopen.
3.8
De hier te beantwoorden vraag is uitsluitend of de door het ledenparlement verzochte onmiddellijke voorzieningen kunnen worden toegewezen, die er – kort gezegd – toe strekken dat het interim-bestuur van FNV aan het ledenparlement budget beschikbaar stelt voor het inwinnen van cassatieadvies en het eventueel instellen van cassatieberoep. Op grond van de interne regels van FNV is voor het instellen van cassatieberoep door het ledenparlement geen goedkeuring vereist van het interim-bestuur of enig ander orgaan van FNV, zo is ter zitting namens het ledenparlement bevestigd. Het ledenparlement beoogt met deze procedure te bereiken dat FNV financiering beschikbaar stelt voor het door het ledenparlement in te winnen cassatieadvies en eventueel in te stellen cassatieberoep.
3.9
Daarbij geldt dat de Ondernemingskamer op grond van artikel 2:349a lid 2 BW in elke stand van het geding onmiddellijke voorzieningen kan treffen, indien deze, gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, vereist zijn in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Naar vaste rechtspraak van de Hoge Raad kan de Ondernemingskamer op die grondslag iedere voorziening van voorlopige aard treffen, mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van deze voorziening voldoende is gebleken (vgl. HR 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1652, Novero).
3.10
De Ondernemingskamer is met het interim-bestuur, FNV Personeel c.s., de OK-functionarissen, de sectorraden en de ondernemingsraad van oordeel dat geen noodzaak bestaat om de door het ledenparlement verzochte onmiddellijke voorzieningen te treffen. Daarbij is van belang dat er geen wettelijke of statutaire regel bestaat op grond waarvan FNV of het interim-bestuur verplicht is om het ledenparlement financieel in de gelegenheid te stellen cassatieberoep in te stellen. Dat het interim-bestuur aan het ledenparlement een daartoe strekkende toezegging heeft gedaan is niet (in de vereiste concrete zin) gesteld of gebleken. Het is onder die omstandigheden aan het interim-bestuur om te beoordelen of het in het belang van FNV is om het ledenparlement in staat te stellen cassatieadvies in te winnen en eventueel cassatieberoep in te stellen tegen de beschikking van 30 december 2025 en de daarmee gemoeide kosten te voldoen. Het interim-bestuur heeft die afweging gemaakt en is tot de slotsom gekomen dat FNV nu het meest gebaat is bij beëindiging van de onrust en onzekerheid die de enquêteprocedure voor de vereniging en alle daaraan verbonden belanghebbenden heeft meegebracht, en dat het instellen van cassatieberoep tegen de beschikking van 30 december 2025 daarom niet in het belang van FNV is. Die afweging is goed te volgen en de Ondernemingskamer acht deze beslissing van het bestuur ook niet kennelijk onjuist of strijdig met de op grond van artikel 2:8 BW door het interim-bestuur jegens het (voormalig) ledenparlement in acht nemen zorgvuldigheid. Bij die stand van zaken kan niet worden aangenomen dat het treffen van de door het ledenparlement verzochte onmiddellijke voorzieningen vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Het verzoek van het ledenparlement is daarom niet toewijsbaar.
3.11
Met het voorgaande kan het antwoord op de vraag of het ledenparlement (nog) bevoegd is om de onderhavige verzoeken te doen in het midden blijven. De Ondernemingskamer gaat ervan uit dat de proceskosten in deze enquêteprocedure uiteindelijk worden gedragen door FNV en ziet daarom geen aanleiding een proceskostenveroordeling uit te spreken.
3.12
Tot slot benadrukt en herhaalt de Ondernemingskamer dat deze beslissing het ledenparlement niet belet om cassatieberoep in te stellen en ook geen oordeel inhoudt over de ontvankelijkheid of kansen van een eventueel cassatieberoep door het ledenparlement. De beslissing houdt slechts in dat het interim-bestuur van FNV niet bij wijze van onmiddellijke voorziening in deze enquêteprocedure ertoe kan worden verplicht het ledenparlement financieel in staat te stellen het cassatieberoep in te stellen.
4De beslissing
De Ondernemingskamer:
wijst het verzoek af.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.W.H. Vink, voorzitter, mr. A.P. Wessels en mr. E. Loesberg, raadsheren, en mr. drs. G. Boon RA en prof. dr. mr. S. ten Have, raden, in tegenwoordigheid van mr. L. van Hoof, griffier, en in het openbaar uitgesproken door mr. A.W.H. Vink op 19 maart 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|