Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:1922 
 
Datum uitspraak:19-03-2026
Datum gepubliceerd:27-03-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:25/4292
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het veranderen van een inrichting’ heeft verleend aan vergunninghouder. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van deze beroepsgronden.
Trefwoorden:geluidshinder
omgevingsvergunning
perceel
pluimveehouderij
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Breda

Bestuursrecht

zaaknummer: BRE 25/4292

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser,

en


het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zundert, het college.

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: Maatschap [vergunninghouder], uit [woonplaats] , vergunninghouder.

Samenvatting

1. De rechtbank beoordeelt in deze uitspraak het beroep van eiser tegen het besluit van 14 juli 2025 (het bestreden besluit), waarbij het college een omgevingsvergunning voor de activiteit ‘het veranderen van een inrichting’ heeft verleend aan vergunninghouder. Eiser voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. De rechtbank beoordeelt het beroep onder meer aan de hand van deze beroepsgronden.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de gronden van eiser niet slagen. Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Op 22 december 2023 heeft vergunninghouder een omgevingsvergunning aangevraagd voor de activiteit ‘het veranderen van een inrichting’ (hierna: de milieuvergunning) ten behoeve van een pluimveehouderij gelegen aan de [adres 1] . Vergunninghouder wil namelijk nieuwe uitlopen realiseren voor de vleeskuikenstallen ten behoeve van het Beter Leven-keurmerk, waarbij het aantal dieren onveranderd blijft. Vergunninghouder maakt gebruik van de mogelijkheid om een omgevingsvergunning gefaseerd aan te vragen. De eerste fase betreft de aanvraag van de milieu-omgevingsvergunning, de tweede fase de aanvraag van een bouw-omgevingsvergunning.


2.1.
Het college heeft op 9 april 2025, gepubliceerd op 19 mei 2025, een ontwerpbesluit genomen op de aanvraag. Hierin staat dat het college voornemens is om de aangevraagde milieu-omgevingsvergunning te verlenen.



2.2.
Het college heeft op 16 juni 2025, gepubliceerd op 14 juli 2025, het bestreden besluit genomen, waarbij de milieu-omgevingsvergunning is verleend.



2.3.
Eiser, wonend aan de [adres 2] , heeft hier op 22 augustus 2025 beroep tegen ingesteld. Tegelijkertijd heeft eiser ook een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend bij deze rechtbank. Dit verzoek is op 21 november 2025 afgewezen.



2.4.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 5 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiser deelgenomen. Namens het college waren [gemachtigde 1] en [gemachtigde 2] aanwezig. Vergunninghouder werd op zitting vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger 1] en [vertegenwoordiger 2] .




Beoordeling door de rechtbank


Beroepsgronden


3. Eiser voert aan dat bij de publicatie van het bestreden besluit niet alle relevante aanvraagstukken volledig openbaar zijn gemaakt. Eiser meent daarnaast dat het bestreden besluit is genomen op basis van onjuiste en tegenstrijdige gegevens. Ook is de aanvraag, nadat deze is ingediend, naar de mening van eiser essentieel gewijzigd, waardoor een nieuwe aanvraag had moeten worden ingediend en niet op de oorspronkelijke aanvraag had kunnen worden beslist. Verder voert eiser aan dat er op basis van de aanvraag sprake is van een uitbreiding van het bouwvolume. Dit moet volgens eiser vergund worden. Tot slot vindt eiser dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Het college heeft volgens hem ten onrechte geen alternatieve locaties onderzocht voor de inrichting en heeft de belangen van eiser onvoldoende meegewogen.


Wettelijk kader


4. Het bestreden besluit is gebaseerd op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Die wet is vervallen als gevolg van de inwerkingtreding van de Omgevingswet op 1 januari 2024. Uit artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet leidt de rechtbank af dat het oude recht van toepassing blijft op een besluit op een aanvraag die voor de inwerkingtreding van de Omgevingswet is ingediend. De aanvraag van de milieuvergunning is ingediend op 22 december 2023. Dit betekent dat de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, op de beoordeling van dit beroep van toepassing blijft.


4.1.
De relevante wettelijke bepalingen zijn opgenomen in een bijlage, die deel uitmaakt van deze uitspraak.


Onvolledige terinzagelegging van stukken


5. Eiser voert aan dat bij de publicatie van het bestreden besluit niet alle relevante aanvraagstukken volledig beschikbaar waren. Eiser meent dat het hierdoor voor belanghebbenden onmogelijk was om het besluit en de gevolgen daarvan volledig te beoordelen. Dit is volgens eiser in strijd met de zorgvuldigheidsplicht en de regels voor terinzagelegging.


5.1.
Het college erkent dat bij de publicatie van het bestreden besluit bepaalde bijbehorende stukken niet ter inzage zijn gelegd. Het college voert echter aan dat eiser op 18 augustus 2025 de relevante stukken na contact met de gemeente alsnog heeft ontvangen. Hiermee heeft eiser tijdig kennis kunnen nemen van de inhoud van het bestreden besluit en de bijbehorende stukken.



5.2.
Het college heeft naar het oordeel van de rechtbank in strijd met artikel 3:44 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) gehandeld door niet alle bijbehorende stukken bij de bekendmaking van het besluit ter inzage te leggen. De rechtbank passeert echter dit zorgvuldigheidsgebrek op grond van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank is namelijk van oordeel dat dat eiser niet door dit zorgvuldigheidsgebrek benadeeld is. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiser op 18 augustus 2025 alsnog alle bijbehorende stukken ontvangen heeft. Daarmee heeft eiser vanaf het instellen van het beroep, op 22 augustus 2025, ruim een half jaar de tijd gehad, tot de datum van de zitting, om de stukken te bekijken en daarop te reageren. Niet is gebleken dat eiser door het ontbreken van die stukken bij de terinzagelegging een beroepsgrond niet heeft kunnen aanvoeren of zich anderszins minder goed tegen het bestreden besluit heeft kunnen verweren. Eiser is daarom door dit gebrek niet benadeeld. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Onjuiste en tegenstrijdige gegevens


6. Eiser stelt dat in de aanvraag van de milieuvergunning is opgenomen dat vergunninghouder de vleeskuikenstellen inpandig wil wijzigen, terwijl de tekening bij de aanvraag laat zien dat er feitelijk sprake is van een uitpandige uitbreiding. Daarnaast spreekt het bestreden besluit van uitpandige uitlopen, terwijl in het publicatieblad bij het bestreden besluit staat dat het gaat om uitlopen “binnen” de vleeskuikenstallen. Dit duidt volgens eiser op een inpandige uitbreiding. Dit betekent volgens eiser dat het college het bestreden besluit heeft genomen op basis van onjuiste en tegenstrijdige gegevens, waardoor sprake is van schending van het zorgvuldigheidsbeginsel. Ook is het bestreden besluit daardoor volgens eiser onvoldoende gemotiveerd.


6.1.
Het college erkent dat in het oorspronkelijke aanvraagformulier is aangegeven dat vergunninghouder inpandige uitlopen wilde realiseren. Gedurende het proces is de aanvraag echter veranderd naar uitpandige uitlopen. Dit blijkt volgens het college uit de tekening die onderdeel is van het bestreden besluit, als ook uit de overige documenten die daar onderdeel van uitmaken. Het feit dat de aanvraag gedurende het proces nog is veranderd, maakt volgens het college niet dat er een besluit is genomen op basis van tegenstrijdige of onjuiste gegevens. Dat de formulering van de publicatie tot onduidelijkheid kon leiden over de locatie van de uitlopen, leidt er volgens het college niet toe dat eiser in zijn belangen is benadeeld, omdat uit het besluit en de bijhorende documenten die eiser heeft ontvangen blijkt dat het om uitpandige uitlopen gaat.



6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het bestreden besluit niet is genomen op basis van onjuiste of tegenstrijdige gegevens. De tegenstrijdigheid waar eiser op doelt komt voort uit het feit dat de oorspronkelijke aanvraag op een later moment gewijzigd is. Op grond van artikel 4:5, eerste lid, onder c, van de Awb mocht het college vergunninghouder in de gelegenheid stellen om de aanvraag aan te vullen of te wijzigen. Dit heeft het college dan ook gedaan. Van deze mogelijkheid heeft vergunninghouder gebruik gemaakt door onder meer op 14 november 2024 een nieuwe tekening aan te leveren. Door deze aanvulling ziet de aanvraag niet meer op een uitbreiding met inpandige uitlopen, maar op een uitbreiding met uitpandige uitlopen. Deze gewijzigde aanvraag is uiteindelijk de grondslag geweest voor het ontwerpbesluit en het bestreden besluit. Dat in eerdere stukken nog van inpandige uitlopen werd gesproken, betekent niet dat het college het bestreden besluit heeft genomen op basis van onjuiste of tegenstrijdige gegevens. In zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.



6.3.
De rechtbank stelt daarnaast vast dat het publicatieblad van 14 juli 2025 inderdaad spreekt van “uitlopen binnen de vleeskuikenstallen”. De rechtbank volgt het standpunt van eiser dat uit deze formulering niet eenduidig valt op te maken dat de milieuvergunning ziet op een uitpandige uitbreiding van de vleeskuikenstallen. Vanwege het feit dat de formulering in het publicatieblad onduidelijk is, constateert de rechtbank wederom een zorgvuldigheidsgebrek. Dit zorgvuldigheidsgebrek passeert de rechtbank echter eveneens op grond van artikel 6:22 van de Awb. De rechtbank is van oordeel dat eiser door deze onzorgvuldigheid niet in zijn belangen benadeeld is. Zowel de aangevulde aanvraag als het ontwerpbesluit als het bestreden besluit zien namelijk op een situatie met uitpandige uitlopen. Ook blijkt uit het beroepschrift en uit wat eiser op zitting heeft aangevoerd dat hij heeft begrepen waarop de verleende milieu-omgevingsvergunning ziet en dat hij daartegen ook inhoudelijke beroepsgronden heeft ingebracht. Ook in zoverre slaagt deze beroepsgrond niet.


Wel of geen nieuwe aanvraag


7. Naar de mening van eiser is de aanvraag, nadat deze is ingediend, essentieel gewijzigd. Eiser vindt dat vergunninghouder om deze reden een nieuwe aanvraag had moeten doen.
De wijziging is volgens eiser essentieel omdat:


het project hierdoor aanzienlijk wijzigt qua aard en ruimtelijke impact;


de milieugevolgen (geur, geluid, emissies) verschillen ten opzichte van de oorspronkelijke aanvraag;


dit een andere planologische beoordeling vereist, inclusief een nieuwe belangenafweging.





7.1.
Het college stelt dat de wijziging waar eiser op doelt heeft plaatsgevonden vóór de publicatie van de ontwerpbeschikking en dat de vergunninghouder de aanvraag in dat stadium nog mocht wijzigen.



7.2.
Zoals de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) eerder heeft overwogen, moet bij de totstandkoming van besluiten op aanvraag die ingevolge artikel 3.10 van de Wabo worden voorbereid met de uniforme openbare voorbereidingsprocedure, zoals neergelegd in afdeling 3.4 van de Awb, in beginsel op de aanvraag worden beslist zoals die is ingediend en met het ontwerp van het besluit ter inzage is gelegd. Na het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit is het niet meer geoorloofd de aanvraag nog te wijzigen en aan te vullen zonder dat een nieuw ontwerpbesluit ter inzage wordt gelegd, tenzij de wijziging van ondergeschikte aard is, dan wel aannemelijk is dat daardoor geen derden worden benadeeld.



7.3.
De rechtbank constateert dat het ontwerpbesluit, dat vooraf is gegaan aan het bestreden besluit, al zag op de gewijzigde aanvraag en dat de aanvraag daarna niet nog een keer is aangevuld of gewijzigd. Dat betekent dat de wijziging heeft plaatsgevonden voor het ter inzage leggen van het ontwerpbesluit. Gelet op wat de rechtbank onder 7.2. heeft overwogen, stond het vergunninghouder vrij de aanvraag op dat moment nog te wijzigen. De wijziging van de aanvraag leidt daarom niet tot de conclusie dat een nieuwe aanvraag moest worden ingediend. Het college mocht beslissen op de gewijzigde aanvraag. De Wabo blijft dus ook gewoon op de aanvraag van toepassing. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Uitbreiding van het bouwvolume


8. Eiser stelt dat er sprake is van een uitbreiding van het bouwvolume en dat dit vergund had moet worden. Doordat dit niet gebeurd is, is er volgens eiser sprake van een gebrekkige voorbereiding en motivering van het bestreden besluit.


8.1.
Het college merkt op dat het aspect van het uitbreiden van het bouwvolume wordt beoordeeld binnen de aanvraag om een bouw-omgevingsvergunning en dus niet in de huidige procedure aan de orde kan komen.



8.2.
Artikel 2.5, eerste lid, van de Wabo bepaalt dat op verzoek van de aanvrager een omgevingsvergunning in twee fasen wordt verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten. In dit geval betreft de activiteit waarvoor in de eerste fase een omgevingsvergunning is aangevraagd “het veranderen van een inrichting”. De uitbreiding van het bouwvolume komt pas aan bod wanneer vergunninghouder een omgevingsvergunning aanvraagt voor de activiteit “het bouwen van een bouwwerk”. De rechtbank kan in deze procedure, die ziet op de eerste fase, daarom geen oordeel geven over beroepsgronden die op de tweede fase zien. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.


Evenredigheidsbeginsel


9. Eiser voert aan dat het bestreden besluit in strijd is met het evenredigheidsbeginsel. Volgens eiser voorziet het bestreden besluit in de aanleg van een uitloop van circa zes meter breed, direct grenzend aan het perceel van eiser. Deze situering leidt volgens eiser tot een onevenredige aantasting van het woon- en leefklimaat voor eiser, onder meer door toegenomen geur- en geluidshinder, vermindering van privacy en aantasting van uitzicht. Het college heeft volgens hem ten onrechte geen alternatieve locaties onderzocht voor de inrichting en heeft zijn belangen onvoldoende meegewogen.


9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de aanvraag in deze procedure uitsluitend ziet op de activiteit ‘het veranderen van een inrichting’. Daarom zijn de gevolgen beoordeeld voor de milieutechnische aspecten die in dat kader van belang zijn, zoals geluid, geur en luchtkwaliteit. Volgens het college voldoet het bestreden besluit op die punten aan de geldende normen en voorschriften. Voor zover eiser wijst op privacy, uitzicht en de situering van de uitlopen, betreft dat volgens het college bouwkundige en esthetische aspecten die in deze procedure niet ter beoordeling staan.


9.2.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het besluit ter beoordeling staat waarbij een vergunning is verleend voor de activiteit ‘het veranderen van een inrichting’. Zoals de rechtbank in r.o. 8.2. heeft overwogen, ziet deze procedure niet op de activiteit bouwen. Dat betekent dat bezwaren van eiser die in wezen zijn gericht tegen de fysieke situering en verschijningsvorm van de uitlopen, zoals vermindering van privacy, aantasting van uitzicht en de omstandigheid dat de uitloop direct langs zijn perceel is voorzien, in deze procedure niet kunnen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit onrechtmatig is.



9.3.
Voor zover eiser heeft bedoeld aan te voeren dat ook in deze procedure relevante milieugevolgen onevenredig zijn, overweegt de rechtbank dat hij die stelling niet heeft onderbouwd aan de hand van de milieutechnische beoordeling die aan het bestreden besluit ten grondslag ligt. Eiser heeft geen concrete beroepsgronden aangevoerd tegen de beoordeling van geur, geluid of luchtkwaliteit als zodanig. Ook volgt uit wat eiser heeft aangevoerd niet dat het college in het kader van deze milieuvergunning gehouden was alternatieve locaties voor de uitlopen te onderzoeken. De rechtbank ziet daarom geen grond voor het oordeel dat het college het bestreden besluit, voor zover dat in deze procedure ter toetsing voorligt, niet in redelijkheid heeft kunnen nemen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet.




Conclusie en gevolgen

10. De rechtbank zal het beroep ongegrond verklaren. Eiser krijgt dus geen gelijk. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.


10.1.
Nu de rechtbank artikel 6:22 van de Awb heeft toegepast moet het griffierecht aan eiser worden vergoed. Dit bedraagt € 194,00. De rechtbank zal het college om dezelfde reden ook veroordelen in de door de eiser gemaakte proceskosten. Eiser heeft in dat kader een formulier proceskosten overgelegd, waarin wordt verzocht om vergoeding van € 106,00 aan verletkosten en € 16,24 aan reiskosten. De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft verzocht om een vergoeding van een halve werkdag (4 uur) in verband met het bijwonen van de zitting. Eiser heeft hiertoe een recente salarisspecificatie overgelegd. Bij verletkosten gaat het alleen om kosten van tijdsverzuim voor het bijwonen van de zitting en de heen- en terugreis. Gelet op de woonplaats van eiser en het tijdstip en tijdsduur van de zitting beperkt de rechtbank de vergoeding tot twee uur. De rechtbank stelt het uurtarief in redelijkheid vast op € 26,50 per uur (€ 106,00 gedeeld door 4 uur). De vergoeding voor verletkosten bedraagt daarmee € 53,00. Voorts komt het bedrag van € 16,24 aan reiskosten voor vergoeding in aanmerking. De totale vergoeding bedraagt dan € 69,24.





Beslissing

De rechtbank:


verklaart het beroep ongegrond;


bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiser moet vergoeden;


veroordeelt het college tot betaling van € 69,24 aan proceskosten aan eiser.



Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Koek, rechter, in aanwezigheid van
mr. T.J. Janzing, griffier, op 19 maart 2026 en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.












griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.



Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving (voor zover relevant)



Algemene wet bestuursrecht




Artikel 3:44

1. Indien bij de voorbereiding van een besluit dat tot een of meer belanghebbenden is gericht toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, wordt kennisgegeven van de terinzagelegging van het besluit en van de op de zaak betrekking hebbende stukken:

a. met overeenkomstige toepassing van de artikelen 3:11 en 3:12, eerste lid, met dien verstande dat de stukken ter inzage liggen totdat de beroepstermijn is verstreken, en

door toezending van een exemplaar van het besluit aan degenen die over het ontwerp van het besluit zienswijzen naar voren hebben gebracht.

2. Indien bij de voorbereiding van een besluit dat niet tot een of meer belanghebbenden is gericht toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, wordt gelijktijdig met de bekendmaking van het besluit kennisgegeven van de terinzagelegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken. Het eerste lid, onderdelen a en b, is van overeenkomstige toepassing.

3. Indien bij de voorbereiding van het besluit toepassing is gegeven aan afdeling 3.4, kan het bestuursorgaan in afwijking van artikel 3:43, eerste lid:

a. indien de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met een ieder van de daar bedoelde personen de strekking van het besluit mee te delen;

indien een zienswijze door meer dan vijf personen naar voren is gebracht bij hetzelfde geschrift, volstaan met toezending van een exemplaar aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld;

indien een zienswijze naar voren is gebracht door meer dan vijf personen bij hetzelfde geschrift en de omvang van het besluit daartoe aanleiding geeft, volstaan met het meedelen aan de vijf personen wier namen en adressen als eerste in dat geschrift zijn vermeld, van de strekking van het besluit;

indien toezending zou moeten geschieden aan meer dan 250 personen, die toezending achterwege laten.



Artikel 6:22

Een besluit waartegen bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld, kan, ondanks schending van een geschreven of ongeschreven rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel, door het orgaan dat op het bezwaar of beroep beslist in stand worden gelaten indien aannemelijk is dat de belanghebbenden daardoor niet zijn benadeeld.



De Wet algemene bepalingen omgevingsrecht




Artikel 2.1, eerste lid, onder e

Het is verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

e.
1°.het oprichten,
2°.het veranderen of veranderen van de werking of
3°.het in werking hebben

van een inrichting of mijnbouwwerk,



Artikel 2.5

1. Op verzoek van de aanvrager wordt een omgevingsvergunning in twee fasen verleend. De eerste fase heeft slechts betrekking op de door de aanvrager aan te geven activiteiten.



Artikel 4:5

1. Het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:


de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of


de aanvraag geheel of gedeeltelijk is geweigerd op grond van artikel 2:15, of


de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of voor de voorbereiding van de beschikking,


mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.



Zie artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Zie artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Wabo.


Zie de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 21 november 2025, ECLI:NL:RBZWB:2025:8179.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2157.


Zie artikel 2.1, eerste lid, onder e, onder 2°, van de Wabo.


Artikel 2.1, eerste lid en onder a, van de Wabo.
Link naar deze uitspraak