|
|
|
| ECLI:NL:RBOVE:2025:7192 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-12-2025 | | Datum gepubliceerd | : | 30-03-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Overijssel | | Zaaknummers | : | ak_25_1274 | | Rechtsgebied | : | Socialezekerheidsrecht | | Indicatie | : | -De uitkering is terecht ingetrokken na vondst hennepkwekerij in het huis van betrokkene. Er is voldoende aannemelijk gemaakt dat vijf keer is geoogst. | | Trefwoorden | : | kwekerij | | | uitkering | | | | Uitspraak | RECHTBANK OVERIJSSEL
Zittingsplaats Zwolle
Bestuursrecht
zaaknummer: ZWO 25/1274
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], uit [woonplaats 1], eiser,
gemachtigde: mr. R.T. Poort,
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (het UWV)
gemachtigde: A.A. Verbeek.
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over de intrekking en terugvordering van eisers uitkeringen omdat in zijn woning een hennepkwekerij is aangetroffen. Eiser is het hiermee niet eens. Hij heeft een aantal argumenten (beroepsgronden) aangevoerd, aan de hand waarvan de rechtbank zijn beroep beoordeelt.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiser krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
1.2.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staan de van belang zijnde feiten en omstandigheden die hebben geleid tot het bestreden besluit. De beoordeling door de rechtbank volgt daarna. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2.1.
Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen twee beslissingen van het UWV van 2 april 2024. In deze beslissingen heeft het UWV de vanaf 6 november 2020 aan eiser op grond van de Ziektewet (ZW) verstrekte uitkering ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 20.520,43 bruto. De over de periode 3 januari 2022 tot en met 31 mei 2022 aan hem verstrekte uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ook ingetrokken en teruggevorderd tot een bedrag van € 5.501,13 bruto.
2.2.
Met het bestreden besluit van 27 maart 2025 op de bezwaren van eiser is het UWV bij die besluiten gebleven.
2.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 21 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van het UWV.
Beoordeling door de rechtbank
Feiten
3.1.
Eiser heeft, na het einde van zijn dienstverband, vanaf 4 juni 2020 een uitkering op grond van de ZW ontvangen. Met ingang van 3 januari 2022 ontvangt hij een WIA-uitkering op basis van 56,20% arbeidsongeschiktheid. Eiser huurt een woning aan de [adres] te [woonplaats 2]. Eiser en zijn echtgenote hebben ook een woning in [woonplaats 1].
3.2.
Op 19 mei 2022 treft de politie in de woning van eiser in [woonplaats 2] een hennepkwekerij aan, bestaande uit drie kweekruimtes. De bevindingen van de politie zijn neergelegd in een ‘proces-verbaal Aantreffen hennepkwekerij’ van 24 mei 2022. In dit proces-verbaal is ook beschreven dat bij onderzoek van de elektriciteitsvoorziening is vastgesteld dat de stroom illegaal werd afgetapt.
3.3.
Op 6 juli 2022 is eiser verhoord. Tijdens dit verhoor verklaart eiser dat hij de kwekerij na maart 2022 heeft opgezet en sinds de start nog maar drie maal in de woning is geweest. Hij stelde zijn huis ter beschikking en had er verder weinig mee te maken. Eiser zou per oogst een bedrag van € 5000,- ontvangen, maar hij heeft nog niets gehad.
3.4.
Enexis Netbeheer B.V. heeft op verzoek van de politie over de periode
6 november 2022 tot 19 mei 2022 een analyse uitgevoerd van het netdeel waarop ook het adres van eiser is aangesloten. De resultaten hiervan zijn opgenomen in het ‘Rapport Indicatie voorgaande kweken’. Volgens de politie volgt uit het onderzoek en de analyse dat er vijf maal een volledige kweekperiode is geweest in kweekruimte 3 (de zolder). In de overige kweekruimtes is één eerdere oogst vastgesteld. Volgens de politie komt die informatie overeen met de ter plekke aangetroffen indicatoren.
3.5.
De politie heeft op 27 september 2022 een ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ opgemaakt en het bedrag van het door eiser verkregen wederrechtelijk voordeel berekend op € 194.538,49 netto. De ontnemingsperiode is vastgesteld op 6 november 2020 tot en met 19 mei 2022 en beslaat 79 weken.
3.6.
Naar aanleiding van een melding en daarbij ontvangen informatie van de politie is het UWV een onderzoek gestart naar de rechtmatigheid van de aan eiser toegekende uitkeringen op grond van de ZW en de WIA. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in onderzoeksrapporten van 10 mei 2023 en 4 oktober 2023. Op basis van het onderzoek heeft het UWV de onder Procesverloop genoemde besluiten genomen.
Het standpunt van het UWV
3.7.
Het UWV heeft uit het onderzoek geconcludeerd dat eiser in de periode
6 november 2020 tot en met 31 mei 2022 wederrechtelijk verkregen inkomsten heeft gehad uit hennepteelt. Het door de politie berekende inkomen uit wederrechtelijk verkregen voordeel heeft het UWV toegerekend aan de periode waarover eiser achtereenvolgens een ZW-uitkering en een WIA-uitkering ontving. Dit leidt tot de conclusie dat eiser in deze hele periode geen recht op uitkering heeft gehad. Beide uitkeringen zijn daarom ingetrokken. Eiser moet een bedrag van € 20.520,43 bruto aan onverschuldigd betaalde ZW-uitkering en een bedrag aan € 5.501,13 bruto aan onverschuldigd betaalde WIA-uitkering aan het UWV terugbetalen.
Het standpunt van eiser
3.8.
Volgens eiser heeft het UWV ten onrechte gesteld dat door het aantreffen van de hennepkwekerij de bewijslast naar eiser zou verschuiven. Het gaat volgens eiser om een voor een burger belastend besluit, zodat de bewijslast op het bestuursorgaan rust. Volgens eiser heeft het UWV niet aannemelijk gemaakt dat hij inkomsten uit hennepteelt heeft vergaard. Hij heeft de kwekerij op 23 maart 2022 opgezet om een statement te maken richting het UWV, omdat hij aanvankelijk geen uitkering kreeg. Bij de inval in mei 2022 was er nog geen voltooide oogst geweest en eiser heeft dus ook geen inkomsten gehad. Het UWV heeft de besluitvorming alleen gebaseerd op informatie die afkomstig is van de politie. De processen-verbaal zijn niet ondertekend, wat volgens eiser maakt dat er slechts sprake is van een concept-proces-verbaal met minder bewijskracht. Onduidelijk is of die processen-verbaal compleet waren en correct. Op de zitting is namens eiser toegelicht dat de politie op dat moment kennelijk nog niet zeker was van de zaak.
3.9.
Volgens eiser kan uit de bevindingen van Enexis niet worden afgeleid dat er meerdere oogsten zijn geweest. Het is niet duidelijk of het beschreven 12-uurspatroon wel aan eiser kan worden toegeschreven, omdat zich in hetzelfde netdeel ook een andere woning met een hennepkwekerij of bijvoorbeeld een sauna kan hebben bevonden. Dat de politie sporen van gebruik aantrof op de apparatuur in de kwekerij kan volgens eiser worden verklaard uit het feit dat hij de kwekerij heeft ingericht met tweedehands spullen. Bovendien heeft eiser gewoon bezoek aan huis gehad van een psychosociaal werker in de periode die nu in geschil is, die daarover heeft verklaard.
3.10.
Op de zitting heeft eiser erop gewezen dat het Openbaar ministerie (OM) de ontnemingszaak op 3 juli 2025 heeft ingetrokken. Eiser leidt hieruit af dat het OM er onvoldoende zeker van is dat een rechter zal oordelen dat er sprake was van wederrechtelijk verkregen voordeel. Eiser komt daarom tot de conclusie dat het UWV geen aanleiding heeft de verstrekte ZW- en WIA-uitkering in te trekken en een terugvordering op hem in te stellen.
Overwegingen van de rechtbank
4. De relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage.
De bewijslast
4.1.
Bij een belastend besluit tot intrekking of herziening met terugwerkende kracht en tot terugvordering van wat aan uitkering is betaald, rust op het UWV de verplichting om niet alleen de feiten vast te stellen waarop het bestreden besluit steunt, maar ook – in geval van betwisting – die feiten aannemelijk te maken.
4.2.
Niet in geschil is dat in de door eiser gehuurde woning op 19 mei 2022 een hennepkwekerij is aangetroffen. Evenmin is in geschil dat eiser heeft nagelaten bij het UWV te melden dat er in zijn woning een hennepkwekerij aanwezig was.
4.3.
Volgens vaste rechtspraak rechtvaardigt het feit dat in eisers woning een hennepkwekerij is aangetroffen de vooronderstelling dat hij als bewoner van die woning (mede)exploitant is geweest en dat de opbrengst daarvan (ook) aan hem ten goede is gekomen. Het is vervolgens aan eiser om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de hennepkwekerij niet zelf heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft. Als eiser die gegevens niet verstrekt, is het UWV volgens vaste rechtspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) bevoegd om de inkomsten schattenderwijs vast te stellen. De gevolgen van het ontbreken van concrete, verifieerbare gegevens over eisers inkomen komen voor zijn risico.
4.4.
Gelet op deze maatstaf ligt het in deze zaak op eisers weg om met overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens aan te tonen dat hij de in zijn woning aangetroffen hennepkwekerij niet heeft geëxploiteerd en ook overigens geen inkomsten uit of in verband met deze kwekerij heeft ontvangen.
De toepassing
4.5.
De rapporten van het UWV van 10 mei 2023 en 4 oktober 2023, de onderzoeksbevindingen van de politie en de informatie van de netbeheerder Enexis bieden in samenhang bezien een toereikende grondslag voor het standpunt van het UWV dat eiser in de periode van 6 november 2020 tot 19 mei 2022 in zijn huurwoning een hennepkwekerij heeft geëxploiteerd. Hoewel het de rechtbank niet is gebleken dat er slechts sprake is van een conceptrapport van de politie, zoals eiser heeft betoogd, zou dit in het bestuursrecht ook niet betekend hebben dat de daarin opgenomen informatie daarom niet door het UWV mocht worden gebruikt. Vaststaat dat de politie bij de inval op 19 mei 2022 een in werking zijnde hennepkwekerij in eisers woning heeft aangetroffen, met op de tussenwoonlaag twee kweekruimtes en op zolder een derde kweekruimte. De elektriciteit bleek illegaal te worden afgetapt. Onderzoek van de netwerkbeheerder op verzoek van de politie liet over de periode vanaf 6 november 2020 tot 19 mei 2022 vijf maal duidelijk een periode van verhoogd gebruik (of 12-uurs patroon) zien. Van een dergelijk 12-uurspatroon is bekend dat dit in het algemeen overeenkomt met de elektrische installatie van een hennepkwekerij. De informatie van de netwerkbeheerder kwam bovendien overeen met de op de zolder aangetroffen indicatoren, zoals een niet doorbroken stoflaag op de kappen van de armaturen van de assimilatielampen, het stoffilter van de koolstofcilinder en het rotorblad van de ventilator. Op de zitting is namens het UWV toegelicht dat uit het feit dat de stoflaag niet onderbroken was en het filterdoek was verkleurd kan worden afgeleid dat de apparatuur in deze ruimte daar langdurig gebruikt is, en niet tweedehands aangeschaft en daarna vervoerd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het UWV voldoende aannemelijk gemaakt dat de kwekerij al langer in bedrijf was, dat er in de kweekruimte op de zolder vijf oogsten zijn gerealiseerd en in de overige kweekruimtes één oogst. Aannemelijk is daarmee ook dat eiser als huurder van de woning het daarmee samenhangende wederrechtelijk verkregen voordeel heeft gehad.
4.6.
Eiser is er niet in geslaagd met tegenbewijs, berustend op overtuigende, objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken dat de uitgangspunten van het UWV niet juist zijn en dat hij de kwekerij pas vanaf maart 2022 heeft geëxploiteerd. Eiser heeft in dit verband onder meer aangevoerd dat het door de netwerkbeheerder gemeten verhoogde gebruik in de periode 6 november 2020 tot 19 mei 2022 het gevolg kan zijn van andere afnemers in hetzelfde netwerk. Hij heeft deze stelling echter niet onderbouwd met gegevens waaruit de rechtbank kan afleiden dat hier reële aanwijzingen voor zijn. Bovendien verdraagt eisers betoog zich niet met het feit dat de piek in het gemeten verbruik direct na de ontmanteling is gestopt. Ook het gegeven dat eiser in december 2021 en begin 2022 thuis een psychosociaal werker heeft ontvangen is niet zonder meer in tegenspraak met de onderzoeksbevindingen. De kweekruimte die op dat moment al in bedrijf was bevond zich immers op zolder. Tot slot brengt ook het feit dat de ontnemingsvordering is ingetrokken de rechtbank niet tot een ander oordeel. De op dat punt door eiser ingebrachte informatie maakt niet inzichtelijk wat de redenen voor de officier van justitie zijn geweest om in het geval van eiser over te gaan tot die intrekking. De strafzaak zelf loopt overigens nog wel, heeft eiser op de zitting verteld.
De intrekking en de terugvordering
4.7.
Eiser heeft geen concrete en verifieerbare gegevens verstrekt over zijn activiteiten ten behoeve van de kwekerij en de daaruit verkregen inkomsten over de periode
6 november 2020 tot 19 mei 2022. Het UWV heeft de inkomsten daarom mogen schatten en zich daarbij mogen baseren op het door de politie in het ‘Rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel hennepkwekerij’ berekende wederrechtelijk verkregen voordeel van € 194.538,49.Het UWV heeft berekend dat dit betekent dat eiser in de periode dat hij uitkering ontving (die 399 betaaldagen omvat) € 194.538,49 : 399 = € 487,57 per dag heeft verdiend. Gelet op de hoogte van dit bedrag heeft het UWV terecht geconcludeerd dat zowel voor de ZW- als de WIA-uitkering geldt deze niet tot uitbetaling had moeten komen. Uit het voorgaande vloeit voort dat het UWV gehouden was de uitkeringen met terugwerkende kracht in te trekken en de onverschuldigd betaalde uitkering op grond van de ZW tot een bedrag van € 20.520,43 bruto en de WIA-uitkering tot een bedrag van € 5.501,13 bruto van eiser terug te vorderen. De hoogte van de terugvordering zelf is niet door eiser bestreden.
Conclusie en gevolgen
5. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Hij krijgt daarom het griffierecht niet terug en ook geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T. de Kwaasteniet, rechter, in aanwezigheid van
mr. F. Ernens, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hoger beroepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hoger beroepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
BIJLAGE
Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Zw – voor zover hier relevant – herziet of trekt het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen een besluit tot toekenning van ziekengeld in, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting op grond van artikel 31 heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van ziekengeld.
Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Zw is de verzekerde die aanspraak maakt op ziekengeld en tevens inkomen geniet, verplicht hiervan vóór de uitkering van ziekengeld op door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in zijn reglement te bepalen wijze mededeling te doen.
Op grond van artikel 33, eerste lid, van de Zw wordt het ziekengeld dat als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 30a onverschuldigd is betaald, alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald, door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen teruggevorderd.
Op grond van artikel 33, zesde lid, van de Zw kan het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Op grond van artikel 27, eerste lid, van de Wet WIA verstrekt de verzekerde die een aanvraag voor een uitkering heeft ingediend of een recht heeft op een uitkering op grond van deze wet en de instelling waaraan op grond van artikel 71 een uitkering op grond van deze wet wordt uitbetaald, op verzoek of uit eigen beweging zo spoedig mogelijk alle informatie, waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat die van invloed kan zijn op het recht op uitkering, de hoogte van de uitkering of de betaling van de uitkering, waaronder mede is begrepen informatie in het kader van reïntegratie, aan het UWV.
Op grond van artikel 76, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA herziet het UWV beschikkingen op grond van deze wet of trekt dergelijke beschikkingen in, indien als gevolg van het niet of niet volledig nakomen van de artikelen 27 tot en met 32 en de daarop berustende bepalingen het recht op een uitkering op grond van deze wet of niet meer kan worden vastgesteld of ten onrechte is vastgesteld of de hoogte van de uitkering ten onrechte op een te hoog bedrag is vastgesteld.
Op grond van artikel 76, derde lid, van de Wet WIA kan het UWV geheel of gedeeltelijk van herziening of intrekking afzien indien daarvoor dringende redenen zijn.
Op grond van artikel 77, eerste lid, van de Wet WIA vordert het UWV een uitkering die op grond van deze wet alsmede hetgeen anderszins onverschuldigd is betaald en hetgeen als gevolg van een beschikking als bedoeld in artikel 76 door het UWV onverschuldigd is betaald of verstrekt terug.
Op grond van artikel 77, zesde lid, van de Wet WIA kan het UWV besluiten geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 22 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1295.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 11 juli 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:2139.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 28 februari 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:578.
Zie bijvoorbeeld uitspraak van de CRvB van 11 juni 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2048. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|