|
|
|
| ECLI:NL:GHAMS:2026:289 | | | | | Datum uitspraak | : | 15-01-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 01-04-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Amsterdam | | Zaaknummers | : | 200.335.617/01OK | | Rechtsgebied | : | Ondernemingsrecht | | Indicatie | : | Ondernemingskamer; enquêteprocedure; tweede fase; vaststelling wanbeleid; ontslag bestuurder | | Trefwoorden | : | arbeidsovereenkomst | | | tuinbouw | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | beschikking
___________________________________________________________________
GERECHTSHOF AMSTERDAM
ONDERNEMINGSKAMER
zaaknummer: 200.335.617/01 OK
beschikking van de Ondernemingskamer van 15 januari 2026
inzake
VFA CLEAN AIR SOLUTIONS B.V.,
gevestigd te Etten-Leur,
VERZOEKSTER,
advocaat: mr. M.H.G. Plieger, kantoorhoudende te Nieuwegein,
t e g e n
ENVINITY-VFA B.V.,
gevestigd te Schiedam,
VERWEERSTER,
e n t e g e n
1GREENVIRONMENTAL INDUSTRIES B.V.,
gevestigd te Huisduinen,
2. [A],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. B.J. Mekkelholt, kantoorhoudende te Den Helder,
e n t e g e n
3ENVINITY GROUP B.V.,
gevestigd te Den Helder,
4. [C],
wonende te [plaats] ,
BELANGHEBBENDEN,
advocaat: mr. B.J. Mekkelholt, kantoorhoudende te Den Helder.
Hierna zullen partijen (ook) als volgt worden aangeduid:
verzoekster als Clean Air;
verweerster als En-VFA;
belanghebbende sub 1 als Greenvironmental;
belanghebbende sub 2 als [A] ;
belanghebbende sub 3 als Envig;
belanghebbende sub 4 als [C] ;
belanghebbenden gezamenlijk als Greenvironmental c.s.
1De zaak in het kort
Deze zaak betreft de tweede fase van een enquêteprocedure betreffende En-VFA. En-VFA is een in 2020 opgerichte joint venture waarvan Clean Air en Greenvironmental ieder de helft van de aandelen houden. [C] was, hoewel geen aandeelhouder, feitelijk de derde partner in de joint venture. De joint venture is geen succes geworden en drijft sinds 2021 geen onderneming meer. Bij beschikking van 11 juli 2024 heeft de Ondernemingskamer beslist dat bij En-VFA in de periode vanaf 12 juni 2020 op bepaalde punten sprake is geweest van wanbeleid en daarnaast een nader onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van En-VFA in die periode, met name naar de vraag of Greenvironmental c.s. corporate opportunities aan En-VFA hebben ontnomen. Dat nadere onderzoek is inmiddels afgerond. De Ondernemingskamer moet nu nader beslissen in hoeverre bij En-VFA sprake is geweest van wanbeleid, wie daarvoor verantwoordelijk zijn en of er aanleiding is bij En-VFA voorzieningen te treffen.
2Het verloop van het geding
2.1
Voor het verloop van het geding in de zaak met zaaknummer 200.311.259/01 OK (eerste fase) verwijst de Ondernemingskamer naar haar twee beschikkingen van 24 november 2022 en haar beschikkingen van 1 februari 2023, 9 juni 2023 en 20 oktober 2023.
2.2
Bij de beschikkingen van 24 november 2022 heeft de Ondernemingskamer een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van En-VFA over de periode vanaf 12 juni 2020 en mr. drs. E.A. Marseille RA benoemd als onderzoeker (hierna: de onderzoeker), bepaald dat de kosten van het onderzoek voor rekening komen van En-VFA en dat Clean Air, die zich daartoe bereid had verklaard, deze kosten zal voorschieten.
2.3
Bij beschikking van 1 februari 2023 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 18.500 exclusief btw.
2.4
Bij beschikking van 9 juni 2023 heeft de Ondernemingskamer op verzoek van de onderzoeker Envig aangemerkt als met En-VFA nauw verbonden rechtspersoon in de zin van artikel 2:351 lid 2 BW en de onderzoeker gemachtigd tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig, het bedrag dat het onderzoek ten hoogste mag kosten verhoogd tot € 24.750 exclusief btw, en bepaald dat Clean Air ook deze kosten zal dienen voor te schieten.
2.5
Op 18 oktober 2023 heeft de onderzoeker het onderzoeksverslag met negen bijlagen (hierna ook: het eerste verslag) aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
2.6
Het eerste verslag is op 20 oktober 2023 gedeponeerd ter griffie van de Ondernemingskamer. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het verslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
2.7
Bij verzoekschrift van 12 december 2023 heeft Clean Air de tweede fase van de enquêteprocedure ingeleid. Clean Air heeft Ondernemingskamer samengevat verzocht om, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
1. vast te stellen dat uit het verslag blijkt van wanbeleid binnen En-VFA ter zake van meer specifiek de in het verzoekschrift onder i, ii en iii aangeduide feiten en bevindingen;
2. vast te stellen althans te verstaan dat [A] respectievelijk Greenvironmental als (middellijk) bestuurder en/of [C] als feitelijk bestuurder/leidinggevende voor dat wanbeleid verantwoordelijk is;
3. ex artikel 2:356 BW de volgende voorzieningen te treffen:
- Greenvironmental als bestuurder van En-VFA te ontslaan;
- alle door Greenvironmental gehouden aandelen in En-VFA ten titel van beheer tijdelijk over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder;
4. [C] , [A] en/of Greenvironmental, hoofdelijk te veroordelen om de kosten van het onderzoek te vergoeden ad € 29.947,50 inclusief btw, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de dag der betaling door Clean Air, te weten 9 februari 2023 voor het voorschot van € 22.385 inclusief btw en 6 juli 2023 voor het aanvullende voorschot van € 7.562,50 inclusief btw;
5. het onderzoek uit te breiden tot het vervolg op de 'pilot' annex de 'gemiste' corporate opportunities van En-VFA en te bepalen dat het nadere onderzoek mede zal omvatten een berekening van het nadeel dat En-VFA heeft geleden door het wanbeleid van Greenvironmental, [A] , Envig en/of [C] ;
6. Envig te veroordelen om op straffe van een dwangsom van € 50.000 per dag alle door de onderzoeker gewenste medewerking te verlenen ter uitvoerig van de bij beschikking van 9 juni 2023 verleende machtiging tot raadpleging van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig;
7. Envig te veroordelen om de (additionele) kosten van het onderzoek (bij voorschot) te voldoen; althans
8. zodanige onmiddellijke voorzieningen te treffen als de Ondernemingskamer nuttig en/of nodig acht; en
9. Envig, [C] , [A] en/of Greenvironmental hoofdelijk te veroordelen in de proceskosten, vermeerderd met nakosten en rente.
2.8
Bij afzonderlijke verweerschriften van 29 februari 2024 hebben Greenvironmental en [A] respectievelijk Envig en [C] verzocht de verzoeken van Clean Air af te wijzen. Greenvironmental en [A] hebben daarbij voorwaardelijk, voor het geval de Ondernemingskamer mocht oordelen dat uit het verslag blijkt van wanbeleid bij En-VFA, ook verzocht Clean Air te schorsen of te ontslaan als bestuurder van En-VFA, zo nodig een onafhankelijke bestuurder te benoemen en alle door Clean Air gehouden aandelen in En-VFA ten titel van beheer over te dragen aan een door de Ondernemingskamer te benoemen beheerder.
2.9
Na een mondelinge behandeling van de verzoeken heeft de Ondernemingskamer bij beschikking van 11 juli 2024 (zaaknummer 200.311.259/01) het verzoek van Clean Air in zoverre toegewezen dat zij:
– een nader onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken van En-VFA over de periode vanaf 12 juni 2020;
– heeft bepaald dat de kosten van dat onderzoek voor rekening komen van En-VFA en dat Clean Air, die zich daartoe opnieuw bereid had verklaard, deze kosten zal moeten voorschieten;
– Envig heeft bevolen om op straffe van verbeurte van dwangsommen de onderzoeker in de gelegenheid te stellen om de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig te raadplegen;
– Greenvironmental bij wijze van onmiddellijke voorziening voor de duur van de procedure heeft geschorst als bestuurder van En-VFA.
Iedere verdere beslissing heeft de Ondernemingskamer aangehouden.
2.10
Bij beschikking van 4 september 2024 heeft de Ondernemingskamer het bedrag dat het nader onderzoek ten hoogste mag kosten vastgesteld op € 30.500 exclusief btw.
2.11
Op 21 en 22 mei 2025 heeft de onderzoeker het verslag van het nadere onderzoek, met acht bijlagen (hierna: het tweede verslag), aan de Ondernemingskamer doen toekomen.
2.12
Het tweede verslag is op 23 mei 2025 gedeponeerd ter griffie van de Ondernemingskamer. Bij beschikking van diezelfde dag heeft de Ondernemingskamer bepaald dat het tweede verslag ter griffie van de Ondernemingskamer ter inzage ligt voor belanghebbenden.
2.13
Bij berichten aan de Ondernemingskamer van 23 juli 2025 hebben zowel Clean Air als Greenvironmental c.s. zich uitgelaten naar aanleiding van het tweede verslag.
2.14
Vervolgens heeft een nadere mondelinge behandeling plaatsgevonden op de zitting van de Ondernemingskamer van 6 november 2025. De advocaten hebben toen de standpunten van partijen toegelicht aan de hand van pleitnotities, die zijn overgelegd. Beide partijen hebben nadere, tevoren toegezonden, producties in het geding gebracht. De onderzoeker, partijen en hun advocaten hebben vragen van de Ondernemingskamer beantwoord en inlichtingen verstrekt.
3Inleiding en feiten
3.1
De Ondernemingskamer verwijst voor de feiten naar haar beschikking van 11 juli 2024. Aangevuld met hetgeen verder is gebleken, komen de feiten – voor zover relevant voor de nog te nemen beslissingen – neer op het volgende.
3.2
En-VFA is een joint venture, die op 12 juni 2020 is opgericht door Clean Air en Greenvironmental om samen luchtfilters te ontwikkelen en te verkopen. Clean Air en Greenvironmental werden beide 50%-aandeelhouder en zelfstandig bevoegd bestuurder van En-VFA. De samenwerking heeft tot twee projecten geleid, één in Nederland en één in de Verenigde Staten. Deze projecten zijn niet succesvol verlopen en na een pilotperiode beëindigd. Sindsdien worden in En-VFA geen activiteiten meer uitgevoerd.
3.3
[B] (hierna: [B] ) is indirect, via [B B.V.] , enig aandeelhouder en enig bestuurder van Clean Air. [A] is indirect, via T.P. Beheer B.V., enig aandeelhouder en enig bestuurder van Greenvironmental.
3.4
[B B.V.] houdt tevens indirect (via Virus Free Air B.V.) alle aandelen in VFA Solutions B.V. (hierna: VFA Solutions).
3.5
T.P. Beheer B.V. houdt tevens 50% van de aandelen in Envinity Group B.V. (hierna: Envig). De bestuurder en houder van de overige 50% van de aandelen in Envig is [C B.V.] , de persoonlijke vennootschap van [C] . Tot 17 juni 2021 waren T.P. Beheer B.V. en [C B.V.] de gezamenlijk bevoegde bestuurders van Envig.
3.6
[C] is geen direct aandeelhouder en/of bestuurder van En-VFA geworden, omdat dat tot problemen met Rabobank (de bank van de bedrijven van [B] , waar zij ook met En-VFA wilde gaan bankieren) zou hebben geleid, maar in feite was [C] de derde partner in de samenwerking. Hij was nauw betrokken bij de feitelijke bedrijfsvoering.
3.7
Schematisch is de structuur dus als volgt:
3.8
Voor de oprichting van En-VFA hield zowel Envig als VFA Solutions zich ook al bezig met de productie van luchtzuiveringsinstallaties. VFA Solutions had een gepatenteerde technologie voor ionisatie van lucht ontwikkeld, genaamd Aspra. Zij werkte daarnaast veel met koolstoffilters van het type TiOx (koolstof met titaniumoxide), waarvoor zij met HVR Milieumanagement B.V. (hierna HVR) een samenwerkingsovereenkomst had gesloten. VFA Solutions liet haar luchtfilters produceren in haar vestiging in Schiedam. Envig had een vestiging in Den Helder; zij besteedde veel van de werkzaamheden uit waaronder ook de fabricage van koolstoffilters. VFA Solutions produceerde filters voor binnenlucht en Envig richtte zich op filters voor buitenlucht.
3.9
Specifieke afspraken over de inrichting van de samenwerking hebben partijen niet vastgelegd. Uit een e-mailwisseling van 22 april 2020 blijkt dat de aandelen- en winstverdeling tussen [A] en [B] 50%/50% zou zijn. [C] zou voor zijn aandeel aan En-VFA factureren. Het plan was dat daarover nadere afspraken zouden worden gemaakt, maar daarvan is het nooit gekomen. Verder zou [C] de gelegenheid krijgen zich op enig moment tegen een symbolisch bedrag in te kopen. De door [B] en [A] bestede uren zouden kosteloos ten behoeve van En-VFA worden gemaakt. De uren van [C] zouden gefactureerd worden, maar uitgangspunt was daarbij wel een evenredige verdeling van winst/uitbetaling tussen de drie partners. Naast de samenwerking in En-VFA bleven VFA Solutions en Envig ook zelfstandig bestaan en hielden zij zich ook bezig met de ontwikkeling van luchtfilters.
3.10
Enige tijd na de oprichting van En-VFA, op 27 november 2020, is tussen VFA Solutions, Clean Air, T.P. Beheer B.V., [C B.V.] en Envig een mutual non-disclosure agreement (NDA) getekend. En-VFA was daarbij geen partij. De NDA is met terugwerkende kracht tot 1 januari 2020 aangegaan. De preambule van de NDA meldt onder andere:
“Also, Parties established a joint venture [En-VFA, OK] with the purpose of supplying air purification systems to customers. [Envig, OK] mostly provides business development opportunities and production facilities, while VFA Solutions provides know-how and products.
In the future, the business relationship can expand to joined system development and after sales (…)”
In de NDA is verder vastgelegd dat de partijen daarbij onderling informatie zullen uitwisselen en dat die informatie vertrouwelijk is (Confidential Information). In de NDA is vervolgens opgenomen:
“
7. Concurrent Development
The recipient party [partij die Confidential Information ontvangt, OK] may currently or in the future develop information internally, or receive information from other parties that may be similar to the disclosing party’s Confidential Information. Accordingly, nothing in this Agreement will be construed as a representation or inference, that the recipient party will not develop products, or have products developed for it, that, without breach of this Agreement, may compete with the products or systems contemplated by the disclosing party’s Confidential Information.”
3.11
En-VFA is in 2020 een tweetal projecten gestart.
Het eerste project was een pilotopdracht voor luchtfilters ten behoeve van legale hennepteelt in de Verenigde Staten (ook wel: het cannabisproject). Dit project is tot stand gekomen door tussenkomst van twee tussenpersonen: Keep Smiling B.V. (hierna: KS) een onderneming van [D] (hierna: [D] ) en, in de Verenigde Staten, Total Energy Group Inc. (TEG). De eindklant in de Verenigde Staten was Coastal Blooms Nursery LLC (hierna: Coastal Blooms), vertegenwoordigd door [E] . Als de pilotopdracht een succes zou worden, zou Coastal Blooms geïnteresseerd zijn in een aanzienlijk aantal luchtfilters en andere legale cannabisproducenten in de Verenigde Staten mogelijk ook.
Het tweede project was een opdracht voor Burgers Carrosserie B.V. (hierna: Burgers). Het betrof een proefproject om luchtfilters op de carrosserie van vrachtwagens te bouwen. Voor dit project is door En-VFA voor Burgers een prototype ontwikkeld. Het project Burgers heeft geen inkomsten opgeleverd en aan het project is geen opvolging gegeven.
Het cannabisproject
3.12
VFA Solutions heeft op 4 mei 2020 aan [C] een offerte gestuurd voor de levering van luchtfilters met Aspra-technologie voor het cannabisproject. Op 9 juni 2020 heeft [C] aan TEG een aanbod gedaan voor de levering van luchtfilters. Uiteindelijk heeft En-VFA 17 luchtfilters aan TEG verkocht, die TEG met een opslag op haar inkoopprijs aan Coastal Blooms heeft doorverkocht. Op 29 juni 2020 heeft TEG een eerste betaling voor de luchtfilters op de bankrekening van Envig voldaan.
3.13
Tussen partijen is overeengekomen dat [C] de projectleider zou zijn en dat de administratie van En-VFA aanvankelijk zou worden gedaan door Clean Air in de persoon van [partner van B] (hierna: [partner van B] ), de partner van [B] . In een e-mail van 5 juli 2020 heeft [partner van B] aan [C] diens rol als projectleider bevestigd en geschreven dat een paar zaken geregeld moeten worden, zoals het opstellen van een programma van eisen in samenspraak met de gebruiker en de industrial designer (“Geen compleet en geaccordeerd PvE = Geen Engineering (actie [ [C] ])”), het bekijken welke werknemers van VFA Solutions nodig zijn en het afstemmen van een urenbudget voor engineeringwerkzaamheden. Afgesproken werd dat de engineering-uren en werkplaats-uren van medewerkers van VFA Solutions en Envig voor respectievelijk € 65 en € 50 zouden worden doorbelast aan En-VFA.
3.14
Op 20 juli 2020 heeft [F] van VFA Solutions een concept voor een programma van eisen opgesteld. Hij heeft dat met [C] gedeeld en deze is op basis daarvan aan het werk gegaan, zonder dat de klant het programma van eisen (schriftelijk) had geaccordeerd. Vervolgens is door [C] met medewerkers van VFA Solutions, onder wie [G] (hierna: [G] ), specialist op het gebied van actief kool en in het bijzonder TiOx-actief kool, een werkend prototype gebouwd.
3.15
De aan En-VFA gerichte facturen voor onderdelen voor de luchtfilters waaronder de door HVR geleverde TiOx-patronen zijn telkens door [C] vanaf de bankrekening van Envig betaald.
3.16
Op 29 september 2020 heeft [A] een bankrekening geopend op naam van En-VFA bij Transferwise.
3.17
Tussen 12 en 20 november 2020 heeft de assemblage van de luchtfilters plaatsgevonden in het bedrijf van Envig in Den Helder. Op 20 november 2020 zijn de 17 luchtfilters verscheept naar de Verenigde Staten.
3.18
Op 23 november 2020 heeft VFA Solutions aan En-VFA een factuur gestuurd voor door haar medewerkers bestede uren (€ 35.660), ingekochte materialen (€ 16.689) en een licentievergoeding voor de Aspra-technologie (€ 7.152), in totaal € 59.501 exclusief btw.
Gebeurtenissen vanaf 11 december 2020
3.19
Op 11 december 2020 heeft in Den Helder een overleg plaatsgevonden tussen KS ( [D] ), Envig ( [A] en [C] ) en [G] over de mogelijkheid om gezamenlijk, door tussenkomst van een nieuw op te richten vennootschap Envinity Sales B.V., luchtfilters met TiOx-technologie aan te bieden op de Amerikaanse markt.
3.20
Op 18 december 2020 is de laatste betaling van TEG op de bankrekening van Envig ontvangen. Op 30 december 2020 heeft Envig aan En-VFA twee facturen gestuurd. Een factuur voor materialen ad in totaal € 46.925 exclusief btw en een factuur voor gewerkte uren ad in totaal € 115.840 exclusief btw, waaronder een bedrag van € 59.865 ter zake van door [C] bestede tijd.
3.21
En-VFA heeft uit het cannabisproject in totaal € 318.387 van TEG ontvangen en € 83.045 aan teruggave van btw. De bedragen van TEG zijn steeds op de bankrekening van Envig ontvangen. De teruggave van betaalde btw is ontvangen op de bankrekening van En-VFA en vervolgens door [A] overgeboekt naar de bankrekening van Envig. Van de bankrekening van Envig is voor materialen en overige leveranciers een bedrag van € 245.792 inclusief btw voldaan, waarna € 155.640 resteerde. Envig heeft dit bedrag vervolgens verrekend met haar facturen van 30 december 2020 ad in totaal € 196.945 inclusief btw, waarna volgens Envig een vordering van haar ter grootte van € 41.306 inclusief btw op En-VFA resteerde. De factuur van VFA Solutions van 23 november 2020 is, voor zover die zag op de door haar medewerkers bestede uren en een licentievergoeding, tot een bedrag van € 43.148 inclusief btw onbetaald gebleven.
3.22
Op 11 januari 2021 heeft in Den Helder een tweede overleg plaatsgevonden tussen KS ( [D] ), Envig ( [A] en [C] ) en [G] over het nog op te richten Envinity Sales B.V.
3.23
Op 9 februari 2021 zijn 15 door En-VFA geproduceerde luchtfilters in de Verenigde Staten bij Coastal Blooms geïnstalleerd en in werking gesteld.
3.24
In aantekeningen die zijn gemaakt van een overleg op 2 februari 2021 in Den Helder tussen onder anderen [C] , [A] , [G] en [D] , is het volgende opgenomen:
“(…)
[G] :
Weg bij vfa? Wanneer? 1 maand opzeg termijn. Zo snel mogelijk duidelijkheid geven.
Volgende vergadering beslissing.
3. Bv oprichting
Afwachten USA eerste test. Volgende week (11-02-2021) meer informatie. Opzet BV's
gebeuren snel aan NL kant.
's-Gravenzande zoekt uit hoe tijdrovend een USA LLC's opzetten kost.
4. Financiele afronding USA project
Facturen als pressiemiddel naar VFA. Nader te bepalen strategie. Model toekomst verliezen wegwerken, nader uit te werken, waar [G] niet benadeeld wordt.
(…)
USA> TEG >Toekomst> UL >
Nieuw ontwerp al 50/60cm lager. Aanzuig aan de zijkant, ipv bovenkant. Lijstje met
opmerkingen/aanpassingen USA, versie 2.0. (…)”
3.25
Op 10 februari 2021 heeft in Den Helder wederom overleg plaatsgevonden tussen KS ( [D] ), Envig ( [A] en [C] ) en [G] over het nog op te richten Envinity Sales B.V. waarbij onder meer is gesproken over aandelenverhoudingen en de onderlinge taakverdeling.
3.26
Op 11 februari 2021 heeft KS aan En-VFA een factuur gestuurd voor bemiddelingswerkzaamheden ter zake van het cannabisproject voor een bedrag van € 28.751 exclusief btw. En-VFA heeft deze factuur niet voldaan.
3.27
Op 3 maart 2021 heeft KS testrapporten over de prestaties van de aan Coastal Blooms geleverde luchtfilters (de Airculess) aan [C] en naar het privé-e-mailadres van [G] gestuurd. Uit deze rapporten bleek onder andere een geurreductie van 81%. De testrapporten zijn niet gedeeld met Clean Air, VFA Solutions of [B] .
3.28
Begin maart 2021 heeft Coastal Blooms klachten geuit over de prestaties van de door En-VFA via KS en TEG geleverde luchtfilters. De mate waarin de cannabisgeur werd gereduceerd was toen afgenomen. Circa twee weken later heeft [E] van Coastal Blooms overleg gehad met [C] over een oplossing van het geurprobleem van Coastal Blooms. [C] heeft vanuit Envig met inschakeling van [G] een prototype ontwikkeld voor een ander luchtfilter om het geurprobleem van Coastal Blooms op te lossen, de zogenoemde CFS-3000 die – evenals de Airculess – een stapeling is van ionisatietechnologie en TiOx-actief kool. De CFS-3000 bevat geen ionisator van VFA Solutions en er zijn ook andere verschillen met de Airculess.
3.29
Op 20 maart 2021 heeft [G] zijn arbeidsovereenkomst met VFA Solutions opgezegd tegen 1 mei 2021.
3.30
Op 20 april 2021 heeft [C] namens Envig met Coastal Blooms een overeenkomst gesloten tot het leveren van 150 luchtfilters van het type CFS-3000 voor een bedrag van $ 3.407.857,50. De overeenkomst is gesloten door aanvaarding van de opdrachtbevestiging van Coastal Blooms van die datum, die de volgende voorwaarden bevat:
Full warranty on all scrubbers for 5-years (carbon or filter replacement, uv bulbs as required).
All costs incurred by third parties needed for installation and continued operations for the scrubbers will be covered by [Envig, OK].
All incurred costs by Coastal Blooms during development and approval may be invoiced by/credited to Coastal Blooms prior to completion of the project.
Scrubbers will be UL-certified and comply with all California building and safety regulations/codes as applicable.
Installation of electrical required from the main electrical panel to the scrubbers will be at the cost of [Envig, OK].
Payment in full will not be made until efficacy of the scrubbers is proven and accepted by applicable local and state regulatory authorities.
3.31
Envig heeft bij het uitvoeren van die opdracht [G] ingezet, die vanaf april 2021 fulltime aan deze opdracht heeft gewerkt en daarvoor aan Envig factureerde op basis van een overeenkomst van opdracht met Envig. Envig heeft HVR gebruikt als leverancier van de TiOx-koolstoffilters die in de CFS-3000 zijn gebruikt.
3.32
In een verklaring (gedateerd 31 maart 2022 en afgelegd op verzoek van Envig in een rechtszaak die KS tegen Envig had aangespannen) schrijft [E] van Coastal Blooms het volgende over het terugkeren van het geurprobleem in maart 2021 en de keuzes die Coastal Blooms vervolgens heeft gemaakt:
“Coastal Blooms bought the units [Airculess-units, OK] from TEG (…) The units would be delivered October of 2020 (…) Early February of 2021, the ordered units were finally delivered to us, and they were inspected, installed and switched on by employees of TEG. (…) For a very short period, the (…) minimum odor reduction of 85% was actually achieved. Within a few weeks to a month, however, the odor reduction seemed to decrease sharply. (…)
During a virtual meeting at the beginning of March 2021 with Keep Smiling and TEG, we indicated that we were not satisfied at all with the delivered product (…) We indicated that we do not see any future in these units as designed. However, at that same virtual meeting at the beginning of March 2021, [C] and [G] were also present. They had not been included in previous virtual meetings. During this meeting, it became clear for us that Keep Smiling was not the group that had developed and produced the units, but that this had actually been [En-VFA, OK]. [C] and [G] attended the meeting on behalf of Envinity-VFA and it soon became clear to us that, unlike Keep Smiling and TEG, they were the designers of the units and truly subject matter experts on filter technology.
Because I felt that I had been misled by TEG and Keep Smiling, and Coastal Blooms still had to find a solution to the odor problem, I started looking for other suppliers of air purification units. After all, for an initial period, the 15 units actually did function. In my search for another supplier (…) I also contacted [Envig, OK]. At first I didn’t want to do this because [C] was affiliated with [En-VFA, OK] and I didn’t want to do business with TEG, Keep Smiling, or [En-VFA, OK] anymore, but in the end I did this anyway because I did have the idea that he knew what he was talking about when it came to odor filtration.
In mid-March 2021, a virtual meeting took place with [C] and I explained to him that Coastal Blooms was still looking for a solution to the odor problem. [C] indicated at that time that [Envig, OK] may have a solution for the odor problem, but that he could simply not guarantee this. Therefore, he suggested that [Envig, OK] would conduct a test at a Coastal Blooms greenhouse with the air purification unit that was developed by [Envig, OK]. (…)
From April 10, 2021, to April 21, 2021, [Envig, OK] visited us at our company and performed tests with their prototype. (…) further tests regarding the [Envig, OK] unit also proved to be successful. There was a permanent odor reduction and the unit actually improved after time. For that reason, on behalf of Coastal Blooms, I purchased 150 units from [Envig, OK] on April 20th, 2021. Because I no longer wanted to conduct any form of business with either Keep Smiling or [En-VFA, OK], I first double checked with [C] to ensure that [Envig, OK] had absolutely nothing to do with either of those companies. He confirmed this (…)
Since then, [Envig, OK] has supplied 150 of their units to Coastal Blooms, and to this day they appear to function as described, and in accordance with the initial requirements and promises.”
3.33
Tussen KS en En-VFA, althans Envig, is onenigheid ontstaan over de betaling van de factuur van 11 februari 2021 aan En-VFA ter zake van bemiddelingswerkzaamheden (zie 3.26). In dat kader heeft [D] op 10 april 2021 een e-mail aan [A] en [C] gestuurd waarin hij uiteenzet waarom hij meent dat KS recht heeft op betaling. Die e-mail houdt onder meer het volgende in:
“(…) Half januari zijn de Units in de Kas geplaatst en aangesloten. En is de klant [E] begonnen met een proces van meten, in samenwerking met een door hen ingehuurd gespecialiseerd bedrijf SCS in de USA. Begin februari zijn deze metingen aan ons en jullie voorgelegd en bleek dat er 83% van de geurmoleculen uit de lucht gehaald worden. Onze calculatie was gebaseerd op 80% dus de Units werkte naar behoren.
In januari gaven jullie aan ons aan dat jullie niet meer verder wilde met VFA Solutions / [B] en dat tevens daarnaast [G] had aangegeven weg te willen bij VFA Solutions.
Jullie boden ons aan om een gezamenlijke joint venture op te richten in de sales/marketing van de "Envinity producten" onder de naam "Envinity Sales bv".
Daar zouden de
[Envig, OK]
bv inzitten namens [C] en [A] , Keep Smiling2 bv namens mij, (…) en [G] in de functie van R&D als privé persoon. Deze "Envinity Sales bv" zou als een Holding gaan fungeren met de door ons als Keep Smiling aangebrachte partners in een gezamenlijke werkmaatschappij per partner: de TEG groep als distribiteur in de USA Tuinbouw; Burgers Carrosserie inzake PM unit onder een vrachtwagen trailer (…) en eventueel andere partners die zich gemeld hebben voor een samenwerking.
[A] zou daar een opzet in maken met de statuten, en omschrijving wie wat zou gaan doen in deze Holding "Envinity Sales bv".
Ondanks herhaalde verzoeken van onze kant en evenveel herhaalde beloftes van jullie kant, hebben wij hier toch nooit meer iets over vernomen en ontvangen, dus de status daarvan is op dit moment dus nog steeds een "fictieve".
Jullie hebben ons begin februari voorgesteld of wij de commissie over de levering in december 2020 en aan jou gefactureerd bij factuur 202101 van 11 februari mee konden nemen als een vorm van "start kapitaal" in een nieuw op te zetten gezamenlijke bv "Envinity Sales bv".
Voor ons was dat bespreekbaar op dat moment, mits natuurlijk de nieuw op te zetten gezamenlijke bv "Envinity Sales bv" bv ook daadwerkelijk opgezet zou worden.
De reden dat jullie dit aan ons voorstelden was o.a. dat [C] en [B] een compleet verkeerde calculatie gemaakt hadden m.b.t. de bouw van de Units en zoals jullie het zelf noemden "er een verlies in het project zat".
Dit en de totale desinteresse van [B] in
[En-VFA, OK]
bv was voor jullie de reden om
[En-VFA, OK]
dan maar "dood te laten bloeden". (…)”
3.34
Op 31 mei 2021 heeft [A] deze e-mail van [D] doorgestuurd aan [B] , maar daarbij de hiervoor in 3.33 onderstreepte zinnen weggelaten. [A] schrijft daarbij aan [B] :
“In navolging van ons bezoek van afgelopen vrijdag, bij deze de beloofde mailwisseling met
[ [D] ]. Overbodig te zeggen dat dit i.v.m. de juridische afwikkeling zo vertrouwelijk mogelijk behandeld dient te worden.
Ter info: ik heb een paar details waarin mijns inziens te veel op de man wordt gespeeld er uit gelaten (zoals persoonlijke familieomstandigheden waardoor bijv. ik zogenaamd niet in staat zou zijn om de door [ [D] ] gewenste nieuwe BV op te richten).
Dit vind ik erg persoonlijk worden i.p.v. zakelijk en voegt absoluut niets toe aan de strekking van de mail. Ik ga er van uit dat jullie hier begrip voor hebben, maar wilde het - in het kader van transparantie naar elkaar - hier wel graag even gezegd hebben.”
3.35
Op 9 juli 2021 heeft [C] namens Envig met Coastal Blooms een tweede overeenkomst gesloten tot het leveren, installeren en onderhouden van 150 luchtfilters van het type CFS-3000. De contractvoorwaarden zijn gelijk aan die van de eerste overeenkomst van 20 april 2021. Deze luchtfilters staan nog (geheel of ten dele) in voorraad bij Coastal Blooms, al dan niet om deze aan derden door te verkopen.
3.36
Van 24 tot 26 augustus 2022 heeft Envig een onderzoek laten uitvoeren naar de efficiency van de CFS-3000. Het onderzoek is uitgevoerd op het terrein van Coastal Blooms, met medewerking van SCS Engineers. Het onderzoeksverslag van SCS Engineers van 6 januari 2023 beschrijft de onderzoeksopdracht als volgt:
“The purpose of this sampling campaign was to measure and determine the efficiency of [Envig, OK] scrubbers inside a greenhouse relative to reducing odors and odor-responsible molecules. A secondary goal was to assess the potential of trace level Total Reduced Sulfur (TRS) measurements to be used as a surrogate for odor emission potential from a cannabis greenhouse. Ultimately, the goal is to significantly reduce nuisance odors escaping greenhouse facilities. (…) This study was designed to limit impacts of siting and greenhouse design such that these measurements are an example of a generic measurement program that is feasible to extrapolate on other greenhouses with similar operational factors. (…)”
4De beslissingen in de eerste tweedefasebeschikking van 11 juli 2024
4.1
Bij beschikking van 11 juli 2024 heeft de Ondernemingskamer geoordeeld dat uit het eerste verslag is gebleken van wanbeleid bij En-VFA over de periode vanaf 12 juni 2020. Aan dat oordeel lag ten grondslag het gebrek aan overleg en (formele) besluitvorming in het bestuur en de algemene vergadering van En-VFA, het ontbreken van jaarrekeningen en een deugdelijke administratie en het gebrek aan financiële en operationele controle. Voor dit wanbeleid heeft de Ondernemingskamer alle bestuurders en [C] als feitelijk bestuurder “in min of meerdere mate” verantwoordelijk gesteld. Daarnaast heeft de Ondernemingskamer in deze beschikking een aanvullend onderzoek bevolen, met name naar de wijze waarop [A] en [C] via Envig een vervolgopdracht van Coastal Blooms tot levering van luchtzuiveringsunits hebben verkregen en uitgevoerd. De Ondernemingskamer heeft de onderzoeker verder gevraagd alsnog te onderzoeken of en, zo ja, in hoeverre En-VFA als gevolg van de betaling door [C] (al dan niet in samenspraak met [A] ) van de twee facturen van Envig aan En-VFA van 30 december 2020 daadwerkelijk is benadeeld. Dit was in het eerste onderzoek onduidelijk gebleven omdat Envig had geweigerd inzage te geven in haar administratie, ook nadat de Ondernemingskamer aan de onderzoeker een machtiging had verstrekt tot raadpleging van die administratie. De relevante overwegingen van de Ondernemingskamer luiden als volgt:
5.7
Vast staat dat geen aandeelhoudersvergaderingen van En-VFA hebben plaatsgevonden en dat geen jaarrekeningen zijn opgemaakt of vastgesteld. De onderzoeker heeft geen schriftelijke vastlegging van bestuurlijk overleg of bestuursbesluiten aangetroffen. Uit het verslag volgt dat [C] weliswaar geen formele bestuursfunctie vervulde binnen En-VFA, maar dat hij in feite leiding gaf aan de projecten en veel belangrijke besluiten binnen En-VFA zelfstandig door hem werden genomen, zonder voorafgaand overleg en zonder dat Clean Air ( [B] ) en/of Greenvironmental ( [A] ) daarover werden geïnformeerd. Zo blijkt uit het verslag dat [C] :
- de contractvoorwaarden en levertijd van de luchtfilters voor het cannabisproject heeft afgesproken met de afnemer;
- aan het werk is gegaan zonder voor het concept programma van eisen voor de luchtfilters schriftelijk akkoord van de klant te ontvangen;
- aanpassingen maakte op het programma van eisen terwijl niet is gebleken dat hij hiervoor goedkeuring van het bestuur vroeg en aan het bestuur voorlegde op welke manier de kosten van deze aanpassingen gedekt zouden worden;
- bestellingen bij leveranciers heeft geplaatst zonder die vooraf ter goedkeuring van de bestuurders van En-VFA voor te leggen;
- een belangrijke rol had bij de uitbesteding van werkzaamheden aan Envig, de acceptatie van facturen voor die werkzaamheden en de verrekening van die facturen met door Envig voor En-VFA ontvangen gelden;
- bepaalde in hoeverre facturen van VFA Solutions werden betaald en heeft besloten om alleen de door VFA Solutions gefactureerde materialen (inclusief btw) te betalen. Hij heeft in het geheel geen uren van VFA Solutions betaald;
- beschikte over testresultaten van het cannabisproject en deze niet met [B] of [A] heeft gedeeld.
De Ondernemingskamer stelt verder vast dat uit de tussen partijen gemaakte afspraken zoals die blijken uit de e-mail van 22 april 2020 (…) en 5 juli 2020 (…) volgt dat in feite sprake was van een joint venture tussen drie partijen ( [A] , [B] en [C] ) waarbij een gelijke winstverdeling zou gelden en [C] de dagelijkse leiding zou hebben. Tegen deze achtergrond gaat de Ondernemingskamer ervan uit dat [C] heeft te gelden als feitelijk beleidsbepaler van En-VFA en dat hij met het formele bestuur van En-VFA, bestaande uit Clean Air ( [B] ) en Greenvironmental ( [A] ) het beleid van En-VFA (mede) heeft bepaald als ware hij bestuurder en dat hij daarvoor dan ook mede verantwoordelijk is geweest.
5.8
Met betrekking tot de financiële administratie van En-VFA blijkt uit het verslag dat En-VFA aanvankelijk geen eigen bankrekening had en dat betalingen aan En-VFA werden voldaan op de bankrekening van Envig en betalingen namens En-VFA werden gedaan door [C] vanaf de bankrekening van Envig. Deze gang van zaken is, zonder goede reden, ook blijven bestaan nadat En-VFA vanaf 29 september 2020 wel kon beschikken over een eigen bankrekening. Gevolg hiervan was dat het bestuur van En-VFA geen inzage had in haar eigen bankrekening en dat zij voor informatie over haar vermogenspositie afhankelijk was van Envig en hetgeen [C] daarover met hen deelde. Dat deze gang van zaken problematisch was deed zich te meer voelen op het moment dat de opbrengsten van het cannabisproject onvoldoende bleken en [C] al dan niet in samenspraak met [A] besloot om, ondanks de daarbij evident bestaande tegenstrijdige belangen, namens En-VFA de door Envig op 30 december 2020 (…) in rekening gebrachte kosten voor gewerkte uren te accepteren zonder daarvan een specificatie te verlangen en vervolgens namens Envig besloot deze factuur (deels) te betalen door die te verrekenen met het zich nog op de rekening van Envig bevindende tegoed van En-VFA. Aldus had het bestuur van En-VFA onvoldoende controle over de aan de vennootschap toekomende vermogensbestanddelen en kon zij evenmin beschikken over een zodanige administratie dat daaruit de rechten en verplichtingen van de vennootschap te allen tijde konden worden gekend. Het voornoemde gebrek aan overleg en (formele) besluitvorming in het bestuur en de algemene vergadering, het ontbreken van jaarrekeningen en een deugdelijke administratie en het gebrek aan financiële en operationele controle is strijdig met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap en kwalificeert daarmee als wanbeleid, waarvoor alle (feitelijk) bestuurders in min of meerdere mate verantwoordelijk zijn.
5.9
Ten aanzien van het verzoek om het onderzoek uit te breiden tot kort gezegd het ontnemen van een corporate opportunity (…)
5.10 (…)
Uit het verslag en hetgeen partijen daarover naar voren hebben gebracht blijkt zonder meer dat gegronde redenen bestaan om aan te nemen dat [A] en [C] via Envig, met gebruikmaking van de leveranciers (HVR), relaties (KS en TEG), personeel ( [G] ) en de kennis van En-VFA, een klant van En-VFA (Coastal Blooms) hebben benaderd om voor zichzelf een overeenkomst te sluiten voor de levering van vergelijkbare luchtfilters zoals die voorheen door En-VFA werden geleverd. Uit het verslag blijken concrete aanwijzingen dat [A] , [C] en Envig al op 11 december 2020 (…), nog voordat de door En-VFA geleverde luchtfilters in de Verenigde Staten waren aangekomen, zijn begonnen met de voorbereiding voor een nieuw op te richten vennootschap die in plaats van En-VFA vergelijkbare luchtfilters (“versie 2.0”) zou gaan aanbieden op de Amerikaanse markt. Die voorbereidingen hebben vervolgens begin 2021 steeds verder vorm gekregen (…), waarbij [A] en/of [C] positieve testresultaten van het luchtfilter dat En-VFA had geleverd (…) niet met hun joint-venturepartner en medebestuurder [B] hebben gedeeld en zij er kennelijk niet voor terugdeinsden om te liegen (…) teneinde hun heimelijke plannen voor [B] verborgen te houden. Dit alles levert – mede gelet op het feit dat Envig uiteindelijk met Coastal Blooms een overeenkomst voor de levering van 150 luchtfilters heeft gesloten, HVR inmiddels een leverancier van Envig is en [G] voor Envig werkzaam is – een aanvullende gegronde reden op voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van En-VFA die een nader onderzoek rechtvaardigt.
5.11
De Ondernemingskamer zal een nader onderzoek bevelen naar hetgeen hiervoor onder 5.10 is overwogen, waarbij ook aan de orde kan komen of en, zo ja, in hoeverre de door Envig aan Coastal Blooms geleverde 150 luchtfilters als een verbeterde versie (versie 2.0) van de eerder door En-VFA aan Coastal Blooms geleverde luchtfilters kunnen worden beschouwd, wat de opbrengst van deze transactie voor Envig is geweest en of Envig daarna nog vervolgopdrachten voor de levering van luchtfilters heeft gekregen (…) De Ondernemingskamer ziet verder aanleiding de onderzoeker te vragen alsnog op basis van de haar bij beschikking van 9 juni 2023 verleende machtiging kennis te nemen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig om te kunnen beoordelen of en, zo ja, in hoeverre En-VFA als gevolg van de (…) betaling van de factuur van 30 december 2020 daadwerkelijk is benadeeld. Daarnaast geldt dat de onderzoeker ook kennis zal kunnen nemen van de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envig voor zover zij dat nodig of nuttig acht in het kader van het te bevelen nader onderzoek naar de vraag of aan En-VFA een corporate opportunity is ontnomen. Om te waarborgen dat Envig, na haar eerdere weigering daaraan mee te werken, nu wel haar medewerking zal verlenen zal de Ondernemingskamer Envig bevelen om de onderzoeker, binnen één week na haar eerste verzoek, in de gelegenheid te stellen om op een door de onderzoeker te bepalen wijze, de boeken, bescheiden en andere gegevensdragers van Envinity Group B.V. te raadplegen en daaraan een hierna te noemen, aan En-VFA te verbeuren dwangsom verbinden.
5De inhoud van het tweede verslag
Het tweede onderzoeksverslag van 21 mei 2025 houdt onder meer het volgende in:
A. VERANTWOORDING VAN DE ONDERZOEKER
1. Uitbreiding van het onderzoek; vraagstelling
(…) Hieronder zijn de onderzoeksvragen weergegeven:
1. Wat zijn de karakteristieken van de, later aan Coastal Blooms geleverde, machines [de CFS-3000, Ondernemingskamer] en in hoeverre zijn deze machines te beschouwen als een verbeterde versie van de oorspronkelijke pilotversie?
2. In hoeverre kunnen later door Envig geleverde machines [niet aan Coastal Blooms, Ondernemingskamer] worden beschouwd als verbeterde versies?
3. In hoeverre heeft Envig activiteiten en/of kennis overgedragen aan andere, al dan niet aan Envig gelieerde, rechtspersonen?
4. Welke kosten, opbrengsten en geldstromen heeft Envig met latere opdrachten gerealiseerd?
5. In hoeverre is En-VFA benadeeld door Envig als gevolg van de betaling d.d. 30 december 2020?
(…)
4. Onderzoek boekhouding
De eerste stap in het onderzoek van de boekhouding van Envig vond online plaats. Het gebruikte boekhoudpakket is Snelstart, waarmee de onderzoeker vertrouwd is. [C] deelde zijn scherm. Hij heeft van de jaren 2020 t/m 2024 de winst- en verliesrekeningen laten zien en de onderzoeker heeft daarvan schermafbeeldingen gemaakt. [C] heeft vervolgens een excel opstelling gemaakt van de opbrengsten en kosten (verder “opstelling”) die naar zijn mening betrekking hadden op de leveringen aan Coastal Blooms.
De tweede stap vond plaats op 13 december 2024:
- [C] en de onderzoeker hebben de opstelling doorgenomen.
- De onderzoeker heeft van de grote kostenposten de facturen in het boekhoudpakket of in de papieren administratie opgezocht, evenals – steekproefsgewijs – de bankmutaties.
- De onderzoeker heeft de andere opdrachten van Envig onderzocht aan de hand van fotomateriaal, andere documentatie en de toelichting van [C] .
- Ook heeft de onderzoeker de openstaande onderwerpen uit het eerste onderzoek opgevolgd.
De onderzoeker heeft alles kunnen opzoeken en al haar vragen zijn beantwoord.
Belangrijke voorbehouden:
- Gezien de omvang van Envig bestaat er geen functiescheiding; dat betekent dat de boekhouding op zichzelf geen zekerheid kan geven over de juistheid en volledigheid van de transacties. De onderzoeker heeft diverse onderdelen van de opstelling vergeleken met onderliggende documentatie en heeft geen reden om te twijfelen aan de boekhouding.
- De onderzoeker heeft onderzoekswerkzaamheden verricht en geen controle van de jaarrekening in de zin van art. 2: 393 BW. Ook heeft de onderzoeker geen beoordelings- of samenstellingswerkzaamheden verricht.
(…)
B. SAMENVATTING BEVINDINGEN EN OVERWEGINGEN ONDERZOEKER
1. Envig heeft uiteindelijk 300 machines van de CFS-3000 aan Coastal Blooms geleverd. De vraag is of deze machines een verbeterde versie waren van de pilotmachine:
a. Volgens de onderzoeker zijn er zowel argumenten voor als tegen: de machines lijken in opzet en werking op de pilotversie: het gaat om gestapelde technologie van ionisatie en TiOx-actief kool. Ze zijn echter veel eenvoudiger dan de pilotversie, bevatten geen ionisatoren van VFA en er zijn belangrijke aanpassingen geweest aan andere onderdelen (filters; soort actief kool).
Voor de beoordeling of deze opdracht een corporate opportunity was, kunnen naar de mening van de onderzoeker daarnaast de volgende aspecten van belang zijn:
b. Intellectueel eigendom: [B] heeft ingebracht dat Envig, ook zonder ionisatoren van VFA te gebruiken, haar technologie heeft gebruikt en daarmee haar intellectueel eigendom heeft geschonden. Naar de mening van de onderzoeker valt de beoordeling van een eventuele schending van intellectueel eigendom buiten de reikwijdte van het onderzoek.
c. De opdrachtvoorwaarden: deze waren totaal anders: Envig heeft een vijfjarige garantie afgegeven op de werking van de machines; de machines moesten UL-gecertificeerd zijn en Envig heeft zich verplicht om een grootschalig en kostbaar geuronderzoek te doen.
d. Daarnaast is nog van belang of deze machine door En-VFA geproduceerd had kunnen worden: de leverancier van de TiOx-cilinders heeft verklaard dat hij niet meer aan En-VFA wilde leveren; Coastal Blooms wilde af van tussenpersonen en wilde niet met Keep Smiling (KS) samenwerken. Verder wilde Coastal Blooms geen gebruik maken van Aspra-producten. Voor de onderzoeker is ten slotte onvoldoende vast komen te staan of (het gebrek aan) besluitvorming binnen En-VFA het mogelijk maakte om zo’n grote en veel risicovollere opdracht uit te voeren.
Naar de mening van de onderzoeker is het op grond van bovengenoemde aspecten de vraag of sprake is van een corporate opportunity.
2. Latere opdrachten die Envig heeft ontvangen hebben naar de mening van de onderzoeker betrekking op andere toepassingen, andere problemen en andere sectoren. Er zijn geen producten van VFA gebruikt; de toepassing is buiten de cannabissector; het betreft klanten die geen relatie tot VFA hebben; er zijn technische aanpassingen gedaan om de machine werkend te krijgen; of een combinatie van deze factoren.
3. Uit het onderzoek is niet naar voren gekomen dat Envig activiteiten en/of kennis heeft overgedragen aan andere, al dan niet aan Envig gelieerde, rechtspersonen.
4. Uit de boekhouding blijkt dat er ongeveer EUR 168.000 aan resultaat is gegenereerd met de transactie. Dit is inclusief een gunstig koersresultaat dat het gevolg is van (toevallige) speculatie op de ontwikkeling van de US-dollar, geschat op EUR 140.000. Zonder dit koersresultaat gaat het om een winst van circa EUR 28.000.
In het resultaat zijn de kosten besloten van ruim EUR 605.000 voor geuronderzoek dat Envig heeft betaald, de kosten van [G] en management fees van [C] .
Het bedrag is exclusief de kosten die samenhangen met de garantie die nog tot en met 2026 loopt (omdat de onderzoeker deze kosten niet kan inschatten) en exclusief juridische kosten die Envig heeft gemaakt (omdat de onderzoeker geen positie wil innemen in hoeverre deze kosten samenhangen met de order van Coastal Blooms).
5. Ten aanzien van de nog openstaande vraag van het 1e onderzoek over de pilotversie, heeft Envig naar de mening van de onderzoeker kosten gehad die samenhangen met de pilotversie (elektra en uren voor assemblage). Daarnaast heeft [C] onbetaald werk verricht. Naar de mening van de onderzoeker moeten kosten die in aanmerking komen voor vergoeding door En-VFA in mindering gebracht worden op het door Envig verrekende bedrag. De onderzoeker heeft de benadeling geschat op een bedrag van circa EUR 29.000. Dit bedrag is exclusief kosten van de werkplaats, kilometers, en uren van [C] na 30 december 2020.
In hoeverre de uren van [C] in aanmerking komen voor vergoeding door En-VFA is controversieel. Aan de ene kant lagen er afspraken dat de drie partners gelijk zouden delen in de winst. Maar het was onduidelijk hoe een verlies aan betrokkenen zou worden toegerekend en zij zijn hierover niet in gesprek gegaan. [C] zou de machines verkopen maar is uiteindelijk als projectleider in de operatie gegaan. Zonder zijn werkzaamheden had En-VFA daarvoor iemand moeten inhuren. Daarom is de onderzoeker van mening dat de kosten van [C] in mindering moeten worden gebracht bij de berekening van het nadeel van En-VFA.
6De gronden van de beslissing
6.1
Clean Air voert een aantal formele bezwaren aan tegen de wijze waarop het nadere onderzoek is uitgevoerd, maar zonder duidelijk te maken welke (rechts)gevolgen zij aan die bezwaren wil verbinden. De Ondernemingskamer gaat daarom aan die bezwaren voorbij. Overigens is de beslissing van de onderzoeker om geen stukken uit de administratie van Envig te delen met Clean Air te billijken in het licht van de vertrouwelijkheid van het onderzoek en van artikel 5.2 van de Leidraad voor onderzoekers in enquêteprocedures.
6.2
Hierna zal de Ondernemingskamer achtereenvolgens ingaan op:
- de transacties die tussen Envig en En-VFA hebben plaatsgevonden in het kader van de eerste opdracht van Coastal Blooms, waarbij En-VFA bij wijze van pilot Airculess-units voor Coastal Blooms heeft ontwikkeld en (via TEG) geleverd;
- de wijze waarop Envig vanaf maart 2021 een vervolgopdracht van Coastal Blooms voor het ontwikkelen en leveren van luchtzuiveringsunits heeft verkregen en uitgevoerd;
- de vraag of de vervolgopdracht van Coastal Blooms een corporate opportunity van En-VFA was;
- de vraag of de andere opdrachten die Envig vanaf 2021 heeft uitgevoerd corporate opportunities van En-VFA waren.
Steeds zal de te beantwoorden vraag zijn of bij En-VFA sprake is geweest van wanbeleid en wie daarvoor verantwoordelijk is of zijn.
De transacties tussen Envig en En-VFA bij de eerste opdracht van Coastal Blooms
6.3
De 17 verkochte units van de Airculess zijn in het bedrijf van Envig geassembleerd. [B] was daarvan op de hoogte, zo heeft zij tijdens de zitting van 21 maart 2024 verklaard. Zij moet ook hebben begrepen dat Envig daarvoor manuren en (naast de door VFA Solutions geleverde onderdelen) materialen nodig had. In zoverre kan het voor haar geen verrassing zijn geweest dat Envig bij facturen van 30 december 2020 aan En-VFA manuren en materialen in rekening heeft gebracht. Blijkens de eerste tweedefasebeschikking (rov. 5.8 en 5.11) verdient echter nadere kritische beschouwing de wijze waarop [C] , al dan niet in samenspraak met [A] , heeft besloten om, ondanks de daarbij evident bestaande tegenstrijdige belangen, namens En-VFA die facturen te accepteren zonder daarvan een specificatie te verlangen en vervolgens namens Envig heeft besloten die facturen (deels) te betalen door die te verrekenen met het zich nog op de rekening van Envig bevindende tegoed van En-VFA, waarbij relevant is of in hoeverre En-VFA door die gang van zaken daadwerkelijk is benadeeld. Het tegoed van En-VFA was ontstaan omdat [C] het bankrekeningnummer van Envig was blijven vermelden op de facturen van En-VFA aan TEG, ook nadat En-VFA vanaf 29 september 2020 een eigen bankrekening had.
6.4
De tegenstrijdige belangen van [A] en [C] bij transacties tussen Envig en En-VFA zijn niet in geschil. De Ondernemingskamer roept in herinnering dat [A] en [C] samen alle aandelen in Envig hielden, terwijl [B] (indirect) wel 50%-aandeelhouder bij En-VFA was, maar geen aandelen in Envig hield. [A] en [C] hebben daarom de gedragsregels die gelden bij tegenstrijdige belang in acht te nemen, zoals het betrachten van transparantie jegens de niet-geconflicteerde bestuurder.
6.5
Met betrekking tot het verrekenen van de door [C] gewerkte uren is door [A] en [C] niet de nodige transparantie betracht. Bij de bedoelde facturen heeft Envig onder meer 921 door [C] gewerkte uren à € 65 per uur (exclusief btw) bij En-VFA in rekening gebracht. De enige afspraken die zijn gemaakt over de vergoeding die [C] zou ontvangen voor gewerkte uren zijn hiervoor, in 3.9 weergegeven. Die afspraken hebben evenwel, naar de onderzoeker in het eerste verslag heeft vastgesteld, betrekking op de winstverdeling tussen partijen en voorzien niet in een vergoeding voor gewerkte uren in het zich hier voordoende geval dat En-VFA geen winst zou realiseren. Die afspraken vormen dus geen (voldoende) basis voor de verrekening van door [C] gewerkte uren. Niet gebleken is dat nadere afspraken zijn gemaakt toen [C] als projectleider werd aangewezen. Daargelaten de vraag naar de redelijkheid van hetgeen Envig voor de uren van [C] in rekening heeft gebracht (waarover hierna nader), had [B] als enige niet-geconflicteerde bestuurder van En-VFA bij het maken en vervolgens in rekening brengen van de uren van [C] moeten worden betrokken en waar mogelijk had tevoren haar instemming moeten worden gevraagd. [C] en [A] hebben dat ten onrechte nagelaten.
6.6
Daarnaast hebben [C] en [A] onvoldoende transparantie betracht jegens hun medebestuurder [B] bij En-VFA over de diensten en materialen die zij namens Envig bij En-VFA in rekening hebben gebracht. Tijdens het tweede onderzoek is door [C] toegelicht dat een opslag van 30% op alle door Envig geleverde materialen is toegepast. Over een opslag op leveringen van Envig aan En-VFA was echter (anders dan over leveringen van VFA Solutions aan En-VFA) niets afgesproken. De factuur voor geleverde materialen vermeldde niet dat over de inkoopprijs een opslag van 30% was gerekend, was nagenoeg ongespecificeerd en verder hebben [A] en [C] de inkoopfacturen van Envig nooit aan En-VFA willen verstrekken om [B] in staat te stellen te controleren of En-VFA het in rekening gebrachte bedrag voor materialen daadwerkelijk aan Envig verschuldigd was. Dat had wel op hun weg gelegen, te meer daar zij beiden een tegenstrijdig belang hadden bij de levering in kwestie. Ook bij het in rekening brengen door Envig van gewerkte uren zijn [A] en [C] onvoldoende transparant geweest. Zij hebben geen urenverantwoording of enige andere administratie (zoals van verrichte betalingen) bijgehouden aan de hand waarvan [B] (namens En-VFA) het aantal gewerkte uren (bij benadering) zou kunnen verifiëren. Verder waren partijen overeengekomen dat voor werkplaatsuren € 50 kon worden doorbelast aan En-VFA (zie 3.13) Dat tarief zullen partijen hebben afgesproken indachtig hun (gemiddelde) kostprijs per uur van een (gekwalificeerde) werknemer of medewerker. Op de factuur van Envig aan En-VFA is dit uurtarief van € 50 vermeld. Tijdens de onderzoeken is echter gebleken dat de in rekening gebrachte uren – behalve die van [C] zelf – zwart zijn betaald door [C] zelf tegen uurtarieven variërend (volgens opgave van [C] zelf tijdens het tweede onderzoek) van € 20 tot € 45 en dat ook schoolverlaters aldus zijn ingezet. Door dit voor [B] verborgen te houden hebben [A] en [C] ook niet de vereiste transparantie jegens [B] betracht.
6.7
De onderzoeker heeft de twee facturen van Envig aan En-VFA van 30 december 2020 tijdens het tweede onderzoek alsnog aan de hand van inzage in de administratie van Envig en door het horen van betrokkenen kunnen beoordelen op redelijkheid.
6.8
De factuur voor de kosten van materialen was slechts ten dele herleidbaar naar inkoopfacturen van Envig. De onderzoeker heeft de inkoopprijs voor Envig van de materialen op basis van een globale beoordeling van de inkoopfacturen in de boekhouding van Envig geschat op € 30.000. De onderzoeker meent dat het in de rede ligt dat Envig hierover 30% opslag kon berekenen – hoewel dat niet was afgesproken – omdat VFA Solutions ook 30% opslag rekende voor de materialen die zij aan En-VFA leverde. Zij meent dat van de factuur voor materialen ongeveer een bedrag van € 39.000 redelijk is (€ 30.000 plus 30% daarvan). Ook voor gewerkte uren heeft Envig volgens de onderzoeker te veel in rekening gebracht. Zij meent dat de uren van derden op basis van de kostprijs aan En-VFA doorberekend hadden moeten worden, in plaats van tegen een uurtarief van € 50. Omgekeerd meent zij dat En-VFA niet is benadeeld doordat Envig de door [C] gewerkte uren aan het cannabisproject tot eind 2020 tegen het afgesproken tarief voor engineering-uren van € 65 per uur in rekening heeft gebracht. In dit verband kent de onderzoeker veel gewicht toe aan de omstandigheid dat En-VFA zonder de inzet van [C] als projectleider een externe projectleider had moeten inhuren. Dit brengt de onderzoeker tot de conclusie dat facturen van 30 december 2020 En-VFA benadelen voor een bedrag van circa € 29.000.
6.9
De Ondernemingskamer stelt bij de beoordeling van deze bevindingen voorop dat het niet aan haar is, maar aan de gewone civiele rechter om te oordelen over eventuele vorderingen die partijen mogelijk nog op elkaar hebben en dat het evenmin haar taak is om de precieze omvang van het nadeel vast te stellen dat En-VFA mogelijk door toedoen van [C] en [A] heeft geleden. Voor het oordeel in hoeverre wanbeleid bij En-VFA is gevoerd en wie daarvoor verantwoordelijk is of zijn, kan echter relevant zijn in hoeverre de facturen van Envig aan En-VFA van 30 december 2020 zakelijk verantwoord waren.
6.10
De Ondernemingskamer neemt bij de beoordeling van de redelijkheid van de facturen de (in 6.8 vermelde) bevindingen van de onderzoeker op hoofdlijnen over. De bezwaren tegen die bevindingen van de zijde van Greenvironmental c.s. worden niet overgenomen, met dien verstande dat het wel redelijk wordt geacht dat En-VFA een zakelijke vergoeding betaalt voor het gebruik van het bedrijfspand en bedrijfsmiddelen van Envig (die volgens Environmental c.s. zelf € 8.416 exclusief btw zou moeten bedragen). De Ondernemingskamer rekent [C] zwaar aan dat hij Envig heimelijk ten koste van En-VFA heeft bevoordeeld door buiten het zicht van [B] en anders dan via Envig, bij het cannabisproject derden tegen een lage kostprijs in te schakelen en Envig daarvoor vervolgens een aanzienlijk hoger tarief aan En-VFA te laten factureren. Aan de bezwaren van Clean Air tegen de bevindingen van de onderzoeker wordt voorbijgegaan. Met de onderzoeker acht de Ondernemingskamer het economisch gezien verdedigbaar dat Envig een opslag van 30% over door haar geleverde materialen rekende, omdat VFA Solutions dat ook deed. Dat VFA Solutions voor haar opslag van 30% een bijzondere reden had, zoals Clean Air stelt, te weten de vergoeding voor haar rechten van intellectueel eigendom, is onvoldoende aannemelijk geworden. In de e-mailwisseling van 22 april 2020 wordt de 30% opslag voor VFA Solutions namelijk als “overhead” aangeduid, en wel als volgt: “De inkoopprijs van [En-VFA] bij VFA Solutions is: Productieprijs / 0,7 (overhead VFA)”. Bovendien heeft VFA Solutions bij En-VFA een afzonderlijk bedrag van € 7.152 in rekening gebracht als licentievergoeding voor de Aspra-technologie (zie 3.18) zonder toe te lichten hoe dat zich verhoudt tot haar stelling dat de opslag van 30% heeft te gelden als een vergoeding voor het intellectueel eigendom van VFA Solutions. Ten slotte acht de Ondernemingskamer het met de onderzoeker niet onredelijk dat Envig de door [C] gewerkte uren in rekening heeft gebracht, omdat En-VFA zonder diens werkzaamheden iemand daarvoor had moeten inhuren. Uit niets blijkt dat bij de afspraken die in april 2020 zijn gemaakt (zie 3.9) over de wijze waarop [C] zou worden beloond werd voorzien dat [C] later zou worden aangewezen als projectleider voor het cannabisproject en daarmee een groot deel van zijn werktijd bezig zou zijn, terwijl hij volledig door Envig werd betaald. Dit laat onverlet hetgeen hiervoor in 6.5 is overwogen: het had vooral op de weg van [C] gelegen, toen hem duidelijk werd dat hij veel uren aan het cannabisproject zou (moeten) besteden, met [B] een aanvullende afspraak te maken over de vergoeding van door hem gewerkte uren.
6.11
De conclusie luidt dat de wijze waarop [C] en [A] ondanks hun tegenstrijdig belang bij de transacties tussen Envig en En-VFA de facturen van Envig hebben geaccepteerd en zich vervolgens als (gezamenlijk bevoegd) bestuurders van Envig op verrekening daarvan hebben beroepen, weliswaar niet in alle opzichten laakbaar is, maar desondanks zodanige gebreken bevat dat dit in strijd is met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Dit handelen levert daarmee wanbeleid van En-VFA op waarvoor zij ieder verantwoordelijk zijn.
Vervolgopdracht voor Envig bij Coastal Blooms
6.12
Naar het oordeel van de Ondernemingskamer levert ook de wijze waarop [C] en [A] vanaf maart 2021 – met voorbijgaan aan En-VFA en buiten het zicht van [B] – een vervolgopdracht van Coastal Blooms voor het ontwikkelen en leveren van luchtzuiveringsunits hebben geleid naar Envig en door Envig hebben laten uitvoeren wanbeleid van En-VFA op waarvoor zij beiden verantwoordelijk zijn. Hierna zal worden toegelicht dat zij daarmee een corporate opportunity aan En-VFA hebben ontnomen en En-VFA mogelijk voor een aanzienlijk bedrag hebben benadeeld.
6.13
Uit de feiten die zijn opgenomen in 3.22, 3.24, 3.25, 3.33 en 3.34 blijkt dat [A] en [C] al in januari/februari 2021, opzettelijk buiten het zicht van [B] (zie 3.34), in samenspraak met [G] plannen aan het ontwikkelen waren om buiten En-VFA om voor de legale cannabisteelt in de Verenigde Staten luchtzuiveringsunits te ontwikkelen. Gesproken werd op 2 februari 2021 over een “versie 2.0” van de Airculess, die al in ontwikkeling was en die in ieder geval geringere afmetingen had. Men hechtte in dat verband ook belang aan de “USA eerste test”, waarmee kennelijk de test bij Coastal Blooms werd bedoeld en waarvan men op dat moment kennelijk snel de resultaten verwachtte. Waarom de nieuwe ontwikkeling, die resulteerde in de productie en verkoop van de CFS-3000, niet zou behoeven of kunnen plaatsvinden binnen En-VFA, dat slechts een half jaar eerder was opgericht, en waarom dit achter de rug van [B] om moest gebeuren, is niet (voldoende) toegelicht. Weliswaar volgt uit de gedingstukken dat [A] en [C] op dat moment al “niet verder wilden met [B] ” maar van die wens (en de achtergrond daarvan) is [B] toen niet op de hoogte gesteld.
6.14
Coastal Blooms was met afstand de belangrijkste eindafnemer van En-VFA. En-VFA heeft in 2020 veel energie en tijd gestoken in de ontwikkeling van de Airculess voor Coastal Blooms als eindgebruiker. Het was een pilotproject, dat mogelijk tot meer opdrachten zou kunnen leiden. Bij de uitvoering van dat project hebben know-how en contacten van VFA Solutions een belangrijke rol gespeeld. Met name werknemer [G] van VFA Solutions en HVR als leverancier van VFA Solutions hebben een belangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de Airculess. [G] en HVR waren specialisten in (de ontwikkeling van) TiOx-actief kool, dat bij de Airculess was gebruikt. Uit het testrapport dat op 3 maart 2021 naar [C] en [G] is gestuurd – en ook bij [A] bekend was – bleek dat de Airculess na installatie bij Coastal Blooms aanvankelijk tot de beoogde geurreductie leidde, maar ook dat bepaalde terpenen onvoldoende uit de lucht werden gehaald. Begin maart bleken ook de prestaties op het gebied van geurreductie terug te lopen en heeft Coastal Blooms aan [C] en [G] , die toen nog namens En-VFA met Coastal Blooms over het cannabisproject spraken, haar ongenoegen over de Airculess kenbaar gemaakt en aangegeven niet verder te willen gaan met dat product. De CEO van Coastal Blooms, Palmer, was niet alleen ontevreden over het teruglopen van de geurreductie, maar ook over andere aspecten van de Airculess, zoals de (te grote) afmetingen. Hij heeft verklaard dat Coastal Blooms ook uiterst teleurgesteld was dat geen enkele van haar ontwerpeisen leek te zijn opgevolgd. [C] en [A] hebben vervolgens in maart 2021, zonder [B] als hun medebestuurder van En-VFA daarover te informeren, namens Envig de opdracht van Coastal Blooms aanvaard om een beter alternatief voor de Airculess te ontwikkelen en te leveren. Envig heeft die opdracht slechts kunnen verkrijgen omdat [C] vanuit En-VFA bij het eerste project voor Coastal Blooms betrokken was. Envig heeft bij het verkrijgen en/of uitvoeren van de vervolgopdracht [G] en HVR ingezet, als gezegd een belangrijke werknemer respectievelijk leverancier en samenwerkingspartner van VFA Solutions. [C] en [A] zijn uitsluitend door hun betrokkenheid bij En-VFA (a) in contact gekomen met [G] en HVR en (b) tot het inzicht gekomen dat zij voor het vervolgproject van grote waarde zouden zijn. [C] en [A] hebben voor de CFS-3000 bovendien gebruik gemaakt van de opgedane ervaring met de Airculess en het testrapport, dat door hen niet met [B] is gedeeld. Dat lijkt geen toeval. Veelzeggend in dit verband is dat [G] het testrapport niet op zijn mailadres bij VFA Solutions heeft ontvangen, maar op zijn privé-mailadres. Dit testrapport maakte voor [G] duidelijk, zo blijkt uit zijn verklaring tegenover de onderzoeker, dat de TiOx-cilinders niet goed genoeg zuiverden, zeker niet meer na de eerste weken.
6.15
Voor de vraag of En-VFA een corporate opportunity is ontnomen is relevant, maar niet bepalend, of de CFS-3000 een verbeterde versie was van de Airculess. De door Envig met inzet van [G] en HVR ontwikkelde CFS-3000 is een luchtzuiveringsapparaat dat dezelfde functionaliteit beoogt als de Airculess, een apparaat dat zich nog in de pilot-fase bevond. Technisch vertoont het apparaat ook aanzienlijke gelijkenis met de Airculess. Ook de CFS-3000 is een gestapelde technologie van ionisatie en TiOx-actief kool. Dat zijn aanwijzingen dat het op de markt brengen van de CFS-3000 een corporate opportunity voor En-VFA was. Dat voor de CFS-3000 niet een ionisator van VFA Solutions is gebruikt, maakt niet dat de ontwikkeling en verkoop van de CFS-3000 geen corporate opportunity voor En-VFS zou zijn. [A] heeft verklaard dat in En-VFA de Aspra-technologie zou worden gebruikt. Indien al juist, impliceert dat nog niet dat de door En-VFA te produceren luchtreinigingsunits beperkt zouden blijven tot producten waarin de Aspra-technologie is verwerkt. In het midden kan verder blijven of Envig met de ontwikkeling en verkoop van de CFS-3000 inbreuk op de patenten van VFA Solutions heeft gemaakt. Ook zonder dat daarvan sprake is, kan sprake zijn van ontnemen van een corporate opportunity. [G] wist in ieder geval dankzij het testrapport dat hij het gebruikte TiOx-actief kool (in samenwerking met HVR) nader zou moeten ontwikkelen. De kennis en ervaring die was opgedaan in het cannabisproject is gebruikt in het vervolgproject.
6.16
Daar komt nog bij dat VFA Solutions en Envig complementair aan elkaar waren in die zin dat VFA Solutions zich richtte op luchtzuiveringsunits voor binnenlucht en Envig op filters voor buitenlucht. Het project bij Coastal Blooms betrof de zuivering van binnenlucht. Het lag daarom te minder voor de hand dat Envig in plaats van En-VFA het vervolgproject bij Coastal Blooms zou doen met de inzet van een werknemer en een belangrijke leverancier van VFA Solutions.
6.17
De stelling van Greenvironmental c.s. dat de NDA er niet aan in de weg stond om aan En-VFA op deze wijze een corporate opportunity te ontnemen, wordt verworpen. De NDA strekt ertoe, kort gezegd, om “Confidential Information” die (de aandeelhouders van) Envig enerzijds en VFA Solutions en Clean Air anderzijds in het kader van hun samenwerking uitwisselen te beschermen, in die zin dat die informatie “property” blijft van de partij die de informatie verstrekt en door de andere partij vertrouwelijk moet worden gehouden en slechts mag worden gebruikt voor het doel van de samenwerking. In artikel 7 van de NDA wordt onder ogen gezien dat Confidential Information die de ene partij aan de ander verstrekt, door die ander op enig moment ook zelf kan worden ontwikkeld dan wel op andere wijze kan worden verkregen. Daarom – zo bepaalt artikel 7 naar de kern – mag geen enkele bepaling van de NDA worden uitgelegd als een garantie van de partij die de informatie heeft ontvangen om geen producten te ontwikkelen die mogelijk concurreren met producten die door de gedeelde Confidential Information worden bestreken. Deze bepaling kan naar het oordeel van de Ondernemingskamer niet zo worden uitgelegd dat partijen in de joint venture volledig vrij zijn om corporate opportunities aan de joint venture te ontnemen. Een dergelijke uitleg (die niet dwingend uit de tekst van de bepaling voortvloeit) zou zich ook slecht verdragen met de samenwerkingsgedachte achter de joint venture. In de woorden van [A] was het doel daarvan om met (de complementaire) VFA Solutions en Envig samen effectief en adequaat een grote markt te bedienen.
6.18
Er waren geen redenen om op voorhand aan te nemen dat En-VFA de vervolgopdracht van Coastal Blooms niet had kunnen of willen aanvaarden en uitvoeren. Integendeel, [A] verwachtte een winstmarge van 30% op de vervolgopdracht, zo heeft hij tegenover de onderzoeker verklaard. Alleen al die aantrekkelijke marge maakt het niet onaannemelijk dat En-VFA de vervolgopdracht ook had willen aanvaarden en uitvoeren. Hierna zullen de argumenten die Greenvironmental c.s. aanvoeren om het tegendeel te betogen achtereenvolgens worden besproken.
6.19
Greenvironmental c.s. stellen dat [G] en HVR niet meer met [B] en dus ook niet meer met En-VFA wilden samenwerken, zodat En-VFA het vervolgproject niet kon uitvoeren en zich geen corporate opportunity voordeed. Daarvan is echter onvoldoende gebleken.
[G]
6.20
heeft in een verklaring die hij op verzoek van de advocaat van Greenvironmental c.s. heeft afgelegd (en die als bijlage 39-2 bij het eerste verslag is gevoegd) verklaard dat hij eind 2020 of begin 2021 door [C] en [A] is benaderd met de vraag of hij mogelijk interesse had in een samenwerking met hen en met KS. [G] verklaart dat [C] en [A] hiervoor door KS waren benaderd en dat zij vonden dat [G] daar dan ook bij betrokken zou moeten zijn. [G] verwijst verder naar de bespreking met KS, [C] , [A] en hemzelf, die hiervoor in 3.24 is genoemd. Hij verklaart daarover:
“Specifiek voor mij is daarbij gesproken/besproken of ik bereid was om mijn baan bij VFA Solutions op te zeggen als het tot een samenwerking zou komen, Ik heb op dat moment aangegeven dat ik daar over na moest denken. Wel heb ik direct aangegeven dat dit geen problemen mocht opleveren en dat ik het netjes met VFA Solutions wilde afhandelen.”
Deze verklaring spoort met de schriftelijke vastlegging van die bijeenkomst (zie 3.24) en wijst er niet op dat [G] begin februari 2021 zelf weg wilde bij VFA Solutions; wel dat [C] en [A] begin februari 2021 wilden dat [G] wegging bij VFA Solutions om samen met hen luchtzuiveringsunits voor de markt in de Verenigde Staten te ontwikkelen en te verkopen.
6.21
[G] heeft tijdens het tweede onderzoek tegenover de onderzoeker verklaard hoe zijn betrokkenheid bij de vervolgopdracht tot stand is gekomen:
“ [G] is voor het eerst met [C] naar de Verenigde Staten gegaan. Hij was door [C] gevraagd omdat Envig door Coastal Blooms was benaderd met de vraag of deze een oplossing kon vinden voor het geurprobleem. Omdat het alleen ter plekke mogelijk is om te zien wat de omstandigheden zijn en wat er precies nodig is, is hij met [C] naar de Verenigde Staten gegaan.”
6.22
Op dat moment was [G] nog in dienst bij VFA Solutions. De tijdlijn wijst erop dat [G] na het verzoek van [C] om hem/Envig te helpen een nieuwe pilotversie te ontwikkelen voor Coastal Blooms zijn arbeidsovereenkomst met VFA Solutions op 20 maart 2021 heeft opgezegd. Hij kon zijn resterende vakantiedagen tot het einde van zijn dienstverband aldus gebruiken voor het ontwikkelen en testen van een nieuwe pilotversie.
6.23
Verder is onweersproken gebleven dat [G] nooit heeft laten blijken aan [B] , ook niet bij de opzegging van zijn dienstverband, dat hij problemen had met haar of met werken voor VFA Solutions.
6.24
Weliswaar heeft [G] ook tegenover de onderzoeker verklaard dat hij niet meer voor [B] wilde werken en dat hij weg wilde bij VFA Solutions omdat hij daar niet met plezier werkte; feit blijft dat hij begin februari 2021 nog moest nadenken over een eventueel vertrek bij VFA Solutions en dat hij op 20 maart 2021 zijn dienstverband met VFA Solutions pas heeft opgezegd nadat [C] hem had gevraagd Envig te helpen een nieuwe pilotversie te ontwikkelen voor Coastal Bloom. Dit alles wijst op een oorzakelijk verband tussen de kans voor [G] om als zelfstandige voor Envig te gaan werken aan het vervolgproject bij Coastal Blooms en het vertrek van [G] bij VFA Solutions.
HVR
6.25
De stelling van Greenvironmental c.s. dat En-VFA geen corporate opportunity is ontnomen omdat HVR in maart 2021 niet meer met [B] wilde samenwerken en dus ook niet meer met En-VFA, kan de Ondernemingskamer niet goed rijmen met een brief die [A] negen maanden later, op 13 december 2021, namens En-VFA aan HVR heeft geschreven. Daarin schrijft [A] dat de bedrijfsactiviteiten van En-VFA volledig stil zijn komen te liggen en dat En-VFA geen bestellingen meer wenst te doen bij HVR en eventuele leveringen zal terugsturen en niet zal betalen. [B] heeft vervolgens, bij e-mail van 20 december 2021 aan [A] , bezwaar gemaakt tegen deze brief en ook aan HVR geschreven dat zij zich niet kan vinden in de inhoud van de brief van [A] . Greenvironmental c.s. hebben niet voldoende kunnen toelichten hoe deze correspondentie zich verhoudt tot hun stelling dat HVR in de vervolgopdracht voor Coastal Blooms niet meer met En-VFA had willen samenwerken. [A] heeft tegenover de onderzoeker verklaard dat hij de brief aan HVR heeft verstuurd omdat hij een factuur van HVR had ontvangen waaruit bleek dat via En-VFA bestellingen bij HVR werden gedaan, maar heeft desgevraagd die factuur niet aan de onderzoeker kunnen overleggen. Van belang is verder dat HVR al jarenlang met [B] /VFA Solutions samenwerkte; dat HVR nog op 12 november 2020 met (onder andere) VFA Solutions een vennootschap onder firma is aangegaan (zie bijlage 8c bij het eerste verslag); en dat HVR en VFA Solutions op 3 december 2020 nog een nieuwe overeenkomst zijn aangegaan betreffende de verkoop van TiOx-producten en de verdeling van de daarop behaalde marge (bijlage 8e bij het eerste verslag). Weliswaar heeft Van de Rijt van HVR tegenover de onderzoeker verklaard dat en waarom hij geen zaken meer met [B] wil doen, en dat HVR daarom het contract met VFA Solutions heeft opgezegd; onduidelijk is echter gebleven wanneer HVR deze beslissing heeft genomen. Volgens Clean Air was dat in ieder geval nog niet het geval in maart/april 2021, toen Coastal Blooms een leverancier zocht voor een opvolger van de Airculess. Niet ter discussie staat dat de verhoudingen tussen HVR en [B] /VFA Solutions inmiddels verstoord zijn geraakt. De Ondernemingskamer heeft echter onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat daarvan al sprake was in maart/april 2021.
Wens van Coastal Blooms om niet meer met En-VFA samen te werken
6.26
Greenvironmental c.s. stellen ook dat Coastal Blooms in maart 2021 niet meer met En-VFA wilde samenwerken, maar wel met Envig. Palmer van Coastal Blooms heeft dat inderdaad verklaard op verzoek van Envig, die de verklaring heeft gebruikt in een procedure waarin KS aanspraak maakte op een deel van de omzet van de vervolgopdracht (zie 3.32, hiervoor). De Ondernemingskamer heeft echter aanleiding om te betwijfelen of Palmer zich er destijds (of in maart 2022, toen hij zijn verklaring aflegde) van bewust was wat het verschil tussen Envig en En-VFA was en dat [C] aan de zijde van En-VFA een prominente rol had gespeeld in het pilotproject. [C] had dat project van begin tot eind geleid, had de contractvoorwaarden en de levertijd namens En-VFA afgesproken en was aan het werk gegaan zonder een geaccordeerd programma van eisen tussen En-VFA en de afnemer en eindklant (vgl. rov. 5.7 eerste tweedefasebeschikking). Palmer heeft er geen blijk van gegeven zich van dit alles bewust te zijn en heeft ook geen blijk gegeven van enig bezwaar tegen de rol die [B] en haar vennootschappen in En-VFA hadden (als hij zich al van die rol bewust was). Wel vond hij het van belang bevestigd te krijgen dat [C] geen enkele betrokkenheid had bij En-VFA en die bevestiging heeft [C] (gezien het bovenstaande: ten onrechte) gegeven. Bij die stand van zaken lijkt het erop dat de keuze van Palmer om niet meer met En-VFA te willen samenwerken, maar wel met Envig, op basis van (door [C] verstrekte) onvolledige dan wel onjuiste informatie is gemaakt, zodat zijn keuze met enige uitleg van de feiten (die [C] kennelijk niet heeft gegeven) wellicht ook anders had kunnen uitvallen. In ieder geval mochten [C] en [A] in maart 2021 op grond van de enkele uitlating van Palmer dat hij niet meer met En-VFA wilde samenwerken (zo al destijds gedaan) onder deze omstandigheden niet aannemen dat zij de vervolgopdracht namens Envig konden aannemen zonder dit minst genomen eerst in het bestuur van En-VFA te bespreken.
Contractvoorwaarden
6.27
Greenvironmental c.s. stellen verder, onder verwijzing naar het tweede verslag, dat En-VFA geen corporate opportunity is ontnomen omdat de overeenkomst die Envig op 21 april 2021 met Coastal Blooms heeft gesloten onvergelijkbaar is met de overeenkomst op basis waarvan En-VFA de Airculess heeft geleverd. Envig moest namelijk ook de kosten voor installatie voor haar rekening nemen, had uitgebreide garantieverplichtingen en heeft zich jegens Coastal Blooms verplicht (of moeten verplichten) tot een zeer kostbaar geuronderzoek, aldus Greenvironmental c.s.
6.28
De Ondernemingskamer acht het allereerst onaannemelijk dat Envig zich als onderdeel van de vervolgopdracht heeft (moeten) verplicht(en) tot het uitvoeren van het geuronderzoek. Enig stuk ter onderbouwing van een verplichting van Envig jegens Coastal Blooms om dit onderzoek te verrichten, is niet voorhanden, wat opmerkelijk is omdat het om een omvangrijk en kostbaar onderzoek gaat. Het onderzoek is uitgevoerd in augustus 2022, dus geruime tijd na de installatie van de CFS-3000-units, terwijl Coastal Blooms op dat moment geen klachten over geuroverlast ontving, en heeft circa € 605.000 gekost. [G] heeft tegenover de onderzoeker verklaard dat [C] deze investering deed vanwege de potentie in de markt die hij zag. [G] heeft daarbij ook toegelicht dat die potentie er was, maar zich niet heeft verwezenlijkt omdat de cannabissector in de Verenigde Staten is ingestort. Met deze verklaring is in lijn de beschrijving van de opdracht in het verslag van het geuronderzoek, hiervoor in 3.36 geciteerd. Ook is daarmee in lijn de verklaring die van [C] zelf heeft gegeven in de internetpublicatie “An odor-control pact with Carpinteria cannabis growers breaks down” van 30 november 2023 die als bijlage bij het tweede verslag is gevoegd. Daarin staat:
[C] , the cofounder and managing partner of Envinity, has made 15 trips to the Carpinteria Valley during the last two years, visiting greenhouses and talking to all the growers. On his last trip in March, he said, he came away emptyhanded, with no orders for scrubbers. He plans to return on December 3.
“I’m definitely disappointed because we spent three-quarters of a million euros [$800,000] doing everything CARP [= Cannabis Association for Responsible Growers, OK] ]Growers wanted,” [C] said, “and in the end, we were the best proven technology.”
[C] heeft in de verklaring die hij op 9 oktober 2024 tegenover de onderzoeker heeft afgelegd overigens ook toegegeven dat hij bij het geuronderzoek een commercieel belang had. Zijn verklaring, als opgenomen in het gespreksverslag, wijst er ook niet op dat Envig zich tot het geuronderzoek had verplicht:
“Onderzoekskosten
Coastal Blooms wilde een gevalideerde oplossing en Envig wilde die bieden. Envig had
veel zelfvertrouwen en wilde Coastal Blooms helpen de rechtszaak te winnen. [C]
had een commercieel belang; als de units de lucht konden zuiveren volgens de norm
van de overheid, zou [C] veel meer apparaten kunnen verkopen. Er moest daarvoor
worden aangetoond hoe groot het geurprobleem was, hoe vies de lucht was, hoe die
gezuiverd werd, hoelang de apparaten aan de gang bleven, hoe die zich in de kas
gedroegen waar het vochtig was, waar cannabisolie hing, waar geventileerd moest
worden. Er moest worden onderzocht hoe de geur zich buiten verspreidde.”
6.29
Anders dan de onderzoeker gaat de Ondernemingskamer er bij deze stand van zaken niet vanuit dat Envig zich als onderdeel van de vervolgopdracht heeft (moeten) verplicht(en) tot het geuronderzoek dat in augustus 2022 is uitgevoerd en € 605.000 heeft gekost. De verklaring die [H] van EMS tegenover de onderzoeker heeft afgelegd, leidt niet tot een andere conclusie. [H] heeft weliswaar verklaard dat [C] jegens Coastal Blooms “verplichtingen (was) aangegaan om aan te kunnen tonen dat de geur meetbaar uit de lucht werd gefilterd”, maar onbekend is waarop [H] deze uitlating baseert en of hij hier wel doelt op het omvangrijke geuronderzoek dat in augustus 2022 is uitgevoerd. Daarom kan aan deze verklaring niet veel waarde worden gehecht. Bovendien heeft ook [H] verklaard over het grotere commerciële belang dat met het geuronderzoek was gemoeid:
“De cannabistelers in Carpinteria hadden als groep garanties gegeven aan de County over geurvermindering in verband met rechtszaken van omwonenden. Iedereen had er belang bij dat er geen geuroverlast was, maar dat ook op papier kon worden aangetoond dat de moleculen en geur daadwerkelijk goed werden verwijderd door middel van de door Envig geleverde scrubbers. Op basis van dit plan kreeg EMS de opdracht van Envig om naast het al eerder uitgevoerde laboratorium-onderzoek bij EMS ook het geuronderzoek in de praktijk-kas te doen.”
6.30
Vast staat voorts dat de units die Envig aan Coastal Blooms heeft geleverd uiteindelijk niet UL-gecertificeerd zijn. Daarmee valt ook niet in te zien dat de contractvoorwaarde inzake UL-certificering (zie 3.30) meebrengt dat de opdracht niet door En-VFA zou zijn aanvaard of door haar niet had kunnen worden uitgevoerd.
6.31
De omstandigheid dat Envig de kosten van installatie van de CFS-3000-units voor haar rekening heeft genomen en een uitgebreidere garantie heeft afgegeven op de werking van de units dan En-VFA in het eerste project had gedaan, vormen ten slotte ook geen redenen om op voorhand aan te nemen dat En-VFA de vervolgopdracht en de in dat kader gestelde voorwaarden niet had kunnen en willen aanvaarden.
Artikel 2:8 BW
6.32
Bij deze stand van zaken hadden [C] en [A] op grond van de eisen van redelijkheid en billijkheid die zij op grond van artikel 2:8 BW jegens En-VFA en [B] in acht dienen te nemen de mogelijkheid tot het verkrijgen van een vervolgopdracht van Coastal Blooms moeten bespreken in het bestuur van En-VFA en in overleg met [B] moeten bezien of En-VFA die opdracht wilde en kon verkrijgen. In plaats daarvan hebben zij al in januari 2021 besloten En-VFA te laten “doodbloeden”, [B] daarvan met opzet onwetend gehouden en buiten haar zicht de vervolgopdracht van Coastal Blooms naar hun gezamenlijke vennootschap Envig (waarvan zij ook de gezamenlijk tot vertegenwoordiging bevoegde bestuurders waren) geleid. Deze gang van zaken is op zichzelf reeds strijdig met elementaire beginselen van verantwoord ondernemerschap. Naar hierna zal worden toegelicht, hebben zij door zo te handelen En-VFA– mogelijk voor een aanzienlijk bedrag benadeeld ten gunste van Envig– en daarmee zichzelf.
Nadeel
6.33
De onderzoeker heeft de omvang van de winst van Envig op de vervolgopdracht van Coastal Bloom en daarmee het mogelijke nadeel voor En-VFA geschat op € 28.000. Daarbij heeft zij de kosten van het geuronderzoek van € 605.000 volledig toegerekend aan het project. In het genoemde bedrag van € 28.000 is niet begrepen de koerswinst die Envig heeft behaald door de fluctuatie van de waarde van de dollar ten opzichte van de euro in de relevante periode (ter grootte van € 140.000). De onderzoeker heeft verder buiten beschouwing gelaten de in 2025 en 2026 mogelijk door Envig nog te maken kosten uit hoofde de garantieverplichtingen jegens Coastal Blooms. Volgens Greenvironmental c.s. moet daarbij rekening worden gehouden met een bedrag van € 25.000 tot € 30.000 per jaar. De conclusie zou dan moeten zijn dat er geen of nauwelijks nadeel door En-VFA is geleden doordat zij de vervolgopdracht van Coastal Blooms niet heeft kunnen uitvoeren.
6.34
De Ondernemingskamer neemt die conclusie niet over. Uit hetgeen hiervoor (in 6.28-6.29) is overwogen volgt al dat de kosten van het geuronderzoek dat in augustus 2022 is uitgevoerd niet kunnen worden toegerekend aan het vervolgproject voor Coastal Blooms. De daarmee gemoeide kosten van € 605.000 dienen daarom niet in mindering te worden gebracht op de winst van het vervolgproject, met alle gevolgen van dien voor de winstgevendheid van het project. Veelzeggend in dit verband is ook dat [C] op de zitting bij de Ondernemingskamer van 21 maart 2024 desgevraagd heeft verklaard dat hij op dat moment een winst van € 250.000 tot € 300.000 verwachtte te behalen op het project voor Coastal Blooms. Geconfronteerd met deze uitlating op de zitting van 6 november 2025, heeft [C] geen plausibele verklaring kunnen geven voor het grote verschil tussen deze verwachting en de nu door Greenvironmental c.s. ingenomen stelling dat het project verliesgevend is geweest/zal worden. De Ondernemingskamer acht het niet aannemelijk dat [C] per vergissing een veel te hoog resultaat noemde op de zitting van 21 maart 2024. Hierbij is relevant dat de vervolgopdracht voor Coastal Blooms in 2021 en 2022 de enige opdracht van Envig is geweest en [C] gedurende 2023 veel energie heeft gestoken in het verkrijgen van soortgelijke opdrachten in de Verenigde Staten, zodat hij goed op de hoogte moet zijn geweest van de winstgevendheid van deze opdracht. De Ondernemingskamer acht het daarom aannemelijk dat Envig een aanzienlijke winst op het vervolgproject heeft behaald en daarmee ook, dat [A] en [C] door het ontnemen van deze corporate opportunity aan En-VFA mogelijk En-VFA voor een aanzienlijk bedrag hebben benadeeld.
6.35
Daarbij is het niet aan de Ondernemingskamer om de omvang van dat nadeel te bepalen. Daartoe leent deze procedure zich niet. De (vele) kritiekpunten van Clean Air op de wijze waarop de onderzoeker de omvang van dat nadeel heeft berekend, blijven hier daarom onbesproken. Voor de onderhavige procedure volstaat dat het nadeel voor En-VFA mogelijk aanzienlijk is en dat het bij het vervolgproject niet om een opdracht van ondergeschikt belang ging, maar om de enige opdracht die En-VFA op dat moment mogelijk zou kunnen uitvoeren. Het lijkt erop dat met het missen van deze corporate opportunity– bij gebreke van enige andere opdracht, zie 6.36 e.v. – het lot van En-VFA was bezegeld.
Overige opdrachten die Envig vanaf 2021 heeft uitgevoerd
6.36
Het onderzoek heeft geen aanwijzingen opgeleverd dat [C] en [A] via Envig ook nog andere corporate opportunities aan En-VFA hebben onttrokken. Die conclusie betreft, zo blijkt al uit het eerste verslag, ook het project Burgers (vermeld in 3.11). De onderzoeker heeft vastgesteld dat Envig in 2023 en 2024 omzet heeft gerealiseerd anders dan via Coastal Blooms. Na een toelichting van [C] op de projecten waarmee die omzet is gerealiseerd, heeft zij de conclusies getrokken die hiervoor (in 5) zijn vermeld onder B.2. Clean Air heeft daar in de kern genomen slechts tegenover gesteld dat de bevindingen van de onderzoeker onvoldoende verifieerbaar zijn. Die stelling behoeft – wat daar verder ook van zij – geen bespreking omdat Clean Air niet om een nader onderzoek heeft verzocht.
Conclusie
6.37
Het beleid en de gang van zaken bij En-VFA zoals hiervoor besproken in 6.3 tot en met 6.35 levert wanbeleid van En-VFA op waarvoor [C] als feitelijk bestuurder en [A] en Greenvironmental als (indirect) formeel bestuurder verantwoordelijk zijn.
Veroordeling in kosten van onderzoek
6.38
Het verzoek van Clean Air tot veroordeling van [C] , [A] en/of Greenvironmental in de kosten van het onderzoek is deels toewijsbaar. Clean Air heeft de kosten van het onderzoek volledig voorgeschoten voor En-VFA. Dat maakt dat zij kostenverhaal op de voet van artikel 2:354 BW kan verzoeken (HR 18 november 2016, NJ 2017/202 (Meavita)).
6.39
De Ondernemingskamer ziet aanleiding de kosten van het aanvullende onderzoek geheel voor rekening van Greenvironmental, [A] en [C] te brengen en de kosten van het eerste onderzoek ten dele. Van het in de onderhavige beschikking geconstateerde wanbeleid kunnen [C] , [A] en Greenvironmental persoonlijk een verwijt worden gemaakt. Zij hebben er opzettelijk en heimelijk voor gezorgd dat aan En-VFA een corporate opportunity is ontnomen. De Ondernemingskamer heeft in haar beschikking van 11 juli 2024 op basis van het verslag van het eerste onderzoek al wanbeleid vastgesteld en daarvoor alle (feitelijk) bestuurders van En-VFA “in min of meerdere mate verantwoordelijk” geacht. Daarbij ging het om gebrek aan overleg en (formele) besluitvorming in het bestuur en de algemene vergadering, het ontbreken van jaarrekeningen en een deugdelijke administratie en het gebrek aan financiële en operationele controle. Aan alle (feitelijk) bestuurders van En-VFA kan van deze zeer gebrekkige bedrijfsvoering persoonlijk een verwijt worden gemaakt. Het eerste onderzoek had echter ook voor een belangrijk deel betrekking op de feiten en omstandigheden die in deze beslissing als wanbeleid worden gekwalificeerd. De kosten van het eerste onderzoek dienen, alle omstandigheden in aanmerking genomen, voor 1/6 deel voor rekening van Clean Air te blijven en kunnen voor 5/6 deel worden verhaald op Greenvironmental als formeel bestuurder, [A] als bestuurder van Greenvironmental (artikel 2:11 BW) en [C] als feitelijk bestuurder van En-VFA. Aldus zijn Greenvironmental, [A] en van der Brug hoofdelijk jegens Clean Air aansprakelijk tot betaling van een bedrag van (5/6 maal (€ 24.750 plus 21% btw) plus (€ 30.500 plus 21% btw) = € 61.861,25.
6.40
De wettelijke rente over dit bedrag is toewijsbaar over de periode vanaf de datum van deze beschikking.
Voorzieningen
6.41
Gelet op het voorgaande acht de Ondernemingskamer het verzoek tot ontslag van Greenvironmental als bestuurder van En-VFA toewijsbaar.
6.42
Voor het treffen van andere voorzieningen ziet de Ondernemingskamer onvoldoende aanleiding. Clean Air heeft de Ondernemingskamer verzocht de aandelen van Greenvironmental tijdelijk aan een derde over te dragen ten titel van beheer, maar niet in de vereiste concrete zin toegelicht waarom die voorziening geboden is. Meer in het bijzonder valt niet in te zien dat En-VFA eventuele vorderingen op Greenvironmental c.s. niet zou kunnen innen zolang Greenvironmental haar stemrecht op haar aandelen kan uitoefenen.
6.43
Voor toewijzing van het voorwaardelijk verzoek van Greenvironmental en [A] als vermeld in 2.8 bestaat ook geen aanleiding.
Proceskosten
6.44
Greenvironmental c.s. zullen als de overwegend in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk in de proceskosten worden veroordeeld.
7De beslissing
De Ondernemingskamer:
verstaat dat in de periode van 12 juni 2020 tot 21 maart 2024 sprake was van wanbeleid bij Envinity-VFA B.V.;
verstaat dat VFA Clean Air Solutions B.V., Greenvironmental Industries B.V., [A] en [C] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid als bedoeld in de beschikking van 11 juli 2024, rov. 5.7 en 5.8;
verstaat dat Greenvironmental Industries B.V., [A] en [C] verantwoordelijk zijn voor het wanbeleid als bedoeld in deze beschikking, rov. 6.3 tot en met 6.35;
veroordeelt Greenvironmental Industries B.V., [A] en [C] hoofdelijk tot betaling aan VFA Clean Air Solutions B.V. van de onderzoekskosten tot een bedrag van € 61.861,25 (inclusief btw), te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf twee weken na de datum van deze beschikking tot aan de algehele voldoening;
veroordeelt Greenvironmental Industries B.V., [A] , [C] en Envinity Group B.V. hoofdelijk in de kosten van de procedure aan de zijde van VFA Clean Air Solutions B.V., tot op heden begroot op € 7.504;
ontslaat met onmiddellijke ingang Greenvironmental Industries B.V. als bestuurder van Envinity-VFA B.V.;
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
wijst af hetgeen meer of anders is verzocht.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.P. Wessels, voorzitter, mr. W.A.H. Melissen en mr. C.C. Meijer, raadsheren, en prof. dr. mr. S. ten Have en drs. A.G. Thomassen RV RT, raden, in tegenwoordigheid van mr. N.E.M. Keereweer, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 15 januari 2025. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|