|
|
|
| ECLI:NL:RBGEL:2026:2966 | | | | | Datum uitspraak | : | 16-04-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 16-04-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Gelderland | | Zaaknummers | : | ARN 24_8015 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | Lelystad Airport. Verzoek om handhaving. Reikwijdte handhavingsverzoek uitgebreid in beroep. Stelling Lelystad Airport valt buiten de omvang van het geding. Artikel 8:26 Awb. Artikel 8:69 Awb. Verweerder heeft kunnen besluiten dat sprake was van concreet zicht op legalisatie. Verweerder heeft een gebrekkige belangenafweging uitgevoerd. | | Trefwoorden | : | landbouw | | | omgevingsvergunning | | | stikstofdepositie | | | | Uitspraak | RECHTBANK GELDERLAND
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 24/8015
uitspraak van de meervoudige kamer van
in de zaak tussen
Stichting Red de Veluwe, uit Hoog Soeren, de stichting
(gemachtigde: mr. B.N. Kloostra),
en
de staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, verweerder
(gemachtigden: mr. R.D. Reinders en mr. L. Verhees).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: N.V. Luchthaven Lelystad uit Lelystad, Lelystad Airport
(gemachtigden: mr. Y.M.C. Pluis en mr. J.E. van Uden).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van de stichting tegen de afwijzing van haar verzoek om handhavend op te treden tegen Lelystad Airport.
1.1.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Lelystad Airport heeft ook schriftelijk gereageerd op het beroep.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 1 december 2025 op zitting behandeld. Namens de stichting hebben hieraan deelgenomen: de gemachtigde, [persoon A], [persoon B], [persoon C] en [persoon D] als deskundige namens de stichting. Namens verweerder hebben deelgenomen: de gemachtigden, mr. W.J.L. Zwaan, [persoon E] en [persoon F]. Namens Lelystad Airport hebben deelgenomen: de gemachtigden, [persoon G] en [persoon H].
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het besluit tot het afwijzen van het verzoek tot handhavend optreden aan de hand van de argumenten die de stichting heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
2.1.
De rechtbank verklaart het beroep van de stichting gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.
Achtergrond
3. Lelystand Airport heeft op 1 oktober 2020 een aanvraag ingediend bij verweerder voor een natuurvergunning. Op 15 februari 2021 heeft verweerder de ontwerpnatuurvergunning voor het project ‘Exploitatie Lelystad Airport’ gepubliceerd en ter inzage gelegd.
3.1.
Op 20 februari 2023 heeft de stichting verweerder verzocht om handhavend op te treden tegen de uitbreiding van Lelystad Airport zonder de daartoe vereiste vergunning op grond van de Wet natuurbescherming (Wnb) (het handhavingsverzoek).
3.2.
Verweerder heeft het handhavingsverzoek met het besluit van 1 mei 2023 afgewezen (het primaire besluit). Volgens verweerder was er op het moment van het primaire besluit geen sprake van een overtreding, omdat de stikstofdepositie niet toeneemt ten opzichte van het bestaande recht van Lelystad Airport.
3.3.
In het besluit van 24 oktober 2024 heeft verweerder het bezwaar van de stichting tegen het primaire besluit ongegrond verklaard en het primaire besluit in stand gelaten (de beslissing op bezwaar). In de beslissing op bezwaar heeft verweerder besloten dat hij niet overgaat tot handhavend optreden tegen Lelystad Airport. Verweerder vindt dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, omdat Lelystad Airport de vereiste natuurvergunning heeft aangevraagd en het ontwerp van deze natuurvergunning reeds ter inzage heeft gelegen.
Leeswijzer
4. De rechtbank bespreekt eerst het overgangsrecht met betrekking tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet. Daarna stelt de rechtbank de omvang van deze procedure vast. In deze vaststelling gaat de rechtbank in op de stelling van Lelystad Airport en verweerder dat de stichting met haar aanvullende beroepsgronden de reikwijdte van haar handhavingsverzoek heeft uitgebreid en de stelling van Lelystad Airport waarin zij betoogt dat geen sprake is van een overtreding. Vervolgens gaat de rechtbank in op de beroepsgrond van de stichting waarin zij betoogt dat verweerder ten onrechte heeft besloten om niet over te gaan tot handhavend optreden omdat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding.
Overgangsrecht
5. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Aanvullingswet natuur Omgevingswet in werking getreden. Als een verzoek om handhaving van de Wet natuurbescherming is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 2.9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Aanvullingswet natuurbescherming het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt.
5.1.
Het verzoek om handhaving van de Wnb is gedaan op 20 februari 2023. Dat betekent dat in dit geval de Wnb, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Omvang van het geding
Reikwijdte handhavingsverzoek
6. Verweerder en Lelystad Airport stellen zich op het standpunt dat de stichting buiten de reikwijdte van haar handhavingsverzoek is getreden met haar aanvullende beroepsgronden die zijn gericht tegen het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport. Verweerder en Lelystad Airport stellen dat het handhavingsverzoek alleen betrekking had op de vermeende uitbreiding van de activiteiten van Lelystad Airport door de ingebruikname van het zogeheten “Noordelijk Areaal” van de luchthaven.
6.1.
De stichting stelt dat het handhavingsverzoek ook betrekking had op het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport. De stichting stelt dat het handhavingsverzoek ruim was bedoeld en ook ruim is opgevat door verweerder. Dit laatste blijkt volgens de stichting uit meerdere overwegingen in het primaire besluit, waarin verweerder onder meer heeft overwogen dat het huidige gebruik van de luchthaven valt binnen een eerder in een referentiesituatie al toegestane emissieruimte.
6.2.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) dat de reikwijdte van een handhavingsverzoek na het primaire besluit niet meer kan worden uitgebreid. De inhoud van het verzoek is bepalend voor de omvang van het geding.
6.3.
De rechtbank stelt vast dat de stichting onder meer het volgende heeft opgenomen in haar handhavingsverzoek: ‘Hierbij verzoeken wij, Stichting Red de Veluwe, statutair gevestigd te Apeldoorn, u opnieuw handhavend op te treden tegen Lelystad Airport (LA). Ditmaal omdat de luchthaven onlangs heeft aangegeven dat zij het nieuw aangelegde Noordelijk Areaal van de luchthaven in gebruik heeft genomen voor bezoekend groot formaat business aviation vliegverkeer (…) Vliegen met dit soort grote toestellen van en naar de luchthaven is niet toegestaan omdat LA noch beschikt over een natuurvergunning als bedoeld in artikel 2.7 Wnb, noch een beroep kan doen op de aanwezigheid van ‘bestaande rechten’ voor zover die er overigens zouden zijn (wat volgens ons niet het geval is). (…)
5 De nieuwe situatie
(…) Wij verzoeken u de luchthaven op te dragen de nieuwe activiteiten onmiddellijk te beëindigen en ook beëindigd te houden, zolang de door LA aangevraagde natuurvergunning niet is verleend, op straffe van een dwangsom van 1200 Euro per vliegbeweging – door vliegtuigen met een spanwijdte van 24 meter of meer – dat niet aan deze last wordt voldaan.’
6.4.
In het primaire besluit is onder meer het volgende opgenomen: ‘U verzoekt mij om handhavend op te treden omdat de luchthaven het “Noordelijk Areaal” in gebruik heeft genomen voor vliegtuigen die – naar uw mening – niet zijn toegelaten en de luchthaven niet beschikt over de vereiste natuurvergunning.’
6.5.
In de aanvullende beroepsgronden van de stichting (d.d. 16 juli 2025) heeft de stichting geschreven dat zij aanleiding heeft gezien om het handhavingsverzoek nader te preciseren. De stichting beschrijft dat zij eerder van mening was dat handhaving was geboden omdat Lelystad Airport sinds 26 januari 2023 zonder vergunning sluipenderwijs haar huidige activiteiten op de luchthaven aan het uitbreiden is, maar dat zij, gelet op de juridische ontwikkeling, van opvatting is dat handhaving ook zonder de sluipende uitbreiding reeds geboden is.
6.6.
De rechtbank is van oordeel dat de beroepsgronden van de stichting over het huidige gebruik van de luchthaven de reikwijdte van het handhavingsverzoek te buiten gaan. Het handhavingsverzoek van de stichting had uitdrukkelijk betrekking op de uitbreiding van de activiteiten dan wel de nieuwe activiteiten van Lelystad Airport in het Noordelijk Areaal van de luchthaven. De rechtbank volgt de stichting niet in haar stelling dat verweerder uit haar handhavingsverzoek had moeten begrijpen dat zij ook verzocht om handhavend op te treden tegen het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport. Zo heeft de stichting uitdrukkelijk in de conclusie van haar handhavingsverzoek verzocht om handhavend op te treden tegen de nieuwe activiteiten van Lelystad Airport op de luchthaven. De rechtbank vindt eveneens steun voor dit oordeel in de aanvullende beroepsgronden van de stichting, waarin zij uitdrukkelijk beschrijft dat zij eerder van mening was dat handhaving geboden was, omdat Lelystad Airport haar activiteiten aan het uitbreiden is op de luchthaven. Uit het verzoek van de stichting had verweerder daarom niet hoeven afleiden dat de stichting ook verzocht om handhavend op te treden tegen het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport. Daarmee heeft de stichting met haar aanvullende beroepsgronden die zijn gericht op het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport het handhavingsverzoek uitgebreid na het primaire besluit. Omdat dat niet is toegestaan, vallen de beroepsgronden over het huidige gebruik van de luchthaven door Lelystad Airport buiten de omvang van het geding. De rechtbank zal deze beroepsgronden van de stichting daarom onbesproken laten.
Stelling Lelystad Airport
7. Lelystad Airport stelt zich op het standpunt dat geen sprake is van een overtreding. Lelystad Airport betoogt dat als gevolg van de ingebruikname van het Noordelijk Areaal van de luchthaven geen sprake is van een uitbreiding van de luchthaven en ook geen sprake is van het ontvangen van nieuwe typen vliegtuigen. Lelystad Airport neemt hiermee een andere stelling in dan verweerder en eisers.
7.1.
De omvang van het geschil in bestuursrechtelijke zaken wordt bepaald door artikel 8:69 van de Awb. Het eerste lid daarvan verplicht de bestuursrechter zich bij de beoordeling van het besluit te beperken tot wat is aangevochten met beroepsgronden. Dat is het geschil zoals partijen dat naar voren brengen. Daarnaast moet de bestuursrechter kwesties van openbare orde ambtshalve toetsen of beoordelen. Dat gaat om kwesties die behoren tot de kernelementen van de rechtsorde die juist de rechter moet bewaken, los van de wil en kennis van partijen. Dat laatste doet de rechter dus buiten de omvang van het geschil zoals partijen dat naar voren brengen. Daarbij wijst de Afdeling er ter verduidelijking op dat dit niet betekent dat de rechter ook buiten de grenzen van het geding mag treden.
7.2.
De rechtbank stelt voorop dat Lelystad Airport op 21 februari 2025 de rechtbank in kennis heeft gesteld dat zij wenst als belanghebbende deel te willen nemen aan onderhavige procedure. Nu Lelystad Airport aan deze procedure deelneemt als een belanghebbende als bedoeld in artikel 8:26 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en niet als eiser, mag zij in die hoedanigheid de omvang van het geschil tussen verweerder en de stichting niet uitbreiden.
7.3.
In de beslissing op bezwaar is onder meer het volgende opgenomen: ‘Als er met de activiteiten al sprake is van een overschrijding van de bestaande rechten dan zal die zeer gering zijn en gelet op het feit dat zoals hiervoor opgemerkt er sprake is van concreet zicht op legalisatie bestaat er voor mij geen reden om handhavend op te treden.’
7.4.
De rechtbank overweegt dat verweerder in de beslissing op bezwaar heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen Lelystad Airport. In deze beslissing op bezwaar besluit het college dat, ook wanneer sprake zou zijn van een overtreding, er sprake is van concreet zicht op legalisatie. Desgevraagd heeft verweerder ter zitting aan de rechtbank medegedeeld dat volgens hem sprake is van een overtreding, maar dat er sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding.
7.5.
De rechtbank overweegt dat zij in deze procedure niet toekomt aan de beoordeling van de stelling van Lelystad Airport. Zij licht dat als volgt toe. In de beslissing op bezwaar is verweerder niet (uitdrukkelijk) ingegaan of de vraag of Lelystad Airport wel of niet in overtreding was. Daarentegen heeft verweerder ervoor gekozen om niet handhavend op te treden tegen Lelystad Airport omdat sprake was van een concreet zicht van legalisatie van de overtreding. Dit laatste is bevestigd door verweerder op zitting. Gelet op de omstandigheid dat de indiener van het beroep, de stichting, in haar beroepsgronden geen gronden heeft gericht tegen de stelling van verweerder dat sprake is van een overtreding, valt de stelling van Lelystad Airport, gelet op artikel 8:69, eerste lid, van de Awb, buiten de omvang van dit geding. De stelling van Lelystad Airport vormt hiermee namelijk een eigen grond tegen de beslissing op bezwaar. Om ook met gronden te mogen komen had Lelystad Airport zelf een ontvankelijk beroep moeten indienen. Nu zij dat niet heeft gedaan, kan zij zich slechts verweren tegen aantasting van haar belangen als gevolg van de door de stichting uitgelokte toetsing. De rechtbank kan dus niet op grond van de stelling van Lelystad Airport toekomen aan de vraag of sprake is van een overtreding.
7.6.
Zoals volgt uit overweging 7.1 moet de rechtbank die vraag desondanks wel beantwoorden, als de vraag of een overtreding is gepleegd een kwestie van openbare orde is. Of dat zo is blijkt echter niet eenduidig uit de rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank is evenwel van oordeel dat de vraag of in een concreet geval daadwerkelijk een overtreding is gepleegd, geen kwestie van openbare orde is die verplicht tot ambtshalve toetsing door de bestuursrechter. Daarbij betrekt de rechtbank het uitgangspunt dat de ambtshalve toetsing aan bepalingen van openbare orde een uitzondering is op het uitgangspunt dat partijen de omvang van het geding bepalen. Een dergelijke uitzondering moet beperkt worden uitgelegd. Daarbij geldt dat in beginsel de bevoegdheid van een bestuursorgaan om een besluit te nemen ambtshalve wordt getoetst. Naar het oordeel van de rechtbank beperkt die beoordeling zich echter tot de vraag of het bestuursorgaan in het algemeen een bevoegdheid had om een beslissing te nemen, maar niet of die bevoegdheid in het concrete geval juist is toegepast. Toegespitst op deze zaak houdt dat in dat de rechtbank ambtshalve moet toetsen of de staatssecretaris wel bevoegd is om te beslissen over een handhavingsverzoek ten aanzien van Lelystad Airport op grond van de Wnb, maar niet of daadwerkelijk een overtreding is begaan. Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan beantwoording van de vraag of in dit geval sprake is van een overtreding.
Heeft verweerder kunnen besluiten dat sprake was van concreet zicht op legalisatie?
8. De stichting betoogt dat verweerder ten onrechte heeft besloten om niet handhavend op te treden tegen Lelystad Airport omdat sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De stichting voert daartoe aan dat het ontwerpbesluit al dateert van 2021 en er vier jaar later nog steeds geen vergunning is verleend. Verder betoogt de stichting dat concreet zicht op legalisering uit beeld is sinds de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024 (de Rendac-uitspraak). De stichting stelt onder meer dat het niet mogelijk is dat de huidige en mogelijk in de toekomst aangevulde aanvraag van Lelystad Airport voldoet of kan voldoen aan de zogenoemde additionaliteitstoets. De reden hiervoor is volgens de stichting gelegen in de omstandigheid dat de Natura 2000-gebieden rondom de luchthaven in een slechte staat verkeren.
8.1.
Verweerder voert hierover aan dat op het moment van de beslissing op bezwaar wel sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Verweerder stelt hierover dat op 15 februari 2021 een ontwerpbesluit is gepubliceerd met betrekking tot het verlenen van een natuurvergunning voor de exploitatie van de luchthaven door Lelystad Airport. Volgens verweerder is er op voorhand geen aanleiding om aan te nemen dat de aangevraagde natuurvergunning niet kan worden verleend.
8.2.
Lelystad Airport stelt zich op het standpunt dat wel sprake is van concreet zicht op legalisatie van de (door Lelystad Airport betwiste) overtreding. De enkele omstandigheid dat een vergunningprocedure een lange doorlooptijd heeft, heeft niet tot gevolg dat daarom geen sprake meer is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding, aldus Lelystad Airport.
Concreet zicht op legalisatie
8.3.
De rechtbank stelt vast dat verweerder op 15 februari 2021 een ontwerpbesluit heeft gepubliceerd. In dit ontwerpbesluit heeft verweerder onder meer het volgende besloten: ‘Ik besluit om u op grond van artikel 2.7, tweede lid, van de Wnb een vergunning te verlenen voor een jaarlijks aantal van 10.000 vtb handelsverkeer, een jaarlijks aantal van 103.600 vtb general aviation en alle met de exploitatie samenhangende grondgebonden activiteiten.’
8.4.
In de beslissing op bezwaar heeft verweerder onder meer het volgende opgenomen:
‘Gelet op het bovenstaande ben ik van mening dat ook al zou met het huidige gebruik sprake zijn van een overtreding dat ik van handhaving dien af te zien, omdat er concreet zicht is op legalisatie. De aangevraagde vergunning omvat naast het huidige gebruik ook 10.000 vliegtuigbewegingen groot handelsverkeer. Het huidige gebruik van de luchthaven behoort evenals de uitbreiding naar 10.000 vliegtuigbewegingen voor het groot handelsverkeer tot het aangevraagde project, de exploitatie van de luchthaven. In dat licht bezien zijn de door u opgeworpen vragen over de type vliegtuigen die de luchthaven mogen aandoen, de omvang van de bestaande rechten en of het huidige gebruik past binnen die bestaande rechten weinig relevant. Deze activiteiten worden door de vergunning gelegaliseerd. Gelet hierop bestaat er voor mij op dit moment geen aanleiding om handhavend op te treden. Dit zou pas anders zijn als duidelijk zou blijken dat de luchthaven vooruitlopend op de aanstaande vergunning hun activiteiten zodanig zouden opschalen dat zij hiermee evident buiten de aan hen toekomende bestaande rechten zouden opereren. Van een dergelijke opschaling van de activiteiten van de luchthaven blijkt geen sprake te zijn.’
8.5.
De rechtbank overweegt dat volgens vaste rechtspraak van de Afdeling het uitgangspunt geldt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Dit laat onverlet dat handhavingsbesluiten wel aan het evenredigheidsbeginsel getoetst moeten worden, waarbij de maatstaf van de zogeheten Harderwijk-uitspraak geldt. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is sprake van een bijzonder geval. Een bijzonder geval kan zich voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
8.6.
Wanneer de voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb is doorlopen kan volgens vaste rechtspraak concreet zicht op legalisatie bestaan als ten minste een ontwerp-omgevingsvergunning ter inzage is gelegd waarin het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past. In dat geval bestaat echter geen concreet zicht op legalisatie, indien op voorhand duidelijk is dat die omgevingsvergunning geen rechtskracht zal verkrijgen. Dat het besluit tot verlening van de omgevingsvergunning mogelijk kan worden vernietigd, is onvoldoende om dat aan te nemen. In een procedure als de onderhavige bestaat daarom enige ruimte voor een beoordeling van die omgevingsvergunning, maar uitsluitend in die zin of op voorhand duidelijk is dat die geen rechtskracht zal verkrijgen. De rechtbank ziet geen aanleiding om van deze rechtspraak af te wijken wanneer het gaat om natuurvergunningen.
8.7.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat voor de ingebruikname van het Noordelijk Areaal van de luchthaven geen natuurvergunning is verleend en dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet past binnen het ontwerpbesluit. Daarentegen staat tussen partijen wel ter discussie of op voorhand vast staat dat de ontwerpvergunning geen rechtskracht gaat krijgen en ook de vraag of handhaving alsnog is geboden omdat er te veel tijd is verstreken sinds de terinzagelegging van het ontwerpbesluit.
8.8.
De rechtbank oordeelt dat verweerder heeft kunnen besluiten dat in dit geval sprake was van concreet zicht op legalisatie van de overtreding. De rechtbank acht hiertoe van belang dat het gebruik waarop het handhavingsverzoek ziet, past binnen het ontwerpbesluit. Ook was niet op voorhand duidelijk dat de natuurvergunning niet verleend kon worden. Het moeten voldoen aan een additionaliteitstoets betekent niet, dat het niet mogelijk is om een natuurvergunning te verlenen voor het aangevraagde project. Dat het een lastige opgave is en dat een in de toekomst verleende natuurvergunning mogelijk kan worden vernietigd staat niet ter discussie, maar is onvoldoende om te oordelen dat op voorhand duidelijk is dat een vergunning geen rechtskracht zal verkrijgen.
Belangenafweging
8.9.
Het is vaste rechtspraak van de Afdeling dat het bevoegd gezag bij een concreet zicht op legalisatie van een overtreding niet zonder meer verplicht is om af te zien van handhavend optreden. In dat geval zal het bevoegd gezag nog steeds een afweging moeten maken tussen alle betrokken belangen, waarbij het bevoegd gezag rekening moet houden met de omstandigheden van het concrete geval.
8.10.
De rechtbank stelt vast dat sinds de terinzagelegging van de ontwerp-vergunning tot de beslissing op bezwaar ongeveer 3,5 jaar waren verstreken. De aanvraag van de natuurvergunning dateert van 1 oktober 2020 en daarmee was ten tijde van de beslissing op de bezwaar, de beslistermijn op de aanvraag van de natuurvergunning van 6 maanden, ruimschoots overschreden. Op de zitting kon verweerder niet mededelen wanneer de natuurvergunning naar verwachting zal worden verleend. Daarentegen heeft verweerder aangegeven dat de aanvraag aangevuld dient te worden met een additionaliteitstoets en daarnaast nog een (politiek) besluit genomen moet worden over de aanvraag.
8.11.
In de beslissing op bezwaar heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende rekenschap gegeven van de omstandigheden dat er reeds 3,5 jaren waren verstreken sinds de ontwerp-vergunning ter inzage lag en er nog geen zicht was op een concreet moment waarop de vergunning verleend kon worden. Hierdoor ontstaat volgens de rechtbank een onaanvaardbare impasse. Verweerder treedt niet op omdat hij een concreet zicht op legalisatie ziet in een aanvraag. De verlening van de natuurvergunning laat echter op zich wachten, zodat niemand (zowel verweerder, de stichting als Lelystad Airport) weet waar hij of zij aan toe is. Lelystad Airport weet niet aan welke regels zij zich moet houden. Verweerder kan Lelystad Airport niet verplichten zich te houden aan regels in een ontwerp-vergunning en de stichting kan de voorschriften in de ontwerp-vergunning niet aanvechten zolang er geen definitief besluit is genomen. Ook kan de stichting geen handhaving afdwingen. De rechtbank vindt dit niet juist. Zij is van oordeel dat verweerder uitdrukkelijk had moeten motiveren waarom ondanks de lange periode, de voortdurende onzekerheid over wanneer daadwerkelijke vergunningverlening plaatsvindt en de bijbehorende onzekerheid voor partijen, toch nog steeds sprake is van zodanig concreet zicht op legalisatie dat dit zwaarder weegt dan de andere belangen. De rechtbank benadrukt daarbij dat verweerder niet verplicht is om af te zien van handhaving als sprake is van een concreet zicht op legalisatie van de overtreding. Het is en blijft een bevoegdheid om handhavend op te treden. De rechtbank acht het ook van belang om op te merken dat het belang wat gehecht kan worden aan de omstandigheid dat sprake is van concreet zicht op legalisatie van de overtreding, afneemt naarmate de tijd vordert zonder definitieve besluitvorming. Temeer wanneer het zicht op legalisering gedurende die tijd niet concreter wordt, maar eerder afneemt. De beroepsgrond slaagt.
Conclusie
9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de beslissing op bezwaar. Verweerder heeft in haar belangenafweging om niet handhavend op te treden onvoldoende gewicht toegekend aan de omstandigheid dat er reeds 3,5 jaren waren verstreken sinds de ontwerp-vergunning ter inzage heeft gelegen en destijds nog geen concreet moment bekend was wanneer de natuurvergunning zou worden verleend. Verweerder moet opnieuw een belangenafweging maken over het wel of niet handhavend optreden tegen Lelystad Airport, ondanks de omstandigheid dat een ontwerp-natuurvergunning ter inzage heeft gelegen. Omdat de natuurvergunning op het moment van deze uitspraak nog niet is verleend, er aanvullende stukken ingediend moeten worden om de aanvraag te complementeren en er nog (politieke) besluitvorming volgt, ziet de rechtbank geen mogelijkheden voor finale geschilbeslechting. Zij zal verweerder daarom opdragen binnen acht weken een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak. In deze nieuwe beslissing op bezwaar dient verweerder uitdrukkelijk de tijdspanne te betrekken tussen de ter inzage legging van het ontwerp en de nieuwe beslissing op het bezwaar van de stichting, evenals de belangen van partijen en de natuur.
Proceskosten en griffierecht
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door de stichting in de beroepsfase gemaakt proceskosten. De proceskosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Voor vergoeding van de kosten van de deskundige bestaat geen aanleiding omdat de reden voor de gegrondverklaring van het beroep geen verband houdt met het rapport en de toelichting van de deskundige.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 24 oktober 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 371,- aan de stichting moet vergoeden;
- veroordeelt de verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan de stichting.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, voorzitter, en mr. M. Duifhuizen en mr. S.H. Koopmans, leden, in aanwezigheid van mr. R.P.C.M. van Wel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 5 november 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5337, r.o. 7.1 en de uitspraak van de Afdeling van 20 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1138, r.o. 3.
Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 23 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3425.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, r.o. 5.
De rechtbank wijst ter vergelijking op de tegengestelde conclusies uit de uitspraak van de Afdeling van 19 mei 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1068, r.o. 9.1, en de uitspraak van de Afdeling van 30 juni 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1387, r.o. 4.1.
Dit betreft de uitspraak van de Afdeling van 18 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4923.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 1 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4650.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1890, r.o. 4.2.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 9 maart 2016, ECLI:NL:RVS:2016:594, r.o. 9.3.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 maart 2022, ECLI:NL:RVS:2022:800 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling 15 juni 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1680.
Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 25 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2505, r.o. 27 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|