Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:3442 
 
Datum uitspraak:01-05-2026
Datum gepubliceerd:14-05-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/3311
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Geweigerde omgevingsvergunning voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning en het uitbreiden van een stal. Het college heeft ten onrechte niet de uitgebreide procedure toegepast. Dit kon in bezwaar niet gepasseerd worden, omdat het college een verklaring van geen bedenkingen moet vragen aan de gemeenteraad.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
buitengebied
omgevingsvergunning
perceel
vleesvarkens
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: ARN 25/3311
uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen

[eiseres], uit [plaats], eiseres
(gemachtigde: mr. M.J. Tunnissen),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Berkelland
(gemachtigde: G.J. Bomer).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de geweigerde omgevingsvergunning voor een tweede bedrijfswoning en het uitbreiden van een rundveestal. Met de beslissing op bezwaar is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven. Eiseres is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de verkeerde voorbereidingsprocedure heeft toegepast. Dat betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Met het besluit van 9 december 2024 heeft het college geweigerd een omgevingsvergunning te verlenen voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning en het uitbreiden van een rundveestal. Met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 is het college bij de weigering van de omgevingsvergunning gebleven.


2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de beslissing op bezwaar. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. Eiseres heeft nadere stukken ingediend.



2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen:
- namens eisers: [persoon A], [persoon B], [persoon C] en de gemachtigde van eiseres. [persoon D] van Countus Accountants + Adviseurs. [persoon E] van AME Consultants;
- namens het college: de gemachtigde van het college samen met [persoon F] van Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen.




Beoordeling door de rechtbank


Waar gaat deze zaak over?

3. Eiseres exploiteert een agrarisch bedrijf met melkkoeien en vleesvarkens op het adres [locatie] in [plaats]. De omvang van het bedrijf bedraagt 115 melkkoeien, 73 stuks jongvee en 399 stuks vleesvarkens. Op het perceel is één bedrijfswoning aanwezig waarin de twee mede-eigenaren wonen. Eiseres wil het bedrijf laten groeien naar ongeveer 200 melkkoeien, 140 stuks jongvee en 400 vleesvarkens. Per 1 januari 2022 is [persoon C] tot de maatschap van eiseres toegetreden. Vanwege deze toetreding en de beoogde uitbreiding van het bedrijf heeft eiseres op 29 december 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het bouwen van een tweede bedrijfswoning en het uitbreiden van een rundveestal. De aanvraag ziet op de activiteiten “bouwen” en “gebruiken van gronden en/of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan”.


3.1.
Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Buitengebied Berkelland 2020” en het perceel heeft de bestemming “Agrarisch”. Voor het bouwen geldt dat gebouwen uitsluitend binnen het bouwvlak zijn toegestaan. Op grond van artikel 3.1.2 onder c van de planregels is per bouwvlak maximaal het bestaande aantal bedrijfswoningen toegestaan. In artikel 3.4.12 van de planregels is de mogelijkheid opgenomen om met een omgevingsvergunning een twee bedrijfswoning te realiseren, met inachtneming van de volgende voorwaarden:




Afwijking is alleen toegestaan indien de tweede bedrijfswoning voor een doelmatige agrarische bedrijfsvoering noodzakelijk is, waarbij in ieder geval sprake moet zijn van een omvang van het bedrijf die duurzaam werk en inkomen biedt aan twee volwaardige arbeidskrachten en waar permanent toezicht vereist is.




Afwijking is niet toegestaan als op het bouwvlak een plattelandswoning aanwezig is.




Alvorens de afwijking toe te passen vraagt het bevoegd gezag hierover schriftelijk en gemotiveerd advies van een onafhankelijke instantie die deskundig is op het agrarisch gebied.




De onderlinge afstand tussen de tweede bedrijfswoning en de bestaande bedrijfswoning mag niet meer bedragen dan 25 m, tenzij de afstand tussen de tweede bedrijfswoning en de reeds bestaande bedrijfsgebouwen niet meer bedraagt dan 10 m.




De tweede bedrijfswoning leidt niet tot onevenredige aantasting van de gebruiks- en ontwikkelingsmogelijkheden van de nabijgelegen percelen.




Voor het bouwen van een tweede bedrijfsbebouwing is het bepaalde in artikel 3.2.3 en 3.2.4 van overeenkomstige toepassing.






3.2.
Het college heeft advies gevraagd aan de Stichting Advisering Agrarische Bouwplannen (SAAB). Daarbij heeft het college gevraagd aan de SAAB om een antwoord te geven op de vraag of een tweede bedrijfswoning noodzakelijk is als de omvang en de omzet van zowel het aantal melkkoeien als het bijbehorend jongvee toeneemt zoals door eiseres is beoogd. Op 13 mei 2024 heeft de SAAB geadviseerd dat als dit aantal melkkoeien en jongvee feitelijk op het bedrijf aanwezig is, een tweede bedrijfswoning gerechtvaardigd is voor een duurzame en toekomstgerichte bedrijfsvoering. Vervolgens heeft het college aan de SAAB gevraagd hoe het advies luidt als er feitelijk nog niet 200 melkkoeien aanwezig zijn. Op 23 september 2024 heeft de SAAB geadviseerd dat het beoogde aantal dieren aanwezig moet zijn voordat er gesproken kan worden van de noodzaak tot een tweede bedrijfswoning voor het permanente toezicht.



3.3.
Volgens het college wordt niet voldaan aan de voorwaarden van artikel 3.4.12. van de planregels, omdat voor de vraag of de tweede bedrijfswoning noodzakelijk is de feitelijke situatie bepalend is en niet de toekomstige situatie. Omdat het beoogde aantal melkkoeien en jongvee feitelijk (nog) niet aanwezig is, kan volgens het college ook niet gesproken worden van een noodzaak voor een tweede bedrijfswoning. Het college heeft daarom op 9 december 2024 geweigerd de omgevingsvergunning te verlenen.



3.4.
In de bezwaarprocedure is geconstateerd dat de beoogde bedrijfswoning grotendeels buiten het bouwvlak wordt gerealiseerd. Dit is volgens de planregels niet toegestaan. Het college had daarom de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten toepassen. Omdat het college dat niet gedaan heeft, is er sprake van een procedureel gebrek. De commissie bezwaarschriften heeft het college geadviseerd dit gebrek te passeren, omdat niet gebleken is dat belanghebbenden zijn benadeeld.



3.5.
Met de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025 heeft het college het advies van de commissie overgenomen en de omgevingsvergunning in stand gelaten.


Heeft het college het gebrek kunnen passeren?

4. Eiseres betoogt allereerst dat het college het procedurele gebrek niet mocht passeren. Het uitgangspunt is dat onregelmatigheden in de uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet kunnen worden gepasseerd, omdat niet gesteld kan worden dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Volgens eiseres is het niet relevant dat zij meerdere keren in de procedure de gelegenheid heeft gehad om haar zienswijze kenbaar te maken. Volgens eiseres had het college namelijk de aanvraag moeten voorleggen aan de gemeenteraad voor een verklaring van geen bedenkingen (vvgb). Nu dat niet is gebeurd, kan niet worden vastgesteld dat eiseres niet is benadeeld.



4.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat eiseres niet is benadeeld. Bij een ontwerp weigeringsbesluit wordt een belanghebbende in de gelegenheid gesteld om zijn zienswijze kenbaar te maken. Na het definitieve besluit volgt de mogelijkheid tot het instellen van beroep. Nu heeft eiseres haar zienswijze kenbaar gemaakt in bezwaar. Ook na het bezwaar volgt de mogelijkheid tot het instellen van beroep. Volgens het college is het aantal momenten van horen vergelijkbaar. Ook zijn er volgens het college diverse overleggen geweest met eiseres en heeft er uitgebreid contact per e-mail plaatsgevonden. Bovendien is een vvgb van de gemeenteraad niet vereist, omdat de aanvraag voor een tweede bedrijfswoning geen uitbreiding is van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf.




Voorbereidingsprocedure



4.2.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het college de omgevingsvergunning met de verkeerde voorbereidingsprocedure heeft voorbereid. De tweede bedrijfswoning wordt grotendeels buiten het bouwvlak gerealiseerd. Dit is volgens het bestemmingsplan niet toegestaan. Met de reguliere procedure kan dit niet worden vergund. Het college had daarom de uitgebreide voorbereidingsprocedure moeten volgen.


Verklaring van geen bedenkingen



4.3.
Voor de uitgebreide voorbereidingsprocedure geldt dat een vvgb vereist is voor een aanvraag om een omgevingsvergunning. Dit is alleen anders als de gemeenteraad een besluit heeft genomen om categorieën van gevallen aan te wijzen waar een vvgb niet is vereist.



4.4.
Op 17 oktober 2017 heeft de gemeenteraad een besluit genomen om categorieën van gevallen aan te wijzen waar een vvgb voor is vereist. De gemeenteraad heeft besloten dat:


“alle projecten waarvoor ten behoeve van een activiteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder c, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht toepassing gegeven wordt aan artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 3, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht aan te wijzen als categorie van gevallen waarvoor
geen
verklaring van geen bedenkingen van de gemeenteraad is vereist tegen de afgifte van de omgevingsvergunning, tenzij:

- Er sprake is van een (bouw)project voor uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf of een niet-grondgebonden veehouderijtak.”



4.5.
De rechtbank oordeelt dat het college ten onrechte niet om een vvgb van de gemeenteraad heeft gevraagd. Volgens het college is de tweede bedrijfswoning geen uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf. De aanvraag om de omgevingsvergunning ziet echter ook op de uitbreiding van de rundveestal. Doordat de tweede bedrijfswoning en de uitbreiding van de rundveestal in één aanvraag zijn gedaan, is op de gehele aanvraag de uitgebreide procedure van toepassing. Met de uitbreiding van de rundveestal is namelijk er sprake van een uitbreiding van een niet-grondgebonden veehouderijbedrijf.


Tussenconclusie



4.6.
Omdat het college ten onrechte geen vvgb van de gemeenteraad heeft gevraagd, mocht het college naar het oordeel van de rechtbank dit procedurele gebrek niet passeren. Weliswaar heeft eiseres haar bezwaren kenbaar kunnen maken, maar voor de toepassing van artikel 6:22 van de Awb moet op voorhand aannemelijk zijn dat belanghebbenden niet zijn benadeeld. Dat zijn ook anderen dan eiseres. Daarvan is niet gebleken. Bovendien was het college niet bevoegd om zonder vvgb het besluit te nemen. Ook wanneer het college voornemens is de aanvraag om omgevingsvergunning tot afwijking van het bestemmingsplan te weigeren, moet het college een vvgb van de gemeenteraad vragen. Het beroep is daarom gegrond.



4.7.
Nu het beroep gegrond is, komt de rechtbank niet toe aan de beroepsgronden die zien op de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid voor de tweede bedrijfswoning en de gemaakte belangenafweging. Het college moet namelijk de aanvraag in zijn geheel met de uitgebreide procedure voorbereiden en kan, als dat past binnen een goede ruimtelijke ordening, ook afwijken van de binnenplanse afwijkingsmogelijkheid.





Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is gegrond. De rechtbank zal de beslissing op bezwaar vernietigen. Het college moet een nieuw besluit op het bezwaar nemen met inachtneming van deze uitspraak. Daarvoor moet het college eerst een verklaring van geen bedenkingen vragen aan de gemeenteraad. Op voorhand is niet duidelijk wat het standpunt van de gemeenteraad zal zijn. Ook kunnen belangen van derden aan de orde zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding om een bestuurlijke lus toe te passen en zal ook niet zelf in de zaak voorzien.


5.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden en krijgt eiseres ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De proceskostenvergoeding wordt met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,-. De gemachtigde van eiseres een beroepschrift ingediend en aan de zitting bij de rechtbank deelgenomen. Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar reiskosten ter hoogte van € 17,47. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.885,47.



5.2.
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de deskundigkosten af. In deze zaak heeft eiseres kosten gemaakt door Countus een reactie op het beroepschrift te laten opstellen en de zitting bij te laten wonen. De beroepsgrond die slaagt en die aanleiding is voor de proceskosten, ziet op het procedurele gebrek dat door het college is gepasseerd. Omdat deze beroepsgrond geen verband houdt met het deskundigenadvies van Countus, oordeelt de rechtbank dat de kosten van het inschakelen van deze deskundige niet voor vergoeding in aanmerking komen. De rechtbank wijst ook het verzoek om verletkosten af, omdat deze niet nader zijn onderbouwd.

Beslissing


De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de beslissing op bezwaar van 18 juni 2025;
- draagt het college op om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 385,- aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt het college tot betaling van € 1.885,47 aan proceskosten aan eiseres.




Deze uitspraak is gedaan door mr. M. van Harten, rechter, in aanwezigheid van D. van Til, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:





Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo).


Artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo.


Artikel 3.2.1 onder a van het bestemmingsplan.


Afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


Met toepassing van artikel 6:22 van de Awb.


Ter illustratie verwijst eiseres naar de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 13 augustus 2020, ECLI:NL:RBMNE:2020:3268, r.o. 31 en 32.


Er is geen binnenplanse afwijkingsmogelijkheid, en het voldoet niet aan de toepassingsvoorwaarden van de kruimellijst van artikel 4 van bijlage II bij het Besluit omgevingsrecht (Bor).


Artikel 2.12, eerste lid, onder a, onder 3˚ van de Wabo in samenhang met artikel 3.10, eerste lid, onder a, van de Wabo.


Op grond van artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo in samenhang met artikel 6.5, eerste lid, van het Bor.


Artikel 6.5, derde lid, van het Bor.


Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:921, r.o. 5.3 en 5.4.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 28 december 2022, ECLI:NL:RVS:2022:3970.
Link naar deze uitspraak