Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:GHARL:2026:3220 
 
Datum uitspraak:19-05-2026
Datum gepubliceerd:29-05-2026
Instantie:Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
Zaaknummers:200.356.319/01
Rechtsgebied:Civiel recht
Indicatie:Een erflater heeft namens een maatschap een vaststellingsovereenkomst gesloten met een besloten vennootschap. In deze zaak ligt de vraag voor of alleen erflater dan wel de maatschap aan de vaststellingsovereenkomst is gebonden.
Trefwoorden:akkerbouw
erfgenamen
ligboxenstal
melkvee
vaststellingsovereenkomst
wettelijke rente
 
Uitspraak
GERECHTSHOF ARNHEM-LEEUWARDEN


locatie Leeuwarden

afdeling civiel recht

zaaknummer gerechtshof 200.356.319/01
zaaknummer rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen 11189235


arrest van 19 mei 2026


in de zaak van



[appellant] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam en van vereffenaar van de nalatenschap van [naam1] (hierna: erflater)
die woont in [woonplaats1]
hierna: [appellant]
advocaat: mr. L.C. van der Veer

en


mr. [geïntimeerde], in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van [naam2] B.V. (hierna: [naam2] )
die kantoor houdt in [woonplaats2]
hierna: de curator
advocaat: mr. A.M. Worst





1Het verloop van de procedure in hoger beroep


1.1

[appellant] heeft bij dit hof hoger beroep ingesteld tegen de vonnissen die op 17 december 2024 en op 8 april 2025 tussen partijen zijn uitgesproken door de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen. Het verloop van de procedure in hoger beroep blijkt uit:
• de dagvaarding in hoger beroep
• de memorie van grieven
• de memorie van antwoord, ook wijziging van eis
• het verslag van de mondelinge behandeling die op 27 februari 2026 is gehouden (het proces-verbaal)
• de akte van 7 mei 2026 van [appellant]




1.2
Hierna hebben partijen het hof gevraagd arrest te wijzen.






2De kern van de zaak


2.1
Erflater heeft namens de maatschap (een maatschap met [naam3] ) een vaststellingsovereenkomst gesloten met [naam2] op grond waarvan [naam2] een vordering heeft tot betaling van € 17.000,-. In deze zaak ligt de vraag voor of alleen de erflater (stelling curator) dan wel de maatschap (stelling [appellant] ) aan de vaststellingsovereenkomst gebonden is. Als alleen erflater aan de vaststellingsovereenkomst is gebonden, dan behoort tot de nalatenschap van erflater de schuld van € 17.000, -. Als erflater de maatschap heeft gebonden, dan is de nalatenschap tot een bedrag van € 8.500, - gebonden.



2.2
De curator heeft bij de kantonrechter gevorderd:


voor recht te verklaren op grond van artikel 4:223 lid 2 BW dat de curator op grond van de vaststellingsovereenkomst een vordering heeft op de nalatenschap van erflater;



[appellant] te bevelen deze vordering in de vereffening van de nalatenschap mee te nemen zodat de nalatenschap aan de faillissementsboedel € 17.000, - verschuldigd is met de wettelijke rente;



[appellant] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten ter hoogte van € 925, - en in de proceskosten.





2.3
De kantonrechter heeft deze vorderingen toegewezen, behalve ten aanzien van de hoogte van de buitengerechtelijke kosten: [appellant] is veroordeeld om aan de curator € 462,50 te betalen aan buitengerechtelijke kosten.



2.4
De bedoeling van het hoger beroep van [appellant] is dat de toegewezen vorderingen alsnog worden afgewezen. In hoger beroep heeft de curator zijn eis gewijzigd en gevorderd:

primair bekrachtiging

subsidiair



een verklaring voor recht op grond van artikel 4:223 lid 2 BW, dat de curator op grond van de vaststellingsovereenkomst een vordering van € 8.500, - heeft op de nalatenschap van erflater;



[appellant] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van erflater te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van € 8.500, - voor de hiervoor onder a. genoemde vordering te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding;



[appellant] , in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar van de nalatenschap van erflater, te veroordelen om aan de curator te betalen een bedrag van € 462,50 wegens buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met wettelijke rente daarover vanaf de dag van dagvaarding;



primair en subsidiair [appellant] in zijn hoedanigheid van vereffenaar van de nalatenschap van erflater te veroordelen in de proceskosten van het hoger beroep daaronder begrepen de nakosten.



2.5

[appellant] heeft de subsidiaire vordering van de curator, voor zover het betreft de vordering tot betaling van een bedrag van € 8.500, niet weersproken.



2.6
Het hof zal beslissen dat de maatschap is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst op grond van zaakwaarneming. Dat wordt hierna uitgelegd, nadat het hof eerst de relevante feiten heeft vastgesteld.








3De toelichting op de beslissing van het hof


De feiten



3.1

[appellant] is de broer van erflater. Erflater is [in] 2021 overleden en [appellant] is enig erfgenaam van erflater. [appellant] heeft de nalatenschap beneficiair aanvaard en treedt op als vereffenaar van de nalatenschap.



3.2
In december 1995 is erflater met zijn (andere) broer, [naam4] , een maatschap aangegaan. De activiteiten van de door de maatschap gedreven onderneming bestonden uit het fokken en het houden van melkvee en uit akkerbouw.



3.3
Op 27 december 2011 hebben [naam2] en de maatschap een overeenkomst van aanneming gesloten voor de nieuwbouw van een ligboxenstal, in aanvulling waarop zij later in 2011 zijn overeengekomen dat als het verkrijgen van vergunningen voor de nieuwbouw en/of financiering niet haalbaar mocht blijken, [naam2] niet meer het recht heeft op enige vergoeding, behalve ten aanzien van tot op dat moment verrichte werkzaamheden van door [naam2] ingeschakelde derden. In deze aanvulling is met betrekking tot de financiering opgenomen dat deze komt te vervallen op 1 maart 2012. De Rabobank had de maatschap enkele voorwaarden gesteld voor het verstrekken van een lening. De maatschap wilde deze voorwaarden niet accepteren en heeft na het verstrijken van de termijn van 1 maart 2012 aan [naam2] bericht dat de werkzaamheden niet meer verricht hoefden te worden.



3.4
In 2014 is [naam3] , een zoon van [naam4] , toegetreden tot de maatschap.



3.5
In augustus 2016 is [naam4] overleden. Vanaf dat moment tot aan het overlijden [in] 2021 van erflater, waren erflater en [naam3] (hierna: de andere vennoot) de vennoten van de maatschap.



3.6
Op enig moment in 2017 is de samenwerking tussen de andere vennoot en erflater tot een einde gekomen. Vanaf dat moment bemoeide de andere vennoot zich niet meer met de onderneming. Sinds 2018 zijn erflater en de andere vennoot verwikkeld in een gerechtelijke procedure over wie de onderneming mag voortzetten en over de afwikkeling van de maatschap.



3.7
Op 28 februari 2019 heeft [naam2] aan de maatschap een factuur gestuurd van € 69.651,23 met de volgende omschrijving:

“Nota voor het niet uitvoeren van vergund bouwplan, nieuwbouw rundveestal.

Het e.e.a. volgens aanneemovereenkomst van 27 december 2011, waarvan het totaalbedrag excl. BTW € 575.630,25


Niet uitgevoerd/niet meer willen uitvoeren van de nieuwbouw geeft een kostenvergoeding van (volgens AVA art. meer- en minderwerk, indien het minderwerk het meerderwerk overschrijd, heeft de aannemer recht op 10% van het verschil)”



3.8
Na overleg met erflater heeft [naam2] de maatschap op 18 maart 2019 voor het eerder gefactureerde bedrag van € 69.651,23 een creditfactuur gestuurd én een nieuwe factuur gestuurd van € 18.405,90 exclusief btw (€ 22.271,14 inclusief btw) voor daadwerkelijk verrichte werkzaamheden.


3.9
Op 10 april 2019 is met [naam2] een vaststellingsovereenkomst gesloten waarbij het aan [naam2] te betalen bedrag is vastgesteld op € 17.000, -, te voldoen uiterlijk op 31 december 2021. De vaststellingsovereenkomst vermeldt onder meer:

“Betreft nota [naam2] factuur nr.: 2019-03-37 (…)

(…) datum 18-03-2019, totaal bedrag excl. b.t.w.: € 18.405,90



Nadere afspraken betreffende betaling van bovenstaande nota, afgesproken is
:


Afronden naar € 17.000, - hier nog creditnota van € 1.405,90. Rekening moet uiterlijk 31-12-2021 betaald zijn. Verplichting om te bouwen vervalt bij deze.”

De vaststellingsovereenkomst vermeldt bovenaan: “aan: [naam5]”. Bij de ondertekening staat onder “Voor akkoord opdrachtgever” eveneens “[naam5]” vermeld, dit met een handtekening van erflater. Ook [naam2] heeft de vaststellingsovereenkomst voor akkoord ondertekend.



3.10

[naam2] is op 25 maart 2020 in staat van faillissement verklaard.



3.11
In een brief van 23 december 2021 gericht aan de op dat moment enig overgebleven vennoot van de maatschap (de andere vennoot) heeft de curator de maatschap verzocht om het openstaande bedrag uiterlijk op 31 december 2021 te voldoen.



3.12
In een e-mail van 17 januari 2022 heeft de advocaat van de andere vennoot, een kantoorgenoot van de curator en zijn advocaat, aan de curator laten weten dat op het moment van ondertekenen van de vaststellingsovereenkomst de andere vennoot niet meer actief was in de maatschap en schreef hij verder: “Vooralsnog zou ik mij op het standpunt kunnen stellen dat de vordering die uw boedel heeft op de voormalige maatschap in de nalatenschap valt van [naam1] [hof: erflater] en dat u de erfgenamen op dit punt moet gaan aanschrijven.”



3.13
In een e-mail van 21 januari 2022 heeft de advocaat van de andere vennoot verwezen naar artikel 5 lid 1 onder d van de maatschapsovereenkomst waarin staat dat een vennoot voor het aangaan van vaststellingsovereenkomsten of compromissen de toestemming van alle vennoten nodig heeft. De advocaat van de andere vennoot schrijft in zijn e-mail dat hij de mening is toegedaan dat de curator ten onrechte zijn cliënt aanschrijft en dat de curator zich moet wenden tot de erfgenamen van erflater.



3.14
De curator heeft de vordering van € 17.000, - op grond van de vaststellingsovereenkomst ingediend bij [appellant] als vereffenaar van de nalatenschap van erflater.



3.15
In februari 2024 heeft [appellant] aan de curator laten weten dat de vordering niet wordt erkend.


De grieven




3.16
In deze procedure komt [appellant] met zeven genummerde grieven op tegen de vonnissen van de kantonrechter. Hij voert aan dat de curator niet heeft betwist dat de oorspronkelijke declaratie van 28 februari 2019 à € 69.651,23 was gericht aan de maatschap en dat niet valt in te zien hoe de mitigatie van die factuur door erflater hem ineens (in privé) tot partij zou hebben gemaakt (grief 1). Als erflater dan toch tot partij zou zijn geworden bij de vaststellingsovereenkomst met [naam2] , is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar als erflater de gevolgen daarvan ineens volledig in privé zou hebben te dragen in plaats van de door de vaststellingsovereenkomst begunstigde maatschap (grief 2). Verder geldt dat niet [naam2] zich niet kan beroepen op onbevoegde vertegenwoordiging; dat beroep staat alleen open voor de maatschap (grief 3) die echter nooit heeft gesteld dat zij onbevoegd zou zijn vertegenwoordigd (grief 5). In dat verband heeft [appellant] er ter zitting op gewezen dat het beroep op onbevoegde vertegenwoordiging door de erflater, pas drie jaar na dato is gedaan door een derde; dit was bovendien pas nádat de curator kennis had gekregen van een procedure die zijn kantoorgenoot ten behoeve van de andere vennoot voert over de verdeling van het maatschapsvermogen. Verder wijst [appellant] op de brief van de curator van 23 februari 21 (productie 13 bij inleidende dagvaarding) aan de andere vennoot, waarin de curator volhardt in zijn vordering jegens de maatschap (grief 4). Met grief 6 wordt aangevoerd dat omdat de andere vennoot tussen de dood van diens vader ( [in] 2016) en de dood van erflater ( [in] 2021) geen bemoeienis had met de maatschap, zaakwaarneming door erflater noodzakelijk was, hetgeen tot uitgangspunt had moeten worden genomen door de kantonrechter.
Voorts heeft de kantonrechter volgens de grieven miskend dat gedurende voornoemde periode van vijf jaren de andere vennoot geen enkele rechtshandeling die door erflater is verricht heeft aangetast. Hij was er immers steeds bij gebaat. Er was dan ook sprake van een stilzwijgende volmacht tot het sluiten van overeenkomsten namens de maatschap (grief 7). De laatste grief (8) strekt tot een herbeoordeling van het beroep door [appellant] op baattrekking.


De schuld aan [naam2] is van de maatschap, niet van erflater in privé




3.17
Zoals ook de kantonrechter heeft overwogen gaat aan de vraag wie de schuld aan [naam2] moet betalen vooraf de vraag of erflater de maatschap gebonden heeft aan de vaststellingsovereenkomst. Als erflater de maatschap heeft gebonden aan de vaststellingsovereenkomst, zijn erflater en de andere vennoot voor gelijke delen aansprakelijk voor de schuld aan [naam2] . Als erflater de maatschap niet aan de vaststellingsovereenkomst heeft gebonden, is alleen erflater voor het geheel aansprakelijk voor de schuld aan [naam2] . Artikel 7A:1681 BW bepaalt immers dat als de handelende maat niet bevoegd was terwijl hij in naam van de maatschap heeft opgetreden, hij zichzelf bindt en niet de maatschap.


Vertegenwoordigingsbevoegdheid erflater




3.18
Erflater was volgens artikel 5 van de maatschapsovereenkomst niet vertegenwoordigingsbevoegd om namens de maatschap de vaststellingsovereenkomst aan te gaan. Op grond van artikel 5 van de maatschapsovereenkomst had erflater voor het aangaan van de vaststellingsovereenkomst toestemming nodig van de andere vennoot. Artikel 5 van de maatschapsovereenkomst bepaalt weliswaar dat de maten ieder zelfstandig bevoegd zijn de maatschap in alle opzichten en zonder beperkingen te vertegenwoordigen, maar ook dat ieder van hen de toestemming van alle vennoten nodig heeft (onder meer) voor het aangaan van vaststellingsovereenkomsten of compromissen. Vast staat dat erflater geen toestemming had van de andere vennoot om de vaststellingsovereenkomst te sluiten.



3.19
Zoals de kantonrechter terecht heeft overwogen is de maatschap ondanks de vertegenwoordigingsonbevoegdheid van erflater toch gebonden aan de vaststellingsovereenkomst als één van de volgende bijzondere omstandigheden zich voordoet:
 [naam2] is te goeder trouw afgegaan op de door de andere vennoot gewekte en aan hem toerekenbare schijn van bevoegdheid (artikel 3:61 lid 2 BW);
 bij bekrachtiging van de onbevoegd verrichte rechtshandeling door de andere vennoot (artikel 3:69 BW);
 bij gebondenheid uit zaakwaarneming (artikel 6:198 BW);
 als sprake is van baattrekking (artikel 7A:1681 BW).



3.20
Het hof is van oordeel dat de maatschap is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst op grond van zaakwaarneming en licht dat hierna toe.


Gebondenheid uit zaakwaarneming: maatstaf




3.21
Voor een geslaagd beroep op zaakwaarneming is vereist dat iemand zich willens en wetens en op redelijke grond heeft ingelaten met de behartiging van eens anders belang, zonder de bevoegdheid daartoe aan een rechtshandeling of een elders in de wet geregelde rechtsverhouding te ontlenen (artikel 6:198 BW). Anders dan de curator aanvoert is voor het intreden van dit rechtgevolg van zaakwaarneming niet nodig dat sprake is van een (financieel) nadeel in de zin van kosten of vergoeding voor erflater.



3.22
Voor zaakwaarneming is noodzaak tot ingrijpen geen absoluut vereiste. Wel kan (het ontbreken van) de noodzaak een rol spelen bij de beantwoording van de vraag of van een redelijke grond tot zaakwaarneming sprake was en ook de wil of de vermoedelijke wil van de belanghebbende kan een factor zijn. Ongewenste inmenging levert namelijk geen redelijke grond op. Hier gaat het hof verder op in bij de beoordeling of aan de vereisten voor zaakwaarneming is voldaan.



3.23
De stelplicht en (bij een voldoende gemotiveerde betwisting) bewijslast van feiten en omstandigheden die de gevolgtrekking wettigen dat sprake is van zaakwaarneming, rusten hier op [appellant] .

- het willens en wetens handelen zonder bevoegdheid daartoe op grond van een rechtshandeling of (andere) wettelijke regeling



3.24
Erflater heeft de vaststellingsovereenkomst gesloten zonder daartoe bevoegd te zijn op grond van een rechtshandeling of een (andere) wettelijke regeling. Erflater was immers op grond van de maatschapsovereenkomst niet vertegenwoordigingsbevoegd. Erflater heeft willens en wetens gehandeld; erflater is de vaststellingsovereenkomst namens de maatschap aangegaan. Aan deze vereisten voor zaakwaarneming is voldaan.

- de behartiging van eens anders belang



3.25

[appellant] stelt dat erflater met zijn ingrijpen het belang van de maatschap heeft behartigd omdat als gevolg van de vaststellingsovereenkomst de vordering van [naam2] op de maatschap is teruggebracht tot € 17.000.



3.26
De curator betwist dat [naam2] een vordering had op de maatschap. Tijdens onder meer de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de curator gewezen op de in 2011 aanvullend gemaakte afspraak dat als het verkrijgen van vergunningen voor de nieuwbouw en/of financiering niet haalbaar mocht blijken, [naam2] geen recht meer heeft op enige vergoeding, behalve ten aanzien van tot op dat moment verrichte werkzaamheden van door [naam2] ingeschakelde derden. Naar het oordeel van het hof heeft de curator, gelet ook op het door hem als productie 11 overgelegde overzicht van werkzaamheden, echter onvoldoende toegelicht en onderbouwd dat de nota van [naam2] niet (mede) zag op kosten van door [naam2] ingeschakelde derden. Dat [naam2] geen vordering had op de maatschap, kan reeds om die reden niet worden aangenomen. Dat de vordering van [naam2] op de maatschap ten tijde van het sluiten van de vaststellingsovereenkomst al verjaard zou zijn, valt zonder nadere toelichting en onderbouwing evenmin in te zien. De reden daarvoor is reeds dat de curator heeft verklaard dat de maatschap pas ver na het verstrijken van de termijn van 1 maart 2012 aan [naam2] kenbaar heeft gemaakt dat de werkzaamheden niet meer verricht hoefden te worden, en dat [naam2] aan de maatschap vervolgens de factuur van 28 februari 2019 heeft verzonden.



3.27
Naar het oordeel van het hof heeft [appellant] overtuigend toegelicht en onderbouwd dat het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in het belang was van de maatschap. In de vaststellingsovereenkomst staat expliciet dat nadere afspraken zijn gemaakt over de factuur van [naam2] van € 18.405,90 van 18 maart 2019. In de vaststellingsovereenkomst wordt ook naar het factuurnummer van die factuur verwezen. Vanaf februari 2019 maakt [naam2] aanspraak op betaling van haar vordering. In overleg met erflater is alleen de hoogte van de vordering lager geworden. Met de factuur van 18 maart 2019 heeft [naam2] de maatschap een creditfactuur gestuurd van het door haar in februari gefactureerde bedrag van € 69.651,23. Door het handelen van [appellant] is de schuld van de maatschap lager geworden. Met dat alles staat vast dat het sluiten van de vaststellingsovereenkomst in het belang van de maatschap is geweest.



3.28
Het hof komt dan ook tot de slotsom dat als vaststaand moet worden aangenomen dat erflater met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst de vordering van [naam2] op de maatschap heeft terugbracht tot een bedrag van € 17.000. Daarmee heeft erflater de belangen van de maatschap (en dus ook van de andere vennoot) behartigd. Aan dit vereiste voor zaakwaarneming is voldaan. Aan bewijslevering wordt niet toegekomen.

- op redelijke grond



3.29
Van een redelijke grond in de zin van artikel 6:198 BW is sprake als het ingrijpen van erflater, gelet op alle feiten en omstandigheden, gerechtvaardigd was. Dat was naar het oordeel van het hof het geval. Met het sluiten van de vaststellingsovereenkomst heeft erflater zich op redelijke grond ingelaten met de belangen van de maatschap. De redelijke grond bestond daarin dat ten tijde van het aangaan van de vaststellingsovereenkomst in 2019 de samenwerking tussen erflater en de andere vennoot dusdanig verstoord was dat al geruime tijd (want: sinds enig moment in 2017) alleen erflater de onderneming voerde en de maatschap werd geconfronteerd met de vordering van [naam2] (de factuur van 28 februari 2019 en de creditfactuur en nieuwe factuur van 18 maart 2019). In die zin was sprake van een zekere noodzaak waarbij naar het oordeel van het hof hier in het midden kan blijven aan wie de verstoring van de samenwerking lag. Vaststaat dat de andere vennoot zich langdurig niet meer met de onderneming bemoeide behalve dan dat hij en erflater in een gerechtelijke procedure verwikkeld waren over de vraag wie de onderneming over mocht nemen en over de vraag hoe de maatschap afgewikkeld diende te worden. Wat betreft het aangaan van vaststellingsovereenkomsten en/of compromissen in die periode was in feite sprake van een bestuursvacuüm.



3.30
In het vereiste dat de belangenbehartiging ‘op redelijke grond’ moet hebben plaatsgevonden, ligt besloten dat het behartigen van een anders belang tegen diens wil in beginsel geen zaakwaarneming als bedoeld in artikel 6:198 BW kan opleveren. Het alleen (met uitsluiting van de andere vennoot) willen voortzetten van de onderneming betekent echter nog niet dat de andere vennoot (vermoedelijk) niet wilde dat erflater de vaststellingsovereenkomst sloot, ook niet bezien in samenhang met de omstandigheid dat de andere vennoot het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet heeft bekrachtigd. Het nalaten van de bekrachtiging kan – zeker gelet op het tussen erflater en de andere vennoot ontstane conflict – ook een andere reden hebben gehad (waar erflater vooraf geen rekening mee behoefde te houden). Uit het procesdossier blijkt niet dat voor erflater kenbaar was dat de andere vennoot niet wilde dat hij de vaststellingsovereenkomst sloot of dat erflater daar destijds in redelijkheid rekening mee had moeten houden en hij daar daarom van uit had moeten gaan.



3.31
Gelet op het voorgaande is aan alle vereisten voor zaakwaarneming voldaan. Rechtsgevolg is dat de maatschap is gebonden aan de vaststellingsovereenkomst en dat daarmee erflater en de andere vennoot voor gelijke delen aansprakelijk zijn voor de schuld aan [naam2] . Dit betekent dat, zoals door de curator subsidiair gevorderd, de curator een vordering op de nalatenschap van erflater heeft van € 8.500,-. Onderdeel a van de subsidiaire vordering van de curator zal dan ook worden toegewezen. Onderdelen b en c van de subsidiaire vordering zullen worden afgewezen.


De conclusie




3.32
Het hoger beroep slaagt. [appellant] heeft nooit weersproken dat de nalatenschap van erflater voor de helft van de schuld van € 8.500 aansprakelijk is. Hij heeft slechts betwist dat hij voor 100% van de schuld moet opdraaien, terwijl de curator telkens alleen de volle 100% heeft gevraagd. Dit betekent dat de curator in deze procedure welbeschouwd volledig in het ongelijk wordt gesteld. Het hof zal daarom de vordering tot betaling van de buitengerechtelijke incassokosten afwijzen en de curator veroordelen tot betaling van de proceskosten zowel in hoger beroep als bij de kantonrechter. Onder die kosten vallen ook de nakosten die nodig zijn voor de betekening van de uitspraak en de wettelijke rente daarover. De rente is verschuldigd vanaf veertien dagen na die betekening.



3.33
De veroordelingen in deze uitspraak kunnen ook ten uitvoer worden gelegd als een van partijen de beslissing van het hof voorlegt aan de Hoge Raad (uitvoerbaarheid bij voorraad).






4De beslissing

Het hof:


4.1
vernietigt de vonnissen van de kantonrechter in de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen van 17 december 2024 en 8 april 2025, en beslist opnieuw rechtdoende:

 verklaart voor recht, op grond van artikel 4:223 lid 2 BW, dat de curator op grond van de vaststellingsovereenkomst gesloten tussen erflater (namens de maatschap) en [naam2] van 10 april 2019, een vordering van € 8.500 heeft op de nalatenschap van erflater;

 veroordeelt de curator tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] tot aan de uitspraak van de kantonrechter:
€ 847,50 aan salaris van de advocaat van [appellant] (2,5 procespunten x het toepasselijke tarief € 339, -)

 en tot betaling van de volgende proceskosten van [appellant] in hoger beroep:
€ 827, - aan griffierecht
€ 148,04 aan kosten voor het betekenen (bekendmaken) van de dagvaarding aan de curator
€ 1.824, - aan salaris van de advocaat van [appellant] (2 procespunten x het toepasselijke tarief II van € 912, - per punt)

 bepaalt dat al deze kosten moeten worden betaald binnen 14 dagen na vandaag;



4.2
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad;



4.3
wijst af wat verder is gevorderd.


Dit arrest is gewezen door mr. M. Aksu, voorzitter en mrs. A.A.J. Smelt en T.K. Lekkerkerker, leden en is door de rolraadsheer in tegenwoordigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 mei 2026.








Hof Arnhem-Leeuwarden 26 april 2022, ECLI:NL:GHARL:2022:3302 rov. 3.14.


Parlementaire Geschiedenis boek 6 BW, blz. 791.


HR 10 juni 2022, ECLI:NL:HR:2022:853.
Link naar deze uitspraak