|
|
|
| ECLI:NL:RBDHA:2026:14598 | | | | | Datum uitspraak | : | 22-05-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Den Haag | | Zaaknummers | : | SGR 24/9867 | | Rechtsgebied | : | Omgevingsrecht | | Indicatie | : | Bedrijfsmatige opvang van honden; in strijd met het bestemmingsplan; overtreding; bevoegdheid om handhavend op te treden; geen bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | kleine-ondernemersregeling | | | mestopslag | | | omgevingsvergunning | | | paarden | | | perceel | | | stallen | | | tarieven | | | | Uitspraak | RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/9867
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 22 mei 2026 in de zaak tussen
[eiser 1], uit [woonplaats], eiser 1,
[eiseres 2]
, uit [woonplaats], eiseres 2,
V.O.F. [eiseres 3], uit [vestigingsplaats], eiseres 3,
[eiser 4]
, uit [woonplaats], eiser 4,
[eiseres 5]
, uit [woonplaats], eiseres 5,
samen: eisers
(gemachtigde: mr. H.C. Lagrouw),
en
het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar
(gemachtigde: mr. A. van Leeuwen).
Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen: [derde-partij] uit [woonplaats].
Samenvatting
1. Deze uitspraak gaat over een last onder dwangsom die aan eisers is opgelegd vanwege de bedrijfsmatige opvang van honden. Eisers zijn het met de oplegging van deze last onder dwangsom niet eens en voeren daartoe aan dat sprake is van een hobbymatige activiteit.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat sprake is van een bedrijfsmatige opvang van honden. Aangezien deze bedrijfsmatige activiteit op grond van het bestemmingsplan ter plaatse niet is toegestaan, levert dit een overtreding op. Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden. Gesteld noch gebleken is dat er bijzondere omstandigheden zijn om van handhaving af te zien. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Met de besluiten van 9 oktober 2023 heeft het college lasten onder dwangsom aan eisers opgelegd. Met het besluit van 25 november 2024 heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de besluiten van 9 oktober 2023 in stand gelaten.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het besluit van 25 november 2024.
2.2.
Met het besluit van 19 februari 2026 heeft het college de in de besluiten van 9 oktober 2023 opgelegde lasten gedeeltelijk ingetrokken.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers 1 en 4 met hun gemachtigde, de gemachtigde van het college, [naam] namens het college, en de derde-partij.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het bestreden besluit
3. Eiser 1 en eiseres 2 zijn eigenaar van het perceel [adres] in [plaats] en hebben zich sinds 1994 op hun perceel bezig gehouden met het fokken van pony’s en paarden. Eiser 4 en eiseres 5 waren de vennoten van [eiseres 3] (eiseres 3). De vof exploiteerde een bedrijf voor het begeleiden en trainen van paarden en ruiters en de verzorging van dieren.
4. Naar aanleiding van een handhavingsverzoek en een eerder gedane melding heeft een toezichthouder van de [gemeente] op 5 januari 2022 en 9 februari 2022 geconstateerd dat het perceel in strijd met het bestemmingsplan en zonder de benodigde omgevingsvergunning wordt gebruikt voor het stallen en houden van paarden voor sport- en recreatiedoeleinden, en voor de bedrijfsmatige opvang van honden. Daarnaast is geconstateerd dat op het perceel in strijd met het bestemmingsplan en zonder de benodigde omgevingsvergunning bouwwerken zijn gerealiseerd bestaande uit twee nieuwe paardenstallen, de uitbreiding van de bestaande paardenstal, een stapmolen, een mestopslag, een gebouw voor de opvang van honden en een paddock.
5. Met het besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit I) heeft het college aan eiser 1 en eiseres 2 lasten onder dwangsom opgelegd voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan en het bouwen van bouwwerken zonder omgevingsvergunning, voor zover dit betrekking heeft op het houden van paarden, het opvangen van honden en het realiseren dan wel uitbreiden van stallen.
6. Met een ander besluit van 9 oktober 2023 (primair besluit II) heeft het college aan eiseres 3, eiser 4 en eiseres 5 een last onder dwangsom opgelegd voor het gebruik in strijd met het bestemmingsplan, voor zover dit betrekking heeft op het houden van paarden op het perceel.
7. Bij afzonderlijke besluiten heeft het college de begunstigingstermijn meermalen verlengd.
8. Met het bestreden besluit van 25 november 2024 (bestreden besluit I) heeft het college de bezwaren van eisers ongegrond verklaard en de primaire besluiten in stand gelaten. Daarbij heeft het college de begunstigingstermijn verlengd tot 1 mei 2025. Met het besluit van 25 april 2025 heeft het college de begunstigingstermijn vervolgens verlengd tot en met zes weken na de uitspraak op het onderhavige beroep.
9. Met het besluit van 19 februari 2026 (bestreden besluit II) heeft het college besloten om de primaire besluiten in te trekken voor zover die betrekking hebben op het houden van paarden en het realiseren dan wel uitbreiden van stallen.
Overgangsrecht
10. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder dwangsom is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder dwangsom het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de last volledig is uitgevoerd, de dwangsom volledig is verbeurd en betaald, of de last is opgeheven.
10.1.
Bij primaire besluiten I en II heeft het college lasten onder dwangsom opgelegd. Dat betekent dat in dit geval de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Bestreden besluit II
10. Bestreden besluit II is een besluit als bedoeld in artikel 6:19, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Dat brengt mee dat het beroep van eisers tegen bestreden besluit I, van rechtswege mede betrekking heeft op bestreden besluit II.
10.1.
Eisers hebben te kennen gegeven dat hun beroep zich alleen nog richt tegen de last die met bestreden besluit II in stand is gebleven, te weten de last die betrekking heeft op de bedrijfsmatige opvang van honden. De overige beroepsgronden hebben zij ingetrokken. Deze beroepsgronden kunnen daarom onbesproken blijven.
10.2.
Met bestreden besluit II is voor de derde-partij van rechtswege een beroep ontstaan waartegen hij beroepsgronden naar voren kan brengen. Ter zitting heeft de derde-partij te kennen gegeven dat hij met name last heeft van de stallen en de mestopslag op het terrein van eisers. Gelet op de toezeggingen die eisers ter zitting hebben gedaan, heeft de derde-partij ter zitting verklaard dat hij het voor hem tegen bestreden besluit II ontstane beroep niet wenst voort te zetten.
10.3.
De last die met bestreden besluit II in stand is gebleven, is opgelegd aan eiser 1 en eiseres 2. In het navolgende wordt onder eisers daarom alleen nog eiser 1 en eiseres 2 verstaan.
Is sprake van een overtreding?
11. Eisers betogen dat de hondenopvang niet bedrijfsmatig, maar hobbymatig van aard is. Eisers wijzen in dit verband op het beperkte aantal honden dat wordt opgevangen. Daarnaast vindt de opvang in het buitengebied plaats en levert deze geen overlast op. Afgezien van een stuk tuin dat als speelweide voor de honden is afgezet, zijn er geen speciale voorzieningen voor de honden getroffen, zoals kennels. Volgens eisers heeft het college miskend dat de ruimtelijke uitstraling van de activiteit bepalend is voor de vraag of sprake is van bedrijfsmatigheid. Daarbij dienen de aard, de omvang en de intensiteit van de activiteit in aanmerking te worden genomen. Eisers wijzen in dit verband op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 augustus 2021.
11.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat in de rechtspraak van de Afdeling onderscheid wordt gemaakt tussen bedrijfsmatige en hobbymatige opvang en dat bij een bedrijfsmatige exploitatie het aantal honden niet van belang is voor het antwoord op de vraag of de hondenopvang als bedrijfs- of als hobbymatig moet worden aangemerkt. Ook indien niet meer dan tien honden per dag zouden worden opgevangen, is volgens het college sprake van een op winst gerichte bedrijfsmatige hondenopvang.
11.2.
Ter plaatse van het perceel geldt het bestemmingsplan “Landelijk gebied 2015”. De betrokken gronden hebben de bestemming “Agrarisch – Paardenfokkerij” met een functieaanduiding “Bedrijfswoning” voor het huis en een functieaanduiding “Rijbak” op een deel van het perceel.
11.3.
Vast staat dat het bestemmingsplan het bedrijfsmatig opvangen van honden ter plaatse niet toestaat.
11.4.
Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is sprake van een bedrijfsmatige activiteit indien sprake is van een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie dan wel een omvang heeft alsof zij bedrijfsmatig is.
11.5.
Niet in geschil is dat eiser 1 ten tijde van primair besluit I een eenmanszaak had onder de naam [handelsnaam] dat gericht was op het opvangen van honden. Op de website van [handelsnaam] werd geadverteerd dat honden zeven dagen per week konden worden opgevangen voor een bedrag van € 20,- per doordeweekse dag en € 30,- per weekenddag. Niet in geschil is dat in elk geval maximaal zes honden per dag door eisers werden opgevangen tegen deze tarieven, die naar het oordeel van de rechtbank gezien de hoogte ervan zijn aan te merken als commerciële tarieven. Onder deze omstandigheden was de hondenopvang ten tijde van het nemen van primair besluit I naar het oordeel van de rechtbank te beschouwen als een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie en daarmee als een bedrijfsmatige activiteit. De omstandigheid dat slechts een beperkt aantal honden zonder speciale voorzieningen wordt opgevangen op een locatie in het buitengebied, maakt dat niet anders. Anders dan eisers stellen, spelen die omstandigheden pas een rol bij de vraag of een niet op winst gerichte bedrijfsmatige hondenopvang gezien de omvang ervan toch als bedrijfsmatig moet worden aangemerkt. Ook het feit dat de jaarlijkse omzet niet meer dan € 20.000,- per jaar bedraagt waardoor eisers onder de kleineondernemersregeling vallen, betekent niet dat de hondenopvang niet als een op winst gerichte bedrijfsmatige exploitatie is aan te merken, omdat de honden in elk geval ten tijde van primair besluit I tegen commerciële tarieven werden opgevangen. Overigens leveren de genoemde tarieven, bij een maximale bezetting van zes honden, een omzet op die aanmerkelijk hoger ligt dan de door eisers genoemde € 20.000,- per jaar. Het betoog van eisers slaagt niet.
11.6.
Gelet op het voorgaande concludeert de rechtbank dat het college zich in bestreden besluit I terecht op het standpunt heeft gesteld dat ten tijde van primair besluit I sprake was van een bedrijfsmatige opvang van honden. Aangezien deze bedrijfsmatige activiteit op grond van het bestemmingsplan ter plaatse niet is toegestaan, levert dit een overtreding op. Het college was dan ook bevoegd om handhavend op te treden.
Beginselplicht tot handhaven
12. Op grond van vaste rechtspraak geldt bij handhavingsbesluiten als uitgangspunt dat het algemeen belang gediend is met handhaving en dat om die reden in de regel tegen een overtreding moet worden opgetreden. Handhavend optreden is alleen onevenredig als er in het concrete geval omstandigheden zijn waaraan een zodanig zwaar gewicht toekomt dat het algemeen belang dat gediend is met handhaving daarvoor moet wijken. Dan is er een bijzonder geval waarin toch van handhavend optreden moet worden afgezien. Een bijzonder geval kan zich bijvoorbeeld voordoen bij concreet zicht op legalisatie, maar ook andere omstandigheden van het concrete geval kunnen leiden tot het oordeel dat er een bijzonder geval is. Andere redenen om van handhavend optreden af te zien kunnen zich bijvoorbeeld voordoen bij een schending van het gelijkheidsbeginsel of het vertrouwensbeginsel.
Bijzondere omstandigheden?
13. De rechtbank overweegt dat gesteld noch gebleken is dat sprake is van bijzondere omstandigheden om van handhaving af te zien.
Conclusie en gevolgen
14. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de bestreden besluiten in stand blijven, en dat geldt dus ook voor de last voor zover die ziet op de bedrijfsmatige opvang van honden. Er bestaat ook geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. T.A. Oudenaarden, rechter, in aanwezigheid van mr. L.F.A. Bouwens-Bos, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
ECLI:NL:RVS:2021:1907.
Zie bij wijze van voorbeeld de hiervoor bedoelde uitspraak van de Afdeling van 2 augustus 2021 waarnaar eisers in hun beroepschrift verwijzen.
Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:678. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|