|
|
|
| ECLI:NL:RBNHO:2026:5587 | | | | | Datum uitspraak | : | 18-02-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 12-06-2026 | | Instantie | : | Rechtbank Noord-Holland | | Zaaknummers | : | C/15/344915 / HA ZA 23-56 C/15/344915 / HA ZA 23-56 | | Rechtsgebied | : | Civiel recht | | Indicatie | : | Eindvonnis na deskundigenbericht. Vervolg op ECLI:NL:RBNHO:2024:11507. | | Trefwoorden | : | koopovereenkomst | | | paarden | | | wettelijke rente | | | | Uitspraak | RECHTBANK Noord-Holland
Civiel recht
Zittingsplaats Alkmaar
Zaaknummer: C/15/344915 / HA ZA 23-569
Vonnis van 18 februari 2026
in de zaak van
[eiseres]
,
te [woonplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
advocaat: mr. S.A. Wensing,
tegen
1
1. PAARDENKLINIEK HOLLANDS KROON C.V.,
te Middenmeer, 2. EQUINE HEALTH BAKKER B.V.,
te Middenmeer, 3. INNOVET WIERINGERMEER EQUINE B.V.,
te Slootdorp, 4. [gedaagde sub 4],
te [woonplaats] ,
advocaat: mr. A.M. Thomas,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: Paardenkliniek Hollands Kroon.
1De procedure
1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het vonnis van 1 oktober 2025, - de akte uitlaten r.o. 2.5. van 29 oktober 2025 van [eiseres] , - de antwoordakte (en conclusie na deskundigenbericht) van 26 november 2025 van Paardenkliniek Hollands Kroon.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.
2De (verdere) beoordeling
Het deskundigenbericht
2.1.
De rechtbank neemt over wat is overwogen en beslist in de eerder gewezen vonnissen. Bij tussenvonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank geoordeeld dat voor de beoordeling van de vraag of, kort gezegd, Paardenkliniek Hollands Kroon een beroepsfout heeft gemaakt bij de aankoopkeuring van de pony van [eiseres] , behoefte bestaat aan deskundige voorlichting. De rechtbank heeft bij vonnis van 11 september 2024 twee deskundigen benoemd en de volgende vragen aan de deskundigen gesteld:
Zijn de röntgenopnames van de pony van 30 augustus 2022 op een juiste manier gemaakt?
Indien dat het geval is, had Paardenkliniek Hollands Kroon op basis van die röntgenopnames volgens de voor de beroepsgroep geldende normen behoren te zien dat er een botcyste in de knie van het rechterachterbeen van de pony zat?
Indien Paardenkliniek Hollands Kroon de botcyste had behoren te zien, zou dat hebben geleid tot een ander advies en, zo ja, welk advies?
Indien de röntgenopnames van de pony van 30 augustus 2022 niet op een juiste manier zijn gemaakt, op welke wijze hadden die wel moeten worden gemaakt en in hoeverre zou dat kunnen hebben geleid tot een ander advies en, zo ja, welk advies;
Geeft uw onderzoek u aanleiding tot aanvullende aan- of opmerkingen en, zo ja, welke?
2.2.
Op 26 mei 2025 hebben prof. dr. H. Brommer en dr. S. Veraa gezamenlijk een deskundigenbericht uitgebracht.
2.3.
In dit deskundigenbericht staat onder meer het volgende:
“Ad a.
(…) deze röntgenopnames voldoen aan de in het keuringsprotocol vastgestelde eisen. Het door de beroepsgroep vastgestelde keuringsprotocol schrijft voor dat van de knie enkel een zijdelingse opname gemaakt moet worden en dat is in geval als zodanig gedaan. (…)
Ad b.
De beroepsgroep streeft ernaar goede kwaliteit te leveren en in dat kader mag van een keurend dierenarts met de nodige ervaring verwacht worden dat hij de botcyste in de knie RA gezien zou hebben. Wat hier echter ook genoemd moet worden is dat de knie van een paard een complexe structuur is waarbij op de röntgenfoto’s diverse structuren over elkaar heen geprojecteerd worden. Een botcyste in de femurcondyl die normaliter op de achter-voorwaartse opname doorgaans goed te zien is, kan op de zijdelingse opname (die alleen nodig is in het kader van een keuring, een achter-voorwaartse opname is niet vereist volgens het keuringsprotocol) dusdanig ‘versluierd’ zijn dat deze over het hoofd gezien wordt. Bovenstaande doorvertalend: ja, het had gezien behoren te worden maar het is geen fout die als een kunstfout aangemerkt kan worden. (…)
Ad c.
Het is geen discussie dat de aanwezigheid van een botcyste in het gewichtdragende deel van de femurcondyl een verhoogd risico voor gebruik in de sport geeft. Dus ja, als de botcyste gezien was, zou dat geleid hebben tot een ander advies, namelijk dat er een verhoogd risico is voor gebruik van de pony in de sport zoals dierenarts Maree op een later moment correct heeft aangegeven. Hoe groot dat risico exact is, is moeilijk aan te geven: in onderhavige casus waarbij de pony reeds gedurende minimaal 6 jaren zonder problemen van kreupelheid in de sport gefunctioneerd heeft met de aanwezigheid van de botcyste op de hiervoor genoemde locatie kan gesteld worden dat het verhoogde risico relatief klein is. (…)
Ad e.
(…) De pony is 3 maal met een tussentijd van 6 jaar klinisch en röntgenologisch gekeurd door 3 verschillende dierenartsen, is daarbij tweemaal van eigenaar veranderd en is het goed blijven doen in de sport. Bij de eerste twee keuringen is de botcyste over het hoofd gezien, bij de laatste keuring is de botcyste in de knie RA gediagnosticeerd en gerapporteerd. Het feit dat de botcyste door 2 dierenartsen met ervaring over het hoofd is gezien geeft enerzijds aan dat het lastig kan zijn om een botcyste in de mediale femurcondyl op een zijdelingse röntgenfoto te onderkennen, aan de andere kant mag ook verwacht worden dat de beroepsgroep ernaar streeft om kwaliteit te leveren en mag van dierenartsen die ervaring hebben met het keuren van paarden verwacht worden dat zij een dergelijke botcyste kunnen onderkennen op een zijdelings genomen röntgenfoto. (…) Het feit dat er een verhoogd risico voor gebruik in de sport afgegeven moet worden, heeft voor de huidige eigenaar wel consequenties als het gaat om verkoop van de pony omdat een potentiële nieuwe eigenaar doorgaans niet het risico wil lopen dat de pony kreupelheid ontwikkelt, zeker als het gaat om een paard/pony in het hogere prijssegment.
(…)
Wij zijn van mening dat dierenarts Bakker van Paardenkliniek Hollands Kroon de botcyste had moeten zien en als die gezien was, was dat ongetwijfeld op het keuringsrapport vermeld geweest met daarbij de opmerking dat er sprake is van een verhoogd risico. (…)”
2.4.
De antwoorden van de deskundigen komen er op neer dat de aanwezigheid van een botcyste in het gewichtdragende deel van de femurcondyl een verhoogd risico voor gebruik in de sport geeft. Indien de botcyste gezien was, zou dat geleid hebben tot een ander advies, namelijk dat er een verhoogd risico is voor gebruik van de pony in de sport. De deskundigen zijn van mening dat Paardenkliniek Hollands Kroon de botcyste had moeten zien en als die gezien was, was dat volgens de deskundigen op het keuringsrapport vermeld geweest met daarbij de opmerking dat er sprake is van een verhoogd risico.
2.5.
Beide partijen hebben hun opmerkingen naar aanleiding van het deskundigenbericht naar voren gebracht. Paardenkliniek Hollands Kroon heeft de bevindingen van de deskundigen op onderdelen bestreden. [eiseres] heeft de bevindingen van de deskundigen niet bestreden.
2.6.
De kritiek van Paardenkliniek Hollands Kroon op het deskundigenbericht ziet erop dat de bevindingen van de deskundigen onvoldoende consistent zijn. Daarnaast betoogd Paardenkliniek Hollands Kroon dat de door de deskundigen gehanteerde norm “dierenarts met de nodige ervaring” geen objectieve maatstaf is. Indien de juiste maatstaf van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot wordt toegepast, dan volgt uit de bevindingen van de deskundigen dat Paardenkliniek Hollands Kroon zorgvuldig heeft gehandeld. De röntgenopnamen zijn conform het protocol gemaakt, de botcyste is op de vereiste zijdelingse opname door overprojectie moeilijk zichtbaar, het missen ervan wordt door de deskundigen zelf als verklaarbaar aangemerkt en dezelfde afwijking is eerder óók door een andere dierenarts niet opgemerkt, aldus Paardenkliniek Hollands Kroon.
2.7.
De rechtbank overweegt als volgt. Ter beoordeling ligt voor de vraag of Paardenkliniek Hollands Kroon bij de aankoopkeuring van de pony van [eiseres] de zorgvuldigheid heeft betracht die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht en of Paardenkliniek Hollands Kroon een klinische goedkeuring aan [eiseres] kon verlenen. De deskundigen hebben in hun antwoord bij vraag b geconcludeerd dat de botcyste door Paardenkliniek Hollands Kroon gezien had moeten worden. Dat de deskundigen naar de conclusie toe redenerend enkele kanttekeningen maken, maakt dit niet anders. De conclusie is ondubbelzinnig en houdt in dat de dierenarts de botcyste had moeten zien.
2.8.
De rechtbank is van oordeel dat de deskundigen de aan hen voorgelegde vragen met het rapport van 26 mei 2025 op overtuigende wijze, consistent en deugdelijk gemotiveerd hebben beantwoord. De rechtbank zal dan ook de bevindingen van de deskundigen als uitgangspunt nemen bij de verdere beoordeling van het geschil.
Conclusie
2.9.
Op basis van het voorgaande concludeert de rechtbank dat Paardenkliniek Hollands Kroon niet heeft gehandeld zoals van een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot mag worden verwacht. Dus is er sprake van een toerekenbare tekortkoming aan de kant van Paardenkliniek Hollands Kroon. Zoals bij vonnis van 5 juni 2024 onder rechtsoverweging 4.21. is overwogen brengt dit mee dat Paardenkliniek Hollands Kroon tegenover [eiseres] aansprakelijk is voor de schade die [eiseres] heeft geleden ten gevolge van die toerekenbare tekortkoming. Volgens [eiseres] bestaat die schade uit de waardevermindering van de pony die zich heeft geconcretiseerd in een lagere verkoopopbrengst.
Schade
2.10.
Bij vonnis van 1 oktober 2025 heeft de rechtbank uit proceseconomisch oogpunt [eiseres] opgedragen om de door haar te vorderen schadevergoeding te concretiseren en te onderbouwen. De rechtbank heeft daarbij aan [eiseres] het bevel gegeven om in ieder geval aan de rechtbank te overleggen de koopovereenkomst tussen [eiseres] en de koper van de pony en e-mailverkeer en Whatsappcorrespondentie tussen [eiseres] en die koper.
Daarna is Paardenkliniek Hollands Kroon in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren.
2.11.
Volgens [eiseres] bedraagt haar schade € 80.673,47, bestaande uit een bedrag van € 63.500,- wegens waardevermindering van de pony en € 17.173,47 wegens diverse kosten, zoals de kosten van stalling, de hoefsmid en training.
2.12.
Ten aanzien van de verkoop van de pony heeft [eiseres] betoogd dat de pony in februari 2024 zou worden verkocht maar die verkoop niet is doorgegaan. Vervolgens is de pony op 15 april 2024 verkocht aan [naam] Dressage voor een bedrag van € 11.500,-. De koopsom is door [naam] Dressage verrekend met de nog openstaande kosten van stalling en onderhoud van de pony, aldus [eiseres] . Destijds heeft [eiseres] de pony voor een bedrag van € 75.000,- gekocht, waardoor de schade € 63.500,- is.
2.13.
Voor zover [eiseres] vergoeding van kosten vordert, zal de rechtbank dit afwijzen. [eiseres] heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom de diverse kosten tot een bedrag van
€ 17.173,47 zijn te beschouwen als schade als gevolg van de toerekenbare tekortkoming van Paardenkliniek Hollands Kroon. Door die tekortkoming heeft [eiseres] wellicht een hogere aankoopprijs betaald dan gerechtvaardigd was naar aanleiding van het verhoogde risico door de aanwezigheid van de botycyste, maar dat [eiseres] in het geheel zou hebben afgezien van de koop, zoals zij stelt, is niet aannemelijk. Dit gelet op de locatie van de botcyste en omdat de pony reeds gedurende minimaal zes jaren zonder problemen had gefunctioneerd (zie antwoord c). De pony werd immers ten tijde van de koop al jarenlang uitgebracht in de klasse Z2 bij de pony’s, internationale wedstrijden en in de klasse ZZ-zwaar bij de paarden (zie r.o. 2.1 van het tussenvonnis van 5 juni 2024). Aannemend dat [eiseres] de pony ook had gekocht indien Paardenkliniek Hollands Kroon haar werk wel goed had gedaan, zou [eiseres] de betreffende kosten van stalling, hoefsmid en training ook hebben moeten maken als Paardenkliniek Hollands Kroon haar werk wel goed had gedaan. Dat [eiseres] op enig moment geen gebruik meer heeft gemaakt van de pony maar wel kosten maakte, kan niet aan Paardenkliniek Hollands Kroon worden toegerekend.
2.14.
Ter onderbouwing van de schade wegens waardevermindering van de pony heeft [eiseres] aangevoerd dat zij deze heeft verkocht aan [naam] Dressage voor een bedrag van € 11.500,- terwijl [eiseres] de pony had aangekocht voor € 75.000,-. Ter onderbouwing van haar stelling heeft [eiseres] slechts aangevoerd dat [naam] Dressage de pony heeft gekocht voor genoemd bedrag en dat de koopsom is verrekend met de openstaande kosten van stalling van de pony. Volgens [eiseres] heeft alle overleg voorafgaand aan de verkoop en het sluiten van de koopovereenkomst telefonisch plaatsgevonden en bestaat er geen Whatsapp-correspondentie of e-mailverkeer. Als bewijsstukken voor haar stelling heeft [eiseres] overgelegd een niet-ondertekende inkoopverklaring d.d. 15 april 2024 en een schriftelijke verklaring van [naam] , namens [naam] Dressage. In die schriftelijke verklaring schrijft [naam] , kort gezegd, dat zij het risico van de pony heeft (over)genomen en de pony in april 2024 voor € 11.500,- van [eiseres] heeft gekocht en dat de kooprijs is verrekend met openstaande kosten voor de pony en voor nog een andere pony van [eiseres] .
2.15.
Paardenkliniek Hollands Kroon heeft als verweer aangevoerd dat [eiseres] de gestelde schade niet concreet of verifieerbaar heeft onderbouwd. Volgens Paardenkliniek Hollands Kroon heeft [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling op 25 april 2024 geen woord gerept over een verkoop op 15 april 2024 aan [naam] Dressage. Verder blijkt nergens uit dat het verkoopbedrag van € 11.500,- aan [naam] Dressage is betaald of verrekend met openstaande kosten zoals stalling. In de verklaring van [naam] Dressage wordt gesproken over een andere pony waarvan kosten zouden zijn verrekend. Dit maakt de transactie nog onduidelijker. Paardenkliniek Hollands Kroon heeft verder van begrepen dat de verkoop van de pony niet op zichzelf stond maar deel uitmaakte van een bredere transactie tussen [eiseres] en [naam] Dressage. De pony zou naar Thailand zijn geëxporteerd, terwijl [naam] Dressage een andere pony aan [eiseres] zou hebben overgedragen. Tot slot heeft Paardenkliniek Hollands Kroon betoogd dat uit sociale media berichten blijkt dat de pony sinds mei 2024 in Thailand verblijft en dat de kosten voor transport tussen de € 15.000,- en € 20.000,- bedragen. Volgens Paardenkliniek Hollands is het daarom niet aannemelijk dat een pony met een gestelde waarde van slechts € 11.500,- naar Thailand zou zijn geëxporteerd.
2.16.
De rechtbank is van oordeel dat het een opmerkelijke gang van zaken is dat er niets schriftelijk of digitaal is vastgelegd omtrent de verkoop van de pony aan [naam] Dressage. In haar akte geeft [eiseres] niet of nauwelijks inzicht in de wijze waarop de koopovereenkomst met [naam] Dressage tot stand is gekomen. Ook de overgelegde verklaring van [naam] Dressage is slechts een zeer summiere weergave over de verkoop en doorverkoop van de pony. Daarnaast komt de genoemde koopsom voor de pony, € 11.500,-, niet overeen met de verklaring van [eiseres] tijdens de mondelinge behandeling op 25 april 2024. [eiseres] heeft toen verklaard dat de pony voor een bedrag van € 7.500,- aan [naam] Dressage is verkocht.
2.17.
Gelet op de gemotiveerde betwisting van de gestelde verkoopprijs van de pony, lag het op de weg van [eiseres] om van haar stellingen bewijs te leveren. [eiseres] heeft echter geen bewijs aangeboden. Gelet op de buitengewoon summiere onderbouwing van haar stellingen over de omstandigheden die hebben geleid tot de verkoop van de pony, wetende dat Paardenkliniek Hollands Kroon hierover al bij voorbaat vraagtekens zette, ziet de rechtbank geen aanleiding om [eiseres] ambtshalve tot bewijslevering toe te laten. De rechtbank zal de vorderingen van [eiseres] daarom afwijzen.
Proceskosten
2.18.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van Paardenkliniek Hollands Kroon worden begroot op:
- griffierecht
€
2.837,00
- salaris advocaat
€
3.225,00
(2,5 punten × € 1.290,00)
- nakosten
€
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
€
6.251,00
2.19.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wordt toegewezen zoals vermeld in de beslissing.
3De beslissing
De rechtbank
3.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
3.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 6.251,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
3.3.
veroordeelt [eiseres] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
3.4.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.H. Gisolf en in het openbaar uitgesproken op 18 februari 2026. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|