Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:18242 
 
Datum uitspraak:03-07-2026
Datum gepubliceerd:03-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:NL24.36141
Rechtsgebied:Vreemdelingenrecht
Indicatie:MK Jemen, alleenstaande minderjarige vluchteling, de rechtbank komt tot het oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN samen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. De rechtbank is wel van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van nader onderzoek naar adequate opvang in Saoedi-Arabië. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Beroep gegrond. De rechtbank heeft voorafgaand de zitting een kindgesprek met eiser gevoerd en in de bijgevoegde kindbrief de uitspraak op kindvriendelijke wijze uitgelegd.
Trefwoorden:vee
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam

Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.36141
V-nummer: [V-nummer]

uitspraak van de meervoudige kamer in de zaak tussen




[eiser] ,
geboren op [geboortedag] 2010, van Jemenitische nationaliteit, eiser
(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en


de minister van Asiel en Migratie
, de minister
(gemachtigde: mr. L.A. Jager).



Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van [eiser] tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.


1.1.
Bij besluit van 10 september 2024 (het bestreden besluit) heeft de minister de aanvraag van [eiser] tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd afgewezen. Bij hetzelfde besluit heeft de minister aan [eiser] een terugkeerbesluit uitgevaardigd, waarbij zowel Jemen als Saoedi-Arabië als landen van terugkeer zijn aangemerkt, met een vertrektermijn van vier weken.



1.2.

[eiser] heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. [eiser] heeft een aanvullend stuk ingediend.



1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser] en zijn gemachtigde, M. Cheiboukh als tolk in de taal Arabisch-Jemenitisch, [persoon] als voogd van eiser, drie vertegenwoordigers van Nidos als toehoorders en de gemachtigde van de minister.



1.4.
De voorzitter en de griffier hebben voorafgaand aan de zitting een kindgesprek gevoerd met [eiser] en zijn voogd. Een samenvatting van het gesprek is met partijen gedeeld aan het begin van de zitting.




Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt of de minister de asielaanvraag van eiser terecht heeft afgewezen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van [eiser] .

3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Aan het einde van de uitspraak heeft de rechtbank een brief gevoegd voor [eiser] , waarin de uitspraak en de gevolgen van deze uitspraak in kindvriendelijke taal worden uitgelegd.


Asielrelaas


4. [eiser] is geboren en opgegroeid in de stad [geboorteplaats] , in [geboorteland 1] . Hij bezit de Jemenitische nationaliteit. Zijn vader heeft ook de Jemenitische nationaliteit. Zijn moeder heeft de Somalische nationaliteit. [eiser] heeft drie jongere broers en drie zussen. Samen met zijn vader is [eiser] met een Frans visum naar Nederland gereisd. Zijn vader is vervolgens teruggekeerd naar het gezin in Saoedi-Arabië.


4.1.

[eiser] heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij vreest voor de algehele situatie in Jemen.


Het bestreden besluit


5. Het asielrelaas bevat volgens de minister het volgende asielmotief:

1. Identiteit, nationaliteit en herkomst.



5.1.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van [eiser] geloofwaardig. Dat hij uit Jemen komt is op zichzelf niet genoeg om een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. [eiser] heeft zijn vrees voor de oorlog bij terugkeer niet aannemelijk gemaakt. Volgens de minister is op grond van het landenbeleid in heel Jemen op dit moment sprake van de ‘minder uitzonderlijke situatie’ van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Het is daarom aan [eiser] om op basis van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken waarom specifiek hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Volgens de minister is [eiser] daarin niet geslaagd. Hiervoor acht de minister van belang dat hij nooit in Jemen heeft gewoond en nooit problemen heeft ervaren als gevolg van de situatie in Jemen. Daarbij kan [eiser] volgens de minister niet als alleenstaande minderjarige worden aangemerkt, nu hij zich zal moeten verenigen met zijn ouders en niet alleen naar Jemen zal moeten gaan.



5.2.

[eiser] komt ook niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, nu
zijn ouders gelet op hun zorgplicht verantwoordelijk zijn om te zorgen voor adequate opvang in Jemen dan wel in Saoedi-Arabië. Tot slot wordt terugkeer naar Jemen door de minister in het belang van [eiser] gezien.


Landenbeleid voor Jemen


6. [eiser] stelt zich op het standpunt dat de minister ten aanzien van Jemen moet uitgaan van de hoogste gradatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hij voert daartoe aan dat de algemene veiligheidssituatie in Jemen sinds het oplaaien van het conflict is verslechterd. In dat verband wijst [eiser] erop dat de Jemenitische regering op 30 december 2025 de noodtoestand heeft uitgeroepen. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst [eiser] naar de brief van VluchtelingenWerk Nederland van 29 januari 2026: “Jemen – Veiligheidssituatie Jemen sinds begin december 2025”.



6.1.
De rechtbank zal, alvorens deze beroepsgrond te bespreken, het beleid en de relevante rechtspraak uiteenzetten.


Juridisch kader


7. In de uitspraak van 17 juli 2024 heeft de Afdeling het toetsingskader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn naar aanleiding van het arrest X en Y. van het Hof uiteengezet. Uit dit arrest volgt dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn allereerst gaat over de situatie waarin de mate van willekeurig geweld, in het kader van een gewapend conflict, zo hoog is dat een ieder alleen al door zijn aanwezigheid in dat land of gebied een reëel risico loopt op ernstige schade. In deze meest uitzonderlijke situatie wordt niet toegekomen aan het betrekken van individuele omstandigheden. Het Hof legt verder uit dat artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn ook betrekking kan hebben op een ‘minder uitzonderlijke situatie’. Dan moet niet alleen gekeken worden naar de veiligheidssituatie in het land van herkomst, maar ook naar de individuele situatie en de persoonlijke omstandigheden van een vreemdeling. Hoe meer een vreemdeling aannemelijk kan maken dat zijn individuele omstandigheden voor een verhoogd risico zorgen, hoe minder willekeurig geweld er is vereist om in aanmerking te komen voor subsidiaire bescherming.



7.1.
De minister neemt als gevolg van het arrest X en Y en de uitspraak van de Afdeling van 17 juli 2024 drie verschillende gradaties aan van willekeurig geweld. De drie gradaties zijn:



uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld;


relatief hoger niveau van willekeurig geweld; en,


relatief lager niveau van willekeurig geweld.





7.2.
Het Hof heeft in het arrest CF en DN van 10 juni 2021, elementen genoemd die relevant zijn voor de beoordeling of sprake is van een uitzonderlijke situatie die valt onder artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Bij deze beoordeling moeten alle relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen:



de vraag of partijen bij het conflict oorlogsmethoden hanteren die de kans op burgerslachtoffers vergroten of burgers als doel nemen;


de vraag of het gebruik van die methoden wijdverbreid is bij de strijdende partijen;


de vraag of het geweld wijdverbreid is of plaatselijk;


de vraag of er een veiligheidsstructuur aanwezig is;


de intensiteit van de gewapende confrontaties en het organisatieniveau van de betrokken strijdkrachten; en,


de aantallen doden, gewonden en ontheemden onder de burgerbevolking ten gevolge van de strijd.




Het landenbeleid voor Jemen ten tijde van het bestreden besluit van 10 september 2024


8. Vanaf 2016 gold voor Jemen in het beleid van de minister een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. In de Kamerbrief van 18 maart 2024 heeft de minister de Tweede Kamer geïnformeerd over de aanpassing van het landenbeleid ten aanzien van Jemen. In deze brief licht de minister toe dat er aanleiding bestaat om niet langer uit te gaan van de hoogste mate van willekeurig geweld in Jemen. Aanleiding hiervoor was dat uit het Algemeen Ambtsbericht Jemen van september 2023 blijkt dat het de-facto bestand over de hele verslagperiode heeft geleid tot een substantiële daling van gevechtshandelingen. Dit heeft geleid tot een relatief laag aantal doden en gewonden onder de burgerbevolking. Volgens de minister speelden humanitaire omstandigheden in deze beoordeling slechts een rol als sprake is van de uitzonderlijke situatie dat strijdende partijen in een gewapend conflict bewust catastrofale humanitaire omstandigheden creëren als oorlogsmethodiek en dit onderdeel is van het willekeurig geweld. In dit beleid maakte de minister geen onderscheid tussen de verschillende regio’s in Jemen.


Uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025


9. De Afdeling heeft in haar uitspraak van 16 juli 2025 geoordeeld dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat in Jemen geen sprake is van de meest uitzonderlijke situatie, waarbij de mate van willekeurig geweld in een gewapend conflict zo hoog is dat een burger die terugkeert alleen al door zijn aanwezigheid daar een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft namelijk in de globale beoordeling ten onrechte de slachtoffers als gevolg van landmijnen en explosieve oorlogsresten, de recente confrontaties en het verhoogde percentage ontheemden als direct gevolg van het gewapende conflict in Jemen niet kenbaar betrokken. Uit actuele landeninformatie blijkt dat de daling van het aantal burgerslachtoffers sinds het de facto bestand onder druk is komen te staan en dat de intensiteit van het gewapende conflict tussen diverse strijdende actoren weer is toegenomen. Ook is de minister in de beoordeling niet expliciet ingegaan op de daadwerkelijke bestemming of woongebied bij terugkeer.



9.1.
De Afdeling heeft verder geoordeeld dat de minister in deze beoordeling ten onrechte niet de humanitaire omstandigheden heeft betrokken die het directe of het indirecte gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen. Daarbij acht de Afdeling relevant dat uit het ambtsbericht volgt dat Houthi-rebellen toegang tot humanitaire hulp weigeren, dat toegang daartoe in sommige gevallen non-existent is en dat er veel incidenten plaatsvinden waarbij humanitaire toegang wordt gehinderd. Naar het oordeel van de Afdeling zijn humanitaire omstandigheden niet doorslaggevend of bepalend in de globale beoordeling van een uitzonderlijke situatie. Slechts humanitaire omstandigheden als gevolg van het klimaat en natuurlijke fenomenen, zoals droogte en overstromingen, zijn in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, niet relevant. Deze kunnen een rol spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM.


Het bestreden besluit van 10 september 2024


10. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit toepassing heeft gegeven aan beleid dat op grond van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 geen stand kan houden. De rechtbank verklaart het beroep alleen al daarom gegrond en vernietigt het bestreden besluit van 10 september 2024.



10.1.
De minister heeft in het verweerschrift en op de zitting het standpunt ingenomen dat hierdoor weliswaar sprake is van een motiveringsgebrek, maar dat de herbeoordeling naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 en het meest recente Algemeen Ambtsbericht Jemen van 18 april 2025 niet heeft geleid tot de conclusie dat voor Jemen alsnog moet worden uitgegaan van de meest uitzonderlijke situatie van willekeurig geweld. De minister heeft daarom verzocht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand te laten.



10.2.
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of de minister in beroep alle relevante feitelijke omstandigheden in zijn globale beoordeling heeft betrokken en zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat in Jemen sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld (de minder uitzonderlijke situatie).


Gewijzigd landenbeleid voor Jemen


11. Naar aanleiding van het nieuwe algemeen ambtsbericht van 18 april 2025 en de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025 heeft de minister het landgebonden beleid voor Jemen op 17 oktober 2025 gewijzigd. In de kamerbrief van 8 oktober 2025 en de daarin genoemde bijlage 15c beoordeling Jemen, heeft de minister de wijzigingen toegelicht. Anders dan in het vorige landgebonden beleid is voor elke provincie in Jemen afzonderlijk beoordeeld welke gradatie van willekeurig geweld wordt aangenomen. De nieuwe beoordeling heeft er niet toe geleid dat een hoger niveau van willekeurig geweld (de meest uitzonderlijke situatie) voor Jemen wordt aangenomen. De minister neemt voor de provincies Abyan, Aden, Al Bayda, Al Dhale, Al Hudayda, Al Jawf, Ibb, Lahj, Marib, Sa’da, Sana’a (stad), Sana’a (provincie), Shabwa en Taiz aan dat er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. In de provincies Al Mahwit, Amran, Dhamar, Hajjah en Raymah is volgens de minister sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Voor de provincies Al Mahra, Hadramaut en Socotra wordt aangenomen dat er geen sprake is van een 15c-situatie.


Beoordeling rechtbank



Ten aanzien van de humanitaire omstandigheden


12. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen deugdelijke beoordeling heeft gemaakt van de humanitaire omstandigheden die het direct of indirect gevolg zijn van het handelen en/of het nalaten van een actor van ernstige schade in het kader van willekeurig geweld in het binnenlands gewapende conflict in Jemen en overweegt daartoe als volgt. Allereerst is de minister uitgegaan van een onjuiste interpretatie van de Afdelingsuitspraak van 16 juli 2025 en heeft hij daarmee een te beperkt toetsingskader gehanteerd. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat uit de uitspraak van de Afdeling volgt dat niet aannemelijk is dat handelingen die slechts indirect gevolgen hebben voor de humanitaire situatie, wanneer zij globaal in de beoordeling worden betrokken, tot een fundamenteel andere weging zullen leiden. De minister wijst erop dat de voorbeelden die de Afdeling zelf noemt handelingen zijn die directe gevolgen hebben voor de humanitaire omstandigheden die plaatsvinden in het kader van willekeurig geweld. De rechtbank acht deze uitleg te strikt. De rechtbank kan de minister volgen voor zover hij zich op het standpunt stelt dat humanitaire omstandigheden niet zonder meer doorslaggevend zijn. Zoals volgt uit het arrest CF en DN moeten de relevante omstandigheden globaal in aanmerking worden genomen en vormen humanitaire omstandigheden slechts één van de elementen die in samenhang beoordeeld moeten worden. Elk van deze elementen kan in de uiteindelijke afweging meer of minder gewicht in de schaal leggen. De rechtbank leest echter nergens in de uitspraak van 16 juli 2025 dat handelingen die slechts indirecte gevolgen hebben, per definitie minder zwaar wegen in de beoordeling dan handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire situatie. Dat de Afdeling in haar uitspraak enkel voorbeelden noemt van handelingen met directe gevolgen voor de humanitaire omstandigheden, betekent niet dat uitsluitend dergelijke directe gevolgen relevant kunnen zijn. Indirecte gevolgen van het handelen van strijdende partijen, zoals de vernietiging van wegen, havens of andere infrastructuur waardoor humanitaire hulp de bevolking niet bereikt, kunnen immers in de praktijk eenzelfde effect hebben als het rechtstreeks blokkeren van hulpverlening.



12.1.
De rechtbank volgt evenmin het standpunt van de minister dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden in het kader van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn een temporele beperking geldt. De rechtbank leest in de kamerbrief en het verweerschrift dat de minister humanitaire omstandigheden als gevolg van de cumulatieve gevolgen van een al jarenlang voortdurend conflict of de nasleep daarvan na beëindiging niet betrekt bij de beoordeling. Op de zitting is dit standpunt aldus toegelicht dat volgens de minister uit punten 40, 42, 43, 44 en 45 van het arrest X en Y. volgt dat bij de beoordeling van humanitaire omstandigheden het voornamelijk moet gaan om een actieve actor die gedurende de verslagperiode invloed uitoefent op de humanitaire situatie. Aan omstandigheden die in het verleden zijn ontstaan kent de minister minder gewicht toe. De rechtbank leest in het arrest X en Y, noch in de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025, terug dat het bij de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn om een actieve actor moet gaan. Uit de rechtspraak volgt slechts dat humanitaire omstandigheden die in het geheel geen verband houden met willekeurig geweld in het kader van een gewapend conflict, buiten deze beoordeling kunnen blijven. De rechtbank merkt hierbij op dat voor de andere elementen uit het arrest CF en DN ook geen temporele beperking geldt. De rechtbank ziet niet in waarom een dergelijk onderscheid voor humanitaire omstandigheden wel zou gelden.



12.2.
De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet goed heeft gemotiveerd in welke mate de slechte humanitaire omstandigheden in Jemen te wijten zijn aan de strijdende partijen. Op pagina 1 tot en met 3 van de bijlage 15c beoordeling Jemen zet de minister de humanitaire situatie in Jemen uiteen en concludeert dat in sommige situaties de humanitaire situatie direct wordt beïnvloed door de gehanteerde oorlogsmethoden van de strijdende partijen, maar ook dat de slechte humanitaire omstandigheden gezien moet worden in de context dat Jemen al voor de start van de burgeroorlog een slechte humanitaire situatie kende en ook toen al werd gezien als het meest kwetsbare land in het Midden-Oosten. De rechtbank acht deze motivering niet deugdelijk en zal dit hieronder aan de hand van het algemeen ambtsbericht van 18 april 2025 en de overige in de bijlage opgenomen landeninformatie nader toelichten.



12.3.
De rechtbank leest in het algemeen ambtsbericht dat Jemen een land is dat gedurende een lange periode geteisterd is door gewapend conflict, armoede, voedseltekorten en honger, tribale tegenstellingen en economische malaise. Bovenop de al lange tijd bestaande en voortdurende humanitaire kwetsbaarheden die hieruit voortvloeiden, meldt het ambtsbericht dat de leefomstandigheden tijdens de verslagperiode verder verslechterden door de crisis in de Rode Zee. De militaire escalatie daar leidde tot een aanzienlijke daling van aantallen vrachtschepen die Jemen aandeden. Dit gold zowel voor het gebied onder controle van de IRG als van de Houthi-beweging. Volgens data van de Integrated Food Security Phase Classification waren eind 2024 meer dan 600.000 Jemenitische kinderen in het door de IRG gecontroleerde deel van het land ernstig ondervoed en bijna 120.000 kinderen acuut ondervoed - een stijging van 34 procent vergeleken met 2023. Beide delen van Jemen kampten met een blijvend hoge voedselinstabiliteit. Het percentage inwoners dat leed onder onvoldoende voedselconsumptie lag volgens een rapportage van de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN in december 2024 in regeringsgebied iets hoger (52,3%) dan in Houthi-gebied (43,0%).



12.4.
Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat de strijdende partijen doelbewust aanvallen uitvoerden op landbouwgebieden, irrigatiewerken, vee, levensmiddelenopslag, waterinfrastructuur en vissersboten en -uitrusting. De toegang tot water en voedsel werd daarmee voor de bevolking van de getroffen gebieden ernstig bemoeilijkt. De Houthi’s zouden rond frontlijnen op grote schaal landmijnen hebben verspreid in bewoonde gebieden en in landbouwgebieden, waardoor deze onbruikbaar werden voor voedselproductie. Ook legden zij op grote schaal restricties op aan humanitaire hulpverlening, waaronder voedseldistributie. Het algemeen ambtsbericht meldt verder dat strijdende partijen de toegang tot humanitaire hulp dwarsbomen. Uit bronnen komt volgens het algemeen ambtsbericht het beeld naar voren dat met name de Houthi-beweging de toegang tot basisbehoeften als watervoorziening en humanitaire hulp, als wapen in de strijd gebruikten. Ook in het volledig door de Houthi-beweging gecontroleerde deel van Jemen bleef zij tijdens de verslagperiode de toegang van burgers tot humanitaire hulp dusdanig bemoeilijken, dat het hun voedselzekerheid negatief beïnvloedde. Daarbovenop pasten zij restricties toe op vrouwelijke hulpverleners. Het Wereldvoedselprogramma van de VN (World Food Programme, WFP) pauzeerde vanaf december 2023 een groot deel van de voedselhulp in Houthi gebied voor zes maanden. De levering van humanitaire goederen werd verder bemoeilijkt doordat Israëlische luchtaanvallen kritieke infrastructuur in Houthi-gebied beschadigden, waaronder de havens van Al Hudayda en Saleef, de luchthaven van Sana’a en energie installaties - waardoor steden als Sana’a en Al Hudayda langere tijd geen elektriciteit hadden. De haven van Al Hudayda, de belangrijkste aanvoerhaven voor humanitaire goederen, functioneerde nog slechts op 30% van zijn operationele capaciteit.



12.5.
De rechtbank overweegt dat in de kamerbrief en de daaraan ten grondslag liggende bijlage niet inzichtelijk is gemotiveerd op welke wijze de hiervoor genoemde informatie is betrokken bij de conclusie dat de humanitaire situatie in Jemen niet in overwegende mate is veroorzaakt door de handelingen van de strijdende partijen. Uit de beschikbare informatie blijkt onder meer dat deze partijen de toegang tot voedsel en water ernstig beperken, de toegang tot humanitaire hulpverlening op grote schaal belemmeren en voedsel- en watervoorzieningen aanvallen. Daarbij wijst de rechtbank erop dat, hoewel Jemen te maken heeft met natuurlijke fenomenen zoals droogte en overstromingen, het feit dat de helft van de Jemenitische bevolking te kampen heeft met voedselonzekerheid vooral lijkt samen te hangen met het handelen van de strijdende partijen. Jemen importeert, net zoals meer landen in die regio, 80% van zijn voedselbehoefte waardoor het land kwetsbaar is voor aanvallen op voedselvoorzieningen en havens. Handelingen van strijdende partijen in een land dat al kwetsbaar is, hebben een grotere impact op de humanitaire situatie. De minister heeft nagelaten dit te betrekken bij zijn beoordeling. In dit verband heeft de rechtbank op de zitting ook gewezen op recente informatie van Human Rights Watch van 8 januari 2026 waaruit volgt dat de Houthi-autoriteiten de afgelopen 18 maanden ten minste 69 VN-medewerkers en tientallen medewerkers van maatschappelijke organisaties willekeurig hebben vastgehouden. De toename van het aantal arrestaties van leden van maatschappelijke organisaties en VN-agentschappen door de Houthi's dreigt de humanitaire hulpcrisis in Jemen te verergeren. Verder meldt Human Rights Watch dat het Wereldvoedselprogramma en de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN waarschuwen dat de al kritieke acute voedselonzekerheid naar verwachting verder zal verslechteren in de prognoseperiode (november 2025 tot mei 2026), waarbij delen van de bevolking in vier districten onder controle van de Houthi's naar verwachting met een catastrofe te maken zullen krijgen.



12.6.
Ook merkt de rechtbank op dat in de enige bron in de bijlage die duidt op een verbetering in de humanitaire situatie, wordt verwezen naar informatie van de ngo ACAPS die tussen 2023 en 2024 een lichte verbetering in de toegang tot humanitaire hulp constateerde: in 2024 gaf ACAPS Jemen het cijfer 4 (‘zeer hoge toegangsbeperkingen’) en in 2023 was het nog een 5 geweest (‘extreme toegangsbeperkingen’). De rechtbank leest niet in de kamerbrief terug hoe de minister deze informatie heeft afgewogen tegen de onder 12.4. tot en met 12.6. opgenomen informatie. Ook valt het de rechtbank op dat in deze bron tegelijkertijd staat vermeld dat toegang tot humanitaire hulp in Jemen niet is verbeterd of verslechterd, maar hetzelfde is gebleven als in 2023. Bovendien blijkt uit recente informatie van het ACAPS van 1 april 2026 dat Jemen weer een 5 op een schaal van 0 tot 5 scoort. Dit duidt volgens ACAPS op ernstige en aanhoudende belemmeringen voor humanitaire toegang, waaronder incidenten van onveiligheid, controleposten en toegangsweigeringen die het verkeer door het land beperken en waarschijnlijk zullen verergeren na mogelijke escalaties. Het ACAPS meldt dat Jemen wereldwijd één van de meest humanitair ontoegankelijke gebieden blijft.



12.7.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de conclusie dat de minister met de enkele overweging dat Jemen ook voor de burgeroorlog in 2015 een slechte humanitaire situatie kende, niet deugdelijk in kaart heeft gebracht in hoeverre de humanitaire situatie is gecreëerd, in stand gehouden dan wel verergerd door het direct of indirect handelen en/of nalaten van de strijdende partijen. De rechtbank merkt ook op dat de minister niet kenbaar in is gegaan op de eerdere uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 25 oktober 2024 waarin aan de minister is meegegeven acht te slaan op het rapport van The World Organisation Against Torture van september 2022, waarin wordt geconcludeerd dat “Yemen’s cataclysmic humanitarian situation is entirely manufactured”.


Ten aanzien van de algehele veiligheidssituatie


13. De rechtbank is verder van oordeel dat naast dat de minister opnieuw moet motiveren hoe de humanitaire omstandigheden in Jemen meewegen in de beoordeling van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn, de minister daarbij ook opnieuw een beoordeling van de actuele geweldssituatie moet verrichten. Daartoe overweegt de rechtbank dat uit het jaarrapport van 2025 van het CIMP volgt dat tussen 1 januari en
31 december 2025 sprake was van een significante stijging van het aantal burgerslachtoffers (2.653) in Jemen, meer dan een verdubbeling ten opzichte van 2024 (1.201). Het gaat om het op twee na hoogste aantal dat CIMP ooit heeft geregistreerd. Uit het rapport volgt dat deze stijging verband hield met een toename van de vijandelijkheden in de Rode Zee en de bredere regio. Vooral luchtaanvallen zorgden voor veel slachtoffers. De bombardementen vonden niet voortdurend plaats, maar keerden wel steeds terug in reactie op nieuwe escalaties in de regio. Bij een nieuw te verrichten beoordeling moet de minister de verdubbeling van het aantal slachtoffers en de toename van vijandelijkheden in de regio, in samenhang met andere elementen van het arrest CF en DN, betrekken.


Individuele omstandigheden bij een relatief hoger niveau van willekeurig geweld


14. [eiser] stelt zich op het standpunt dat, ook al zou geen sprake zijn van de meest uitzonderlijke situatie, de minister ten onrechte stelt dat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan hij risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Hierbij wijst [eiser] erop dat hij een alleenstaand minderjarig kind is zonder opvang en netwerk in Jemen. Hij doet in dit verband een beroep op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 17 maart 2026.



14.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister, in strijd met het arrest X en Y, niet alle relevante omstandigheden heeft betrokken en onderzocht. De minister gaat ervan uit dat [eiser] zich met zijn ouders in Saoedi-Arabië zal herenigen of dat hij met (één van) hen naar Jemen terugkeert en zich daar vestigt in een gevrijwaarde provincie of een gebied met een relatief lage mate van willekeurig geweld. De minister heeft echter ten onrechte niet onderzocht of het aannemelijk is dat de familie zich bij [eiser] in Jemen zal voegen. Beide ouders zijn niet in Jemen geboren en hebben zich daar nooit gevestigd. De minister had dan ook moeten onderzoeken of de jonge leeftijd van eiser – hij was ten tijde van het bestreden besluit veertien jaar – leidt tot een verhoogd risico. In dat verband is relevant dat [eiser] op de zitting heeft verklaard dat hij aan zowel vaders- als moederszijde geen opvang in Jemen heeft. Zelfs als aangenomen wordt dat de ouders met hem terugkeren naar Jemen, heeft de minister onvoldoende onderzoek gedaan naar de situatie waarin zij dan zouden terechtkomen. De rechtbank begrijpt dat dit lastig concreet te maken is, omdat het gezin nooit in Jemen heeft gewoond, maar de enkele veronderstelling dat terugkeer mogelijk zou zijn naar een gevrijwaarde provincie acht de rechtbank te algemeen. Het X en Y arrest vereist dat alle aangevoerde elementen zorgvuldig moeten worden bezien in het licht van de situatie in Jemen. Dit betekent dat de minister een duidelijk beeld moet schetsen van de situatie waarin [eiser] dan wel als alleenstaande minderjarige, dan wel met zijn ouders terecht zal komen. Daar komt bij dat niet is gebleken van enige binding met een bepaald gebied of van een sociaal netwerk in Jemen. Ook is de financiële situatie van de ouders onzeker. [eiser] heeft op de zitting toegelicht dat zijn ouders niet meer werken door gewijzigde regelgeving in Saoedi-Arabië en afhankelijk zijn van giften. Dit terwijl de rechtbank ambtshalve bekend is met informatie van VluchtelingenWerk Nederland waaruit volgt dat terugkeerders in Jemen te maken kregen met dezelfde omstandigheden als ontheemden en bijna volledig afhankelijk zijn van humanitaire hulp.


Conclusie 15c-beoordeling


15. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat niet inzichtelijk is geworden hoe de elementen uit het arrest CF en DN samen hebben geleid tot de conclusie dat in Jemen geen sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld. De minister heeft niet op deugdelijke wijze de humanitaire omstandigheden betrokken en daarmee niet in lijn gehandeld met de uitspraak van de Afdeling van 16 juli 2025. Ook heeft de minister onvoldoende onderzocht en gemotiveerd op welke wijze de individuele omstandigheden van [eiser] kunnen leiden tot een verhoogd risico op willekeurig geweld bij terugkeer naar Jemen.


Buitenschuldbeleid


16. [eiser] voert verder aan dat de minister ten onrechte stelt dat er voor hem adequate opvangmogelijkheden in Saoedi-Arabië zijn. De verblijfsvergunningen van de ouders, broertjes en zusjes zijn op 20 september 2023 verlopen. Zij hebben dus geen legaal verblijf meer in Saoedi-Arabië. Adequate opvang in het door oorlog geteisterde Jemen behoort evenmin tot de mogelijkheden.



16.1.
De rechtbank overweegt, onder verwijzing naar hetgeen hiervoor onder 14.1 is overwogen, dat de minister onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de opvangmogelijkheden van eiser in Jemen. De rechtbank is echter van oordeel dat de minister heeft kunnen afzien van nader onderzoek naar adequate opvang in Saoedi-Arabië. Daarbij stelt de rechtbank vast dat uit de verklaringen van [eiser] volgt dat hij dagelijks contact onderhoudt met zijn ouders. Met de enkele stelling dat de verblijfsvergunningen van zijn ouders in Saoedi-Arabië zijn verlopen en dat zijn vader niet langer meer mag werken, heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat het op voorhand onmogelijk moet worden geacht dat zijn ouders voor hem voor adequate opvang kunnen zorgen terwijl zij ook voor hun andere kinderen zorgen. Voor zover de praktijk anders zou zijn dan door [eiser] is gesteld, lag het op zijn weg om dit nader te onderbouwen.


Artikel 3 van het EVRM


17. De rechtbank is ten slotte van oordeel dat de minister niet heeft voldaan aan de opdracht van de Afdeling in haar uitspraak van 16 juli 2025 door niet te beoordelen of de humanitaire omstandigheden in Jemen die geen verband houden met willekeurig geweld, strijd opleveren met artikel 3 van het EVRM. Uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, zoals droogte, dan slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 3 EVRM in “very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling”. Wanneer natuurlijke verschijnselen echter hebben bijgedragen aan erbarmelijke humanitaire omstandigheden, maar deze voornamelijk zijn te wijten aan directe en indirecte acties van de partijen bij een conflict dan moet de minister beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer in staat zal zijn: “to cater for his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame.” De verwijzing van de minister ter zitting naar de beoordeling in het kader van artikel 15, aanhef en onder c van de Kwalificatierichtlijn en de aanwezigheid van adequate opvang volstaat niet, nu de toets onder artikel 3 van het EVRM een autonome beoordeling betreft en de minister in de 15c-beoordeling niet is ingegaan op de vraag of [eiser] in staat zal zijn “to cater for his most basic needs”.




Conclusie en gevolgen

18. De rechtbank is concluderend van oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet deugdelijk is gemotiveerd. De rechtbank verklaart daarom het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet gelet op de aard van de gebreken geen aanleiding om deze gebreken te passeren of de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De minister moet daarom een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. De overige beroepsgronden behoeven gelet op het voorgaande geen bespreking.

19. Verder ziet de rechtbank gelet op de minderjarigheid van eiser en de duur van de procedure op grond van artikel 8:72, zesde lid, van de Awb reden om de minister een dwangsom op te leggen van € 100,-, te betalen aan eiser voor iedere dag dat de minister de door de rechtbank opgelegde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-.

20. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten in verband met de behandeling van zijn beroep. Deze vergoeding stelt de rechtbank vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het deelnemen aan de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.


Beslissing

De rechtbank,

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat de minister aan eiser een dwangsom van € 100 verbeurt voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 7.500,-; en,


- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N. Boonstra, voorzitter, en mr. H.J. Doets en
mr. Y. Moussaoui, leden, in aanwezigheid van mr. I.I. Mooij, griffier.



Informatie over hoger beroep
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen één week na de dag van verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Naast de vereisten waaraan het beroepschrift moet voldoen op grond van artikel 6:5 van de Awb (zoals het overleggen van een afschrift van deze uitspraak) dient het beroepschrift ingevolge artikel 85, eerste lid, van de Vw 2000 een of meer grieven te bevatten. Artikel 6:6 van de Awb (herstel verzuim) is niet van toepassing.



Bijlage kindvriendelijke terugkoppeling

Beste [eiser] ,

Op 13 april van dit jaar hebben wij met elkaar gepraat bij de rechtbank. Ik vind het heel knap van jou dat je bent gekomen en mij hebt verteld wat je vindt van de zaak die gaat over de afwijzing van jouw asielaanvraag.

Je hebt mij verteld dat je graag in Nederland wilt blijven en dat je hoopt dat ook jouw ouders, zussen en broertjes kunnen komen om samen een stabiele toekomst in Nederland te hebben. Aan het eind van ons gesprek hebben we samen afgesproken dat ik over ons gesprek mocht vertellen op de rechtszitting. Ook hebben we toen samen afgesproken dat ik jou zou laten weten wat mijn beslissing zou zijn. Daarom schrijf ik je nu deze brief.

De beslissing van de rechtbank is dat de minister een nieuw besluit moet nemen over jouw asielaanvraag. De rechtbank neemt die beslissing omdat de minister – heel kort gezegd - onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de omstandigheden in Jemen. Ook heeft de minister het besluit onvoldoende gemotiveerd en dat betekent dat de minister niet goed uitlegt waarom hij het besluit op deze manier heeft genomen.

De minister heeft ook beoordeeld of jij als minderjarige een reguliere vergunning kunt krijgen als er in Jemen of Saoedi-Arabië geen opvang is voor jou. De minister heeft onvoldoende onderzoek gedaan naar de opvangmogelijkheden in Jemen, maar de rechtbank denkt wel dat jij terug kan naar jouw ouders, zussen en broertjes in Saoedi-Arabië.

De uitspraak van de rechtbank betekent dat de minister een nieuw besluit moet nemen en dat je nog langer moet wachten voor je duidelijkheid hebt. Ik begrijp dat dit een teleurstelling voor jou is. De rechtbank hoopt dat de minister gauw een nieuw besluit neemt. Daarom legt de rechtbank een dwangsom op aan de minister als er niet op tijd een nieuw besluit wordt genomen.

Als de minister of jij het niet eens bent met de beslissing van de rechtbank, dan kan binnen een week hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Dat is een hogere rechter, die dan nog eens naar de zaak gaat kijken. Als er geen hoger beroep komt, dan zal de minister een nieuw besluit nemen.

Ik hoop dat het voor jou zo duidelijk is wat de rechtbank heeft beslist en waarom we die beslissing hebben genomen. Verder hoop ik dat het goed met jou zal gaan.

Groeten,

De rechter: Nicole Boonstra



Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.


Richtlijn 2011/95/EU.


ECLI:NL:RVS:2024:2927.


Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.


ECLI:EU:C:2023:843.


Hof van Justitie van de Europese Unie.


Zie Kamerstukken II 2023-24, 19 637, nr. 3211, en paragraaf C2/3.3.3.3 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000).


ECLI:EU:C:2021:472.


Kamerbrief van 18 maart 2024, met kenmerk 19637, nr. 3215, de daarbij horende beslisnota, en WBV 2024/9.


ECLI:NL:RVS:2025:3153.


Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden.


Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 28 november 2011 (Sufi en Elmi), ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907.


WBV 2025/20.


19 637, nr. 3489. Zie ook de bijlage 15c beoordeling en de beslisnota bij deze brief.


Punten 40 en 45.


De minister wijst op een bron van het UNHCR, “Yemen crisis explained”, 27 maart 2025, waarin staat opgenomen: “Even before the current crisis, Yemen was the most vulnerable country in the Middle East. It regularly ranked among the world’s worst in malnutrition rates with half of its population living in poverty and without access to safe water.”


Pagina 12 van het algemeen ambtsbericht april 2025.


Internationaal erkende regering.


Verenigde Naties.


Pagina 13 van het algemeen ambtsbericht april 2025.


Pagina 14 van het algemeen ambtsbericht april 2025.


Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.


World Food Programme, ‘Impact of rising food prices on household food security in Yemen’, 31 augustus 2008.


Human Rights Watch, ‘Houthi Detentions Halting Aid in Crisis-Hit Yemen’, 8 januari 2026.


Assessment Capacities Project.


Pagina 15 van het algemeen ambtsbericht april 2025.


ACAPS, Humanitarian access overview 2024, pagina 5.


ACAPS, Yemen: Possible escalation pathways and anticipated humanitarian impacts, 1 april 2026.


ECLI:NL:RBDHA:2024:17489.


Civilian Impact Monitoring Project.


CIMP, 2025 annual report, 1 January – 31 December 2025, pagina 2 en 5.


ECLI:NL:RBDHA:2026:5729, r.o. 13.2.


Brief VluchtelingenWerk Nederland, “Jemen – Humanitaire situatie”, 29 januari 2026.


Overweging 278, 282 en 283.
Link naar deze uitspraak