Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBZWB:2026:5237 
 
Datum uitspraak:03-06-2026
Datum gepubliceerd:10-07-2026
Instantie:Rechtbank Zeeland-West-Brabant
Zaaknummers:BRE 25/1973
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Belanghebbende in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht.
Trefwoorden:omgevingsvergunning
paarden
 
Uitspraak
RECHTBANK ZEELAND-WEST-BRABANT

Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: BRE 25/1973


proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 juni 2026 in de zaak tussen




[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Veere, het college.



Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghoudster] , uit [plaats] , vergunninghoudster.



Inleiding

1. Vergunninghouder heeft op 15 januari 2024 een omgevingsvergunning aangevraagd ten behoeve van de activiteit ‘afwijken van regels in het omgevingsplan’. Met de omgevingsvergunning wil vergunninghouder de bestaande (aan paarden gelieerde) bedrijfsactiviteiten legaliseren op percelen die worden ontsloten via [adres 1] in [plaats] .


1.1.
Het college heeft de aangevraagde omgevingsvergunning op 3 september 2024 verleend (het primaire besluit).



1.2.
Eiseres, wonend aan de [adres 2] in [plaats] , heeft hier bezwaar tegen gemaakt.



1.3.
In de beslissing op bezwaar van 13 februari 2025 heeft het college het bezwaar, overeenkomstig het advies van de commissie bezwaarschriften, niet-ontvankelijk verklaard (het bestreden besluit) omdat eiseres niet als belanghebbende is aan te merken.



1.4.
Eiseres heeft hier beroep tegen ingesteld.



1.5.
Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan heeft eiseres deelgenomen. Namens het college waren [vertegenwoordiger college 1] en [vertegenwoordiger college 2] aanwezig. Vergunninghoudster werd op zitting vertegenwoordigd door [persoon 1] , [persoon 2] en [persoon 3] .



1.7.
Na afloop van zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan.




Beoordeling door de rechtbank


Omvang van het geding


2. Omdat het college het bezwaarschrift van eiseres niet-ontvankelijk heeft verklaard in het bestreden besluit, blijft de omvang van het geding beperkt tot de beoordeling van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift. De rechtbank gaat in deze mondelinge uitspraak dus niet in op inhoudelijke beroepsgronden.


Belanghebbendheid


3. Uit artikel 1:2, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) volgt dat degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit betrokken is belanghebbende is. Eiseres heeft aangevoerd dat zij belanghebbende is.


3.1.
Iemand die rechtstreeks feitelijke gevolgen ondervindt van een activiteit die een besluit toestaat voldoet hier in beginsel aan. Het criterium dat het moet gaan om ‘gevolgen van enige betekenis’ is een correctie op dit uitgangspunt. Zonder gevolgen van enige betekenis heeft iemand geen persoonlijk belang bij het besluit. Hij onderscheidt zich dan onvoldoende van anderen. Om te bepalen of er gevolgen van enige betekenis voor de woon-, leef- of bedrijfssituatie van iemand zijn, dient de rechtbank te kijken naar de factoren afstand tot, zicht op, planologische uitstraling van en milieugevolgen (onder andere geur, geluid, licht, trilling, emissie, risico) van de activiteit die het besluit toestaat. Zij bekijkt die factoren zo nodig in onderlinge samenhang. Ook de aard, intensiteit en frequentie van de feitelijke gevolgen kunnen van belang zijn.



3.2.
De rechtbank stelt vast dat het criterium ‘gevolgen van enige betekenis’ een lage drempel is. Die drempel is naar het oordeel van de rechtbank in het geval van eiseres gehaald. Zij woont namelijk binnen 300 meter afstand van het percelen van vergunninghouder en zij heeft zicht op de percelen en delen van de activiteiten daarop. Zij heeft specifiek ook zicht op het licht van de lichtmasten. De rechtbank is aldus van oordeel dat eiseres belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, omdat eiseres gevolgen van enige betekenis ondervindt van de activiteiten die primaire besluit toestaat.




Conclusie en gevolgen

4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat eiseres is aan te merken als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb. Eiseres ondervindt namelijk gevolgen van enige betekenis van de activiteiten die het primaire besluit toestaat. Eiseres krijgt gelijk en het beroep is dus gegrond. De rechtbank zal het bestreden besluit vernietigen en het college opdragen binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


4.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.




Beslissing

De rechtbank:
- verklaart beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op binnen acht weken na verzending van de uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar van eiseres met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194,00 aan eiseres moet vergoeden;













griffier


rechter







Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop dit proces-verbaal is verzonden.




Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:2295.
Link naar deze uitspraak