Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBDHA:2026:18231 
 
Datum uitspraak:06-07-2026
Datum gepubliceerd:20-07-2026
Instantie:Rechtbank Den Haag
Zaaknummers:SGR 24/97
Rechtsgebied:Omgevingsrecht
Indicatie:Wabo; omgevingsvergunning voor uitweg en laad- en losplaats ter ontsluiting van een perceel met daarop een boomkwekerij; art. 2.18 Wabo; limitatief-imperatief stelsel; geen weigeringsgrond als bedoeld in APV, daarom ook geen belangenafweging art. 3:4, eerste lid, van de Awb; verkeersdeskundig advies door eiser niet met tegenadvies betwist; het bestaan van een gunstiger alternatief speelt geen rol bij de beoordeling; beroep ongegrond.
Trefwoorden:agrarisch
bedrijfswoning
bestemmingsplan
hoogheemraadschap
omgevingsvergunning
perceel
tuinbouw
wabo
 
Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/97

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 juli 2026 in de zaak tussen



[eiser] uit [woonplaats], eiser,
(gemachtigde: mr. W.J. Vroegindeweij)

en



het college van burgemeester en wethouders van Noordwijk,
(gemachtigde: mr. S. Geerlings).

Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [vergunninghouder] uit [woonplaats] (vergunninghouder)
(gemachtigde: mr. D.G. Lasschuit).



Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over een omgevingsvergunning voor het realiseren van een uitweg en een laad- en losplaats op het perceel [perceel 1] in [plaats].


1.1.
Het bezwaar van eiser tegen het besluit waarbij de omgevingsvergunning is verleend, is ongegrond verklaard. Aan de hand van de gronden die eiser in beroep tegen het besluit op bezwaar heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid daarvan.



1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft.




Inleiding

2. Vergunninghouder heeft een aanvraag en een aanvullende aanvraag ingediend om een omgevingsvergunning voor de aanleg van een uitrit, een verhard pad met een breedte van 5 m en een lengte van 50 m en een laad- en losplaats van ca. 20 m lang en 11 m breed met het oog op de uitoefening van een boomkwekerij en hoveniersbedrijf op het perceel [perceel 1] en de op- en overslag van aanverwante landbouwproducten. Op het perceel rust de bestemming “Agrarisch” als bedoeld in het bestemmingsplan “[bestemmingsplan]”, met de functieaanduiding “Specifieke vorm van Agrarisch-1” en de dubbelbestemming “Waarde-Archeologie”. Het perceel [perceel 1] is thans niet ontsloten door een eigen uitweg.


2.1.
Eiser woont op de [adres 1] in [plaats] op het perceel met nummer [perceel 2] dat aan één zijde grenst aan het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet en aan de andere zijde aan het perceel met het adres [adres 2], waar vergunninghouder woont (perceelnummer [perceel 3]). Het perceel van eiser wordt ontsloten door een uitweg met een breedte van ruim 3 m aan de zijkant van het perceel, grenzend aan perceel [perceel 1].



2.2.
Vergunninghouder wil perceel [perceel 1] ontsluiten door middel van de vergunde uitweg die hij wil aanleggen aan de zijde die grenst aan het perceel van eiser. De vergunde uitweg en de uitweg op het perceel van eiser komen hierdoor naast elkaar te liggen. Eiser acht dat onwenselijk omdat hij meent dat de verkeersveiligheid hierdoor in het gedrang komt en omdat hij vreest voor overlast door het gebruik van de vergunde uitweg. Een uitweg ter ontsluiting van perceel [perceel 1] is volgens hem ook niet nodig omdat vergunninghouder door het recht van overpad ook via de uitweg op het perceel van eiser zijn perceel kan bereiken.

Procesverloop


3. Met het besluit van 6 februari 2023 heeft het college de aangevraagde vergunning verleend. Met het bestreden besluit op bezwaar van 12 december 2023 is het college bij het verlenen van de vergunning gebleven.



3.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Het college heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.



3.2.
Eiser heeft stukken ingediend.



3.3.
De rechtbank heeft het beroep op 13 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, vergezeld door [naam], de gemachtigde van eiser, de gemachtigde van het college, en namens vergunninghouder mr. H. Kremers en mr. S.M. Güzel, kantoorgenoten van de gemachtigde van vergunninghouder.



Beoordeling door de rechtbank


Overgangsrecht

4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (de Wabo). Omdat de omgevingsvergunning op 25 oktober 2022 is aangevraagd, blijft in dit geval de Wabo van toepassing.


Toetsingskader

5. De voor de beoordeling van dit beroep relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.


5.1.
Uit vaste rechtspraak volgt dat, gelet op het limitatief-imperatief stelsel van artikel 2.18 van de Wabo, het college alleen kan weigeren om een omgevingsvergunning te verlenen indien sprake is van een weigeringsgrond als bedoeld in (in dit geval) de Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021 (de APV). Dat betekent dat dwingend is voorgeschreven dat de vergunning moet worden geweigerd indien sprake is van één of meer in de APV genoemde weigeringsgronden en dat de vergunning moet worden verleend indien geen van die weigeringsgronden zich voordoet.


5.1.1.
Uit deze vaste rechtspraak volgt eveneens dat wanneer de vergunning moet worden verleend omdat geen van de weigeringsgronden uit de APV zich voordoet, van afweging van bij de besluitvorming betrokken belangen als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), geen sprake kan zijn.


Omvang van het geding

6. De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure alleen het bestreden besluit ter toetsing voorligt. Over de door eiser genoemde (herhaalde) verzoeken om handhaving en andere aanvragen om een omgevingsvergunning van vergunninghouder dan de aanvraag die heeft geleid tot het bestreden besluit, kan het in deze procedure dus niet (mede) gaan.


Perceelsaanduiding

7. Eiser betoogt dat de perceelsaanduiding onjuist is. Hij stelt dat het feitelijk gaat om ontsluiting van perceel aan de [adres 3] in [plaats] en dat er nu drie volledig bestrate inritten naar dit perceel leiden, zodat de noodzaak voor een vierde inrit ontbreekt.




7.1.
Het door eiser genoemde perceel aan de [adres 3] in [plaats] heeft de kadastrale aanduiding [perceel 4] en maakt geen deel uit van de aanvraag. De aanvraag is enkel ingediend voor het perceel [perceel 1] aan de [straatnaam] in [plaats] en niet voor een specifiek huisnummer. Zo staat het ook letterlijk vermeld in het aanvraagformulier van 25 oktober 2022 dat als bijlage deel uitmaakt van de omgevingsvergunning. Omdat het college dient te beslissen op de aanvraag zoals die is ingediend, kan er dus geen misverstand bestaan over het perceel waarop de omgevingsvergunning ziet, namelijk perceel [perceel 1] in [plaats].



7.2.
Het voorgaande wordt niet anders doordat in de omgevingsvergunning en in het bestreden besluit het woonadres van vergunninghouder, [adres 2], is vermeld. De kadastrale aanduiding van dat perceel ([perceel 3]), maakt immers geen deel uit van de aanvraag waar het college op heeft beslist. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Recht van overpad

8. Eisers betoogt dat het college niet heeft onderkend dat perceel [perceel 1] ook via de uitweg/inrit op eisers perceel [adres 1] ([perceel 2]) kan worden ontsloten, vanwege een daarop gevestigd recht van overpad. Verder kan perceel [perceel 1] worden ontsloten via het perceel [adres 3] ([perceel 4]).



8.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Eiser heeft niet met enig stuk onderbouwd dat vergunninghouder op grond van een recht van overpad gebruik kan maken van een ontsluitingsweg op perceel [adres 3] ([perceel 4]). Verder stelt eiser zich op het standpunt dat vergunninghouder perceel [perceel 1] vanwege een recht van overpad kan bereiken via de uitweg op eiseres perceel [adres 1], maar stelt hij zich tegelijkertijd het standpunt dat dit recht van overpad bij voorkeur wordt opgeheven. Op zitting is gebleken dat er een civielrechtelijke procedure is gevoerd over de bruikbaarheid van deze erfdienstbaarheid. Daarnaast heeft vergunninghouder naar voren gebracht de uitweg op eisers perceel niet voldoende breed is voor het landbouwmateriaal dat daarvan gebruik zou moeten maken. Gelet op deze omstandigheden, volgt de rechtbank het college in het standpunt dat het recht van overpad op het perceel van eiser geen weigeringsgrond oplevert voor het vergunnen van de aangevraagde uitweg op perceel [perceel 1]. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Verkeersveiligheid

9. Eiser betoogt dat de situering van de vergunde uitweg op gespannen voet staat met de verkeersveiligheid ter plaatse. Hij wijst erop dat de vergunde uitweg recht tegenover de uitweg van een drukbezochte camping aan de overzijde van de weg zal komen te liggen. Ter onderbouwing van zijn betoog heeft hij foto’s overgelegd waarop verkeersdrukte en in de berm geparkeerde campers te zien zijn. Volgens eiser verzet de in artikel 1:8, eerste lid, onder e, van de APV vermelde weigeringsgrond vanwege verkeersveiligheid zich tegen vergunningverlening.



9.1.
De rechtbank overweegt dat het college bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van een advies van een verkeersdeskundige. Op grond van vaste rechtspraak mag het college in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen aan het advies van een deskundige. Dit is anders indien het advies naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont, dat het college dit niet - of niet zonder meer - aan de verlening van de omgevingsvergunning ten grondslag had mogen leggen.



9.2.
Eiser betwist de uitkomst van het verkeerskundig advies, maar heeft niet door middel van een verkeerskundig tegenadvies aangetoond of anderszins aannemelijk gemaakt dat het aan het college uitgebrachte verkeersadvies niet juist is of zodanige gebreken vertoont dat het college dit niet aan het bestreden beluit ten grondslag heeft mogen leggen. De door eiser overgelegde foto’s bieden daarvoor geen concreet aanknopingspunt. Gelet op het positieve verkeerskundig advies, heeft het college zich op goede gronden op het standpunt gesteld dat de weigeringsgrond vanwege verkeersveiligheid zich niet voordoet. Deze beroepsgrond slaagt niet.


Belangenafweging en alternatieven

10. Eiser betoogt dat met onvoldoende rekening is gehouden met zijn belangen en dat de gevolgen van de omgevingsvergunning onevenredig zijn. In dit verband voert hij aan dat de vergunde uitweg dicht naast zijn perceel is voorzien, wat tot een toename van geluidsoverlast zal leiden en inbreuk maakt op zijn privacy.



10.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft zich alleen beroepen op de weigeringsgrond vanwege verkeersveiligheid en het al bestaan van een andere uitweg waarmee het perceel wordt ontsloten. Bij die weigeringsgronden spelen de gestelde nadelige gevolgen met betrekking tot geluidsoverlast en privacy geen rol. De rechtbank volgt het college in het standpunt dat zich daarmee geen weigeringsgrond voordoet. Van afweging van bij de besluitvorming betrokken belangen als bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, van de Awb, kan dan geen sprake zijn. Voor de door eiser naar voren gebrachte alternatieve locatie van de uitweg geldt eveneens dat het bestaan van een gunstiger alternatief geen rol kan spelen bij de beoordeling van de verlening van deze omgevingsvergunning.




Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.


Deze uitspraak is gedaan door mr. S.H. van den Ende, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving


Wabo


artikel 2.2
1. Voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om:
(…)
e. een uitweg te maken, te hebben of te veranderen of het gebruik daarvan te veranderen,
(…)
geldt een zodanige bepaling als een verbod om een project voor zover dat geheel of
gedeeltelijk uit die activiteiten bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

artikel 2.18
Voor zover de aanvraag betrekking heeft op een activiteit als bedoeld in artikel 2.2 kan de omgevingsvergunning slechts worden verleend of geweigerd op de gronden die zijn aangegeven in de betrokken verordening.


Verordening van de gemeenteraad van de gemeente Noordwijk houdende regels omtrent openbare orde en veiligheid (Algemene plaatselijke verordening Noordwijk 2021)



Artikel 1:8 Weigeringsgronden
1. De vergunning of ontheffing kan in ieder geval worden geweigerd in het belang van:


de openbare orde;


de openbare veiligheid;


de volksgezondheid;


e bescherming van het milieu;


de verkeersveiligheid.


2. Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag daarvoor minder dan acht weken voor de beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.
3. De burgemeester kan een vergunning weigeren als de organisator of de aanvrager van de vergunning van slecht levensgedrag is en daardoor de openbare orde of veiligheid in gedrang kan komen.

Artikel 2:12 Omgevingsvergunning voor het maken of veranderen van een uitweg


Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegd gezag een uitweg te maken naar de weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg.


In aanvulling op het bepaalde in artikel 1:8 kan de vergunning tevens worden geweigerd:


indien de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;


indien door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of


indien er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten.


Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet beheer Rijkswaterstaatswerken, de Keur van het Hoogheemraadschap van Rijnland of de provinciale wegenverordening Zuid-Holland.




Bestemmingsplan [bestemmingsplan]


Artikel 3 Agrarisch

3.1
Bestemmingsomschrijving
De voor Agrarisch aangewezen gronden zijn bestemd voor:
a. de uitoefening van agrarische bedrijfsdoeleinden ten behoeve van volwaardige agrarische bedrijven gericht op tuinbouw en de bollenteelt, inclusief één bedrijfswoning per volwaardig agrarisch bedrijf, met dien verstande dat ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning uitgesloten' geen bedrijfswoning is toegestaan;
(…)



Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 24 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1267.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2795.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 13 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3858.


Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 18 oktober 2017, ECLI:NL:RVS:2017:2795.
Link naar deze uitspraak