|
|
|
| ECLI:NL:GHDHA:2026:2237 | | | | | Datum uitspraak | : | 10-06-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 20-07-2026 | | Instantie | : | Gerechtshof Den Haag | | Zaaknummers | : | BK-25/114 | | Rechtsgebied | : | Belastingrecht | | Indicatie | : | Art. 15, lid 1, onderdeel a, WBR. Belanghebbende heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij voldoet aan de voorwaarden om de samenloopvrijstelling toe te passen. Belanghebbende kan in de onderhavige procedure niet de vraag aan de orde stellen of een derde is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting en omzetbelasting in rekening had moeten brengen. | | Trefwoorden | : | belastingrecht | | | bouwvergunning | | | landbouw | | | landbouwbedrijf | | | naheffingsaanslag | | | omzetbelasting | | | overdrachtsbelasting | | | perceel | | | vrijstelling | | | wet op belastingen van rechtsverkeer | | | wet op de omzetbelasting | | | | Uitspraak | GERECHTSHOF DEN HAAG
Team Belastingrecht
meervoudige kamer
nummer BK-25/114
Uitspraak van 10 juni 2026
in het geding tussen:
[X] B.V. te [Z] , belanghebbende,
(gemachtigde: J.J. Warnawa)
en
de inspecteur van de Belastingdienst, de Inspecteur,
(vertegenwoordiger: […] )
op het hoger beroep van de Inspecteur tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag (de Rechtbank) van 21 januari 2025, nummer SGR 22/6905.
Procesverloop
1.1.
Aan belanghebbende is een naheffingsaanslag overdrachtsbelasting opgelegd van € 96.000. Bij gelijktijdig gegeven beschikking is € 4.629 aan belastingrente in rekening gebracht.
1.2.
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de naheffingsaanslag gehandhaafd.
1.3.
Belanghebbende heeft tegen de uitspraak op bezwaar beroep ingesteld bij de Rechtbank. Ter zake hiervan is een griffierecht geheven van € 365. De beslissing van de Rechtbank luidt, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de uitspraak op bezwaar;
- vernietigt de naheffingsaanslag;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 3.108;
- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 365 aan eiseres te vergoeden.”
1.4.
De Inspecteur heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank hoger beroep ingesteld. Belanghebbende heeft een nader stuk als verweerschrift ingediend. Bij berichten van 3 maart 2026 en 8 maart 2026 heeft belanghebbende nadere stukken ingediend.
1.5.
De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Hof op 19 maart 2026. Partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.
Feiten
2.1.
Bij akte van levering van 3 april 2017 heeft het kerkgenootschap [naam 1] (de Parochie) een perceel grond aan belanghebbende geleverd, plaatselijk bekend als [adres] in [woonplaats] (het perceel). De koopsom bedroeg € 1.600.000, vermeerderd met € 336.000 aan omzetbelasting. De omzetbelasting is door belanghebbende aan de Parochie voldaan door storting op een bankrekening van de notaris. De Parochie heeft koper hiervoor kwijting verleend. De Inspecteur heeft ter zake van de verkrijging van het perceel de onderhavige naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting opgelegd.
2.2.
De Parochie is ontstaan door een fusie op 1 april 2016. Zij is de rechtsopvolger van onder meer [naam 2] . Waar hierna van ‘de Parochie’ wordt gesproken, wordt daaronder ook deze rechtsvoorganger verstaan.
2.3.
De titel van de hiervoor genoemde levering is de overeenkomst van 28 december 2007 tussen belanghebbende en de Parochie tot koop en verkoop van het perceel. Die overeenkomst was gesloten in het kader van het plan om op een andere plaats binnen de gemeente een nieuwe kerk te bouwen. Om dat te financieren werd een deel van het desbetreffende terrein bestemd voor de realisering van appartementen. Een ander deel werd met de [gemeente] geruild voor de locatie van de nieuw te bouwen kerk.
2.4.
Met een beroep op onder meer de slechte economische omstandigheden is de levering van het perceel aan belanghebbende uitgesteld. De ruil met de gemeente en de bouw van de nieuwe kerk vonden wel doorgang. De nieuwe kerk is opgeleverd in 2009.
2.5.
In oktober 2011 is de oude kerk volledig afgebrand. De na de brand resterende opstallen zijn verwijderd.
2.6.
Bij brief van eveneens 3 april 2017 heeft de Parochie de voormelde levering onder de aandacht van de Inspecteur gebracht. Zij heeft daarbij de Inspecteur verzocht om een naheffingsaanslag omzetbelasting aan haar op te leggen ten bedrage van € 336.000. In de correspondentie die daarop volgde, heeft de Parochie zich op het standpunt gesteld dat zij met de verkoop van het perceel als ondernemer heeft gehandeld, waarop de Inspecteur heeft laten weten dat volgens hem van ondernemerschap voor de omzetbelasting geen sprake was.
2.7.
Bij brief van 13 februari 2018 liet de Inspecteur aan belanghebbende weten voornemens te zijn haar een naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting op te leggen. Belanghebbende liet hem bij brief van 12 maart 2018 weten, het daar niet mee eens te zijn.
2.8.
Vervolgens heeft de Parochie per e-mail van 16 april 2018 de correspondentie met de Inspecteur hervat met het verzoek om de vraag naar het ondernemerschap nogmaals te beoordelen, zulks onder verwijzing naar haar brief aan de Inspecteur van 7 september 2017. Voorts verzocht zij daarbij om haar een aangiftebiljet voor de omzetbelasting uit te reiken. Aan dat verzoek heeft de Inspecteur voldaan en op 14 mei 2018 heeft de Parochie aangifte gedaan van een te betalen bedrag aan omzetbelasting van € 336.000.
De Inspecteur heeft vervolgens met dagtekening van 6 juli 2018 een naheffingsaanslag aan de Parochie opgelegd, met de vermelding dat te doen op grond van artikel 37 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (de Wet OB). De Parochie heeft op 13 juli 2018 bezwaar gemaakt. Dat bezwaar richtte zich niet tegen de naheffingsaanslag als zodanig, maar tegen de grondslag die de Inspecteur daarvoor had gebruikt. Volgens de Parochie had de Inspecteur de aanslag niet moeten baseren op artikel 37 van de Wet OB, maar op het als ondernemer verrichten van een met omzetbelasting belaste levering. Daarbij wees de Parochie erop geen factuur te hebben uitgereikt.
Bij uitspraak van 12 april 2019 heeft de Inspecteur het bezwaar van de Parochie gegrond verklaard en de naheffingsaanslag omzetbelasting vernietigd. De Inspecteur heeft de Parochie gevolgd in haar argument dat artikel 37 Wet OB niet van toepassing is nu zij geen factuur had uitgereikt. Hij heeft de Parochie echter niet gevolgd in het standpunt bij de levering van het perceel te hebben gehandeld als ondernemer.
2.9.
Op 28 februari 2019 heeft de Inspecteur vervolgens de naheffingsaanslag in de overdrachtsbelasting aan belanghebbende opgelegd die het onderwerp is van deze procedure.
Oordeel van de Rechtbank
3. De Rechtbank heeft geoordeeld, waarbij belanghebbende is aangeduid als eiseres en de Inspecteur als verweerder:
“14. De levering van het bouwterrein is op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, van de WBR vrijgesteld van overdrachtsbelasting indien ter zake van de levering omzetbelasting verschuldigd is anders dan op grond van artikel 37 Wet OB.
15. Daaruit volgt dat eiseres rechtstreeks belanghebbende is bij de uitkomst van de vraag naar het ondernemerschap van de Parochie ter zake van de levering van het perceel. Bovendien zou die vraag, als zij niet in deze procedure aan de orde zou kunnen komen, aan toetsing door de rechter onttrokken zijn. De Parochie kon van de uitspraak op haar bezwaar namelijk niet in beroep, in die zin dat zij daarin wegens gebrek aan belang niet-ontvankelijk zou zijn verklaard. De rechtbank volgt verweerder dan ook niet in zijn primaire standpunt en zal hierna beoordelen of de Parochie ter zake van de levering van het bouwterrein heeft gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting.
16. Artikel 7, eerste lid, van de Wet OB definieert ‘ondernemer’ als degene die zelfstandig een bedrijf uitoefent, waar op grond van het tweede lid mede onder wordt begrepen de uitoefening van een beroep alsmede de exploitatie van een vermogensbestanddeel om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen. De inhoud van dit aldus gedefinieerde begrip van ‘ondernemer’ komt overeen met het begrip ‘belastingplichtige’ van artikel 9 van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijk stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (de btw-richtlijn).[1]
Artikel 9, eerste lid, van de btw-richtlijn luidt:
“Als ‘belastingplichtige’ wordt beschouwd eenieder die, op ongeacht welke plaats, zelfstandig een economische activiteit verricht, ongeacht het oogmerk of het resultaat van die activiteit.
Als ‘economische activiteit’ worden beschouwd, alle werkzaamheden van een fabrikant, handelaar of dienstverrichter, met inbegrip van de winning van delfstoffen, de landbouw en de uitoefening van vrije of daarmede gelijkgestelde beroepen. Als economische activiteit wordt in het bijzonder beschouwd de exploitatie van een lichamelijke of onlichamelijke zaak om er duurzaam opbrengst uit te verkrijgen.”
17. In artikel 12, eerste lid, van de btw-richtlijn wordt de lidstaten de mogelijkheid geboden om ook degene die incidenteel een economische activiteit verricht als belastingplichtige aan te merken. Daarbij is met name gedacht aan de levering van een gebouw of een gedeelte van een gebouw en het erbij behorend terrein vóór de eerste ingebruikneming en de levering van bouwterreinen. Nederland maakt van deze mogelijkheid thans geen gebruik.
18. Het Hof van Justitie heeft in zijn arrest van 15 september 2011, nrs. C-180/10 enC-181/10, ECLI:EU:C:2011:589 (Słaby en Kuć) overwogen:
“De levering van een bouwterrein moet worden beschouwd als krachtens de nationale wettelijke regeling van een lidstaat onderworpen aan de belasting over de toegevoegde waarde wanneer deze staat gebruik heeft gemaakt van de mogelijkheid van artikel 12, lid 1, van richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138/EG van de Raad van 19 december 2006, ongeacht of de handeling duurzaam is en of de persoon die de levering heeft uitgevoerd, een activiteit als fabrikant, handelaar of dienstverrichter uitoefent, voor zover deze handeling niet de loutere uitoefening door de eigenaar van zijn eigendomsrecht vormt.
Een natuurlijke persoon die een landbouwbedrijf heeft uitgeoefend op een terrein dat na een wijziging in de bestemmingsplannen buiten zijn wil om als nieuwe bestemming bouwgrond krijgt, moet niet worden beschouwd als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde in de zin van de artikelen 9, lid 1, en 12, lid 1, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, wanneer hij dit terrein wenst te verkopen, op voorwaarde dat deze verkopen deel uitmaken van het beheer van zijn privévermogen.
Wanneer deze persoon met het oog op het sluiten van deze verkopen daarentegen voor de verkoop van onroerend goed actief stappen onderneemt door middelen in te zetten die te vergelijken zijn met die welke worden aangewend door een fabrikant, handelaar of dienstverrichter in de zin van artikel 9, lid 1, tweede alinea, van richtlijn 2006/112, zoals gewijzigd bij richtlijn 2006/138, moet hij worden beschouwd als een persoon die een „economische activiteit” in de zin van dit artikel uitoefent, en bijgevolg als een belastingplichtige ter zake van de belasting over de toegevoegde waarde.”
19. Eiseres heeft, door verwijzing naar de in r.o. 8 hiervoor vermelde brief van 7 september 2017 van de Parochie aan verweerder, een opsomming gegeven van de handelingen die de Parochie heeft verricht voorafgaand aan de levering van het perceel. Verweerder heeft niet weersproken dat een en ander is verlopen zoals in die brief is weergegeven. Gelet hierop is het navolgende komen vast te staan.
- In 1999 is binnen de Parochie het idee ontstaan om een nieuw kerkgebouw op te richten en de bouw te financieren door het gelijktijdig (laten) bouwen van een appartementencomplex. In dat kader heeft de Parochie een architect benaderd om plannen te maken voor zowel de nieuwe kerk als het appartementencomplex.
- In 2000 heeft de Parochie de plannen met de gemeente besproken en in samenspraak met haar een eerste concept opgesteld van de ‘Overeenkomst inzake realisering ontwikkeling locatie […] kerk’.
- In 2001 heeft de Parochie een bouwcommissie ingesteld. In 2001 en in 2002 waren er contacten met diverse bouwbedrijven over de mogelijkheden om het project te realiseren.
- In 2002 heeft het [bouwbedrijf] namens de Parochie bouwvergunningen aangevraagd voor de kerk en het appartementencomplex.
- De Parochie is in 2003 gestart met de voorverkoop van de geplande appartementen. De verkoop bleek niet te lopen, waarna de samenwerking met [bouwbedrijf] is beëindigd. De Parochie is vervolgens op zoek gegaan naar andere mogelijkheden om het project te realiseren.
- In 2004 trad de Parochie op als belanghebbende partij in de beroepsprocedure die door omwonenden was aangespannen tegen de aan haar verleende bouwvergunning.
- In 2006 schreef de bouwcommissie van de Parochie een aanbesteding uit voor de nieuw te bouwen kerk, in samenhang met koop van grond waarop het appartementencomplex was voorzien.
- In 2007 is een overeenkomst tussen de Parochie en de gemeente tot stand gekomen waarbij de Parochie, daarin aangeduid als ‘de ontwikkelaar’, zich verplichtte het plangebied bouwrijp te maken en af te werken. Dat laatste omvatte onder andere de aanleg van openbare verlichting, openbare verkeerstechnische ontsluitingen conform Duurzaam Veilig (inclusief het straatmeubilair en de noodwegen), openbaar toegankelijke parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, openbare groenvoorzieningen, aanleg van oeververdediging en dergelijke. Ook verplichtte de Parochie zich met die overeenkomst tot het verrichten van onderzoek op het gebied van grondmechanica, cultuurhistorie archeologie en alle relevante milieuonderzoeken met betrekking tot in ieder geval geluid, bodem, water, natuur en landschap. De overeenkomst bepaalt voorts dat de Parochie gedurende twee jaar na de eerste oplevering van de civieltechnische werken voor de gehele buitenruimte verantwoordelijk bleef voor een goed onderhoud en het dientengevolge (doen) nemen van eventueel noodzakelijke maatregelen.
- In 2007 voerde de Parochie verder nog nader overleg met de gemeente over het te bouwen appartementencomplex.
- Nadat de oude kerk was afgebrand, eind 2011, heeft de Parochie laten verwijderen wat er van de opstallen over was en de grond tot bouwterrein laten bewerken. Dat laatste omvatte onder meer het verwijderen van de wadi, inclusief hemelwaterafvoer en eventueel daardoor veroorzaakte vervuiling, de zorg voor watercompensatie, het laten afvoeren van vervuilde grond, het aanvragen van sloopvergunningen, het aanvragen van een bestemmingsplanwijziging (van kerk naar appartementencomplex) en het organiseren van een planschadeonderzoek.
20. De hiervoor beschreven verplichtingen die de Parochie jegens de gemeente was aangegaan en werkzaamheden die door haar zijn verricht passen niet bij het enkele beheer van privévermogen, maar zijn stappen als die een fabrikant, handelaar of dienstverrichter zou zetten om de beste omstandigheden te creëren met het oog op de verkoop zoals bedoeld in het hiervoor aangehaalde arrest Słaby en Kuć. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Parochie bij de levering van het bouwterrein dan ook gehandeld als ondernemer voor de omzetbelasting en is ter zake daarvan de vrijstelling van artikel 15, eerste lid, aanhef en letter a, WBR van toepassing.
21. Gelet op wat hiervoor is overwogen, dient het beroep gegrond te worden verklaard.
Proceskosten
22. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 3.108 (1 punt voor het indienen van het bezwaarschrift, 1 punt voor het verschijnen ter hoorzitting met een waarde per punt van € 647, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907 en een wegingsfactor 1).
(…)
[1] HR 2 mei 1984, ECLI:NL:HR:1984:AW8625.”
Geschil in hoger beroep en conclusies van partijen
4.1.
In geschil is of de naheffingsaanslag overdrachtsbelasting terecht is opgelegd. De Inspecteur beantwoordt deze vraag bevestigend, belanghebbende ontkennend.
4.2.
De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot bevestiging van de uitspraak op bezwaar.
4.3.
Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.
4.4.
Tussen partijen is niet in geschil dat het perceel kwalificeert als een bouwterrein in de zin van artikel 11, lid 1, onderdeel a, Wet OB.
Beoordeling van het hoger beroep
5.1.
De Inspecteur stelt zich, net als bij de Rechtbank, op het standpunt dat de vraag of de Parochie kwalificeert als ondernemer voor de omzetbelasting in deze procedure niet inhoudelijk kan worden beoordeeld. Omdat onherroepelijk vast is komen te staan dat de Parochie niet heeft gehandeld als ondernemer ter zake van de levering van het perceel aan belanghebbende is daarover geen omzetbelasting verschuldigd. Dit betekent dat de samenloopvrijstelling van artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, van de Wet op Belastingen van rechtsverkeer (WBR) niet van toepassing is.
5.2.1.
Artikel 15, lid 1, aanhef en onderdeel a, WBR stelt vrij van overdrachtsbelasting de verkrijging van een onroerende zaak krachtens een levering als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1º, Wet OB ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd, tenzij het goed als bedrijfsmiddel is gebruikt en de verkrijger die omzetbelasting op grond van artikel 15 Wet OB geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen (de samenloopvrijstelling).
5.2.2.
Blijkens de parlementaire geschiedenis is deze regeling bedoeld voor twee situaties. In de eerste plaats is de regeling bedoeld om cumulatie van de omzetbelasting en overdrachtsbelasting te voorkomen in geval het gaat om de verkrijgingen van onroerende zaken die als bedrijfsmiddel zijn gebruikt waarbij de verkrijger de omzetbelasting niet geheel of gedeeltelijk in aftrek kan brengen. In de tweede plaats is bedoeld om van overdrachtsbelasting vrij te stellen verkrijgingen van 'nieuwbouw', dat wil zeggen nieuwe nog ongebruikte onroerende zaken die zich bevinden in de bouw- en handelsfase en waarvan de levering belast is met omzetbelasting (Kamerstukken II 1967/68, 9324, nr. 3, blz. 23 en 33, Kamerstukken II 1969/1970, 10 560, nr. 3, blz. 27, Kamerstukken II 1994/95, 24 172, nr. 3, blz. 19, en nr. 5, blz. 18, 25-26). Voor deze situatie is niet van belang of de verkrijger de ter zake van de levering geheven omzetbelasting in aftrek kan brengen (vgl. HR 10 juni 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ7580, r.o. 3.4.1).
5.3.1.
Omdat belanghebbende zich op de samenloopvrijstelling beroept, is het aan haar om aannemelijk te maken dat zij voldoet aan de voorwaarden voor toepassing van de samenloopvrijstelling.
5.3.2.
In dit verband geldt dat van een levering als bedoeld in artikel 11, lid 1, onderdeel a, onder 1º, Wet OB ter zake waarvan omzetbelasting is verschuldigd alleen sprake is indien de vervreemder, zijnde de Parochie, de hoedanigheid heeft van ondernemer voor de omzetbelasting.
5.4.
Naar het oordeel van het Hof kan belanghebbende in de onderhavige procedure die handelt over de overdrachtsbelasting de vraag of een derde (de Parochie) is aan te merken als ondernemer voor de omzetbelasting, niet aan de orde stellen. In de bezwaarprocedure heeft de inspecteur voor de omzetbelasting geoordeeld dat de Parochie geen ondernemer is voor de omzetbelasting en dat zij daarom geen omzetbelasting is verschuldigd over de levering van het perceel. Deze beslissing is onherroepelijk geworden omdat de Parochie geen beroep heeft ingesteld tegen die beslissing. Ook heeft de Parochie het ondernemerschap, om haar moverende redenen, niet op een andere wijze aan de orde gesteld, bijvoorbeeld door omzetbelasting over de met de levering verband houdende kosten in aftrek te brengen en tegen een weigering van die aftrek een bezwaar- en beroepsprocedure te starten. Aangezien onherroepelijk vaststaat dat de Parochie ten tijde van de levering geen ondernemer was voor de omzetbelasting en de levering van het perceel dus niet belast is met omzetbelasting, is niet voldaan aan de voorwaarden om de samenloopvrijstelling toe te passen.
5.5.
Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat zij, gelet op hetgeen onder 5.3 is overwogen, belang had bij de uitkomst van de (bezwaar)procedure van de Parochie over de vraag of laatstgenoemde voor de levering van het perceel aangemerkt kon worden als ondernemer voor de omzetbelasting. Dit blijkt ook uit het feit dat belanghebbende betrokken is geweest bij de bezwaarprocedure van de Parochie. Dit brengt echter nog niet mee dat zij in deze procedure de vraag of de Parochie voor de omzetbelasting als ondernemer kwalificeert aan de orde kan stellen.
Vertrouwensbeginsel
5.6.
Belanghebbende stelt dat zij een gerechtvaardigd beroep op het vertrouwensbeginsel kan doen. Zij voert aan dat zij vanaf de aanvang betrokken is geweest bij de bezwaarprocedure van de Parochie over het ondernemerschap voor de omzetbelasting. Op het moment dat de Inspecteur na heroverweging alsnog een naheffingsaanslag omzetbelasting oplegt aan de Parochie, is het vertrouwen gewekt dat geen overdrachtsbelasting zou worden geheven, aldus belanghebbende.
5.7.
In het feit dat op verzoek van de Parochie aan haar een aangifte omzetbelasting is uitgereikt en vervolgens op grond van artikel 37 Wet OB een naheffingsaanslag omzetbelasting is opgelegd, ziet het Hof geen reden waarom bij belanghebbende het vertrouwen zou zijn gewekt dat van haar geen overdrachtsbelasting zou worden geheven.
Slotsom
5.8.
Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond.
Proceskosten
6. Het Hof ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de proceskosten.
Beslissing
Het Gerechtshof:
vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;
bevestigt de uitspraak op bezwaar.
Deze uitspraak is vastgesteld door W. de Wit, L.D.M.A. Reijs en J.B.O. Bijl, in tegenwoordigheid van de griffier R. Wijkstra.
De griffier, de voorzitter,
R. Wijkstra W. de Wit
De beslissing is op 10 juni 2026 in het openbaar uitgesproken.
Deze uitspraak is in Mijn Rechtspraak geplaatst. Indien u niet digitaal procedeert wordt een afschrift aangetekend per post verzonden.
Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij
de Hoge Raad der Nederlanden via het webportaal van de Hoge Raad www.hogeraad.nl.
Bepaalde personen die niet worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die beroepsmatig rechtsbijstand verleent, mogen per post beroep in cassatie instellen. Dit zijn natuurlijke personen en verenigingen waarvan de statuten niet zijn opgenomen in een notariële akte. Als zij geen gebruik willen maken van digitaal procederen kunnen deze personen het beroepschrift in cassatie sturen aan
de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.
Alle andere personen en gemachtigden die beroepsmatig rechtsbijstand verlenen, zijn in beginsel verplicht digitaal te procederen (zie www.hogeraad.nl).
Bij het instellen van beroep in cassatie moet het volgende in acht worden genomen:
1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak gevoegd;
2 - (alleen bij procederen op papier) het beroepschrift moet ondertekend zijn;
3 - het beroepschrift moet ten minste het volgende vermelden:
a. - de naam en het adres van de indiener;
b. - de dagtekening;
c. - de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;
d. - de gronden van het beroep in cassatie.
Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten. | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|