Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBGEL:2026:5969 
 
Datum uitspraak:23-07-2026
Datum gepubliceerd:27-07-2026
Instantie:Rechtbank Gelderland
Zaaknummers:ARN 25/3096
Rechtsgebied:Bestuursprocesrecht
Indicatie:Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om een gastouderopvang in exploitatie te nemen. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college zich bij het bestreden besluit mocht baseren op het advies van de GGD. Dit betekent dat het college de gevraagde registratie in het Landelijk Register Kinderopvang heeft mogen weigeren, tenzij een maatschappelijke belang aanleiding geeft om anders te beslissen. De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het maatschappelijk belang bij de gevraagde exploitatie van de gastouderopvang. De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak het college immers opgedragen om onderzoek te doen naar de daadwerkelijk beschikbare opvangmogelijkheden en de uitkomst daarvan te betrekken bij de afweging die het college moet maken. Het college heeft echter geen onderzoek gedaan naar de daadwerkelijk beschikbare opvangmogelijkheden, maar heeft enkel gekeken naar bestaande opvanglocaties. Dit betekent dat het college moet inventar
Trefwoorden:fijnstof
geurhinder
stallen
varkens
varkenshouderij
veehouderij
wet milieubeheer
 
Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: ARN 25/3096


uitspraak van de enkelvoudige kamer van

in de zaak tussen




[eiseres] , uit [woonplaats] , eiseres

en



het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede
(gemachtigden: mr. A. Klok, [gemachtigde 1] , [gemachtigde 2] , [gemachtigde 3] en [gemachtigde 4] ).




Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag om op het adres [adres] in [woonplaats] een gastouderopvang in exploitatie te nemen. Eiseres is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.


1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het maatschappelijk belang bij de exploitatie van de gastouderopvang. Dit betekent dat het beroep gegrond is. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Totstandkoming van het bestreden besluit

2. Eiseres is als gastouder aangesloten bij gastouderbureau Het Kuikentje. Eiseres is woonachtig op het adres [adres] in [woonplaats] . Gastouderbureau Het Kuikentje heeft een aanvraag ingediend om eiseres als aangesloten gastouder op te nemen in het Landelijk Register Kinderopvang (LRK) voor dit adres.


2.1.
Het college heeft de toezichthouder, de Gemeentelijke Gezondheidsdienst (GGD) vervolgens opdracht gegeven om een onderzoek uit te voeren. Bij zo’n onderzoek voor registratie bekijkt de GGD of de opvang zal gaan plaatsvinden volgens de vereisten uit de Wet kinderopvang (Wko).



2.2.
De GGD heeft onderzoek verricht en de bevindingen neergelegd in het inspectierapport van 10 oktober 2023. De GGD stelt in het rapport dat sprake is van een tekortkoming op het domein ‘Veiligheid en Gezondheid’. De opvanglocatie bevindt zich namelijk nabij een veehouderijbedrijf waar varkens worden gehouden. Dit levert volgens de GGD gezondheidsrisico’s op. De GGD heeft het college daarom geadviseerd het voorzorgprincipe toe te passen en de opvanglocatie niet op te nemen in het LRK, tenzij sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang bij het realiseren van een kinderopvangvoorziening.



2.3.
Het college heeft met het besluit van 17 oktober 2023 de aanvraag afgewezen, omdat niet wordt voldaan aan artikel 1.49, derde lid, van de Wko. Op grond van deze bepaling moet een gastouderopvang verantwoorde opvang bieden. Daar wordt volgens het college in dit geval niet aan voldaan, omdat sprake is van verhoogde kans op mogelijke gezondheidsrisico’s vanwege de nabijheid van een varkenshouderij. Het college licht daarbij toe dat geen sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang op grond waarvan tóch een gastouderopvang moet worden gerealiseerd. Daarnaast heeft de Omgevingsdienst de Vallei (de Omgevingsdienst) de geurbelasting op de opvanglocatie berekend. Uit dat onderzoek blijkt dat op de opvanglocatie sprake is van overmatige geurbelasting.


2.4.
Eiseres heeft vervolgens bezwaar gemaakt tegen het besluit van 17 oktober 2023. Het college verklaart het bezwaar van eiseres in het besluit van 8 juli 2024 gegrond, voor zover het besluit van 17 oktober 2023 onvoldoende is onderbouwd. Het college blijft er wel bij dat de aanvraag moet worden afgewezen.


2.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2024. Met de uitspraak van 9 mei 2025 heeft deze rechtbank het beroep gegrond verklaard, het besluit van 8 juli 2024 vernietigd en het college opgedragen om binnen acht weken een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres te nemen.



2.6.
Omdat eiseres niet binnen de gestelde termijn een nieuw besluit op haar bezwaar heeft ontvangen, heeft zij op 16 juli 2025 beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit.



2.7.
Met het besluit van 22 juli 2025 heeft het college opnieuw beslist op het bezwaar van eiseres en is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het college baseert de afwijzing onder andere op een nader advies van de GGD.



2.8.
Het beroep van eiseres is vervolgens voortgezet als een inhoudelijk beroep tegen het besluit van 22 juli 2025 (bestreden besluit). Het beroep heeft namelijk op grond van artikel 6:20, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede betrekking op dit alsnog genomen besluit. Eiseres heeft beroepsgronden ingediend en het college heeft een verweerschrift ingediend.



2.9.
De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vergezeld van haar partner, en de gemachtigden van het college.





Beoordeling door de rechtbank


Beroep niet tijdig beslissen

3. Omdat het college op 22 juli 2025 opnieuw op het bezwaar van eiseres heeft beslist, heeft zij niet langer een belang bij een beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaar. Het beroep tegen het niet tijdig beslissen is daarom wegens gebrek aan procesbelang niet-ontvankelijk.


Wat ging er aan deze uitspraak vooraf?

4. In het inmiddels vernietigde besluit op het bezwaar van eiseres van 8 juli 2024 had het college de afwijzing van de aanvraag van eiseres in stand gelaten. Dat lichtte het college als volgt toe.


4.1.
Het college heeft zwaarwegende betekenis toegekend aan het advies van de GGD. Dit advies is gebaseerd op de huidige inzichten uit wetenschappelijk onderzoek naar de gezondheid van omwonenden van veehouderijen conform de GGD-richtlijn ‘Veehouderij en Gezondheid’. Op basis van de wetenschappelijke inzichten worden afstandsadviezen gegeven ongeacht de concentraties en grenswaarden in de Wet milieubeheer en nader onderzoek. Volgens de GGD is de opvanglocatie niet wenselijk voor langdurige opvang van jonge kinderen. De opvanglocatie bevindt zich binnen 85 meter afstand van een varkenshouderij. Daardoor is sprake van gezondheidsrisico’s. Emissies van veehouderijen kunnen namelijk nadelige effecten hebben op de luchtwegen van opgroeiende kinderen. Bij veehouderijen is er een verhoogde blootstelling aan hoge concentraties fijnstof en endotoxinen uit de stallen. Blootstelling aan fijnstof vergroot de kans op astma, luchtwegklachten en een minder goede longfunctie. Dichtbij de veehouderij zijn de concentraties stoffen het hoogst en is de kans op gezondheidseffecten het grootst. Kinderen zijn een gevoelige groep: ze hebben (in vergelijking met volwassenen) meer kans op gezondheidseffecten door blootstelling aan luchtverontreiniging. Daarnaast is het college in het besluit van 8 juli 2024 ervan uitgegaan dat er voor het vestigen van nieuwe kinderopvanglocaties voldoende plekken zijn op veilige afstand van veehouderijen, bijvoorbeeld binnen de bebouwde kom.


4.2.
Verder is het college in het besluit van 8 juli 2024 ingegaan op de door eiseres naar voren gebrachte bezwaargronden. Een door eiseres uitgevoerde fijnstofmeting, waaruit naar voren kwam dat er geen sprake is van overschrijding van fijnstofnormen, gaf volgens het college geen representatieve meting van de luchtkwaliteit weer. De fijnstofmeting heeft plaatsgevonden in de periode van 10 april tot en met 14 april 2023. Dat is een te korte periode. Ook is april een maand met relatief gunstige weersomstandigheden voor luchtkwaliteit. Verder volgde het college de stelling van eiseres niet dat de geurbelasting geen gezondheidsrisico met zich meebrengt als kinderen uit de omgeving worden opgevangen en zij, door gewenning, geen hinder ondervinden van de geurbelasting. Het college stelde daarbij dat het niet mogelijk is om te sturen op de herkomst van kinderen en ook niet of de kinderen wel of geen geurhinder ervaren. Bij een hoge geurbelasting kunnen gezondheidseffecten daarom niet worden uitgesloten. In de systematiek van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) worden kinderopvanglocaties en basisscholen gezien als geurgevoelig object, vanwege de langdurige blootstelling. Bij gastouderopvang is dat niet anders dan bij reguliere kinderopvang en is ook sprake van langdurige blootstelling. Daaraan kan volgens het college niet afdoen dat kinderen een beperkte tijd op de gastouderopvanglocatie verblijven.



4.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 8 juli 2024. In de uitspraak van 9 mei 2025 heeft de rechtbank het besluit van 8 juli 2024 vernietigd. Twee beroepsgronden van eiseres, die zien op fijnstof en op het maatschappelijk belang slagen. De beroepsgronden die zien op de geurbelasting en het gelijkheidsbeginsel slagen volgens de rechtbank in die uitspraak niet.



4.4.
De rechtbank overwoog in de uitspraak van 9 mei 2025 het volgende over de uitstoot van fijnstof:



12.2.
De GGD stelt onder verwijzing naar de richtlijn Veehouderij en Gezondheid dat bij veehouderijen sprake is van een verhoogde blootstelling aan emissies waardoor er een grote kans is op gezondheidseffecten van blootstelling aan uitstoot van het bedrijf. Daarom adviseert de GGD een afstandscriterium van 250 meter. De GGD maakt echter niet concreet waarom het afstandscriterium in het specifieke geval van eiseres in acht moet worden genomen. De GGD noemt dat de opvanglocatie zich binnen 85 meter afstand van een varkenshouderij bevindt, maar legt niet uit waarom de uitstoot van emissies (zoals fijnstof en endotoxinen) van de varkenshouderij in kwestie maakt dat het afstandscriterium moet worden gehanteerd. Uit het advies blijkt bijvoorbeeld niet of de specifieke omstandigheden van de varkenshouderij zijn onderzocht, zoals het aantal dieren en de maatregelen die het bedrijf zelf wellicht al heeft genomen om uitstoot te beperken – of niet. Het is dus ook onduidelijk of en op welke manier deze specifieke omstandigheden van invloed zijn op de uitstoot van emissies, en het uiteindelijke advies. Dit maakt het advies van de GGD niet specifiek, terwijl het advies dat op grond van de richtlijn Veehouderij en Gezondheid wel moet zijn. Nu in het inspectierapport niet duidelijk is gemaakt waarom de conclusie dat de ‘algemene regel’ van het afstandscriterium opgaat in het geval van eiseres, volgt uit het inspectierapport ook niet op basis van welke feiten deze conclusie getrokken kan worden. De college had dit moeten onderkennen. Het college heeft namelijk een vergewisplicht bij de beoordeling van het inspectierapport.



12.3.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het advies van de GGD op dit punt niet specifiek is en het college niet heeft voldaan aan de vergewisplicht. Om die reden is het bestreden besluit onzorgvuldig voorbereid en onvoldoende gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb. Dit betekent dat het beroep gegrond is. De rechtbank ziet aanleiding om hieronder verder in te gaan op de overige geschilpunten die voorliggen in beroep.



4.5.
Verder heeft de rechtbank het volgende overwogen over het maatschappelijk belang:



14.1.
Het college stelt in het bestreden besluit dat er voldoende alternatieve opvangmogelijkheden zijn in de omgeving maar onderbouwt dit niet, terwijl de commissie in het advies in bezwaar aan het college tegenwerpt dat deze onderbouwing mist. Ook gaat het college in het bestreden besluit niet concreet in op wat door eiseres in bezwaar naar voren is gebracht. Het college heeft het advies van de commissie op dit punt niet in acht genomen, terwijl het college dit wel had moeten doen.



14.2.
Het college onderbouwt en motiveert ook in beroep niet dat sprake is van voldoende alternatieve opvangmogelijkheden in de omgeving. Het college stelt in beroep namelijk dat nabij de kernen Otterlo of Wekerom meerdere geschikte plekken aanwezig zijn voor kinderopvang. Het college onderbouwt dit met een kaartweergave. De rechtbank acht dit onvoldoende, omdat het college hiermee enkel het bestaan van opvanglocaties aantoont. Het college toont hiermee niet aan of er op die locaties plek is en dus daadwerkelijk sprake is van een alternatieve opvangmogelijkheid. Daar staat tegenover dat eiseres met de door haar overgelegde e-mails onderbouwt dat er weinig tot geen opvangmogelijkheid is bij een aantal opvanglocaties in de omgeving. Voor zover het college erkent dat er een algemeen tekort is aan kinderopvangvoorzieningen maar stelt dat dit niet zo zwaarwegend is dat hierdoor het gezondheidsrisico achtergesteld moet worden, verandert dit het oordeel niet. Het college zal eerst onderzoek moeten doen naar de daadwerkelijke, beschikbare opvangmogelijkheid, en de uitkomst hiervan moeten betrekken bij de afweging die het college moet maken. Voor zover het college tijdens de zitting heeft gewezen op een onderzoek dat is verricht in opdracht van het ministerie, verandert dit het oordeel ook niet. Het college heeft dit onderzoek namelijk niet overgelegd. Ook is het niet duidelijk of de onderzoeksresultaten representatief en actueel zijn, nu dit onderzoek naar verluidt ziet op het vierde kwartaal in 2022.



14.3.
De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb.



4.6.
Naar aanleiding van de uitspraak van de rechtbank heeft het college op 22 juli 2025 een nieuw besluit op het bezwaar van eiseres genomen. Het college is in het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Het college heeft eerst een inventarisatie gemaakt van bedrijven met een agrarische bestemming binnen 250 meter respectievelijk 1 kilometer van het adres van eiseres. Vervolgens heeft de GGD op basis van een cumulatieve verspreidingsberekening voor fijnstof in een nader advies concreet gemaakt waarom het afstandscriterium in dit geval in acht moet worden genomen. Verder stelt het college dat er voldoende alternatieve locaties zijn in Harskamp en omgeving voor kinderopvang. In Harskamp , Lunteren, Wekerom en Otterlo zijn 178 kindplaatsen bij gastouderopvanglocaties en 259 kindplaatsen bij kinderopvangcentra. Daarbij heeft het college opgemerkt dat het niet beschikt over cijfers van feitelijk beschikbare plekken.

Beoordelingskader en omvang van het geding.

5. Zoals in de uitspraak van 9 mei 2025 al tot uitdrukking is gebracht is de GGD in de Wko aangewezen als toezichthouder en dient hij in een zaak als deze als deskundige te adviseren of de gastouder kan worden geregistreerd in het LRK. De GGD onderzoekt daarbij of een houder van een voorziening voor gastouderopvang verantwoorde gastouderopvang biedt, waaronder wordt verstaan opvang die bijdraagt aan een goede en gezonde ontwikkeling van het kind in een veilige en gezonde leefomgeving. Aan een advies van de GGD mag het college in beginsel doorslaggevende betekenis toekennen. Dat lijdt slechts uitzondering als de wijze van totstandkoming of de inhoud van het inspectierapport niet voldoet aan de bewijsrechtelijke eisen die daaraan worden gesteld.



5.1.
De rechtbank stelt vast dat tegen de uitspraak van de rechtbank van 9 mei 2025 geen hoger beroep is ingesteld, zodat deze inmiddels onherroepelijk is. De rechtbank dient daarom aan de hand van de beroepsgronden te bezien of het nieuwe besluit op het bezwaar van eiseres is genomen met inachtneming van die uitspraak.


Is de maatstaf voor geurbelasting onjuist toegepast?

6. Eiseres stelt dat de maatstaf voor geurbelasting door het college onjuist is toegepast. Het college blijft vasthouden aan een norm van 14 ouE/m3, zonder onderbouwing waarom deze norm geschikt is voor een kleinschalige gastouderopvang. Het college gaat hier volledig aan voorbij. Ook is de geurbelasting gebaseerd op modeldata en aannames die grotendeels ouder zijn dan tien jaar. Dit is dus niet meer overeenkomstig de actuele situatie op de specifieke locatie. Ook is niet aangetoond dat de geurbelasting een gezondheidsrisico is.



6.1.
Gelet op vaste rechtspraak heeft het niet instellen van hoger beroep tegen een eerdere uitspraak van de rechtbank, waarbij de rechtbank een eerder besluit heeft vernietigd, tot gevolg dat, indien in beroep tegen het nieuwe besluit op de aanvraag beroepsgronden worden aangevoerd die door de rechtbank in die eerdere uitspraak uitdrukkelijk en zonder voorbehoud zijn verworpen, de rechtbank van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over die beroepsgronden heeft uit te gaan. Slechts nieuw gebleken feiten of omstandigheden kunnen een hernieuwde beoordeling van een eerder verworpen beroepsgrond rechtvaardigen.



6.2.
De rechtbank heeft in de uitspraak van 9 mei 2025 expliciet een oordeel gegeven over de vraag of de geurbelasting juist is berekend en heeft de daartegen gerichte beroepsgrond verworpen. Eiseres heeft geen hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Niet is gebleken van feiten en omstandigheden die een hernieuwde beoordeling van deze beroepsgrond rechtvaardigen. Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank uit van de juistheid van het eerder gegeven oordeel over de geurbelasting.


Mocht het college het bestreden besluit baseren op het nieuwe advies van de GGD met betrekking tot fijnstof?

7. Eiseres stelt dat het college zich niet mocht baseren op het aanvullende advies van de GGD en de Omgevingsdienst. Er is namelijk geen onderzoek gedaan naar de fijnstofuitstoot op de specifieke locatie. De berekeningen in de adviezen zijn gebaseerd op modeldata en aannames. Daar komt bij dat de fijnstofmeting van eiseres terzijde wordt geschoven zonder tegenonderzoek op dezelfde locatie en in dezelfde omstandigheden.



7.1.
De rechtbank is van oordeel dat het college zich bij het bestreden besluit mocht baseren op het nieuwe advies van de GGD. Het college heeft eerst zelf een inventarisatie gemaakt van bedrijven met aan agrarische bestemming binnen 250 meter respectievelijk 1 kilometer van het adres van eiseres. Vervolgens heeft de GGD een nader advies uitgebracht waarin op basis van de door de Omgevingsdienst gemaakte locatiespecifieke cumulatieve verspreidingsberekening voor fijnstof concreet is gemaakt waarom het afstandscriterium op de locatie van eiseres in acht moet worden genomen. Daarbij is een onderscheid gemaakt tussen verschillende diercategorieën en de mate van fijnstofemissie. In de berekening van de fijnstofemissie per veehouderij zijn de eventuele emissiebeperkende stalmaatregelen verdisconteerd. In de locatiespecifieke berekening van de Omgevingsdienst komt het jaargemiddelde fijnstofgehalte voor PM10 uit op 16,4 µg/m3. Dit ligt boven de gezondheidskundige advieswaarde van 15 µg/m3 die de WHO hanteert als grenswaarde voor blootstelling aan PM10. Een deel van de die waarde, 0,9 µg/m3, wordt veroorzaakt door omliggende veehouderijen. In het aanvullend advies van de GGD staat verder aangegeven dat binnen een straal van 250 meter van de beoogde kinderopvanglocatie vijf varkens- of pluimveehouderijen liggen. Binnen een straal van 1 kilometer van de woning van eiseres bevinden zich 31 geregistreerde veehouderijen. Daaronder bevindt zich ook een geitenhouderij (op een afstand van 868 meter). De GGD adviseert terughoudend te zijn met kinderopvang in de nabijheid van geitenhouderijen, in verband met mogelijke gezondheidsrisico’s. De rechtbank acht de gehanteerde berekening en de uitkomsten voldoende zorgvuldig en betrouwbaar voor het college om de besluitvorming op te kunnen baseren. Het voorgaande maakt dat in het onderzoek de specifieke omstandigheden van de veehouderijen in de omgeving van de beoogde gastouderlocatie zijn meegenomen. Het college was dan ook niet verplicht om een fijnstofmeting op locatie uit te voeren.



7.2.
In het aanvullend advies van de GGD is resumerend aangegeven dat de kinderopvanglocatie is gelegen in een veedicht gebied en dat de berekening door de Omgevingsdienst laat zien dat de fijnstofconcentratie de advieswaarde van de WHO overschrijdt, en dat door de blootstelling aan uitstoot van bedrijven in de directe omgeving een verhoogde kans bestaat op gezondheidseffecten. De GGD heeft negatief geadviseerd, omdat langdurige opvang van jonge kinderen op de locatie van eiseres onwenselijk is. De rechtbank is van oordeel dat het college zich op dat advies heeft mogen baseren. De beroepsgrond slaagt niet.


Tussenconclusie

8. Het college mag zich gezien het voorgaande baseren op het aangevulde advies van de GGD. Dit betekent dat het college de gevraagde registratie in het LRK heeft mogen weigeren, tenzij een zwaarwegend maatschappelijke belang aanleiding geeft om anders te beslissen.


Heeft het college voldoende onderzoek gedaan naar het maatschappelijk belang?

9. Eiseres stelt dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het maatschappelijk belang van de opvanglocatie. Hoewel het college het aantal kindplaatsen noemt, wordt erkend dat geen gegevens beschikbaar zijn over de feitelijk beschikbare plekken en dat er wachtlijsten bestaan. Er is geen onderzoek gedaan naar de omvang van het tekort of de concrete gevolgen voor ouders en kinderen in de regio. Daarmee is geen sprake van een volwaardige belangenafweging.



9.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat voldoende onderzoek is gedaan naar het maatschappelijk belang. Er zijn voldoende bestaande alternatieve locaties in Harskamp en omgeving. Er zijn in Harskamp , Lunteren, Wekerom en Otterlo 178 kindplaatsen bij gastouderopvanglocaties en 259 kindplaatsen bij kinderopvangcentra. Het college beschikt niet over cijfers van feitelijk beschikbare plekken. Dat is namelijk een momentopname en het is algemeen bekend dat er wachtlijsten zijn. Dit betekent echter niet dat er geen reële mogelijkheden voor opvang zijn. Daarbij is het college van mening dat het bestaan van wachtlijsten niet opweegt tegen de gezondheidsrisico’s van een nieuwe gastouder in een veedicht gebied. Ook is bij deze afweging van belang dat de gastouder een alternatieve mogelijkheid heeft om opvang te realiseren bij de vraagouders thuis. Dat eiseres is verhuisd om meer ruimte te hebben voor haar kinderopvang, maar niet vooraf heeft onderzocht of kinderopvang op die locatie is toegestaan komt voor haar eigen risico. Verder stelt het college dat de GGD bij het voorzorgsprincipe twee cumulatieve voorwaarden heeft gesteld, namelijk dat er geen alternatieve locatie is, sprake is van een groot maatschappelijk belang van de opvang van gevoelige groepen én dat op de locatie van de opvang geen sprake is van overmatige geurbelasting. Omdat op de locatie van eiseres sprake is van een overmatige geurbelasting, is het voorzorgsprincipe terecht toegepast.


9.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het maatschappelijk belang bij de gevraagde exploitatie van de gastouderopvang. De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak het college immers opgedragen om onderzoek te doen naar de daadwerkelijk beschikbare opvangmogelijkheden en de uitkomst daarvan te betrekken bij de afweging die het college moet maken. Het college heeft echter geen onderzoek gedaan naar de daadwerkelijk beschikbare opvangmogelijkheden, maar heeft enkel gekeken naar bestaande opvanglocaties zonder daarbij te betrekken of er voldoende feitelijk beschikbare opvangplekken zijn. Dat is onvoldoende, omdat daardoor onduidelijk blijft of er wachtlijsten bestaan en zo ja, wat de gemiddelde wachttijd bedraagt. Dat de GGD adviseert de opvanglocatie alleen toe te staan als er geen alternatieve locatie is, sprake is van een groot maatschappelijk belang van de opvang van gevoelige groepen én dat op de locatie van de opvang geen sprake is van overmatige geurbelasting, maakt niet dat het college bij een overmatige geurbelasting de aanvraag voor de exploitatie van een gastouderopvang zonder meer moet weigeren. De in de richtlijn Veehouderij en Gezondheid opgenomen uitgangspunten van de GGD binden het college namelijk niet. Het college mag het weliswaar op basis van het GGD-advies uit voorzorg onwenselijk achten dat kinderopvang in de woning van eiseres wordt gevestigd, maar het college moet daarbij wel zelf de afweging maken of er vanwege het maatschappelijk belang aanleiding bestaat om af te wijken van dat advies. Dit betekent dat het college moet inventariseren of er wachtlijsten voor kinderopvang en/of gastouderopvang zijn en zo ja, wat de gemiddelde wachttijd is voor een vraagouder, om vervolgens een weloverwogen afweging te kunnen maken of in dit specifieke geval vanwege het maatschappelijke belang toestemming moet worden verleend voor gastouderopvang op de locatie van eiseres. De beroepsgrond slaagt.



9.3.
Het voorgaande betekent dat het bestreden besluit op dit punt onzorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. Dat is in strijd met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb.




Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is gegrond, omdat het college onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar het maatschappelijk belang bij de exploitatie van de gastouderopvang. Dit betekent dat het bestreden besluit in strijd is met de artikelen 3:2 en 7:12 van de Awb. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Ook draagt de rechtbank het college niet op om de gebreken te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Het college zal namelijk opnieuw onderzoek moeten doen naar de daadwerkelijk beschikbare opvangplekken en de duur van de wachtlijsten. Na dit onderzoek zal het college opnieuw een afweging moeten maken of in dit specifieke geval toestemming moet worden verleend voor de exploitatie van een gastouderopvang. Het is niet aan de rechtbank om deze afweging te maken.


10.1.
Omdat het beroep gegrond is, moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden.



10.2.
De rechtbank merkt nog op dat zij in beginsel uitspraak doet binnen zes weken na het sluiten van het onderzoek en dat zij die termijn met nog eens zes weken kan verdagen. Deze termijnen heeft de rechtbank niet gehaald. De rechtbank biedt partijen daarvoor haar excuses aan.




Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit niet-ontvankelijk;
- verklaart het beroep tegen het bestreden besluit gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt het college op om binnen acht weken na de datum van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op het bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat het college het griffierecht van € 194 aan eiseres moet vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van mr.L. Janssen, griffier. Uitgesproken in het openbaar op:













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.



Op grond van artikel 1.62, eerste lid, van de Wko.


Zaaknummer 24/4859, de uitspraak van 9 mei 2025 is niet gepubliceerd.


ABRvS 6 augustus 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AI0801 (Brummen-leer).


ABRvS 14 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7794.


De GGD wijst op een rapport van RIVM, Veehouderij: afstandscriterium met maatwerk, waarin een verhoogde kans op longontsteking tot een afstand van 2 kilometer is aangenomen.
Link naar deze uitspraak