|
|
|
| ECLI:NL:RVS:2026:4607 | | | | | Datum uitspraak | : | 05-08-2026 | | Datum gepubliceerd | : | 05-08-2026 | | Instantie | : | Raad van State | | Zaaknummers | : | 202405311/1/R3 | | Rechtsgebied | : | Bestuursrecht | | Indicatie | : | In het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad van de gemeente Ommen het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 1] en [locatie 2] Arriën" vastgesteld. Het bestemmingsplan voorziet in een agrarische bestemming op de [locatie 1] in Arriën. Op dit perceel is een aardbeienboerderij en een theeschenkerij aanwezig. Binnen de agrarische bestemming maakt dit bestemmingsplan de realisatie van een kampeerterrein met maximaal 16 kampeermiddelen mogelijk in aanvulling op de huidige agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om een woning met bed- en breakfast te realiseren aan de [locatie 2] in Arriën. Voorheen vond op dit perceel detailhandel plaats.[appellant] woont tegenover het plangebied op [locatie 3]. Hij is het niet eens met dit besluit. Hij vreest onder meer voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het plan en vindt dat hij onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van dat plan. | | Trefwoorden | : | agrarisch | | | bestemmingsplan | | | buitengebied | | | intensieve veehouderij | | | perceel | | | veehouderij | | | | Uitspraak | 202405311/1/R3.
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend in Arriën, gemeente Ommen,
appellant,
en
de raad van de gemeente Ommen,
verweerder.
Procesverloop
In het besluit van 20 juni 2024 heeft de raad het bestemmingsplan "Buitengebied, herziening [locatie 1] en [locatie 2] Arriën" vastgesteld.
Tegen dit besluit heeft [appellant] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
[partij] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[partij] en [appellant] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 29 juni 2026, waar [appellant], bijgestaan door mr. E. Hardeman, advocaat in Arnhem, en vergezeld door [gemachtigde A], en de raad, vertegenwoordigd door A. van Ginkel en G. Wassink, zijn verschenen. Verder is op de zitting [partij], vertegenwoordigd door [gemachtigde B] en [gemachtigde C] en [gemachtigde D], gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 14 december 2023 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening (Wro), zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan voorziet in een agrarische bestemming op de [locatie 1] in Arriën. Op dit perceel is een aardbeienboerderij en een theeschenkerij aanwezig. Binnen de agrarische bestemming maakt dit bestemmingsplan de realisatie van een kampeerterrein met maximaal 16 kampeermiddelen mogelijk in aanvulling op de huidige agrarische bedrijfsvoering. Daarnaast voorziet het bestemmingsplan in de mogelijkheid om een woning met bed- en breakfast te realiseren aan de [locatie 2] in Arriën. Voorheen vond op dit perceel detailhandel plaats.
2.1. [appellant] woont tegenover het plangebied op [locatie 3]. Hij is het niet eens met dit besluit. Hij vreest onder meer voor een aantasting van zijn woon- en leefklimaat als gevolg van het plan en vindt dat hij onvoldoende is betrokken bij de voorbereiding van dat plan.
Het beroep
Toetsingskader
3. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
Ingetrokken beroepsgrond
4. Op de zitting heeft [appellant] de beroepsgrond dat niet langer gesproken kan worden van een perceel met een agrarische bestemming, omdat de agrarische bestemming ondergeschikt zal worden aan de recreatieve doeleinden, ingetrokken.
Strijd met de goede procesorde
5. Op 12 juni 2026 heeft [appellant] nadere stukken ingediend. Het gaat om een nadere memorie van 21 pagina’s met 12 bijlagen. De nadere memorie bevat de onderbouwing van eerder aangevoerde, maar niet gemotiveerde, beroepsgronden. Daarnaast bevat dit stuk enkele nieuwe beroepsgronden. De bijlagen bestaan onder meer uit een verkeersdeskundig rapport dat kennelijk dient als nieuw bewijs ter onderbouwing van een beroepsgrond.
5.1. Behalve in geschillen waarin de wet het niet toestaat, kunnen ook na afloop van de beroepstermijn en, als die termijn is gegeven, na de termijn als bedoeld in artikel 6:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), nieuwe gronden worden ingediend of, ter motivering van een eerdere beroepsgrond, nieuwe argumenten worden aangevoerd en nieuw bewijs worden ingediend. Deze mogelijkheid wordt begrensd door de goede procesorde. Dat geldt ook als het nog meer dan tien dagen duurt voordat de zitting zal plaatsvinden, zoals geregeld in artikel 8:58 van de Awb. De Afdeling hanteert twee vragen om te beoordelen of de goede procesorde wordt geschonden. De eerste vraag is of voor de overige partij(en) te weinig tijd resteert om zich er inhoudelijk over uit te laten. De tweede vraag is of de zaak moet worden aangehouden met als gevolg een onwenselijke of onaanvaardbare vertraging van de procedure in het licht van de belangen van de overige partij(en) en een goede rechtspleging. Onder dat laatste valt ook de adequate voorbereiding van de zitting door de bestuursrechter. Bij de invulling van deze twee vragen speelt in ieder geval een rol of de nadere stukken eerder hadden kunnen worden ingediend, de omvang en de complexiteit ervan en de deskundigheid die vereist is om daar adequaat op te reageren.
5.2. De Afdeling heeft partijen in haar uitnodigingsbrief van 16 april 2026 voor de zitting van 29 juni 2026 erop gewezen dat nadere stukken kunnen worden ingediend, en gevraagd om dat zo spoedig mogelijk te doen. De hoofdregel is dat deze stukken uiterlijk op 18 juni 2026 door de Afdeling moeten zijn ontvangen (termijn uit artikel 8:58, eerste lid, van de Awb). In de brief staat ook uitdrukkelijk aangegeven dat de Afdeling nadere stukken wegens strijd met de goede procesorde buiten beschouwing kan laten, als deze voor de in de brief genoemde datum zijn ingediend.
5.3. De Afdeling stelt vast dat de nadere stukken van [appellant] van 12 juni 2026 zo laat zijn ingediend dat de raad en [partij] zijn belemmerd om daarop adequaat inhoudelijk te reageren. De raad heeft op de zitting toegelicht dat hij door de late ontvangst van de nadere stukken geen gelegenheid meer had voor het indienen van een schriftelijke reactie daarop. Ook de Afdeling is belemmerd in haar voorbereiding van de zitting, doordat kort daarvoor een omvangrijke nadere memorie met bijlagen is ingediend. De Afdeling acht daarbij van belang dat de nadere stukken in een veel eerder stadium hadden kunnen worden ingediend. De beroepsprocedure is al sinds augustus 2024 aanhangig. De stukken bevatten informatie en bijlagen die dateren van ruim voor 12 juni 2026. Desgevraagd kon [appellant] op de zitting ook geen goede reden geven waarom de nadere stukken pas in een zo laat stadium zijn ingediend. De Afdeling ziet onder de genoemde omstandigheden aanleiding om de nadere stukken vanwege strijd met de goede procesorde buiten beschouwing te laten, voor zover in die stukken voor het eerst een concretisering en/of onderbouwing is gegeven van een eerder niet geconcretiseerde en/of onderbouwde beroepsgrond, en voor zover in die stukken nieuwe beroepsgronden zijn aangevoerd. Als gevolg daarvan zal de Afdeling hierna bij de beoordeling van de eerder wel onderbouwde en concreet gemaakte beroepsgronden over participatie en de intensieve veehouderij op het perceel [locatie 4], de nadere stukken wel betrekken maar bij de beoordeling van andere beroepsgronden (zie onder het kopje "overige beroepsgronden") niet.
Participatie
6. [appellant] betoogt dat de raad in strijd met het gemeentelijke participatiebeleid heeft gehandeld. De belangen van omwonenden zijn onvoldoende meegenomen in de procedure. In zijn nadere memorie heeft [appellant] toegelicht dat hij pas na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan door de initiatiefnemer is geïnformeerd over de plannen. De informatieavond was pas op 22 februari 2024. Deze informatieavond kan daarom niet worden aangemerkt als een onderdeel van participatie, omdat het ontwerpbestemmingsplan toen al vastlag. Dit is niet in overeenstemming met de spelregels zoals bepaald in paragraaf 3.4 van de Omgevingsvisie Ommen. Het besluit is daarmee onzorgvuldig voorbereid, aldus [appellant].
6.1. Het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan is, in overeenstemming met artikel 3.8 van de Wro, voorbereid met toepassing van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb. Daarbij is aan een ieder de mogelijkheid geboden om zienswijzen over het ontwerpplan naar voren te brengen. De voorbereiding van het besluit voldoet daarmee aan de wettelijke eisen.
6.2. Het bieden van inspraak voorafgaande aan de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan maakt geen onderdeel uit van de in de Wro en het Besluit ruimtelijke ordening geregelde bestemmingsplanprocedure. Het niet bieden van inspraak in die eerdere fase heeft daarom geen gevolgen voor de rechtmatigheid van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan. De Afdeling ziet daarin ook geen grond voor het oordeel dat het plan in zoverre onzorgvuldig tot stand is gekomen.
Anders dan [appellant] betoogt volgt uit de Omgevingsvisie ook geen verplichting om voorafgaand aan de terinzagelegging van het ontwerpplan inspraak te bieden. De spelregels bepalen alleen dat de initiatiefnemer belanghebbenden tijdig moet informeren over het voorgenomen initiatief.
6.3. Verder overweegt de Afdeling dat, anders dan [appellant] stelt, naar aanleiding van zijn zienswijze het aantal kampeermiddelen in het vastgestelde bestemmingsplan is teruggebracht van 25 naar 16. De veronderstelling dat na de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan dat plan al definitief was en omwonenden op de inhoud daarvan geen wezenlijke invloed meer konden uitoefenen, is gelet hierop onjuist.
Het betoog slaagt niet.
De intensieve veehouderij
7. [appellant] betoogt dat de raad bij de voorbereiding van het plan onvoldoende rekening heeft gehouden met de planologische mogelijkheden voor een intensieve veehouderij op het naastgelegen perceel aan de [locatie 4]. Volgens [appellant] wordt in het plangebied niet aan de richtafstanden voor geur en geluid vanwege die intensieve veehouderij voldaan. Het standpunt van de raad dat geen sprake meer is van een actief agrarisch bedrijf maakt dit niet anders, omdat dit agrarische bedrijf wel nog steeds planologisch mogelijk is, aldus [appellant].
7.1. Artikel 8:69a van de Awb luidt:
"De bestuursrechter vernietigt een besluit niet op de grond dat het in strijd is met een geschreven of ongeschreven rechtsregel of een algemeen rechtsbeginsel, indien deze regel of dit beginsel kennelijk niet strekt tot bescherming van de belangen van degene die zich daarop beroept."
Uit de geschiedenis van de totstandkoming van de Wet aanpassing bestuursprocesrecht (Kamerstukken II, 2009/10, 32 450, nr. 3, blz. 18-20) blijkt dat de wetgever met artikel 8:69a van de Awb de eis heeft willen stellen dat er een verband is tussen een beroepsgrond en het belang waarin de appellant door het bestreden besluit dreigt te worden geschaad. De bestuursrechter mag een besluit niet vernietigen wegens schending van een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van het belang van degene die in beroep komt.
7.2. De Afdeling heeft in haar overzichtsuitspraak van 11 november 2020, ECLI:NL:RVS:2020:2706, onder 10.10, overwogen dat appellanten zich in rechte op de norm van een goede ruimtelijke ordening kunnen beroepen om een vernietiging van het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan te bewerkstelligen voor zover die norm betrekking of mede betrekking heeft op hun eigen belangen. In artikel 8:69a van de Awb ligt besloten dat degene die vernietiging van een besluit beoogt zich in beginsel niet met succes kan beroepen op belangen van anderen.
De vraag in hoeverre de nabijgelegen intensieve veehouderij op het gebied van geur en geluid gevolgen heeft voor het woon- en verblijfsklimaat bij de te realiseren minicamping en de woning met bed & breakfast, gaat over het belang van de eigenaren van de gronden van het plangebied, en de toekomstige gebruikers daarvan. Het gaat dus niet over het eigen belang van [appellant]. In zoverre beroept [appellant] zich op een rechtsregel die kennelijk niet strekt tot bescherming van zijn belang. Het betoog kan daarom gelet op artikel 8:69a van de Awb niet tot vernietiging van het bestreden besluit leiden. De Afdeling zal het betoog daarom niet inhoudelijk bespreken.
Overige betogen
8. De betogen van [appellant] dat de verkeersveiligheid onvoldoende onderzocht en geborgd is, dat het ecologisch onderzoek onvolledig en gebrekkig is, de planologische uitvoerbaarheid van het ruimtelijk kwaliteitsplan onvoldoende onderzocht en gemotiveerd is, en het plan onvolledig ter inzage heeft gelegen, zijn niet onderbouwd en slagen daarom niet.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond.
10. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. J. Hoekstra, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.M.A. Wolvers-Poppelaars, griffier.
w.g. Hoekstra
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Wolvers-Poppelaars
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
780 - 1205 | Link naar deze uitspraak
|
| | |
|
|