Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBNNE:2026:3291 
 
Datum uitspraak:27-07-2026
Datum gepubliceerd:07-08-2026
Instantie:Rechtbank Noord-Nederland
Zaaknummers:LEE 25/1746
Rechtsgebied:Bestuursrecht
Indicatie:Meststoffenwet. Bestuurlijke boete wegens overschrijding van de gebruiksnorm voor dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm. Geen aanleiding voor verdere matiging van de boete. De financiële gevolgen van de intrekking van de derogatie en de financiële draagkracht van eiser leiden niet tot een ander oordeel. Beroep ongegrond.
Trefwoorden:derogatie
dierlijke meststoffen
gebruiksnormen
landbouw
mestafzet
meststoffen
meststoffenwet
subsidies
 
Uitspraak
RECHTBANK NOORD-NEDERLAND

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: LEE 25/1746

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 27 juli 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

en

de minister van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur
(gemachtigden: mr. B. de Haan en mr. M. Leegsma).


Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de bestuurlijke boete die de minister aan eiser heeft opgelegd naar aanleiding van een overtreding van de Meststoffenwet (Msw). Bij een controle is vastgesteld dat eiser de gebruiksnorm voor dierlijke mest en de fosfaatgebruiksnorm heeft overschreden. Hiervoor is aan eiser een boete van € 25.352,- opgelegd. Eiser is het niet eens met de hoogte van de boete. Volgens hem heeft de minister onvoldoende rekening gehouden met de financiële gevolgen van de boete en de gevolgen van het verlies van de derogatie en de daarmee samenhangende subsidie. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de aan eiser opgelegde boete.


1.1.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister de boete terecht heeft opgelegd en dat geen aanleiding bestaat deze verder te matigen. De gevolgen van het verlies van derogatie en het mislopen van de subsidie zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding geven de boete te verlagen. Ook heeft de minister de financiële draagkracht van eiser voldoende onderzocht en zich op het standpunt mogen stellen dat eiser de boete, met behulp van een betalingsregeling, kan voldoen. Eiser krijgt daarom geen gelijk. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.




Procesverloop

2. Bij het primaire besluit van 26 november 2024 heeft de minister aan eiser een bestuurlijke boete van € 25.352,- opgelegd.


2.1.
Met het bestreden besluit van 25 februari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het primaire besluit gehandhaafd.



2.2.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.



2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigden van de minister.




Beoordeling door de rechtbank


Omvang van het geschil

3. De rechtbank stelt vast dat in deze procedure uitsluitend de aan eiser opgelegde bestuurlijke boete ter beoordeling voorligt. Eiser heeft weliswaar gewezen op de intrekking van zijn derogatievergunning voor 2022 en de uitsluiting van deelname aan derogatie in 2025, maar heeft op zitting uitdrukkelijk bevestigd dat zijn beroep alleen is gericht tegen (de hoogte van) de boete.


3.1.
De rechtbank stelt verder vast dat eiser de aan de boete ten grondslag gelegde overtreding niet heeft betwist. In beroep is niet in geschil dat eiser de gebruiksnorm dierlijke meststoffen en de fosfaatgebruiksnorm in het kalenderjaar 2022 heeft overschreden. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om aan de juistheid van de vastgestelde overtredingen te twijfelen. De rechtbank zal daarom uitsluitend beoordelen of de minister aanleiding had moeten zien de opgelegde boete verder te matigen.


Evenredigheid van de boete

4. Eiser voert aan dat de boete onevenredig hoog is. Volgens hem is onvoldoende rekening gehouden met alle financiële gevolgen die de opgelegde boete voor hem heeft. Hij wijst erop dat de boeteoplegging mede als gevolg heeft gehad dat zijn derogatievergunning voor het jaar 2022 is ingetrokken. Hij kon daarom ook in 2025 geen derogatie aanvragen. Hij heeft bovendien extra kosten moeten maken voor de afvoer van mest en is een subsidie van ongeveer € 4.000,- misgelopen. Daarnaast heeft de boete gevolgen voor de financiering van zijn bedrijf.



4.1.
Deze beroepsgrond slaagt niet.



4.2.
De hoogte van de boete is vastgesteld overeenkomstig artikel 57 van de Msw. Het boetebedrag is vastgesteld in een wettelijk voorschrift. Op grond van artikel 5:46, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dient de minister wel een lagere boete op te leggen indien de overtreder aannemelijk maakt dat de wettelijk vastgestelde boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. Binnen dit kader wordt beoordeeld of de voorgeschreven boete in het concrete geval evenredig is aan met name de aard en ernst van de geconstateerde overtreding, de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten en, zo nodig, de omstandigheden waaronder de overtreding is begaan. De omstandigheden die daarbij een rol kunnen spelen, zijn die omstandigheden waarmee de wetgever niet al bij de vaststelling van het boetebedrag rekening heeft gehouden.



4.3.
De rechtbank ziet geen aanleiding om de boete verder te matigen in verband met de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de (financiële) gevolgen daarvan voor eiser. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd, ook gelet op de aard en ernst van de overtreding, geen aanleiding voor het oordeel dat de boete wegens bijzondere omstandigheden te hoog is. De rechtbank licht dat oordeel hierna verder toe.




4.4.
Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken van een verminderde mate van verwijtbaarheid die aanleiding geeft de boete te matigen. Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de overtreding is veroorzaakt door een fout van een door hem ingeschakelde adviseur, overweegt de rechtbank dat dit voor rekening en risico van eiser komt. Het was namelijk de eigen verantwoordelijkheid van eiser om de gebruiksnormen na te leven.



4.5.
De door eiser gestelde kosten voor de mestafzet, het niet in aanmerking komen voor derogatie in 2025 en de gemiste subsidie zijn gevolgen van de intrekking van de derogatie over het jaar 2022. Het besluit tot intrekken van de derogatie staat in rechte vast. De rechtbank dient daarom van de rechtmatigheid van dat besluit uit te gaan. De door eiser gestelde (financiële) gevolgen van de intrekking van de derogatie staan los van de boete en behoren daarom ook geen rol te spelen bij de beoordeling van de evenredigheid van de boete. Deze gevolgen leveren daarom op zichzelf geen omstandigheid die maken dat de boete onevenredig is. Dat is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank niet anders.



4.6.
Ook de omstandigheid dat de boete gevolgen heeft voor de financiering van eisers onderneming leidt niet tot een ander oordeel. Hoewel de rechtbank begrijpt dat de boete voor eiser (financieel) ingrijpend is, heeft hij onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake is van een uitzonderlijke situatie die maakt dat de boete voor hem leidt tot onevenredige gevolgen.



4.7.
Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn financiële draagkracht. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft de financiële draagkracht van eiser in bezwaar en beroep beoordeeld aan de hand van de door eiser verstrekte financiële gegevens. Daarbij is gebruikgemaakt van een door een financieel deskundige van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland uitgevoerde draagkrachttoets. Op basis daarvan heeft de minister geconcludeerd dat eiser de boete, met behulp van een betalingsregeling, kan voldoen en dat geen aanleiding bestaat de boete wegens verminderde draagkracht verder te matigen. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om de conclusie van de minister onjuist te achten. Daarbij overweegt de rechtbank dat eiser inmiddels een betalingsregeling met de minister is overeengekomen. Ter zitting heeft eiser toegelicht dat hij sinds december 2024 maandelijks zo’n € 700,- aflost en inmiddels ongeveer de helft van de boete heeft voldaan. Ook heeft hij verklaard dat zijn onderneming wordt voortgezet en dat hij de betalingsregeling kan nakomen. Dat het voldoen van de boete voor eiser financieel belastend is, betekent niet dat sprake is van een zodanig beperkte draagkracht dat de minister de boete verder had moeten matigen. Daarvan is in deze zaak niet gebleken. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eisers financiële draagkracht geen aanleiding hoefde te geven tot matiging van de boete.










Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. De minister heeft de bestuurlijke boete terecht vastgesteld op € 25.352,-. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Ook krijgt hij geen vergoeding van zijn proceskosten.



Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.




Deze uitspraak is gedaan door mr. E. Hardenberg, rechter, in aanwezigheid van mr. K. Lenting, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 27 juli 2026.













griffier


rechter







Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:




Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar het College van Beroep voor het bedrijfsleven waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van het College van Beroep voor het bedrijfsleven vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.


Vergelijk ook de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven (CBb) van 21 april 2026, ECLI:NL:CBB:2026:163.


Vergelijk de uitspraak van het CBb van 18 november 2025, ECLI:NL:CBB:2025:607.
Link naar deze uitspraak