Inloggen 
 

 Registreren
 Wachtwoord vergeten?


Terug naar het beginscherm

 
 
 
Neem contact op met de Agro-advieslijn:
0570-657417 (Houtsma Bedrijfsadvies)
ECLI:NL:RBAMS:2026:8197 
 
Datum uitspraak:12-08-2026
Datum gepubliceerd:18-08-2026
Instantie:Rechtbank Amsterdam
Zaaknummers:C/13/772195 / HA ZA 25-12 C/13/772195 / HA ZA 25-12
Rechtsgebied:Internationaal privaatrecht
Indicatie:Bevoegdheidsincident in WAMCA-procedure over gestelde inbreuk op het mededingingsrecht. De rechtbank oordeelt dat zij ten aanzien van de buitenlandse gedaagden rechtsmacht heeft op grond van de in artikel 7 lid 1 Rv neergelegde ankergedaagderegel. Het bevoegdheidsincident wordt afgewezen.
Trefwoorden:burgerlijk wetboek
herstructurering
san
wettelijke rente
 
Uitspraak
RECHTBANK Amsterdam

Civiel recht

Zaaknummer: C/13/772195 / HA ZA 25-1266


Vonnis in incident van 12 augustus 2026


in de zaak van

de stichting

STICHTING MULTILATERAL INTERCHANGE FEES CLAIMS,
gevestigd te Amsterdam,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat: mr. C.C.A. van Rest,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

VISA EUROPE (NETHERLANDS) B.V.,
gevestigd te Amsterdam,2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WHITE PIKE FINANCIAL SERVICES INTERNATIONAL B.V.,
gevestigd te Amsterdam,3. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA EUROPE SERVICES LLC,
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika),4. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA EUROPE LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),5. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA INTERNATIONAL HOLDINGS LIMITED,
gevestigd te Londen (Verenigd Koninkrijk),6. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA INC.,
gevestigd te San Francisco (Verenigde Staten van Amerika),7. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA INTERNATIONAL SERVICE ASSOCIATION,
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika),8. de rechtspersoon naar buitenlands recht

VISA INTERNATIONAL HOLDINGS INC.,
gevestigd te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika),
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat: mr. D.A.M.H.W. Strik.

Eiseres in de hoofdzaak wordt hierna de Stichting genoemd.

Gedaagden in de hoofdzaak worden hierna afzonderlijk VEN (1) White Pike (2) VES (3) Visa Europe (4) VIHL (5) Visa Inc. (6) Visa International (7) en VIHI (8) en gezamenlijk (in enkelvoud) Visa genoemd.

Gedaagden in de hoofdzaak 3 tot en met 8 worden hierna gezamenlijk – voor de behandeling van het bevoegdheidsincident – ‘de buitenlandse gedaagden’ genoemd.




1De zaak en de beslissingen van de rechtbank in dit vonnis in het kort


1.1.
De hoofdzaak is een zogeheten collectieve actie. Daarin komt de Stichting op voor een groep Merchants. Dit zijn Nederlandse ondernemingen die goederen en/of diensten aanbieden. Volgens de Stichting hebben die Merchants schade geleden doordat Visa vanaf 1992 – in strijd met het mededingingsrecht – te hoge vergoedingen (zogenoemde Inter-regional MIFs) heeft afgedwongen voor betalingen die zij hebben ontvangen van Visa-betaalkaarten die zijn uitgegeven buiten de Europese Economische Ruimte (de EER).



1.2.
De Stichting heeft acht Visa-entiteiten gedagvaard die zijn gevestigd in verschillende landen, te weten in Nederland, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Staten van Amerika.



1.3.
Visa heeft een bevoegdheidsincident opgeworpen. Volgens Visa heeft deze rechtbank geen rechtsmacht ten aanzien van de buitenlandse gedaagden. Visa heeft nog geen inhoudelijk verweer gevoerd tegen de collectieve vorderingen van de Stichting in de hoofdzaak.



1.4.
In dit vonnis oordeelt de rechtbank dat zij ook rechtsmacht heeft ten aanzien van de buitenlandse gedaagden op grond van de in artikel 7 lid 1 Rv neergelegde ankergedaagderegel. Het bevoegdheidsincident van Visa wordt dan ook afgewezen. De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol voor het nemen van een conclusie van antwoord door Visa.





2De procedure


2.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaardingen van 8 juli 2025,
- de akte overlegging producties van de Stichting, met producties 1 – 13,
- de incidentele conclusie houdende exceptie van onbevoegdheid van Visa,
- de conclusie van antwoord in het bevoegdheidsincident van de Stichting,
- de brief van 16 december 2025 van de rechtbank aan partijen waarbij een mondelinge behandeling in het bevoegdheidsincident is bepaald,
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 juni 2026 en de daarin genoemde stukken,
- de aantekeningen van de griffier van de mondelinge behandeling van 29 juni 2026 die zich in het dossier bevinden,
- de brief van 15 juli 2026 van Visa met daarin de terechte opmerking op het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 29 juni 2026 dat VES niet gevestigd is te Londen (Verenigd Koninkrijk), maar te Wilmington (Verenigde Staten van Amerika). Deze brief is aan het proces-verbaal gehecht.



2.2.
Daarna is bepaald dat vandaag een vonnis in incident wordt uitgesproken.





3De feiten voor zover van belang voor het bevoegdheidsincident


De Stichting



3.1.
De Stichting is opgericht op 25 april 2024 en statutair gevestigd te Amsterdam.



3.2.
In artikel 2 lid 1 van de statuten van de Stichting is bepaald:

“DOEL

ARTIKEL 2

1. De stichting heeft ten doel het behartigen van belangen van Gedupeerden met betrekking tot iedere vorm van benadeling die de Gedupeerden stellen te hebben of te (zullen) lijden als gevolg van elke frauduleuze, misleidende of oneerlijke handelspraktijk die onrechtmatig is volgens de geldende regelgeving, waaronder – maar niet beperkt tot – een of meerdere schending(en) van het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) (mededingings)recht of het (Europese, Nederlandse dan wel buitenlandse) consumentenrecht. De stichting heeft tevens tot doel al hetgeen te doen dat met het voorstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord, waaronder begrepen maar niet beperkt tot:
a. het behartigen van de belangen van Gedupeerden in verband met een specifieke Claim;
b. het behartigen van de (collectieve) belangen van Gedupeerden en het vertegenwoordigen van Gedupeerden in juridische procedures binnen Nederland en in andere jurisdicties, zoals civiele, strafrechtelijke en bestuursrechtelijke procedures, al naar gelang het geval;
c. het verkrijgen en verdelen van financiële compensatie voor (een gedeelte van) de schade die de Gedupeerden, waaronder Participanten, stellen te hebben geleden;
d. al hetgeen met vorenstaande verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord;
een en ander voor zover dit door het bestuur opportuun wordt geacht.(…)”



3.3.
De Stichting komt in de hoofdzaak als collectieve belangenbehartiger op voor een groep zogenoemde Merchants. Dit zijn Nederlandse ondernemingen die goederen en/of diensten aanbieden en Visa-betaalkaarten accepteren.


De betrokken Visa-entiteiten



Visa Inc.




3.4.
Visa Inc. is de Amerikaanse topholding binnen de wereldwijde Visa-groep. Deze entiteit werd in mei 2007 opgericht.



3.5.
In oktober 2007 voerde Visa een herstructurering uit waarbij verschillende Visa-entiteiten – waaronder Visa International – directe of indirecte dochterondernemingen van Visa Inc. werden.



3.6.
In 2016 heeft Visa Inc. Visa Europe overgenomen, waardoor Visa Europe een volledige dochteronderneming werd van Visa Inc.


Visa International




3.7.
Visa International is een coöperatieve ledenorganisatie. De leden zijn banken en betalingsdienstaanbieders die Issuers of Acquirers zijn (zie 3.19), of beide. (De rechtsvoorganger van) Visa International is in 1974 opgericht.



3.8.
Tot 2004 exploiteerde Visa International het wereldwijde Visa-platform (zie 3.18 tot en met 3.24). In dat jaar werd Visa Europe opgericht (zie 3.12) en werd een afzonderlijk netwerk opgericht voor Europa.



3.9.
Voordat Visa Inc. in 2007 werd opgericht, was Visa International de topholding binnen de wereldwijde Visa-groep.


VIHL en VIHI




3.10.
VIHL en VIHI zijn beide houdstermaatschappijen die in 2016 zijn opgericht als onderdeel van een herstructurering binnen de Visa-groep. Vanaf die herstructurering werden de aandelen in:


VEN gehouden door VIHI,


VIHI gehouden door VIHL,


VIHL gehouden door Visa International.





3.11.
In september 2024 heeft een nieuwe herstructurering binnen de Visa-groep plaatsgevonden, waarbij VIHI is opgegaan in Visa International. VIHI is daarmee opgehouden te bestaan.


Visa Europe




3.12.
Visa Europe is in 2004 opgericht als vereniging ter exploitatie van het Visa-platform in Europa. In 2016 werd Visa Europe (indirect) een volledige dochteronderneming van Visa Inc.


VES




3.13.
VES is in 2004 opgericht en is momenteel een volledige dochteronderneming van Visa Europe.


VEN




3.14.
VEN is in 2008 opgericht. Tussen 19 juni 2008 en 30 juni 2020 was VEN een volledige dochteronderneming van Visa International. Per 30 juni 2020 is VEN een volledige dochteronderneming van Visa Europe.



3.15.
Tussen 2008 en 2020 verrichte VEN geen operationele activiteiten. Vanaf 2020 verleent VEN ondersteunende diensten aan Visa Europe, waaronder cliëntcontact, bedrijfsontwikkeling en algemene ondersteuningsdiensten aan gelieerde ondernemingen. Daarnaast treedt VEN op als AVG-vertegenwoordiger namens verschillende Visa-entiteiten, waaronder Visa Inc. en Visa Europe.


White Pike




3.16.
White Pike is indirect – via onder meer VIHL – een volledige dochteronderneming van Visa Inc. White Pike treedt op als houdstermaatschappij voor de Visa-groep.


De vennootschapsstructuur




3.17.
Schematisch weergegeven is de vennootschapsstructuur – per 24 september 2024 – van de in deze procedure betrokken Visa-entiteiten als volgt:








De werking van het Visa-platform




3.18.
Visa exploiteert een internationaal betalingsplatform (hierna: het Visa-platform).



3.19.
Visa hanteert een betaalmodel waarbij de volgende vier partijen betrokken zijn:


de financiële instellingen die Visa-betaalkaarten uitgeven (de Issuers),


de klanten van de Issuers die Visa-betaalkaarten bezitten en gebruiken (de Cardholders),


financiële instellingen die ondernemingen aansluiten om Visa-betaalkaarten te accepteren (de Acquirers), en


de ondernemingen die de Visa-betaalkaarten accepteren (de Merchants).





3.20.
Bij iedere transactie met een Visa-betaalkaart is de Acquirer een vergoeding – de Interchange Fee – verschuldigd aan de Issuer. Acquirers en Issuers kunnen onderling bilaterale afspraken maken over Interchange Fees. Bij het ontbreken van dergelijke bilaterale afspraken gelden de standaardtarieven van Visa, de Multilateral Interchange Fees (hierna: MIFs).



3.21.
Er bestaan grofweg drie categorieën MIFs, te weten:



Domestic MIFs: MIFs die van toepassing zijn op transacties waarbij de Merchant is gevestigd in hetzelfde land waar de Visa-betaalkaart is uitgegeven.



Intra-regional MIFs: MIFs die van toepassing zijn op internationale transacties waarbij de Merchant is gevestigd in een ander land dan het land waar de Visa-betaalkaart is uitgegeven, maar waarbij beide landen wel tot dezelfde geografische regio behoren.



Inter-regional MIFs: MIFs die van toepassing zijn op internationale transacties waarbij de Merchant is gevestigd in een land in een andere regio dan de regio waar de Visa-betaalkaart is uitgegeven. De hoofdzaak ziet op deze categorie MIFs.





3.22.
Een betalingstransactie via het Visa-platform verloopt doorgaans – kort gezegd – als volgt:


een Cardholder overhandigt een Visa-betaalkaart aan een Merchant wanneer deze goederen of diensten van de Merchant wil kopen;


bij aanbieding van de betaalkaart stuurt de Merchant de details van de transactie en de gepresenteerde betaalkaart door naar zijn Acquirer. Op basis van deze informatie communiceert de Acquirer met de Issuer van de Cardholder en voert de betaling uit;


de (door)betaling van de koopprijs van de Issuer aan de Acquirer verloopt als volgt. Het saldo van de koopprijs wordt gedebiteerd op de vereffeningsbankrekening van de Issuer, op welk bedrag de MIFs in mindering worden gebracht. De MIFs blijven dus achter bij de Issuer. Het restant van de koopprijs wordt gecrediteerd op de vereffeningsbankrekening van de Acquirer. Op deze wijze worden betalingstransacties tussen Issuers en Acquirers op dagelijkse basis (meestal gebundeld) verwerkt.


de Acquirer betaalt de koopprijs door aan de Merchant. De Merchant moet hiervoor een vergoeding – de Merchant Service Charge (MSC) – aan de Acquirer betalen.





3.23.
De Acquirers en Issuers zijn zogenoemde scheme fees aan Visa verschuldigd voor het gebruik van het Visa-platform.



3.24.
Schematisch weergegeven werkt het Visa-platform – voor zover hier van belang – als volgt:








Het vaststellen van de hoogte van de Inter-regional MIFs




3.25.
Voor de herstructurering in 2007 (zie 3.5) was Visa International exclusief bevoegd om de hoogte van de Inter-regional MIFs vast te stellen. Daarna is die bevoegdheid bij Visa Inc. komen te liggen.


Het toezeggingsbesluit




3.26.
Visa is meermaals onderwerp geweest van onderzoek door de Europese Commissie.



3.27.
Op 31 juli 2012 heeft de Europese Commissie onderzoeken geopend tegen Visa Inc. en Visa International. De voorlopige conclusie van de Europese Commissie in die onderzoeken was dat de Inter-regional MIFs van Visa een inbreuk op het in artikel 101 VWEU opgenomen kartelverbod opleverden. In reactie op die voorlopige conclusie hebben Visa Inc. en Visa International toegezegd een vastgesteld (gereduceerd) percentage voor de Inter-regional MIFs te zullen gaan hanteren. Bij besluit van 29 april 2019 (Case AT.39398 – Visa MIF) van de Europese Commissie zijn die toezeggingen verbindend verklaard (hierna: het toezeggingsbesluit). Visa Inc. en Visa International zijn beide geadresseerden van het toezeggingsbesluit.





4Het geschil in de hoofdzaak


4.1.
De belangrijkste vorderingen van de Stichting zijn de vordering van een verklaring voor recht dat Visa door het vaststellen van (te hoge) Inter-regional MIFs jegens de Merchants onrechtmatig heeft gehandeld en de vordering dat Visa de daardoor geleden schade moet vergoeden. Voor een volledige weergave van de vorderingen van de Stichting in de hoofdzaak verwijst de rechtbank naar de bij dit vonnis gevoegde bijlage I.



4.2.
Visa heeft in de hoofdzaak nog niet van antwoord gediend.





5Het geschil in het incident


5.1.
Visa vordert dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:


zich onbevoegd verklaart om van de vorderingen van de Stichting tegen de buitenlandse gedaagden kennis te nemen,


de Stichting veroordeelt in de proceskosten.





5.2.
De Stichting voert verweer. De Stichting concludeert tot afwijzing van de vorderingen van Visa, met een uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van Visa in de proceskosten, te vermeerderen met rente.



5.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, indien nodig, ingegaan.





6De beoordeling


in het incident



6.1.
Dit is een internationale zaak, omdat de Stichting acht partijen heeft gedagvaard die gevestigd zijn in verschillende landen. De rechtbank moet daarom (ook ambtshalve) beoordelen of de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft om van de vorderingen van de Stichting kennis te nemen. Die beoordeling vindt plaats aan de hand van de op het geschil met iedere gedaagde toepasselijke internationale bevoegdheidsregels.



6.2.
Niet in geschil is dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 2 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv) rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen VEN en White Pike. Deze rechtbank is ten aanzien van VEN en White Pike ook relatief bevoegd op grond van artikel 99 Rv.



6.3.
Ten aanzien van de buitenlandse gedaagden – die gevestigd zijn in het Verenigd Koninkrijk en in de Verenigde Staten van Amerika – geldt dat de rechtsmacht moet worden bepaald aan de hand van de commune regels voor rechtsmacht zoals neergelegd in de artikelen 1 tot en met 14 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: Rv).



6.4.
Bij de invoering en latere wijzigingen van de artikelen 1 tot en met 14 Rv heeft de Nederlandse wetgever aansluiting gezocht bij onder meer (de voorlopers van) de Brussel I-bis Verordening (hierna: Brussel I-bis). Bij de uitleg van de regels in Rv voor rechtsmacht in internationale zaken, moet daarom in beginsel aansluiting worden gezocht bij de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: het HvJEU) over (voorlopers van) Brussel I-bis. Dit is alleen anders indien aannemelijk is dat de Nederlandse wetgever heeft beoogd om bij de inrichting van een commune regel af te wijken van de Unierechtelijke instrumenten of de uitleg daarvan door het HvJEU. Voor wat betreft de uitleg van artikel 7 lid 1 Rv (zodanige samenhang) moet worden aangesloten bij artikel 8 punt 1 Brussel I-bis (nauwe band) en de strikte uitleg daarvan (zie hierna 6.6).



6.5.
De hoofdregel van de Brussel I-bis en van Rv is dat de rechter van de woonplaats van gedaagde bevoegd is. Het systeem van Brussel I-bis is verder kort gezegd als volgt. Naast de hoofdregel zijn enkele bijzondere bevoegdheidsregels opgenomen volgens welke een gedaagde in bepaalde gevallen kan worden opgeroepen voor een andere rechter dan de rechter van de woonplaats van gedaagde. Deze bijzondere bevoegdheidsregels zijn gebaseerd op de nauwe band tussen het gerecht en de vordering of de noodzaak een goede rechtsbedeling te vergemakkelijken. Het bestaan van een nauwe band moet zorgen voor rechtszekerheid en de mogelijkheid vermijden dat de gedaagde wordt opgeroepen voor een gerecht van een lidstaat dat door hem redelijkerwijs niet voorzienbaar was (overweging 16 van de considerans van Brussel I bis).



6.6.
De bijzondere bevoegdheidsregels die een uitzondering vormen op de algemene regel, moeten als zodanig strikt worden uitgelegd. Die uitleg mag zich enkel uitstrekken tot de in de Verordening uitdrukkelijk bedoelde gevallen.



6.7.
De rechter die onderzoekt of hem rechtsmacht toekomt, moet acht slaan op alle aan hem ter beschikking staande gegevens over de werkelijk tussen partijen bestaande rechtsverhouding, daaronder begrepen, in voorkomend geval, op de stellingen van de verweerder. Het onderzoek naar de rechtsmacht mag niet plaatsvinden op basis van enkel de door de eiser gekozen grondslag van de vordering. Er hoeft in de fase van de bepaling van de bevoegdheid geen bewijsprocedure te worden gevoerd met betrekking tot betwiste feiten die zowel voor de rechtsmachtsvraag als voor het bestaan van het ingeroepen vorderingsrecht relevant zijn. Hieruit volgt dat de rechter zich bij de beantwoording van de bevoegdheidsvraag beperkt tot een oordeel op het eerste gezicht.



6.8.
Tegen deze achtergrond zal de rechtbank haar rechtsmacht ten aanzien van de buitenlandse gedaagden vaststellen.


De ankergedaagderegel




6.9.
De Stichting beroept zich onder meer op artikel 7 lid 1 Rv. In dit wetsartikel is de zogenoemde ankergedaagderegel neergelegd. Volgens de Stichting kunnen in dit geval VEN en White Pike, beiden gevestigd te Amsterdam (Nederland) fungeren als ankergedaagden.



6.10.
Artikel 7 lid 1 Rv bepaalt dat indien de Nederlandse rechter ten aanzien van een van de gedaagden rechtsmacht heeft (ook wel: de ankergedaagde), hem ook rechtsmacht toekomt ten aanzien van de andere gedaagden, als tussen de vorderingen tegen de verschillende gedaagden een zodanige samenhang bestaat dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen.



6.11.
Uit de rechtspraak van het HvJEU volgt dat het aan de nationale rechter is om, rekening houdend met alle noodzakelijke elementen van het dossier, te beoordelen of de verschillende bij hem ingestelde vorderingen samenhangend zijn (en dus of er in geval van afzonderlijke berechting gevaar voor onverenigbare beslissingen bestaat). Het gevaar op onverenigbare beslissingen moet worden begrepen als het gevaar op tegenstrijdige beslissingen. Daarbij kan van belang zijn of gedaagden onafhankelijk van elkaar hebben gehandeld. Ook de rechtsgrondslag van de vorderingen zal de rechter in zijn beschouwing moeten betrekken, waarbij geldt dat niet vereist is dat de vorderingen dezelfde rechtsgrondslag hebben. Overeenstemming van de rechtsgrondslag vormt echter wel een relevante factor bij de beoordeling of de verschillende vorderingen samenhangend zijn. Verder geldt dat beslissingen niet reeds tegenstrijdig kunnen worden geacht in de zin van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis – en in het verlengde daarvan artikel 7 lid 1 Rv – op grond van enkele divergentie in de beslechting van het geschil; vereist is dat deze divergentie zich voordoet in het kader van eenzelfde situatie, feitelijk en rechtens.


Toepassing ankergedaagderegel




6.12.
Voor een geslaagd beroep op artikel 7 lid 1 Rv is voldoende is dat één van gedaagden als ankergedaagde kan fungeren. De rechtbank ziet aanleiding om eerst te onderzoeken of VEN hier als ankergedaagde kan fungeren.



6.13.
Bij de vraag of samenhang bestaat tussen de vorderingen op VEN enerzijds en de buitenlandse gedaagden anderzijds, moet eerst gekeken worden naar de rechtsgrondslagen van die vorderingen.



6.14.
De Stichting stelt dat Visa inbreuk heeft gemaakt op het mededingingsrecht – specifiek op het in artikel 101 VWEU opgenomen kartelverbod – doordat zij vanaf 1992 te hoge Inter-regional MIFs heeft afgedwongen voor betalingen met Visa betaalkaarten die zijn uitgegeven buiten de Europese Economische Ruimte (de EER). De Stichting baseert deze stelling op het toezeggingsbesluit. De Stichting baseert haar vorderingen tegen VEN erop dat zij (als dochteronderneming) een economische eenheid vormt met de buitenlandse gedaagden – en zodoende onderdeel uitmaakt van de inbreukmakende onderneming Visa – zoals bedoeld in het Sumal-arrest.



6.15.
Visa voert aan dat de Europese Commissie in het toezeggingsbesluit geen inbreuk op het mededingingsrecht door enige Visa-entiteit heeft vastgesteld. Dat is juist, maar is voor de beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter niet van belang. Weliswaar zal in de hoofdzaak nog moeten worden beoordeeld of gedaagden het mededingingsrecht hebben geschonden door het vaststellen en handhaven van Inter-regional MIFs, maar uit de stellingen van Visa kan niet reeds nu worden afgeleid dat van een inbreuk op het mededingingsrecht van haar zijde geen sprake kan zijn.



6.16.
Verder volgt uit dat in het Athenian Brewery en Heineken/MTB-arrest dat het feit dat de hoofdelijke aansprakelijkheid van de moedermaatschappij en haar dochteronderneming voor een inbreuk op het Europese mededingingsrecht niet is vastgesteld in een definitief besluit van de Europese Commissie, niet in de weg staat aan de toepassing van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis (en in het verlengde daarvan artikel 7 lid 1 Rv).



6.17.
Beoordeeld moet worden of VEN onderdeel uitmaakt van de – door de Stichting gestelde inbreukmakende – onderneming Visa. Voor die beoordeling is het Sumal-arrest relevant.



6.18.
In het Sumal-arrest is bepaald dat een dochteronderneming civiel aansprakelijk kan zijn als bewezen is dat de dochteronderneming en de moedermaatschappij een economische eenheid vormden (de neerwaartse toerekening). Dat is het geval als (i) de dochteronderneming en haar moedermaatschappij economisch, organisatorisch en juridisch zijn verbonden en (ii) een concreet verband bestaat tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld. Als kan worden aangenomen dat sprake is van een economische eenheid, zijn alle rechtspersonen (entiteiten) die deel uitmaken van de onderneming die door die economische eenheid worden gevormd, hoofdelijk aansprakelijk voor de schade die het gevolg is van de inbreuk.


Ad (i)




6.19.
Visa betwist dat voldaan is aan het vereiste onder (i). Zij voert hiertoe – samengevat – aan dat VEN geen deel uitmaakt van de onderneming Visa, omdat geen sprake is van:


economische banden, nu VEN vanaf haar oprichting in 2008 tot 2020 inactief was en in de tussenliggende periode geen economische activiteiten verrichtte, zodat zij geen economische banden heeft met enige Visa-entiteit;


organisatorische banden, nu geen sprake is van een gemeenschappelijk management of van gemeenschappelijke besluitvormingsprocessen tussen VEN en enige andere Visa-entiteit;


juridische banden, nu er geen juridische banden zijn tussen VEN en enige Visa-entiteit die verder gaan dan het aandeelhouderschap. Het enkele feit dat VEN deel uitmaakt van de Visa-groep is onvoldoende om aan te nemen dat sprake is van juridische banden in de zin van het Sumal-arrest.





6.20.
Daarin wordt Visa niet gevolgd. Alle in deze procedure betrokken Visa-entiteiten – waaronder VEN – spelen een rol bij het faciliteren van het Visa-platform. Daarmee is voldaan aan het vereiste onder (i) van het Sumal-arrest. De door Visa genoemde omstandigheden maken dat niet anders, omdat:


uit de stellingen van Visa kan worden afgeleid dat VEN vanaf 2020 economische activiteiten verricht, namelijk de onder 3.15 genoemde ondersteunende diensten ten behoeve van het Visa-platform;


het enkele feit dat geen sprake is van een gemeenschappelijk management of gemeenschappelijke besluitvormingsprocessen tussen VEN en enige andere Visa-entiteit, niet tot het oordeel leidt dat er geen organisatorische banden zijn tussen hen. Het verlenen van ondersteunende diensten is immers onmogelijk als er geen organisatorische banden zijn;


vast staat dat Visa Inc. indirect – onder meer via Visa Europe – alle aandelen in het kapitaal van VEN houdt. Aandeelhouderschap levert op zichzelf al een juridische band op. Zonder verdere toelichting kan Visa niet worden gevolgd in haar stellingname dat op basis van alleen aandeelhouderschap niet de aanwezigheid van een juridische band in de zin van het Sumal-arrest kan worden aangenomen.


Ook wanneer deze door Visa genoemde omstandigheden in hun onderlinge samenhang worden bezien, leidt dat niet tot een ander oordeel.


Ad (ii)




6.21.
Verder stelt Visa dat VEN niet concreet betrokken was bij de door de Stichting gestelde inbreuk. Visa voert aan dat VEN in de periode dat zij een dochtervennootschap van Visa International was (tussen 2008 en 2020), inactief was en dan ook geen economische activiteit verrichtte waarmee een concreet verband kan bestaan met het voorwerp van de gestelde inbreuk.



6.22.
Dit standpunt van Visa wordt verworpen. De Stichting voert terecht aan dat niet vereist is dat de dochtervennootschap zelf de inbreuk pleegt of betrokken is bij de inbreuk door de moedervennootschap. Het gaat namelijk om het voorwerp van de inbreuk. Dat is iets anders dan de inbreuk zelf.



6.23.
Zoals in het Sumal-arrest Sumal niet betrokken was bij de kartelafspraken (de inbreuk), maar wel bij de verkoop in Spanje van de te hoog geprijsde vrachtwagens (het voorwerp van de inbreuk), is VEN niet betrokken bij de vaststelling en handhaving van de – zoals de Stichting stelt: te hoge – Inter-regional MIFs (de gestelde inbreuk), maar wel bij het faciliteren van het Visa-platform in Nederland door daartoe vanaf 2020 ondersteunende diensten (zie 3.15) te verlenen (het voorwerp van de inbreuk).



6.24.
Visa heeft tijdens de zitting aangevoerd dat het HvJEU – in punt 69 van het Stroomkabels & Karton-arrest – het vereiste onder (ii) nader heeft toegelicht met de beschrijving van daaronder vallende actieve, commerciële handelingen gericht op het in het verkeer brengen van het specifieke product of de dienst dat het voorwerp van de inbreuk is. Daaruit volgt dat de dochter de gekartelliseerde producten of diensten moet verkopen, of zorgen voor de productie, verkoop, levering of distributie ervan. Algemene ondersteunende activiteiten vallen daar niet onder, aldus steeds Visa.



6.25.
Daarin wordt Visa niet gevolgd. Het HvJEU heeft in punt 69 van het Stroomkabels & Karton-arrest namelijk overwogen dat met name sprake is van een concreet verband tussen de economische activiteit van de dochteronderneming en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk is gesteld, wanneer de mededingingsverstorende overeenkomst van de moeder- of grootmoedermaatschappij dezelfde producten betreft als die welke de dochter- of kleindochteronderneming verkoopt, of wanneer deze dochter- of kleindochteronderneming zorgt voor de productie, de verkoop, de levering of de distributie van deze gekartelliseerde producten en voor de levering van de gekartelliseerde diensten. Deze overweging is door het gebruik van de woorden ‘met name’ duidelijk niet een limitatief bedoelde opsomming van de voor de beoordeling relevante economische activiteiten. De genoemde overweging ziet gezien de woorden ‘met name’ op alle economische activiteiten die de dochteronderneming verricht met betrekking tot het product of de dienst die het voorwerp van de inbreuk is. Het voorwerp van de inbreuk is in dit geval het Visa-platform. Omdat VEN ondersteunende diensten verleent ten behoeve van het Visa-platform, kan in dit geval een concreet verband worden aangenomen tussen die ondersteunende diensten en het voorwerp van de inbreuk waarvoor de moedermaatschappij aansprakelijk wordt gesteld.



6.26.
Al het voorgaande brengt mee dat is voldaan aan het concrete verband vereiste onder (ii). Dit leidt ertoe dat voorshands (in het kader van dit incident) kan worden aangenomen dat VEN en de buitenlandse gedaagden een economische eenheid vormen en dat VEN hoofdelijk aansprakelijk is voor de schade die door de inbreuk is ontstaan.



6.27.
Nu de hoofdelijke aansprakelijkheid van VEN voorshands wordt aangenomen, is het CDC/Akzo-arrest van belang. Daarin is geoordeeld dat hoofdelijke aansprakelijkheid voor schendingen van het Europese mededingingsrecht een nauwe band vormt voor bevoegdheid op grond van artikel 8 punt 1 Brussel I-bis. Daarmee is, gezien het hiervoor geschetste toetsingskader, de vereiste samenhang als bedoeld in artikel 7 lid 1 Rv gegeven.



6.28.
In al het voorgaande ligt het oordeel besloten dat – anders dan Visa betoogt – de Stichting hier niet doet aan ongeoorloofd ‘forum shopping’ of anderszins misbruik maakt van haar procesbevoegdheid. Zij beroept zich namelijk terecht op de in artikel 7 lid 1 Rv neergelegde ankergedaagderegel.


Conclusie rechtsmacht




6.29.
Al het voorgaande brengt mee dat VEN hier als ankergedaagde kan fungeren. Dit betekent dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 7 lid 1 Rv rechtsmacht heeft om kennis te nemen van de vorderingen van de Stichting tegen de buitenlandse gedaagden.



6.30.
Gezien dit oordeel kan in het midden blijven of White Pike hier (ook) als ankergedaagde kan fungeren.



6.31.
Bij deze stand van zaken komt de rechtbank ook niet toe aan een bespreking van wat partijen – over rechtsmacht op grond van artikel 6 aanhef en onder e Rv – verder nog naar voren hebben gebracht.


Relatieve bevoegdheid




6.32.
Zoals hiervoor in 6.2 is overwogen, is deze rechtbank relatief bevoegd ten aanzien van VEN en White Pike op grond van artikel 99 Rv. De hiervoor aangenomen samenhang in het kader van artikel 7 lid 1 Rv geldt ook voor de relatieve bevoegdheid als bedoeld in artikel 107 Rv. Deze rechtbank is dus ook op grond van artikel 107 (in samenhang met artikel 99) Rv relatief bevoegd kennis te nemen van de vorderingen tegen de buitenlandse gedaagden.


Conclusie




6.33.
Op grond van al het voorgaande worden de vorderingen van Visa afgewezen.


De proceskosten en de daarover gevorderde rente




6.34.
Visa krijgt dus ongelijk en moet daarom de proceskosten van de Stichting betalen. De proceskosten van de Stichting worden begroot op:
- salaris advocaat: € 1.306,00 (2,0 punten x tarief II: € 653,00)
- nakosten: € 189,00 (plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
- totaal: € 1.495,00



6.35.
De over de proceskosten gevorderde wettelijke rente wordt toegewezen zoals hierna in de beslissing is vermeld.


Uitvoerbaarheid bij voorraad




6.36.
De veroordelingen worden uitvoerbaar bij voorraad verklaard.


in de hoofdzaak




6.37.
De hoofdzaak wordt verwezen naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord. Deze mag worden beperkt tot de onderwerpen die worden genoemd in artikel 1018c lid 5 Rv.



6.38.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.





7De beslissing

De rechtbank


in het incident



7.1.
wijst de vorderingen af,



7.2.
veroordeelt Visa in de proceskosten, aan de zijde van de Stichting begroot op € 1.495,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe. Als Visa niet tijdig aan de proceskostenveroordeling voldoet en het vonnis daarna wordt betekend, dan moet Visa € 98,00 extra betalen, plus de kosten van betekening,



7.3.
veroordeelt Visa in de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 Burgerlijk Wetboek over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn voldaan,



7.4.
verklaart de veroordelingen uitvoerbaar bij voorraad,


in de hoofdzaak




7.5.
verwijst de zaak naar de rol van 4 november 2026 voor conclusie van antwoord,



7.6.
houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.H.C. Jongeneel, rechter, bijgestaan door mr. L.J.P.C. Silven, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 12 augustus 2026.


Bijlage I – de vorderingen van de Stichting zoals omschreven in de dagvaarding


De Stichting verzoekt de rechtbank te oordelen als volgt, bij vonnis voor zover
mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Benoeming exclusieve belangenbehartiger

De Stichting aan te wijzen als exclusieve belangenbehartiger in de zin van artikel 1018e lid 1 Rv.

II. Definitie van de Nauw Omschreven Groep


Primair: te bepalen dat de Stichting in deze collectieve actie de belangen behartigt van de volgende groepen van personen, die de Nauw Omschreven Groep vormen in de zin van artikel 1018e lid 2 Rv:

Alle (rechts)personen, waaronder ook personenvennootschappen worden verstaan, met woonplaats in Nederland, die vanaf 22 mei 1992 tot en met: (i) (primair) de datum dat er einduitspraak wordt gedaan in deze zaak, althans (ii) (subsidiair) tot en met 29 oktober 2019, direct of indirect, lnter-regional MIFs hebben betaald (althans die hiervoor kosten hebben afgedragen) vanwege betalingen die zij hebben ontvangen van Visa-betaalkaarten uitgegeven buiten de EER.


Subsidiair, te bepalen dat de Stichting in deze collectieve actie de belangen behartigt van alle Aangemelde Deelnemers die zich voor deze zaak hebben aangesloten bij de Stichting.

III. Opt out

( ii) Te bepalen dat ieder persoon van de (primair) Nauw Omschreven Groep, althans (subsidiair) dat ieder van de Aangemelde Deelnemers, gedurende een periode van drie maanden na de aankondiging in de zin van artikel 1018f lid 3 Rv van de uitspraak tot aanwijzing van de Stichting tot exclusieve belangenbehartiger, de mogelijkheid zal hebben bij schriftelijk bericht aan de griffie van de rechtbank te laten weten zich van de behartiging van hun belangen in deze collectieve actie te onttrekken (opt out).

IV. Verklaring voor recht

Voor recht te verklaren dat:

( a) Gedaagden om de redenen zoals in deze dagvaarding gesteld jegens de Nauw Omschreven Groep, althans tegen de Aangemelde Deelnemers, onrechtmatig hebben gehandeld, meer in het bijzonder dat zij in strijd hebben gehandeld met artikel 6 lid 1 Mw, artikel 101 lid 1 VWEU en/of artikel 6:162 BW; en

( b) Gedaagden hoofdelijk aansprakelijk zijn jegens eenieder die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers en uit dien hoofde de door die (rechts)persoon of entiteit geleden en nog te lijden schade dienen te vergoeden, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;

V. Gebods- en verbodsvordering

( i) Gedaagden te gebieden de Visa Rules in te trekken die betrekking hebben op Inter-regional MIFs, meer in het bijzonder die bepalingen uit de Visa Rules die zien op het instellen, bepalen van de hoogte en/of het (laten) hanteren van Inter-regional MIFs door Acquirers.

( ii) Gedaagden te verbieden Visa Rules of verglijkbare regelingen op te stellen die strekken tot het instellen, bepalen van de hoogte en/of het (laten) hanteren van Inter-regional MIFs door Acquirers.

( iii) Gedaagden te bevelen om binnen een termijn van zes maanden na de datum van het eindvonnis van de rechtbank in deze procedure, te voldoen aan het gebod onder (V) (i), en daaraan de verplichting te koppelen om hierover te rapporteren aan de Stichting, door de verstrekking van een gedegen schriftelijke onderbouwing binnen één week na afloop van de hiervoor vermelde termijn, waaruit moet blijken dát en hoe de Gedaagden zich aan het bevel houden, met concreet bewijs daarvan.

( iv) Te bepalen dat het bevel onder V (i) en het verbod onder V (ii) worden opgelegd onder verbeurte van een last onder dwangsom van EUR 100.000 per overtreding en per dag dat de overtreding voortduurt tot een maximum van EUR 25 miljoen.

VI. Veroordeling tot betaling van een schadevergoeding

( i) Primair: ieder der Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade van eenieder behorende tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, welke schade al dan niet op basis van artikelen 6:97 en/of 6:104 BW door uw rechtbank in goede justitie wordt vastgesteld, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening;


Subsidiair: ieder der Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot betaling van de schade van eenieder behorende tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, welke schade nader op te maken bij staat en te vereffenen zoals bij wet is voorgeschreven, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag der algehele voldoening.

VII. Collectieve schadeafwikkeling

Te bepalen dat alle door Gedaagden aan eenieder die behoort tot de Nauw Omschreven Groep, althans de Aangemelde Deelnemers, verschuldigde vergoedingen aan de Stichting zullen worden betaald onder nader door de rechtbank te stellen voorwaarden van collectieve schadeafwikkeling met inachtneming van het bepaalde in artikel 1018i lid 2 Rv.

VIII. Proceskostenveroordeling en buitengerechtelijke kosten

Ieder der Gedaagden hoofdelijk te veroordelen tot vergoeding aan de Stichting binnen vier weken na het te wijzen vonnis:


Primair:


( i) De volledige, werkelijke proceskosten van dit geding, waaronder de volledige kosten die de Stichting heeft gemaakt en de vergoeding die de Stichting aan de Funder verschuldigd is, op grond van artikel 1018l lid 2 Rv, en/of artikel 237 Rv en/of artikel 6:96 BW, dit alles te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het te wijzen vonnis tot aan de dag van algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet;

( ii) De volledige door de Stichting gemaakte (buitengerechtelijke) kosten en nog in het kader van de schadeafwikkeling te maken kosten, op grond van artikel 6:96 BW, het een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de datum van het vonnis tot aan de dag der algehele voldoening, zo nodig op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet,


Subsidiair


( i) Te bepalen dat de Stichting de aan de Funder te betalen vergoeding in mindering zal mogen brengen op de aan de Nauw Omschreven Groep, althans Aangemelde Deelnemers, uit te keren schadevergoedingen.




Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming).


Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.


Verordening (EU) nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012 betreffende de rechterlijke bevoegdheid, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken (Brussel I-bis).


HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:443 (Moldavië).


HR 29 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019: 443 (Moldavië).


HvJEU 27 september 1988, zaak 189/87 ECLI:EU:C:1988:459 (Kalfelis/Schröder).


HvJEU 11 oktober 2007, zaak C-98/06, ECLI:EU:C:2007:595 (Freeport/Arnoldsson).


HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolossa/Barclays Bank), punt 58-65; HvJEU 16 juni 2016, ECLI:EU:C:2016:449, zaak C-12/15, (Universal Music/Schilling), punt 42-46; HR 14 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:694, onder 4.2.3.


HvJEU 28 januari 2015, zaak C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Harald Kolassa/Barclays Bank plc), punt 64 en HvJ EU 16 juni 2016, zaak C-12/15, ECLI:EU:C:2016:449 (Universal Music), punt 45-46.


HvJEU 13 juli 2006, zaak C-539/03, ECLI:EU:C:2006:458 (Roche/Primus), punt 26 en HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:106 (CDC/Akzo), punt 20.


HvJEU 6 oktober 2021, zaak C-882/19, ECLI:EU:C:2021:800 (Sumal).


HvJEU 13 februari 2025, zaak C-393/23, ECLI:EU:C:2025:85 (Athenian Brewery en Heineken/MTB), punt 30.


HvJEU 16 april 2026, zaken C-672/23 en C-673/23, ECLI:EU:C:2026:293, (Stroomkabels & Karton), punt 69.


HvJEU 21 mei 2015, zaak C-352/13, ECLI:EU:C:2015:335 (CDC/Akzo).
Link naar deze uitspraak